8- Al-Anfaal (De vermeerderingen)


HOOFDSTUK 8 Al-Anfāl Vrijwillige Giften

GEOPENBAARD IN MADINAH: 10 paragrafen; 75 verzen

Aangezien dit hoofdstuk over de slag bij Badr gaat, de eerste veldslag die de moeslims moesten vechten, staat het bekend onder de naam Anfāl. Dit betekent letterlijk vrijwillige giften, hoewel het ook wordt gebruikt voor dingen die tijdens de oorlog zijn verworven, oftewel oorlogsbuit. Ik geef echter de voorkeur aan de letterlijke betekenis van het woord. De strijd moest worden gestreden, maar in die tijd had de moeslimstaat geen schatkamer, arsenaal, of leger en daarom werd er om vrijwillige giften gevraagd. Niet alleen deze veldslag, maar ook alle volgende veldslagen die de moeslims moesten voeren, werden slechts door vrijwillige giften gedragen. De openingsverzen van het hoofdstuk ondersteunen deze betekenis, want daar wordt ons verteld hoe de moeslims zichzelf moeten voorbereiden op een oorlog.

Het hoofdstuk opent met bepaalde verklaringen, die aangeven wat noodzakelijk is in de voorbereiding op de strijd. Hieronder vallen het geven van vrijwillige giften, het opschorten van alle interne geschillen en een bescheiden en nederige houding tegenover Allāh. Het laatste deel van de eerste paragraaf en de tweede paragraaf gaan over de strijd bij Badr. De derde paragraaf wijst de weg naar succes, waarvan de essentie bestaat uit gehoorzaamheid en trouw aan de Heilige Profeet (s.a.w.). Dit waren eigenschappen waar de metgezellen in deze veldslag, onder de meest moeilijke omstandigheden, standvastig blijk van gaven. De vierde paragraaf verwijst naar het succesvolle resultaat van de oorlog. Na de plannen van de tegenstanders tegen de Profeet (s.a.w.) uit de doeken te hebben gedaan, stelt deze paragraaf dat de moeslims tot beschermers van de Heilige Moskee in Makkah zullen worden benoemd, en dat ongelovigen er niet langer toegang toe zullen hebben. De vijfde paragraaf verwijst naar de grote waarde van het succes van de strijd bij Badr, als een teken dat duidt op de waarheidsgetrouwheid van de Profeet (s.a.w.). In aantal waren de moeslims slechts met eenderde van het aantal van hun tegenstanders, en wat betreft de doeltreffendheid van deze kleine groep, die voornamelijk bestond uit oude mannen en onervaren jongeren, waren zij nergens in vergelijking met de sterke en vastberaden strijders van Makkah. De zesde paragraaf wijst op het feit dat succes niet afhankelijk is van aantallen en wapens, terwijl de zevende verder aantoont dat de strijd de kracht van de vijand compleet had ondermijnd. Tenslotte verwijst deze paragraaf naar de vredesverdragen die de Arabische stammen nu probeerden te sluiten met de moeslims, maar die zij later regelmatig schonden. De achtste paragraaf instrueert de moeslims klaar te staan om een klap uit te delen en om goed toegerust te zijn, omdat zij er slechts op konden hopen de vrede veilig te stellen door middel van lichamelijke kracht en wilskracht. De negende brengt hen ervan op de hoogte dat zij tegen zelfs tienmaal hun eigen aantal zullen moeten vechten, en doet hen dus werkelijk bevatten dat zij gereed moeten staan om overweldigende aantallen tegemoet te treden. De laatste paragraaf verklaart in hoeverre die moeslims gesteund moeten worden die ervoor gekozen hadden bij hun polytheïstische broeders te blijven, waarbij de nadruk wordt gelegd op de heiligheid van gesloten verdragen, zelfs met ongelovige stammen.

De Heilige Qoer-ān verwijst vaak naar de slag bij Badr, die het hoofdonderwerp van dit hoofdstuk vormt, als de Foerqān of het Criterium. Reeds in het derde hoofdstuk zien we dat er op deze wijze naar wordt verwezen. In de historische volgorde van gebeurtenissen zou dit hoofdstuk geplaatst moeten worden na het tweede hoofdstuk. Als gevolg van zijn bijzondere karakter, in die zin dat het bewijs verschaft over de waarheid van de missie van de Profeet (s.a.w.), vindt het echter zijn juiste plaats na een volledige bespreking van het profeetschap in het vorige hoofdstuk. Zo illustreert dit hoofdstuk, aan de hand van het eigen leven van de Profeet (s.a.w.), het soort nederlaag dat de tegenstanders van de profeten leden, zoals geïllustreerd door de geschiedenissen van vroegere profeten in het vorige hoofdstuk. Het grootste deel is zonder twijfel geopenbaard, ofwel direct voor, ofwel direct na de veldslag bij Badr, d.w.z. in het tweede jaar van de Hidjrah. De slotverzen van de zevende en de achtste paragraaf verwijzen echter duidelijk naar de herhaalde schending van overeenkomsten door de ongelovigen. Deze verzen moeten zijn geopenbaard gedurende de periode voorafgaand aan de verovering van Makkah, of misschien in de periode die daar direct op volgde. Deze schendingen leidden immers uiteindelijk tot de verklaring van onschendbaarheid, die uitdrukking vindt in het hoofdstuk dat volgt. De verzen 30–35, die volgens sommigen geopenbaard zouden zijn in Makkah, verwijzen in werkelijkheid naar voorbije geschiedenis, waarvoor aandacht wordt gevraagd om de moeslims moed in te spreken gedurende de nieuwe moeilijkheden.

 

PARAGRAAF 1: De slag bij Badr

 

Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 Yas-‘aloe-naka ‘anil-ANFAAL. Qulil-‘Anfaalu lillaahi war-Rasoel: fatta-qullaaha wa ‘as-lihoe zaata-bay-nikum: wa ‘atie-‘ullaaha wa Rasoe-lahoe ‘in-kuntum-Mu’-minien.

1 Zij vragen jou over vrijwillige giften. Zeg: Vrijwillege giften zijn voor Allāh en de Boodschapper.a Dus voldoe jullie plicht aan Allāh en leg jullie geschillen bij, en gehoorzaam aan Allāh en Zijn Boodschapper, als jullie gelovigen zijn.

 

2 ‘Innamal-Mu’-minoe-nallaziena ‘izaa zuki-rallaahu wadjilat quloebuhum wa ‘izaa tuliyat ‘alay-him ‘Aayaatu-hoe zaadat-hum ‘iemaananw-wa ‘alaa Rabbihim yata-wakkaloen;

2 Slechts diegenen zijn gelovigen van wie de harten vervuld zijn van vrees wanneer Allāh wordt genoemd, en wanneer Zijn boodschap aan hen wordt voorgedragen, vergroot dit hun geloof, en zij vertrouwen op hun Heer.

 

3 ‘Allaziena yuqie-moenas-Salaata wa mimmaa razaqnaahum yunfiqoen:

3 Degenen die het gebed onderhouden en uitgeven van wat Wij hen gegeven hebben.

 

4 ‘Ulaaa-‘ika humul-Mu’-minoena haqqaa; lahum daradjaatun-‘inda Rabbihim wa maghfiratunw-wa rizqun-kariem.

4 Dit zijn degenen die in de waarheid geloven. Voor hen zijn er verheven posities bij hun Heer, en bescherming en een eerzaam onderhoud.

 

5 Kamaa ‘agradjaka Rabbuka mim-baytika bil-haqqi, wa ‘inna farieqam-minal-Mu’-miniena la-kaari- hoen.

5 Zelfs toen jouw Heer jou je huis deed verlaten met de waarheid, hoewel een deel van de gelovigen hier zeker afwijzend tegenover stond,a

 

6 Yudjaadi-loenaka fil-Haqqi ba’-da maa tabayyana ka-‘annamaa yusaa-qoena ‘ilal-mawti wa hum yanzuroen.

6 En met jou redetwistte over de waarheid nadat deze duidelijk was geworden – alsof zij de dood in werden gedreven terwijl zij (het) zagen.

 

7 Wa ‘iz ya-‘idukumullaahu ‘ihdat-taaa-‘ifatayni ‘annahaa lakum wa ta-waddoena ‘anna ghayra zaatisj-sjawkati takoenu lakum wa yurie-dullaahu ‘any-yu-hiqqal-Haqqa bi-Kalimaa-tihie wa yaqta-‘a daabiral-kaafirien;-

7 En toen Allāh jullie beloofde dat een van de twee groepen voor jullie zou zijn, en jullie verlangden dat de ongewapende voor jullie zou zijn,a en Allāh wenste de Waarheid te vestigen aan de hand van Zijn woorden,b en de wortels van de ongelovigen te verwijderen –

 

8 Li-yuhiqqal-Haqqa wa yubtilal-Baatila wa law karihal-mudjrimoen.

8 Opdat Hij de Waarheid kon laten overwinnen en de leugens tot niets kon laten komen, hoewel de schuldigen hier afkerig tegenover stonden.

 

9 ‘Iz tasta-ghiesoena Rabbakum fasta-djaaba lakum ‘annie mumiddukum-bi-‘alfim-minalmalaaa-‘ikati murdifien.

9 Toen jullie de hulp zochten van jullie Heer, dus antwoordde Hij jullie: Ik zal jullie helpen met duizend engelen, de een volgend op de ander.

 

10 Wa maa dja-‘alahul-laahu ‘illaa busjraa wa li-tatma-‘inna bihie quloebukum. Wa mannasru ‘illaa min ‘indillaah: ‘innallaaha ‘Aziezun Hakiem.

10 En Allāh bracht dit slechts als goed nieuws opdat jullie harten hierdoor gerustgesteld zouden worden. En de overwinning komt slechts van AllāhAllāh is immers Machtig, Wijs.a


1a. Nafl, mv. nawāfil, betekent een vrijwillig uitgevoerde daad, zoals een niet-verplicht gebed. Nafal, mv. anfāl, betekent een toevoeging of aanvulling op wat vereist is, een vrije of vrijwillige gift; ook wel oorlogsbuit. Er bestaat onder de commentatoren groot verschil van mening over wat hier bedoeld wordt met anfāl. De meest algemeen aanvaarde opinie is dat het verwijst naar bezittingen die zijn verkregen tijdens de oorlog, en in deze betekenis zou het synoniem zijn aan ghanimah. De bevelen met betrekking tot de verdeling van bezittingen die tijdens de oorlog zijn verkregen, de ghanimah, zijn echter opgenomen in v. 41. Volgens R betekent anfālvoordeel die ontstaat zonder dat men ervoor werkt, en op deze basis denken sommige deskundigen dat het woord moet worden uitgelegd als verworven gedurende een oorlog, terwijl er eigenlijk geen oorlog is geweest. Echter, het juiste woord daarvoor is fai’, waarvoor verwezen wordt naar 59:7. Aangezien al het bezit dat wordt verkregen door oorlog wordt gedefinieerd door ghanimah of fai’, neem ik aan dat het woord anfāl hier haar letterlijke betekenis draagt, nl. vrijwillig giften voor de vooruitgang van de zaak van de Islām. Ook aangezien dergelijke vrijwillige giften zeer noodzakelijk waren in een tijd waarin het bestaan van de Islām zelf werd bedreigd. Er is inderdaad geen betere rechtvaardiging voor een oorlog dat dat zij gedragen wordt door de vrijwillige giften van diegenen wier leven in gevaar is. Het is de enige oorlog die door de mensen uit zelfverdediging wordt gevoerd. Oorlogen die gevoerd worden door middel van enorme leningen die een volk uiteindelijk verpletteren, zijn in werkelijkheid oorlogen van kapitalisten tegen de mensen zelf.

5a. De omstandigheden rondom de slag bij Badr zijn verkeerd opgevat, zelfs door sommige moeslims. De christelijke mening over dit punt wordt samengevat in Palmers noot: "De gebeurtenis waarop gezinspeeld wordt, is die waar Moehammad (s.a.w.) voorbereidingen had getroffen om een ongewapende karavaan aan te vallen op weg van Syrië naar Mekka. Aboe Soefjān, die de leiding over de karavaan had, stuurde een bericht naar Mekka en kreeg een escorte van bijna duizend man. Velen onder Moehammads (s.a.w.) volgelingen wilden alleen de karavaan aanvallen, maar de Profeet (s.a.w.) en zijn directe volgelingen waren ervoor zichzelf op de escorte te storten."

Terwijl de verschillende incidenten die hier genoemd op zich waar zijn, bestaat er een misverstand over hun relatie tot elkaar. Het is waar dat er een karavaan terugkeerde uit Syrië, en dat er een leger voortmacheerde vanuit Makkah. Het is ook waar dat sommige moeslims wilden dat zij de karavaan zouden opwachten, en niet de confrontatie zouden aangaan met de strijdmacht uit Makkah. Als de Profeet (s.a.w.) de karavaan had willen plunderen, dan had hij dat lang voordat Aboe Soefjān hulp uit Makkah had gekregen gedaan. Madinah lag op een reisafstand van dertien dagen van Makkah, zodat als de Heilige Profeet (s.a.w.) werkelijk het idee had gehad de karavaan te plunderen als zij Madinah was genaderd, hij dat gedaan zou hebben lang voordat Aboe Soefjān binnen een maand hulp kon krijgen, zelfs als hij op de hoogte was gebracht van de bedoelingen van de Heilige Profeet (s.a.w.) en hulp uit Makkah had laten halen. En waarom zou de Profeet (s.a.w.) al die tijd gewacht hebben en de karavaan niet geplunderd hebben vóór de hulp Aboe Soefjān bereikte?

Badr, waar de ontmoeting plaatsvond, ligt op een afstand van drie dagen reizen van Madinah. Hier ontmoetten de twee elkaar tegemoet trekkende legers elkaar. Dit geeft aan dat het leger uit Makkah al op weg was naar Madinah, toen de moeslims nog geheel onvoorbereid waren. Op het moment dat de twee strijdmachten elkaar ontmoetten, had de vijand gedurende tien dagen voortgemarcheerd, en de moeslims slechts drie dagen. Dit toont duidelijk aan dat de moeslims uitgetrokken waren om zich te verdedigen tegen een oprukkende strijdmacht. De Profeet (s.a.w.) was nooit van plan om de karavaan te plunderen, want als hij dat plan had gehad, had hij dat kunnen uitvoeren lang voor de strijdmacht uit Makkah Madinah was genaderd. Zo had hij wel zijn positie kunnen versterken voor de ontmoeting met een machtige vijand. Het is volkomen duidelijk dat de Heilige Profeet (s.a.w.) pas optrok toen de vijand al meer dan driekwart van de weg naar Madinah had afgelegd, en de karavaan ver achter zich had gelaten.

Verder wordt hier duidelijk gesteld dat een groep van de gelovigen gekant was tegen de strijd. Zij zouden geen tegenwerpingen hebben kunnen maken, als zij slechts een ongewapende karavaan zouden ontmoeten. Wat in het volgende vers gezegd wordt maakt het nog duidelijker, zij trokken ten strijde alsof zij de dood in werden gedreven, omdat zij wisten dat zij een vijand tegemoet traden, die niet alleen driemaal groter was in aantal, maar ook veel machtiger en efficiënter.

7a. De twee groepen die genoemd worden zijn de ongewapende karavaan van de Qoeraisj op weg naar Makkah en de gewapende strijdmacht van de Qoeraisj, die op weg was naar Madinah. Natuurlijk wilden sommige moeslims dat zij de ongewapende karavaan van de Qoeraisj zouden ontmoeten, die nu een eind van Madinahwas, en niet het machtige leger dat optrok tegen Madinah.

7b. Met Zijn woorden wordt hier de vervulling van Zijn woorden bedoeld. De Profeet (s.a.w.) had immers in Makkah verklaart, lang voor het gevecht wekelijk plaatsvond, dat er een ontmoeting zou plaatsvinden tussen de moeslims en de Qoeraisj, waarin de eersten zouden zegevieren. Tot op dat moment hadden de Makkanen gelachen om die voorspellingen, omdat zij zich niet konden voostellen dat hun macht door zo’n onbetekende gemeenschap gebroken zou kunnen worden. Van de vele profetieën die op hun eigen plaats besproken zullen worden, wil ik er hier op één wijzen die de Profeet (s.a.w.) in het veld zelf hardop herhaalde. I‘Ab zegt dat de Heilige Profeet (s.a.w.) op de dag van Bard bad, en zei: "O Allāh, ik smeek U om Uw belofte in te lossen en Uw overeenkomst! O Allāh, als het U behaagt (om deze gemeenschap te vernietigen), zult U niet vereerd worden (op aarde!)." Toen kwam de Heilige Profeet (s.a.w.) naar voren en hij riep uit: "Spoedig zullen de legers verpletterd worden, en zij zullen ons de rug toekeren" (B. 56:89). Nu komen deze slotwoorden voor in 54:45, wat een van de vroegste Makkaanse openbaringen is, en de gebeurtenis geeft aan dat het belang van de slag bij Badr school in de vele profetieën die door hun vervulling getuigden van de waarheid van de Heilige Profeet. (s.a.w.)

10a. Vergelijk 3:124, waar het neerdalen van engelen in de strijd bij Oehoed wordt genoemd. Zie ook 3:124a, waar het doel van de komst van de engelen verklaard wordt. Nergens in de Heilige Qoer-ān wordt gesteld dat de engelen werkelijk vochten, maar hier, net als in 3:126, wordt ons verteld dat de engelen neergezonden waren om het goede nieuws van een overwinning te brengen, en om de harten van de moeslims gerust te stellen. Hier wordt ons ook verteld (v. 11), dat er als gevolg van de komst van de engelen een kalmte neerdaalde over de moeslims, dat hun harten gestrekt werden en hun voetstappen vastberaden. Vers 12 geeft verder aan dat, terwijl de gelovigen aldus vastberaden raakten, er angst werd gezaaid in de harten van de ongelovigen. Vandaar dat het aantal van de engelen in ieder geval overeenkomst met de grootte van de vijandige strijdmacht. In Badr was dat duizend, wat ook de grootte van de vijandelijke strijdmacht was. Zie 3:24a voor de andere twee gevallen.

 

PARAGRAAF 2: De slag bij Badr

 

11 ‘Iz yughasjsjie-kumunnu-‘aasa ‘amanatam-minhu wa yunazzilu ‘alaykum-minas-samaaa-‘i maaa-‘al-liyu-tahhirakum-bihie wa yuzhiba ‘ankum ridjzasj-Sjaytaani wa li-yarbita ‘alaa quloebikum wa yusabbita bihil-‘aqdaam.

11 Toen Hij ervoor zorgde dat jullie werden overvallen door sluimer, als beveiliging van Hem, en Hij water uit de wolken op jullie neer deed dalen, opdat Hij jullie daarmee mocht zuiverena en de onreinheid van de duivel van jullie wegnemen, en opdat Hij jullie harten mocht versterken en daardoor jullie voeten vastberaden mocht maken.b

 

12 ‘Iz yoehie Rabbuka ‘ilalmalaaa-‘ikati ‘annie ma-‘akum fasabbi-tullaziena ‘aamanoe. Sa-‘ulqie fie quloe-billaziena kafarur-ru’-ba fazriboe fawqal-‘a’-naaqi wazriboe minhum kulla banaan.

12 Toen jouw Heer aan de engelen openbaarde: Ik ben met jullie, dus maak degenen die geloven vastberaden. Ik zal de harten van degenen die niet geloven vervullen van ontzetting. Dus sla hen boven de nek, en sla al hun vingertoppen.a

 

13 Zaalika bi-‘annahum sjaaaq-qullaaha wa Rasoelah: wa many-yusjaaqi-qillaaha wa Rasoelahoe fa-‘innal-laaha sjadiedul-‘iqaab.

13 Dit is omdat zij Allāh en Zijn Boodschapper tegenwerkten. En wie Allāh en Zijn Boodschapper tegenwerkt – dan is Allāh waarlijk streng met vergelden.

 

14 Zaalikum fazoe-qoehu wa ‘anna lil-kaafi-riena ‘azaaban-Naar.

14 Dit – proef het, en (weet) dat de straf van het Vuur er is voor de ongelovigen.a

 

15 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘izaa laqietu-mul-laziena kafaroe zahfan-falaa tu-walloe-humul-‘adbaar.

15 O jullie die geloven, wanneer jullie degenen die niet geloven op het oorlogspad tegenkomen, keer hen dan niet de rug toe.a

 

16 Wa many-yu-wallihim yawma-‘izin-duburahoe ‘illaa muta-harrifal-liqitaalin ‘aw mutahay-yizan ‘ilaa fi-‘atin-faqad baaa-‘a bi-ghazabim-minal-laahi wa ma’-waahu Djahannam,-wa bi’-sal-masier!

16 En wie hen op die dag de rug toekeert – tenzij tijedens een gevechtsmanoeuvre of met als doel zich bij een groep te voegen – die zal zeker Allāh’s toorn over zich afroepen en zij toevluchtsoord is de hel. En wat een kwaadaardige bestemming is dat.

 

17 Falam taqtuloehum wa laakinnal-laaha qatalahum. Wa maa ra-mayta ‘iz ra-mayta wa laakinnal-laaha ramaa: wa liyubli-yal-Mu’-miniena minhu balaaa-‘an hasanaa: ‘innal-laaha Samie-‘un ‘Aliem.

17 Dus jullie doodden hen niet, maar Allāh doodde hen, en jij versloeg niet toen jij (de vijand) versloeg, maar Allāh versloeg (hem),a en dat Hij aan de gelovigen een voordeel van Hemzelf mocht verlenen.b Allāh is immer Horend, Wetend.

 

18 Zaalikum wa ‘annal-laaha moehinu kaydil-kaafi-rien.

18 Dita – en (weet) dat Allāh de strijd van de ongelovigen zal verzwakken.

 

19 ‘In-tastaf-tihoe faqad djaaa-‘akumul-fat-h. Wa ‘in-tan-tahoe fa-huwa gayrul-lakum. Wa ‘in-ta-‘oedoe na-‘ud. Wa lan tughni-ya ‘ankum fi-‘atukum sjay-‘anw-wa law kasurat wa ‘annal-laaha ma-‘al-Mu’-minien!

19 Als jullie een oordeel zochten, dan is het oordeel daadwerkelijk tot jullie gekomen;a en als jullie je erbij neerleggen, dan is dat beter voor jullie. En als jullie terugkeren (om te strijden), dan keren Wij (ook) terug en jullie troepen zullen jullie van geen enkel nut zijn, hoewel het er velen zouden kunnen zijn; en (weet) dat Allāh met de gelovigen is.


11a. Vergelijk 25:25. Dat vers is een profetie omtrent de gebeurtenissen van deze opmerkelijke strijd: "En op de dag dat de hemel van wolken uiteen zal barsten, en de egelen naar beneden worden gestuurd zoals zij worden gestuurd." De regenval bracht de moeslims vele voordelen; zie daarvoor de volgende voetnoot.

11b. Voor de regen viel was de positie van de moeslims er zwak. De vijand had het water in handen en de moeslims bevonden zich in een lage en zanderige plaats. Daarom waren er sommigen die twijfels hadden en deze twijfels waren, zoals hier gezegd wordt, te wijten aan de onreinheid van de duivel. Daar de vijand bezit had genomen van het drinkwater, waren de moeslims bang dat zij dorst zouden krijgen en dorst wordt ook wel de duivel van de woestijn genoemd. De regen verstrekte de positie van de moeslims en verlichtte daardoor hun harten. Dit was een zuivering, want na de regenval waren zij allemaal overtuigd van de Goddelijke hulp en dus van hun zege over de vijand.

12a. De laatste zin wordt kennelijk gericht tot de vechtende gelovigen. Het slaan boven de nek duidt ofwel op het slaan van de nekken, of op het slaan van de hoofden, want boven de nek is het hoofd. Het slaan op de vingertoppen wijst op het slaan op de handen die de wapens vasthielden om de moeslims mee te doden. De twee zinsneden betekenen respectievelijk dat de vijand gedood moet worden en uitgeschakeld, om hem zo ongeschikt te maken voor verdere deelname aan de strijd.

14a. Dat wil zeggen, proef de kwelling in dit leven als voorbode op de straf van het Vuur in het volgende leven.

15a. Zahafa betekent oorspronkelijk hij liep of marcheerde stukje bij beetje, en heeft betrekking op het voortkruipen van een kind dat nog niet in staat is te lopen. Later kreeg zahf de betekenis een leger of millitaire strijdmacht die langzaam optrekt naar de vijand, of op logge wijze vanwege hun grote aantal en macht (LL). Zo werd het syniniem aan oorlog, zoals in een hadies die geciteerd wordt door T, farra min al-zahfwat hij vluchtte weg van de oorlog betekent (LL).

17a. Ramā draagt een aantal betekenissen, gooien, werpen, uitwerpen, aanvallen, verslaan, schieten, voortgaan, enz. (LL). Het wordt gebruikt in verband met vechten, en daarom gebruik ik verslaan als equivalent. Net als het origineel, maakt dit de betekenis duidelijk, zonder dat het een bekend object vereist. Het eerste deel van het vers verwijst naar de moeslims in het algemeen – Dus jullie doodden hen niet, maar Allāh doodde hen, waarbij de aangesprokenen in het meervoud staan. Het tweede deel, in het enkelvoud, wordt gelezen als een verwijzing naar de Heilige Profeet (s.a.w.). Verder is er geen verschil tussen de twee passages. De moeslims doodden de vijand, maar er wordt benadrukt dat in werkelijkheid zij de vijand niet doodden, maar dat Allāh hen doodde. De betekenis is kennelijk dat Allāh een hand had in de strijd. Dit wordt ook duidelijk uit het feit dat de driehonderd zeer onervaren jonge mannen, niet toegerust met paarden of wapens, een duizental van de meest vermaarde strijders overwonnen. Dezelfde betekenis moet worden toegekend aan de volgende passage, die verwijst naar het verslaan van de vijand. Of de Profeet (s.a.w.) werkelijk een handvol kiezels naar de vijand gooide, wat de laatste tegenhield, is een andere vraag. Het is voldoende om te weten dat een machtige vijand werd verslagen door ongeveer een derde van hun eigen aantal, terwijl uit oogpunt van efficiëntie en uitrusting zelfs tien mannen van de moeslims niet gelijk waren aan één van de vijand. Het was Allāh’s hand die hen doodde, en het was Zijn hand die hen versloeg en uiteindelijk op de vlucht joeg. Dat de Profeet (s.a.w.) werkelijk een handvol stof naar de vijand gooide is op geen enkele manier in tegenspraak met deze uitleg.

17b. Iblā betekent gewoonlijk proberen en bewijzen, zoals balā’ en ibtilā’ (twee andere werkwoorden van dezelfde stam). Volgens de unanieme mening van alle commentatoren, betekent het hier echtere het verlenen van een gunst (Rz). Ook de lexicons geven het deze betekenis. Daarom verklaart LL de woorden ablā-hoe balā’-an hasan-an als Allāh deed hem een goede daad of verleende hem een voordeel. De goede schenking of het voordeel waarover hier gesproken wordt, is een overwinning die de basis van de Islām verstrekte en die de ganadeslag toediende aan de kwade plannen van diegenen die vastberaden waren hem uit te roeien. Dit wordt duidelijk aangegeven in het volgende vers.

18a. Dit staat hier voor dit was het Goddelijke doel van het tot stand brengen van deze ontmoeting.

19a. Er wordt verhaald dat, toen de Qoeraisj Makkah verlieten om de moeslims aan te vallen, zij zich vasthielden aan de gordijnen van de Ka‘bah en als volgt baden: "O Allāh, sta de beste van de twee strijdmachten bij, en de strijdmacht die de juiste leiding ontvangt, en de meest eerbare van de twee groepen en de meest uitmuntende van de twee religies." Anderen zeggen dat Aboe Djahl in het veld het volgende bad: "O Allāh, wie van ons er beter is in het verbreken van familiebanden en de slechtste is, vernietig hem morgenochtend" (Rz). Palmers opmerking in dit verband, dat de Qoeraisj met de bovenstaande woorden baden "toen zij bedreigd werden door een aanval van Moehammad (s.a.w.)", is een verdraaiing van de feiten. Het is toch zeker absurd om te spreken over Moahammad (s.a.w.) alsof hij de Qoeraisj bedreigt, terwijl de moeslims niet eens een duizendste deel uitmaakten van de hele bevolking van Arabië, en hun militaire kracht bijna te verwaarlozen was in vergelijking met de Qoeraisj.

 

PARAGRAAF 3: De weg naar succes

 

20 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘atie-‘ul-laaha wa Rasoe-lahoe wa laa ta-wallaw ‘anhu wa ‘antum tasma-‘oen.

20 O jullie die geloven, gehoorzaam aan Allāh en Zijn Boodschapper en keer jullie niet van Hem af terwijl jullie horen.

 

21 Wa laa takoenoe kal-laziena qaaloe sami’-naa wa hum laa yasma-‘oen:

21 En weet niet als degenen die zeggen, Wij horen; en zij horen niet.

 

22 ‘Inna sjarradda-waabbi ‘indallaahis-summul-buk-mullaziena laa ya’-qiloen.

22 De meest verachtelijke beestena in Allāh’s ogen zijn waarlijk de doven, de stommen, die niet begrijpen.

 

23 Wa law ‘alimal-laahu fiehim gayral-la-‘asma-‘ahum : wa law ‘asma-‘ahum la-ta-wallaw-wa hum-mu’-rizoen.

23 En als Allāh geweten had dat er enig goed in hen schuilde, dan had Hij hen laten horen. En wanneer Hij hen doet horen, dan zouden zij zich afkeren terwijl zij afwijzend zijn.

 

24 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanus-tadjieboe lillaahi wa lir-Rasoeli ‘izaa da-‘aakum limaa yuh-yie- kum; wa’-lamoe ‘annal-laaha yahoelu baynalmar-‘i wa qal-bihie wa ‘annahoe ‘ilayhi tuh-sjaroen.

24 O jullie die geloven, reageer op Allāh en Zijn Boodschapper wanneer hij jullie roept tot hetgeen jullie leven geeft.a En weet dat Allāh staat tussen een mens en zijn hart,b en dat jullie tot Hem zullen worden samengebracht.

 

25 Wattaqoe fitnatal-laa tusiebannal-laziena zalamoe minkum gaaas-sah: wa’-lamoe ‘annal-laaha sjadiedul-‘iqaab.

25 En hoed julliezelf voor onheil dat misschien niet alleen degenen van jullie zou kunnen vellen die onrechtvaardig zijn;a en weet dat Allāh Streng is met vergelden.

 

26 Wazkuroe ‘ iz ‘antum qalielum-mustaz-‘afoena fil-‘ardi takhaafoena ‘any-yatagattafakumun-naasu fa-‘aawaakum wa ‘ayyadakum-binas-rihie wa razaqakum-minat-tayyi-baati la-‘allakum tasjkuroen.

26 En herinner je dat toen jullie met weinigen waren, zwak geacht werden in het land, angstig dat mensen jullie met bruste kracht zouden wegvoeren,a Hij jullie beschermde en jullie sterkte met Zijn hulp, en jullie van de goede dingen gaf, opdat jullie dank konden zeggen.

 

27 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa tagoe-nul-laaha war-Rasoela wa tagoe-noe ‘amaanaa-tikum wa ‘antum ta’-lamoen.

27 O jullie die geloven, wees niet ontrouw aan Allāh en de Boodschapper, noch ontrouw aan wat jullie is toevertrouwd, terwijl jullie weten.

 

28 Wa lamoe ‘annamaa ‘amwaa-lukum wa ‘awlaadukum fitna-tunw-wa ‘annal-laaha ‘indahoe ‘adjrun ‘aziem.

28 En weet dat jullie rijkdom en jullie kinderen een verleiding zijn, en dat Allāh Degene is bij Wie een geweldige beloning wacht.


22a. Dābbah betekent letterlijk alles wat loopt (of kruipt of sluipt) op de aarde (LL); vandaar elk dier, of een beest, of elk levend ding. Merk op dat de doven en stommen duiden op degenen die geestelijk doof en stom zijn – degenen die niet begrijpen.

24a. Geloof of onderwerping aan Allāh staat gelijk aan leven, en ongeloof is de dood. Onder de uitdrukking hetgeen jullie leven geeft verstaan sommigen de Qoer-ān, anderen zien het als de djihād, of een inspanning in naam van de waarheid Klaarblijkelijk is het geloof.

24b. Met het hart wordt de verlangens van het hart bedoeld. De Goddelijke tussenkomst is het afsnijden van deze verlangens. De gelovigen worden aangespoord om snel te reageren op dse roep van de Profeet (s.a.w.), en zich niet in wereldse zaken te verdiepen, want deze zouden spoedig afgesneden kunnen worden. Of de betekenis is dat zij op de roep van de Profeet (s.a.w.) moeten reageren omdat anders het hart gehard zal worden als straf voor een eerste afwijzing. Zij hebben zich immers beroofd van een gelegenheid om goed te doen, en Allāh kan het hart zodanig afwenden, dat het zich helemaal niet meer naar het goede wendt.

25a. Er wordt hier niet verwezen naar één bijzondere gebeurtenis, maar in het algemeen naar alle kwellingen die van een zo wijdverbreide aard zijn dat zij, naast diegenen voor wie zij in eerste instantie waren bedoeld, zelfs anderen overvallen.

26a. Er was een tijd dat de moeslims zo zwak waren dat zij door middel van voldoende macht weggevoerd konden worden. Dit was hun toestand in Makkah. In Madinah waren zij ongetwijfeld veiliger, en de vijand moest een strijdmacht bijeenbrengen om hen te verslaan. De hulp waaraan hier gerefereerd wordt, kan ook verwijzen naar de Goddelijke hulp die de moeslims ontvingen in de strijd bij Badr.

 

PARAGRAAF 4: Moeslims zullen de beschermers zijn van de Heilige Moskee

 

29 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘in-tatta-qullaaha yadj’al-lakum Fur-qaananw-wa yukaffir ‘ankum sayyi-‘aatikum wa yaghfir lakum. Wallaahu Zul-Fadlil-‘aziem.

29 O jullie die geloven, als jullie je plicht aan Allāh voldoen, zal Hij jullie een onderscheiding verlenen en jullie zonden kwijtschelden, en jullie beschermen. En Allāh is de Heer van geweldige goedgunstigheid.

 

30 Wa ‘iz yamkuru bikallaziena kafaroe li-yusbitoeka ‘aw yaq-tuloeka ‘aw yugri-djoek. Wa yamku-roena wa yamkurullaah: wallaahu Gayrul-maakirien.

30 En toen degenen die niet geloofden een plan tegen jou beraamden, opdat zij jou konden opsluiten of doden of jou weg konden jagen – en zij beraamden plannen, en Allāh had ook een plan uitgedacht; en Allāh is de beste van de planners.a

 

31 Wa ‘izaa tutlaa ‘alayhim ‘Aayaatunaa qaaloe qad sami’-naa law nasjaaa-‘u la-qulnaa misla haa- zaaa ‘in haazaaa ‘illaa ‘asaa-tierul-‘awwalien.

31 En wanneer Onze boodschap aan hen wordt voorgedragen, zeggen zij: Wij hebben het gehoord. Als we zouden willen, zouden we hetzelfde kunnen zeggen;a dit is niet anders dan de verhalen van de ouden.

 

32 Wa ‘iz qaalul-laahumma ‘in-kaana haazaa huwal-Haqqa min ‘indika fa-‘amtir ‘alay-naa hidjaa-ratam-minas-samaaa-‘i awi’-tinaa bi-‘azaabin ‘aliem.

32 En toen zij zeiden: O Allāh, als dit inderdaad Uw waarheid is, laat dan stenen op ons neerregenen uit de hemel of teister ons met een pijnlijke straf.

 

33 Wa maa kaanal-laahu liyu-‘azzi-bahum wa ‘anta fiehim; wa maa kaanal-laahu mu-‘azzibahum wa hum yastaghfiroen.

33 En Allāh wilde hen niet straffen terwijl jij onder hen verkeerde, noch zou Allāh hen willen straffen zolang zij vergiffenis zoeken.a

 

34 Wa maa lahum ‘allaa yu-‘azziba-humul-laahu wa hum yasuddoena ‘anil-Masdjidil Haraami wa maa kaanoe ‘awli-yaaa-‘ah? ‘In ‘awli-yaaa-‘uhoe ‘illal-Mutta-qoena walaakinna ‘aksa-rahum laa ya’-lamoen.

34 En welk excuus hebben zij om Allāh hen niet te laten straffen, terwijl zij (mensen) verhinderen de Heilige Moskee te bezoeken en zij niet de (ware) beschermers ervan zijn? Haar beschermers zijn slechts degenen die aan hun plicht voldoen, maar de meesten van hen weten niet.a

 

35 Wa maa kaana salaatuhum ‘indal-Bayti ‘illaa mukaaa-‘anw-wa tas-diyah: fazoequl-‘azaaba bimaa kuntum takfuroen.

35 En hun gebed bij het Huis is niets meer dan gefluit en het geklap van handen.a Proef dan de straf, omdat jullie niet geloofden.

 

36 ‘Innal-laziena kafaroe yunfi-qoena ‘amwaa-lahum li-yasuddoe ‘an-Sabie-lillaah. Fasa-yunfi-qoena- haa summa takoenu ‘alay-him haaratan summa yugh-laboen. Wallaziena kafaroe ‘ilaa Yahan-nama yuhsjaroena;-

36 Waarlijk gebruiken degenen die niet geloven hun rijkdom om (mensen) van Allāh’s pad af te houden. Gaan zij door om het op deze manier uit te geven, dan zal het hen spijten, dan zullen zij overwonnen worden. En degenen die niet geloven zullen worden samengebracht in de hel,

 

37 Li-yamie-zallaa-hul-gabiesa minat-tayyibi wa yadj-‘alalgaabiesa ba’-zahoe ‘alaa ba’-zin-fa-yar-kumahoe djamie-‘anfa-yadj-‘alahoe fie Djahannam. ‘Ulaaa-‘ika humul-gaa-sieroen.

37 Opdat Allāh de slechten mag scheiden van de goeden, en de ene slechte boven op de andere mag leggen, om ze dan allemaal op een hoop te gooien en in de hel te werpen. Zij zijn waarlijk de verliezers.


30a. Er wordt hier verwezen naar de uiteindelijke plannen van de Qoeraisj, nadat de Profeet (s.a.w.) alleen was gelaten in Makkah omdat de metgezellen naar Madinah waren verhuisd. Verschillende plannen werden voorgesteld tijdens een grote bijeenkomst van de Qoeraisj-leiders in hun stadhuis. Het plan dat uiteindelijk werd aangenomen was dat de Profeet (s.a.w.) gedood moest worden door een aantal jongeren behorend tot verschillende stammen, die hun zwaarden tegelijkertijd in zijn lichaam zouden steken zodat de aanklacht niet één man of één stam zou treffen. Het was met dit doel dat het huis van de Profeet (s.a.w.) werd omsingeld, maar hij ontsnapte onopgemerkt (IH). Het Goddelijke plan was dat de ongelovigen de ondergang van hun macht zouden zien voortkomen uit de handen van de Profeet (s.a.w.).

31a. Dat dit bluf was, wordt bevestigd door het feit dat, hoewel de Heilige Qoer-ān hen herhaaldelijk uitdaagde om iets dat erop leek te produceren, zij er zelfs niet toe in staat waren iets te produceren dat gelijk was aan zijn kortste hoofdstuk.

33a. De straf zou hen moeten overvallen als de Heilige Profeet (s.a.w.) niet langer onder hen was, d.w.z. na zijn vlucht uit Makkah. Maar zelfs toen had de straf voorkomen kunnen worden, als zij om vergeving hadden gevraagd.

34a. Er wordt hier gezegd dat de ongelovigen niet de ware beschermers van de Heilige Moskee zijn. Terwijl die Moskee een embleem van de Eenheid van het Goddelijk Wezen was en haar naam sinds de tijd van Abraham duidelijk verbonden was met monotheïsme, waren de ongelovigen die zich nu opstelden als haar beschermers afgodsdienaren. Er wordt hen dus verteld dat zij niet geschikt zijn om op te treden als haar beschermers. Deze zaak zou worden overgedragen aan een volk dat aan haar plicht voldeed, d.w.z. de moeslims. De woorden bevatten een profetie, niet alleen omtrent het feit dat de bescherming van de Ka‘bah bij de ongelovige Qoeraisj zou worden weggehaald, maar ook omtrent het feit dat zij overgaan in de handen van de moeslims.

35a. In feite werd het Huis niet door hen gebruikt om gebeden te richten tot Allāh, maar voor heiligschennende praatjes en roddels.

 

PARAGRAAF 5: Badr als een teken van de waarheid van de Profeet (s.a.w.)

 

38 Qul-lillaziena kafaroe ‘iny-yan-tahoe yughfar lahummaa qad salaf; wa ‘iny-ya-‘oedoe faqad mazat Sunnatul-‘awwa-lien.

38 Zeg tegen degenen die niet geloven dat, wanneer zij daarmee ophouden, dat wat in het verleden is hen zal worden vergeven; en wanneer zij terugkeren,a dan is het voorbeeld van degenen uit het verleden hen reeds voorgegaan.b

 

39  Wa qaati-loe-hum hattaa laa takoena fit-natunw-wa yakoenad-Bienu kulluhoe lillaah; fa-‘inin-tahaw fa-‘innal-laaha bimaa ya-maloena Basier.

39  En bestrijd hen tot er geen vervolging meer is, en alle religies zijn voor Allāh. Maar wanneer zij ermee ophouden, dan is Allāh waarlijk Degene Die ziet wat zij doen.a

 

40 Wa ‘in-ta-wal-law fa-lamoe ‘annal-laaha Mawlaakum-Ni’-mal – Mawlaa wa Ni’-man-Nasier.

40 En als zij terugkeren, weet dan dat Allāh jullie Beschermer is. Meest uitmuntende Beschermheer en meest uitmuntende Helper!a

 

41 WA-LAMOE ‘ANNAMAA GHANIM-TUM-minsjay-‘in-fa-‘anna lil-laahi gumusahoe wa lir-Rasoeli wa lizilqurbaa wal-yataamaa walmasaakieni wab-nissa-bieli ‘inkuntum ‘aa-mantum-billaahi wa maa ‘an- zalnaa ‘alaa Abdinaa Yawmal-Furqaani Yawmal-taqal-djam-‘aan. Wallaahu ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

41 En weet dat, wat jullie ook verwerven in de oorlog, een vijfde daarvan voor Allāh is en voor de Boodschapper, en voor de naaste familie en de wezen en de behoeftigen en de reiziger, als jullie geloven in Allāh en in wat Wij aan Onze dienaar geopenbaard hebben, op de dag van het Onderscheid, de dag waarop de twee groepen elkaar ontmoetten. En Allāh is de Bezitter van macht over alle dingen.a

 

42 ‘Iz ‘antum-bil-‘udwatiddunyaa wa hum-bil-‘udwatilquswaa war-rakbu ‘asfala minkum. Wa law ta-waa-‘attum lag-talaftum fil-mie-‘aadi wa laakil-liyaqzi-yallaahu ‘amran-kaana maf-‘oelaa; liyah-lika man halaka ‘am-Bayyi-natinw-wa yah-yaa man hayya ‘am-Bayyinah. Wa ‘innal-laaha la-Samie-‘un ‘Aliem.

42 Toen jullie aan de nabije zijde (van de vallei) waren, en zij aan de verre zijde waren, terwijl de karavaan op een plek was lager dan die van jullie.a En als jullie hadden geprobeerd onderling een afspraak te maken, dan hadden jullie die afspraak zeker verbroken,b maarc – opdat Allāh een gebeurtenis kon laten plaatsvinden die moest plaatsvinden;d opdat degene die omkwam aan de hand van een duidelijk bewijs, mocht omkomen en degene die in leven bleef aan de hand van een duidelijkk bewijs, mocht leven.e En waarlijk is Allāh Horend, Wetend.

 

43 ‘Iz yurieka-humul-laahu fie manaa-mika qallielaa: wa law ‘araa-kahum kasieral-la-fasjiltum wa lata-naaza’-tum fil-‘amri wa laakinnal-laaha sallam: ‘innahoe ‘Aliemum-bizaatis-sudoer.

43 Toen Allāh hen als een kleine groep aan jou liet zien in een droom – en als Hij hen als een grote groep aan jou had laten zien, dan waren jullie zeker moedeloos geworden, en hadden jullie over deze zaak geredetwist, maar Allāh redde (jullie). Hij is waarlijk de Weter van wat er in de borsten schuilt.

 

44 Wa ‘iz yurie-kumoehum ‘izilta-qaytum fie ‘a’-yunikum qalielanw-wa yuqallilu-kum fie ‘a’-yunihim liyaqzi-yallaahu ‘amran-kaana maf-‘oelaa. Wa ‘ilal-laahi turdja-‘ul-‘umoer.

44 En toen Hij hen, toen jullie elkaar ontmoetten, in jullie ogen deed voorkomen als met weinigen, en Hij jullie in hun ogen deed voorkomen als met weinigen, opdat Allāh een gebeurtenis kon laten plaatsvinden die plaats moest vinden. En tot Allāh keren alle zaken weer terug.a


38a. Ophouden en terugkeren verwijzen allebei naar de strijd tegen de moeslims en niet naar ongeloof, omdat van de ongelovigen niet gezegd kan worden dat zij terugkeerden tot ongeloof. Zij hadden Badr behoorlijk aangeslagen verlaten en hun wordt verteld dat zij vergeven zouden worden als zij zouden ophouden met vechten.

38b. De betekenis is dat zij hun eigen ondergang konden lezen in het lot van diegenen met wie Allāh eerder in vergelijkbare omstandigheden had afgerekend. Vergelijk 18:55, waarin gesteld wordt dat de ongelovigen slechts wachten "totdat zij worden achterhaald door de gebruiken van de ouden".

39a. Dat wil zeggen dat, als zij de strijd staken en stoppen met het zaaien van onrust, Allāh’s straf niet uitgevoerd zal worden. Allāh ziet wat de mensen doen, en als zij hun leven beteren, zal Hij hen niet straffen. De staat van religieuze vrijheid waarnaar de Islām streefde wordt beknopt verhaald in de twee verklaringen in het begin –er is geen vervolging meer en alle religies zijn voor Allāh.

40a. Als zij de strijd hervatten, dan zal Allāh de moeslimsgemeenschap beschermen en hen helpen tegen hun vijand, omdat Hij hun Berschermheer en Helper is.

41a. LL verklaart ghanama als hij verkreeg een ding zonder moeite. Vandaar dat de oorspronkelijke betekenis van het woord ghanimah eenvoudigweg aanwinst of prestatie is. Het woord werd vervolgens toegepast op de dingen die tijdens een oorlog werden verworven, na de strijd met en het vernietigen van de vijand. Het is nu een technische term voor een dergelijk bezit.

Omtrent het vijfde deel waarover hier gesproken wordt, is de meest gangbare mening dat het nogmaals in vijf delen verdeeld moet worden. In gelijke delen voor de Profeet (s.a.w.), de naaste familie, de wezen, de armen en de reiziger. De naaste familie omvatte alle individuen die behoorden tot de stammen van Bani-Hāsjim en Bani-‘Abd al-Moettalib, voor wie zakāt-geld niet was toegestaan. De armen onder hen werden dus uit deze bron van inkomsten betaald. Van het vijfentwintigste deel van de Profeet (s.a.w.) blijkt dat ook dit werd gebruikt ten gunste van de moeslims. De woorden van een van zijn uitspraken zijn: wa-l-choemsoe mardoed-oen fi-koem, d.w.z. het vijfde deel wordt (ook) teruggegeven aan jullie. Dat de Profeet (s.a.w.) een leven leidde van uiterste eenvoud wordt aan alle kanten erkend. Het overgebleven viervijfde deel van de ghanimah werd verdeeld onder diegenen die deel namen aan de strijd, daar zij op geen enkele andere wijze werden betaald voor hun diensten. Er staat wat dit betreft echter geen voorschrift in de Qoer-ān zelf. Verder kan worden opgemaakt dat deze regeling eenvoudigweg een noodtoestand was. De oorlog werd onverwachts aan de moeslims opgedragen, toen er nog geen staat in de werkelijke betekenis van het woord was gevormd. Er was nog helemaal geen leger, noch een schatkist waaruit de strijd betaald kon worden. Zoals er van de moeslims werd verlangd de strijd te dragen door middel van vrijwillige bijdragen, zo werd hen ook een deel gegund in de oorlogsbuit. Als de staat haar soldaten zou betalen zoals zij haar ambtenaren betaalt, zou de oorlogsbuit in zijn geheel naar de schatkist gaan, net zoals inkomsten uit zakāt of bijdragen naar de staatsschatkist gingen. Nergens is vastgelegd dat de moeslimstaat geen vast leger mag onderhouden.

De dag van het Onderscheid waarnaar hier verwezen wordt is de slag bij Badr. Die wordt zo genoemd omdat voorspellingen van een ontmoting tussen de moeslims en hun vijanden en de overwinning over de vijand, al in zeer vroege openbaringen worden gevonden. Zie ook 3:13a.

42a. De positie van de drie groepen, d.w.z. de moeslims en de twee groepen Qoeraisj, wordt hier uiteengezet. De moeslims waren aan de nabije kant, d.w.z. de kant die het dichtst bij Madinah was, het hoofdlegger van de Qoeraisj bevond zich aan de andere kant, d.w.z. de kant die verder van Madinah was afgelegen. De karavaan bevond zich in een lagere plaats, d.w.z. in de richting van de zeekunst en verder weg van Madinah, op weg naar Makkah.

42b. De moeslims waren zo zwak dat zij niet konden denken aan het maken van een afspraak met de vijand – zij zouden de afspraak verbroken hebben.

42c. Er is hier sprake van een weglating, waarvan de betekenis is: maar er werd een ontmoeting teweeggebracht zonder afspraak.

42d. De gebeurtenis moest plaatsvinden, d.w.z. Allāh had besloten haar te doen plaatsvinden. Maf‘oel betekent letterlijk iets wat al gebeurd is, maar in het Arabisch wordt de verleden tijd vaak gebruikt als de gebeurtenis al zeker is. De gebeurtenis waarnaar verwezen wordt, is de overwinning van de moeslims op de tegenstanders van de Islām.

42e. De ongelovigen hadden duidelijke bewijzen gezien die de waarheidsgetrouwheid van de Profeet (s.a.w.) aantoonden. Zij wezen hem echter toch af, en waren daarom geestelijk gestorven. Nu werden zij in de strijd overwonnen en stierven zo een wereldlijke dood. De betekenis kan ook zijn dat degenen die zouden omkomen, zouden omkomen aan de hand van een duidelijk bewijs, en dat degenen die zouden blijven leven, zouden blijven leven, zouden blijven leven aan de hand van een duidelijk bewijs. De strijd zelf is hier dan het duidelijke bewijs waarover gesproken wordt.

44a. In het voorgaande vers wordt gesteld dat de vijand in een droom aan de Profeet (s.a.w.) verscheen als een kleine groep. Hier wordt ons verteld dat, op het moment dat de twee legers elkaar ontmoeten, de vijand ook als een kleine groep verscheen aan de moeslims. Het tweede punt wordt geheel uitgelegd is 3:13a. Het feit dat de Profeet (s.a.w.) hen in een visioen zag als een kleine groep, moet zonder twijfel worden geïnterpreteerd als een aanwijzing omtrent hun eigenlijke zwakheid, ondanks hun grote aantal.

 

PARAGRAAF 6: Succes is niet afhankelijk van aantallen

 

45 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘izaa laqietum fi-‘atanfas-butoe waz-kurul-laaha kasieral-la-‘allakum tuflihoen:

45 O jullie die geloven, wees moedig wanneer jullie een leger ontmoeten, en gedenk Allāh vaak, opdat jullie succesvol zullen zijn.

 

46 Wa ‘atie-‘ullaaha wa Rasoe-lahoe wa laa tanaaza-‘oe fataf-sjaloe wa tazhaba riehukum was-biroe: ‘innal-laaha ma-‘as-Saabirien.

46 En gehoorzaam aan Allāh en Zijn Boodschapper en redetwist niet onderling, opdat jullie niet ontmoedigd raken en jullie macht verdwijnt; en wees standvastig. Allāh is immers met de standvastigen.

 

47 Wa laa takoe-noe kallaziena garadjoe min-diyaarihim bataranw-wa ri-‘aaa-‘an-naasi wa yasud- doena ‘an-Sabie-lillaah: wallaahu bimaa ya’-maloena Muhiet.

47 En wees niet als degenen die uitbundig uit hun huizen kwamen om gezien te worden door de mensen, en zij verhinderen mensen om Allāh’s weg te gaan.a En Allāh omvat wat zij doen.

 

48 Wa ‘iz zayyana lahu-musj-Sjay-taanu ‘a’-maalahum wa qaala laa ghaaliba lakumulyawma minan-naasi wa ‘innie djaarul-lakum. Falammaa taraaa-‘atil-fi-‘ataani nakasa ‘alaa ‘aqi-bayhi wa qaala ‘innie barie-‘um-minkum ‘innie ‘araa maa laa ta-rawna ‘innie ‘agaafullaah; wallaahu Sjadiedul-‘iqaab.

48 En toen de duivela hen hun daden ogenschijnlijk mooi deed voorkomen, en zei: Geen mens kan jullie overwinnen deze dag, en ik ben jullie beschermer. Maar toen de twee legers elkaar in het zicht hadden, keerde hij zich op zijn hielen om, en zei: Ik ben vrij van jullie, ik zie wat jullie niet zien; ik ben waarlijk bang voor Allāh. En Allāh is Streng met vergelden.


47a. Hier wordt duidelijk verwezen naar het leger van de Qoeraisj, dat met groot enthousiasme was afgemarcheerd om Madinah te vernietigen.

48a. De persoon waarnaar hier verwezen wordt zou Soerāgah ibn Mālik zijn geweest, van de stam van Bani Bakr, een tak van Bani kanānah. Toen de Qoeraisj erop uittrokken om Madinah aan te vallen, waren ze bang dat de Bani Kanānah, die hun aartsvijanden waren, tijdens hun afwezigheid Makkah zouden aanvallen. Soerāgah beloofde hen te helpen. Het kan echter zijn, dat wat hier beschreven wordt slechts het voorstel is van de duivel aan de leiders van de Qoeraisj.

 

PARAGRAAF 7: De kracht van de vijand neemt af

 

49 ‘Iz yaqoelul-Munaa-fi-qoena wallaziena fie quloebihimmarazun gharra haaa-‘ulaaa-‘i Dienuhum. Wa many-yatawakkal ‘alal-laahi fa-‘innallaaha ‘Aziezun Hakiem.

49 En toen de hypocrieten en degenen in wier harten een ziekte schuilt, zeiden: Hun religie heeft hen misleid. En wie er op Allāh vertrouwt, dan is Allāh waarlijk Machtig, Wijs.

 

50 Wa law taraaa ‘iz yatawaffal-laziena kafarul-malaaa-‘ikatu yadri-boena wudjoe-hahum wa ‘adbaa- ra-hum: wazoeqoe ‘Azaabal-harieq!

50 En als je het kon zien, wanneer de engelen degenen die niet geloven doen sterven, slaand op hun gezichten en hun ruggen, en (zeggen): Proef de straf van verbranding.

 

51 Zaalika bimaa qaddamat ‘aydie-kum wa ‘annal-laaha laysa bi-zallaamil-lil-‘abied:

51 Dit is voor hetgeen jullie eigen handen eerder hebben gestuurd, en omdat Allāh niet in het minst onrechtvaardig is tegenover de dienaren –

 

52 Kada’-bi ‘Aali-Fir-‘awna wallaziena min-qablihim : kafaroe bi-‘Aayaa-tillaahi fa-‘agaza-humul-laahu Qa-wiyyun-Sjadiedul-‘iqaab.

52 Zoals het volk van Farao en degenen vóór hen, geloofden zij niet in de boodschap van Allāh, dus strafte Allāh hen voor hun zonden. Allāh is waarlijk Sterk, Streng met vergelden.a

 

53 Zaalika bi-‘annal-laaha lam yaku mughay-yiran-ni’-matan ‘an-amahaa ‘alaa qawmin hattaa yughay-yiroe maa bi-‘anfusihim wa ‘annal-laaha Samie-‘un ‘Aliem:

53 Dit is omdat Allāh een gunst die Hij aan een volk heeft geschonken nooit verandert, totdat zij hun eigen toestand veranderen – en omdat Allāh Horend is Wetend –

 

54 Kada’-bi ‘Aali-Fir-‘awna wallaziena min-qablihim: kazzaboe bi-‘Aayaati Rabbihim fa-‘ahlak-naa- hum-bi-zunoe-bihim wa ‘aghraq-naaa ‘Aala-Fir-‘awn: wa kullun-kaanoe zaalimien.

54 Zoals het volk van Farao en degenen vóór hen. Zij wezen de boodschap van hun Heer af, dus vernietigden Wij hen vanwege hun zonden. En Wij verdronken het volk van Farao, en zij waren allen kwaaddoeners.

 

55 ‘Inna sjarrad-dawaabbi ‘indallaa-hillaziena kafaroe fahum laa yu’-mi-noen.

55 De meest verachtelijke beesten in de ogen van Allāh zijn immers degenen die niet geloven, en zij zouden (toch) niet geloven.

 

56 ‘Allaziena ‘aahatta minhum summa yanqu-zoena ‘ahdahum fie kulli marratinw-wa hum laa yatta-qoen.

56 Degenen met wie jij een overeenkomst sluit, dan verbreken zij hun overeenkomst iedere keer, en zij voldoen niet aan hun plicht.a

 

57 Fa-‘immaa tasqa-fannahum fil-harbi fasharrid bihim-man gal-fahum la-‘allahum yazzakka-roen.

57 Dus wanneer jij hen treft in de strijd, verdeel dan door middel van hen degenen die achter hen staan, opdat zij zich in acht kunnen nemen.a

 

58 Wa ‘immaa tagaafanna min-qawmin giyaanatan fambiz ‘ilay-him ‘alaa sawaaa’: ‘innal-laaha laa yuhibbulgaaa-‘inien.

58 En wanneer je vreest dat een volk jou zal verraden, werp dan (hun verbond) naar hen terug op basis van gelijkheid. Waarlijk houdt Allāh niet van de onbetrouwbaren.a


52a. Het volk van Farao wordt hier genoemd om aan te geven hoezeer de Profeet (s.a.w.) op Mozes leek. De verwijzing voospelt de uiteindelijke totale ondergang van de vijand.

56a. Het geeft aan hoe de tegenstanders van de Islām hun verantwoordelijkheid veronachtzaamheid en hun overeenkomsten schonden. Het gebruik van de woorden iedere keer met betrekking tot deze schendingen toont duidelijk aan dat de moeslims nooit aarzelden om een nieuwe overeenkomst te sluiten nadat er één geschonden was, maar de ongelovigen respecteerden zelfs dan hun overeenkomsten niet. Vandaar dat moeslims als een laatste toevlucht toestemming hadden om niet nagekomen overeenkomsten te verwerpen (v. 58).

57a. Dat wil zeggen dat er een exemplarische straf aan hen opgelegd zou moeten worden, zodat er misschien een halt kon worden toegeroepen aan verdere strijd en bloedvergieten.

58a. Als de andere partij niet trouw blijft aan de vredesovereenkomst, mogen de moeslims die ook verwerpen. Het gebruik van het woord vreest, betekent niet dat slechts een verdenking die niet wordt ondersteund door bepaalde handelingen van de andere partij, genoeg zou zijn voor de verbreking van het verbond. Lees het naast v. 62, en de betekenis wordt duidelijk.

PARAGRAAF 8: Vrede moet worden gewaarborgd door macht

 

59 Wa laa yahsa-bannal-laziena kafaroe sabaqoe : ‘innahum laa yu’-djizoen.

59 En laat degenen die niet geloven niet denken dat zij (ons) kunnen overtreffen. Zij kunnen waarlijk niet ontsnappen.

 

60 Wa ‘a-‘iddoe lahum-mastata’-tum-min-quwwatinw-wa mir-ribaatil-gayli turhiboena bihie ‘aduw-wallaahi wa ‘aduwwa-kum wa ‘aagariena min-doe-nihim, laa ta-lamoe-nahum, ‘Allaahu ya’-lamuhum. Wa maa tunfiqoe min-sjay-‘in-fie Sabie-lillaahi yu-waffa ‘ilaykum wa ‘antum laa tuzla-moen.

60 En breng alle troepen die jullie hebben voor hen in paraatheid en paarden samengebonden bij de grens, om hiermee de vijand van Allāh en jullie vijand angst aan te jagen, en anderen naast hen, die jullie niet kennen – Allāh kent hen. En wat jullie ook uitgeven langsAllāh’s weg, het zal jullie volledig worden terugbetaald, en jullie zal geen onrecht worden aangedaan.a

 

61 Wa ‘in-djanahoe lis-salmie fadjnah lahaa wa ta-wakkal ‘alallaah: ‘inna-hoe Huwas-Samie-ul-‘Aliem.

61 En wanneer zij tot vrede neigen, neig jij daar dan ook toe, en vertrouw op Allāh. Hij is immers de Hoorder, de Weter.

 

62 Wa ‘iny-yurie-doe ‘any-yagda-‘oeka fa-‘inna hasbakallaah. Huwal-lazie ‘ayyadaka binas-rihie wa bil-Mu’-minien;

62. En wanneer het hun bedoeling is jou te misleiden,a dan is Allāh waarlijk voldoende voor jou. Hij is het Die jou sterkte met Zijn hulp en met de gelovigen.

 

63 Wa ‘allafa bayna quloebihim. Law ‘anfaqta maa fil-‘ardi djamie-‘am-maaa ‘allafta bayna quloe-bihim wa laakinnal-laaha ‘allafa baynahum; iennahoe ‘Aziezun Hakiem.

63 En Hij heeft hun harten verenigd. Al had jij alles uitgegeven wat zich op aarde bevindt, dan had jij hun harten niet kunnen verenigen, maar Allāheeft ze verenigd. Hij is waarlijk Machtig, Wijs.

 

64 Yaaa-‘ayyuhan-nabiyyu hasbu-kallaahu wa manittaba-‘aka minal-Mu’-minien.

64 O Profeet, Allāh is voldoende voor jou en voor de gelovigen die jou volgen.


60a. Kracht (Ar. qoewwah) betekent al die dingen die een bron van sterkte zijn, inclusief alle soorten oorlogswerktuigen en andere verdedigende en aanvallende handelingen. De moeslims hadden een zege behaald bij Badr, hoewel zij niet even goed waren uitgerust en geen voorbereiding voor oorlog hadden getroffen. Maar er wordt hun verteld dat zij voortaan goed voorbereiding moeten zijn, en zich van alle krachtbronnen moeten voorzien, zodat de vijand alleen al door hun uitrusting een vredelievende houding aanneemt. Het was duidelijk dat de zwakheid van de moeslims voor hun tegenstanders een verleiding was om hen aan te vallen.

62a. De misleiding staat in verband met wat er wordt gezegd in het voorgaande vers. De betekenis is als volgt: als zij van plan zijn jou te bedriegen onder de dekmantel van vrede, dan moet die vrede zelfs dan aanvaard worden.

 

PARAGRAAF 9: Moeslims komen tegenover overweldigende aantallen te staan

 

65 Yaaa-‘ayyuhan-Nabiyyu harrizil-Mu’-miniena ‘alal-qitaal. ‘Iny-yakum-minkum ‘isjroena saabi-roena yagh-liboe mi-‘atayn; wa ‘iny-yakumminkum-mi-‘atuny-yagh-liboe ‘alfam minalla-ziena kafaroe bi-‘annahum qawmul-laa yafqa-hoen.

65 O Profeet, spoor de gelovigen aan te strijden.a Als er onder jullie twintig standvastigen zijn, zullen zij er tweehonderd overwinnen; en als er honderd van jullie zijn, zullen zij duizend van degenen die niet geloven overwinnen, omdat zij een volk zijn dat niet begrijpt.b

 

66 ‘Al-‘aana gaffa-fallaahu ‘ankum wa ‘alima ‘anna fiekum za’-faa. Fa-‘iny-yakumminkum-mi-‘atun- Saabiratunu-yagh-liboe mi-‘atayn. Wa ‘iny-yakum-minkum ‘alfuny-yaghliboe ‘al-fayni bi-‘Iznillaah: wal- laahu ma-‘as-Saabirien.

66 Nu heeft Allāh jullie lasten verlicht en Hij weet dat er zwakte in jullie schuilt. Dus als er onder jullie honderd standvastigen zijn, zullen zij er tweehonderd overwinnen; en als er duizend van jullie zijn, zullen zij er, met Allāh’s toestemming, tweeduizend overwinnen. EnAllāh is met de standvastigen.a

 

67 Maa kaana li-Nabiyyin ‘any-yakoena lahoe ‘asraa hattaa yus-gina fil-‘ard. Toriedoena ‘arazad-dunyaa, wallaahu yuriedul-‘Aagirah: wallaahu ‘Aziezun Hakiem.

67 Het past een Profeet niet gevangenen te nemen, tenzij hij in het land heeft gestreden en overwonnen. Jullie verlangen naar de vergankelijke dingen van deze wereld, terwijl Allāh het Hiernamaals (voor jullie) wenst. En Allāh is Machtig, Wijs.a

 

68 Law laa Kitaabum-minallaahi sabaqa lamassakum fiemaa ‘agaztum ‘azaabun ‘aziem.

68 Ware het niet voor een verordening van Allāh die (eraan) vooraf was gegaan,a dan was jullie zeker een grote straf toebedeeld voor wat jullie van plan waren te doen.b

 

69 Fakuloe mimmaa ghanimtum halaalan tayyibaa; wattaqullaah : ‘innal-laaha Ghafoerur-Rahiem.

69 Eet dan van het wettige en het goede dat jullie in de oorlog hebben verworven, en voldoe jullie plicht aan Allāh. Waarlijk is Allāh Vergevensgezind, Barmhartig.


65a. Er moet worden opgemaakt dat de oorlog waartoe de moeslims werden aangezet, een verdedigende oorlog was. De moeslims moesten vechten om zichzelf te redden en om de godsdienst van de Islām te beschermen. Het zwaard was tegen hen opgenomen; zie 2:190, 2:217, 22:39, enz.

65b. In vergelijking tot hun vijanden waren de moeslims met zeer weinigen. Zozeer, dat er nog niet één moeslim stond tegenover tien ongelovigen. Vandaar dat hier een duidelijke voorspelling staat dat de moeslims, ondanks hun geringere aantal, zullen zegevieren. Na de slag bij Badr kwam de slag bij Oehoed, waarin de moeslims met minder dan één tegen vier streden tegen de vijand. Deze werd gevolgd door de slag van de Ahzāb, waarin zij met één tegen tien waren en toch werd de vijand verslagen.

66a. In het voorgaande vers wordt gesteld dat twintig geduldige moeslims tweehonderd ongelovigen zullen overwinnen, en volgens sommigen zou dit vers het voorgaande vers teniet doen. Dit is geen juiste zienswijze. Ten eerste, omdat alleen van een bevel gezegd kan worden dat het teniet wordt gedaan, en niet van een stelling. Ten tweede, omdat de twee stellingen verwijzen naar verschillende stadia uit de geschiedenis van de moeslims. Ten tijde van de slag bij Badr bestond er geen moeslimleger. Iedere beschikbare man, jong of oud, ziek of gezond, moest vechten om het leven van de gemeenschap te redden. Zij hadden weinig wapens en ze waren nooit eerder getraind. Naar al deze feiten wordt verwezen met de woorden: Hij weet dat er zwakte in jullie schuilt. Zo kon de moeslimstrijdkracht, zoals die toen was geformeerd, hoogstens tegenstand bieden aan tweemaal hun eigen aantal. Maar er kwam een tijd waarin zij partij waren voor tienmaal hun eigen aantal. Beide stellingen in de Qoer-ān blijken dus waar te zijn. Maar zelfs als de woorden gezien worden als een bevel aan de moeslims om tweemaal en later tienmaal hun aantal te overwinnen, is er geen sprake van dat de ene stelling de andere teniet zou doen. Er zijn twee geboden, een in overeenstemming met de moeslimgemeenschap zoals die toen was, en een andere in overeenstemming met een toekomstige situatie, wanneer zij goed zouden zijn toegerust.

67a. Er bestaat enig misverstand over de betekenis van het hier gebruikte joethchina. Thachoena betekent hij of het werd dik, en athchana betekent ghalaba, hij overwon (LA). Hetzelfde woord wordt in de Heilige Qoer-ān nogmaals op precies dezelfde manier gebruikt. "wanneer jullie hen hebben overwonnen, neem hen dan gevangen" (47:4).

Op gezag van bepaalde geschriften zijn de commentatoren van mening dat dit vers en het volgende verwijzen naar het vrijlaten van de krijsgevangenen die bij Badr gevangen waren genomen, nadat er losgeld voor hen was gevraagd. Men gaat ervan uit dat deze daad hier wordt afgekeurd. Diverse overwegingen geven echter aan, dat deze verzen naar een aantal andere incidenten verwijzen. Ten eerste is de hier vastgelegde voorwaarde waaronder krijgsgevangenen genomen mogen worden, dat de Profeet (s.a.w.) tegen de vijand moest strijden, en dat was bij Badr inderdaad het geval. Ten tweede wordt het maken van krijgsgevangenen en hun vrijlating juist bij deze gelegenheid slechts twee verzen verderop in duidelijke termen gerechtvaardigd, "O Profeet (s.a.w.), zeg tegen de gevangenen die jij in handen hebt: Als Allāh weet dat er iets goeds in jullie harten schuilt, dan zal Hij jullie iets beters geven dan wat jullie is afgenomen" (v. 70). Dit geeft aan dat deze verzen geopenbaard werden toen de gevangenen nog steeds in handen van de moeslims waren, en wat hen is afgenomen, is duidelijk het losgeld dat vele dagen nodig had om Madinah te bereiken. Als het vers een Goddelijk gebod had bevat om gevangenen te doden en niet om hen vrij te laten, zou die stap alsnog genomen kunnen worden. Maar juist het feit dat die stap niet werd genomen, geeft duidelijk aan dat het vers geen dergelijk Goddelijk gebod bevatte.

De wettigheid van de handelwijze van de Heilige Profeet (s.a.w.) bij deze gelegenheid wordt duidelijk uitgedragen door een eerdere openbaring: "Dus wanneer jullie degenen die niet geloven ontmoeten tijdens de strijd, sla de nekken; wanneer jullie hen hebben overwonnen, neem hen dan gevangen, en laat hen later vrij als een gunst of voor losgeld" (47:4). De Profeet (s.a.w.) doodde nooit een enkele krijgsgevangene, zelfs niet na de slag bij Badr, hoewel in sommige van deze slagen duizenden krijgsgevangenen werden genomen. Aan de andere kant werden de gevangenen bijna altijd vrijgelaten als een gunst, en losgeld werd slechts aanvaard voor de gevangenen van Badr.

De vraag is dan: Waarop wordt gedoeld in dit vers en in het vers dat volgd? Het lijkt mij vrij duidelijk dat er verwezen wordt naar het verlangen (let op het gebruik van het woord verlangen in dit vers) – niet naar een al voltooide handeling – van dat deel van de moeslims waarnaar in v. 7 verwezen wordt, en jullie verlangden dat de ongewapende voor jullie zou zijn. Sommige moeslims wensten de ongewapende karavaan aan te vallen en gevangen te nemen, maar plunderingen zoals deze waren, hoewel ze door de ongelovigen wel op de moeslims werden uitgevoerd, niet geschikt voor een profeet. Hij moet eerst een zware strijd leveren uit verdediging en dan, als hij de vijand overwint, mag hij gevangenen maken. Daarom maakt dit gebod ook slavernij illegaal, en staat het alleen toe diegenen vast te houden die in de oorlog gevangen genomen zijn. De zondige dingen van dit leven verwijzen toepasselijk naar de karavaan en haar handelswaar, terwijl de toevoeging van de slotwoorden in v. 69, eet dan van het wettige en het goede dat jullie in de oorlog hebben verworven, aantoont dat het losgeld dat in ruil voor de gevanenen ontvangen is onder de wettige en goede dingen valt.

68a. Naar die verordening van Allāh wordt op verschillende plaatsen in dit hoofdstuk verwezen; deze moest een ontmoeting tot stand brengen met het hoofdleger van de Qoeraisj bij Badr: "En toen Allāh jullie beloofde dat een van de twee groepen voor jullie zou zijn … en Allāh wenste de Waarheid te vestigen" (v. 7); en nogmaals: "Opdat Allāh een gebeurtenis kon laten plaatsvinden die moest plaatsvinden" (v. 42).

68b. Men zegt achadza fi kadzā wat hij nam een ding of ging erop uit of begon het te doen betekent (LL).

 

PARAGRAAF 10: Verhouding tussen de moeslimstaat en anderen

 

70 Yaaa-‘ayyuhan-Nabiyyu qul-liman-fie ‘aydiekum-minal-‘asraaa ‘iny-ya’-lamil-laahu fie quloe-bikum gay-rany-yu’-ti kum gayram-mim-maa ‘ugiza minkum wa yaghfir lakum: wallaahu Ghafoerur-Rahiem.

70 O Profeet, zeg tegen de gevangenen die jij in handen hebt: Als Allāh weet dat er iets goeds in jullie harten schuilt, dan zal Hij jullie iets beters geven dan wat jullie is afgenomen en zal jullie vergeven. En Allāh is Vergevensgezind, Barmhartig.

 

71 Wa ‘iny-yuridoe giyaanataka faqad gaanul-laaha min-qablu fa-‘amkana minhum. Wallaahu ‘Alimun Hakiem.

71 En als zij van plan zijn jou ontrouw te zijn, zo zijn zij ook al eerder ontrouw geweest aan Allāh, maar Hij gaf (jullie) heerschappij over hen. En Allāh is Wetend, Wijs.

 

72 ‘Innal-laziena ‘aamanoe wa haadjaroe wa djaahadoe bi-‘amwaa-lihim wa ‘anfusihim fie Sabie-lillaahi wallaziena ‘aawaw-wa nasaroe ‘ulaaa-‘ika ba-duhum ‘awli-yaa-‘u ba’-d Walla-ziena ‘aamanu wa lam yuhaadjiroe maa lakum-minw-walaayatihim-min-sjay-‘in hattaa yuhaa-djiroe; wa ‘inis-tansaru- kum fid-dienie fa-‘alay-kumun-nasru ‘illaa ‘alaa qawmim baynakum wa baynahum-Miesaaq. Wallaahu bimaa ta’-maloena Basier.

72 Degenen die geloofden en (uit hun huizen) vluchtten en die zich met hun rijkdom en hun levens zeer inspanden langs Allāh’s weg, en degenen die onderdak boden en hulp – zij zijn elkaars vrienden. En degenen die geloofden en niet vluchten, jullie zijn niet verantwoordelijk voor hun bescherming totdat zij vluchten. En wanneer zij jullie hulp zoeken in religieuze zaken, dan is het jullie plicht om (hen) te helpen, behalve tegen een volk met wie jullie een verdrag hebben. En Allāh is Die ziet wat jullie doen.a

 

73 Walla-ziena kafaroe ba’-duhum ‘awli-yaaa-‘u ba’-d. ‘illaa taf-‘aloehu takun-fitnatunfil-‘ardi wa fasaadun-kabier.

73 En degenen die niet geloven zijn vrienden van elkaar. Als jullie het niet doen, dan zal er vervolging zijn in het land en grote onrust.a

 

74 Walla-ziena ‘aamanoe wa haa-djaroe wa djaahadoe fie Sabielil-laahi walla-ziena ‘aawaw-wa nasaroe ‘ulaaa-‘ika humul- Mu’-mi-noena haqqaa: lahum-magh-firatunw-wa rizqun Kariem.

74 En degenen die geloofden en vluchten en zich zeer inspanden langs Allāh’s weg, en degenen die onderdak boden en hulp – dit zijn waarlijk de gelovigen. Voor hen is er vergiffenis en een eerzame voorziening.

 

75 Walla-ziena ‘aamanoe mim-ba’-du wa haa-djaroe wa djaahadoe ma-‘akum fa-‘ulaaa-‘ika minkum. Wa ‘ulul-‘arhaami ba-duhum ‘awlaa biba’-din-fie Kitaa-billaah. ‘In-nallaaha bi-kulli sjay-‘in ‘Aliem.

75 En degenen die later geloofden en vluchtten en die zich zeer inspanden samen met jullie, zij horen bij jullie. En familieleden staan dichter bij elkaar in de verordening van AllāhAllāh is waarlijk de Weter van alle dingen.a


72a. De vrienschap waarop in dit vers gezinspeeld wordt, is een groot discussiepunt geweest onder de commentatoren. De betekenis lijk duidelijk. Degenen die geloofden en die, na vervolgd te zijn, uit hun huizen wegvluchten, vormden een gemeenschap in Madinah, samen met degenen die hen onderdak gaven en hielpen, d.w.z. de Ansār. Maar er waren mensen die ervoor kozen in hun huizen te blijven. De moeslimgemeenschap in Madinah kon de bescherming van de belangen van dergelijke personen niet op zich nemen, en dit is wat er bedoeld wordt met de woorden jullie zijn niet verantwoordelijk voor hun bescherming. Wanneer zij echter hulp zoeken inzake de religie, dan is de moeslimgemeenschap verplicht om hen hulp te verlenen, tenzij er een bondgenootschapsverdrag bestaat met de mensen tegen wie dergelijke hulp gezocht wordt.

73a. Als jullie je broeders in zaken van religie niet helpen, zullen de ongelovigen brutaler worden in hun vervolgingen en meer ellende en chaos in het land veroorzaken.

75a. Wanneer zelfs vreemdelingen die de Islām aangenomen hebben en die uit hun huizen zijn gevlucht "bij jullie" horen, bezitten diegenen die daarnaast nog familiebanden hebben, elk recht om hun belangen beschermd te weten door de moslimgemeenschap.