83- At-Tatfief (Zij Die Een Verzuim Plegen)

HOOFDSTUK 83 At-Tatfief (ZIJ DIE EEN VERZUIM PLEGEN)

GEOPENBAARD TE MAKKAH 36 verzen

Algemene opmerkingen:
Dit hoofdstuk veroordeelt degenen die een verzuim plegen en is dienovereenkomstig getiteld. Degenen daarentegen, die hun plichten vervullen, zullen verheven worden. Het zet dus de behandeling van het thema der vorige hoofdstukken voort. Waarom gaat het de rechtschapenen voorspoedig? Omdat zij hun plichten vervullen en trouw zijn aan hun verplichtingen. Waarom dragen de schuldigen leed en vergaan ze? Omdat zij in hun plichten te kort schieten en niet trouw zijn aan de hun toevertrouwde goederen. Het vorige hoofdstuk toont aan, dat elke daad van ieder menselijk wezen opgetekend is; dit handelt over de aantekeningen ten aanzien van de verdorvenen en de rechtschapenen respectievelijk.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

 

1 Wee hen die anderen tekort doen.

2 Wanneer zij voor zichzelf wegen, nemen zij volle maat;

3 Indien zij voor anderen uitmeten of afwegen, geven zij minder (dan behoort).

4 Weten zulke mensen niet dat zij zullen herreizen

5 Op een grote Dag,

6 De Dag, waarop de mensheid voor de Heer der Werelden zal staan?

7 Neen! Het gedenkschrift over de bozen is in Sied Djien.

8 En wat weet gij er van wat Sied Djien is?

9 Het is een geschreven boek. 1388

10 Wee, op die Dag de loochenaars,

11 Die de Dag des Oordeels loochenen.

12 En niemand behalve de zondige overtreder loochent die (Dag),

13 Die zegt, als Onze woorden aan hem worden voorgedragen: "Fabelen der ouden."

14 Neen, maar hetgeen zij plachten te verdienen heeft zich als roest aan hun hart gehecht.

15 Neen, zij zullen die Dag zeker van hun Heer worden uitgesloten.

16 Voorwaar, dan zullen zij in de hel branden,

17 En er zal tot hen worden gezegd: "Dit is hetgeen gij placht te loochenen!"

18 Neen, het gedenkschrift der deugdzame is voorzeker in "Ieliej-jien". 1389

19 En wat weet gij er van wat "Ieliej-joen "is?

20 Een geschreven boek.

21 De nabij (Allah) zijnde zullen het zien.

22 Voorwaar, de deugdzame onder zegeningen,

24 Gij zult in hun gezicht de glans der gelukzaligheid herkennen.

25 Hun wordt zuivere verzegelde wijn te drinken gegeven.

26 Welke zegel muskus is. En laat degenen die wedijveren, hiervoor wedijveren.

27 En hij zal vermengd worden met water van Tasniem; 1390

28 Een bron waaruit de nabij (Allah) zijnde drinken.

29 Waarlijk, de schuldigen plachten de gelovigen uit te lachen,

30 En wanneer zij hen voorbijgingen, knipoogden zij tegen elkander.

31 En wanneer zij tot de hunnen terugkeerden, keerden zij opgetogen terug;

32 En wanneer zij hen zagen, zeiden zij: "Dit zijn inderdaad de dwaalenden."

33 Maar zij waren niet als bewakers over hen gezonden.

34 Daarom zullen op deze Dag de gelovigen over de ongelovigen lachen, 1391

35 Op hoge sofa’s zittende zullen zij aanschouwen;

36 Voorzeker wordt de ongelovigen vergolden voor hetgeen zij plachten te doen!


1388 Sied Djien is het equivalent van sjain, d.i. gevangenis. De optekening of het boek van de daden der verdorvenen is, zoals hier vermeld staat, in een boek is. Een soortgelijke vermelding volgt in het geval van de rechtschapenen in vss. 18-20, met dit verschil, dat het boek der rechtschapenen, gelijk vermeld staat, in de verhevenste plaatsen is. Het boek der daden en de plaats waar het is, zijn dus identisch. M.a.w. het boek der daden is in de mens, omdat de daden bewaard worden door de uitwerking, die ze op de mens hebben; zie noot bij 13 : 11. En het is in een gevangenis, omdat de boze werken ‘s mensen vooruitgang belemmeren en zijn vermogens tot het verrichten van goede en grote daden a.h.w. in een gevangenis opgesloten houden.

1389 ‘Illij’joen komt van ‘ala, d.i. het was hoog, en betekent de hoogste der plaatsen en de verhevenste der graden en die (welke een mens) in het latere verblijf het naast tot Allah (brengt). De hoogste plaatsen zijn dus de optekeningen van de beste daden, die de mens in staat stellen zich hoog te verheffen en de boeien te verbreken, die hen aan lage begeerten kluisteren.

1390 Het water, dat van boven komt, betekent geestelijk de kennis van Allah, want uit deze Bron wordt degenen, die tot Allah nabij gebracht zijn (vs. 28), te drinken gegeven.

1391 Men moet het uitlachen der gelovigen niet letterlijk opvatten. Het woord dahik, dat letterlijk lachen betekent, komt elders ook voor met betrekking tot de aangezichten der rechtschapenen (80 : 39) en betekent slechts de helderheid der hoop op hun aangezichten. Het uitlachen drukt in dit geval eenvoudig een toestand van vreugde uit, die iemand moet doen lachen, want het duidt eenvoudig aan, dat hun positie betreffende de oppermacht zoals die van hun vijanden zou zijn, die in dien toestand de gelovigen uitlachten.