70- Al-Ma’aaridj (De Wegen der Opvaring)

HOOFDSTUK 70 Al-Ma’aaridj (DE WEGEN DER OPVARING)

GEOPENBAARD TE MAKKAH 2 paragrafen en 44 verzen

Algemene opmerkingen:
De titel van dit hoofdstuk is ontleend aan vers 3, waar Allah de Heer van de Wegen der Opvaring wordt genoemd. Terwijl dit hoofdstuk de zekerheid der bestraffing in de duidelijkste en krachtigste bewoordingen voorstelt, wijst het er op, dat het wezenlijke doel der openbaring is, de wegen der opvaring tot Allah te wijzen; deze wegen worden aan het eind van de eerste paragraaf vermeld. De tweede paragraaf spreekt zeer duidelijk van de schande, die den tegenstanders ontmoeten zal, terwijl een nieuw volk in hun plaats zal worden verwekt.

 

Paragraaf 1 Zekerheid der Bestraffing.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allahde Barmhartige, de Genadevolle.

 

1 Men vraagt naar de straf, die straks zal vallen

2 Over de ongelovigen, die niemand kan weerhouden,

3 Van Allah, de Heer der wegen die omhoog leiden. 1332

4 De engelen en de geest gaan tot Hem op, in een Dag waarvan de maat vijftig duizend jaren is. 1333

5 Heb daarom gepast geduld.

6 Zij (de ongelovigen) zien (de straf) ver weg.

7 Maar Wij zien die nabij.

8 De Dag waarop de hemelen als gesmolten koper zullen worden

9 En de bergen als zachte, gekleurde wol,

10 En een vriend zal een vriend niet vragen,

11 Hoewel zij elkander kunnen zien. Op die Dag zal de schuldige zich gaarne van de straf willen vrijkopen door zijn kinderen,

12 En zijn vrouw en zijn broeder,

13 En zijn familieleden die hem een toevlucht waren,

14 En allen die op aarde zijn, om zich te redden.

15 Stellig niet! Waarlijk het is een laaiend Vuur.

16 Het zal zijn huid afschroeien.

17 Het zal hem opeisen, die zich afwendt en wegloopt

18 En rijkdommen verzamelt, en deze (gierig) terughoudt.

19 Voorwaar, de mens is geschapen met een ongeduldige aard.

20 Als hem kwaad overkomt, is hij vol weeklagen,

21 Maar als hem goed wedervaart, is hij inhalig,

22 Behalve degenen die bidden

23 en in hun gebeden volharden

24 En degenen in wier rijkdommen een vastgesteld deel is

25 Voor de bedelaar en voor hem die niet bedelen kan

26 En degenen die de Dag des Oordeels aannemen.

27 En degenen die de straf van hun Heer vrezen –

28 Voorwaar, er is geen beveiliging voor de straf van hun Heer 

29 En degenen die onthouding betrachten.

30 – Uitgezonderd met hun vrouwen en degenen die zij bezitten, waarvoor hen geen blaam treft.

31 Maar degenen die buiten deze (voorschriften) handelen zijn overtreders –

32 En degenen die het hun toevertrouwde bewaren en hun verdragen nakomen,

33 En degenen die oprecht zijn in hun getuigenissen,

34 En degenen die hun gebeden naleven,

35 Zij zijn het die in de tuinen zullen worden geëerd.


1332 Het Goddelijk Wezen wordt hier de Heer van de wegen der Opvaring Genoemd, hetgeen betekent, dat Hij de wegen uitduidt, waarlangs de mens kan worden verheven. (Dit middel tot verheffing wordt in vss. 22-35 aangegeven). Maar in plaats van de waarheid aan te nemen, eisen de ongelovigen, dat de straf voor het verwerpen van de waarheid tot hen komt.

1333 Deze lengte van den dag dient eenvoudig om aan te tonen, hoe groot de vooruitgang is, die de mens kan maken: een dag van dien vooruitgang staat gelijk met vijftig duizend jaren.

 

 

 

Paragraaf 2 Een nieuw Volk zal verwekt worden.

 

36 Maar wat scheelt de ongelovigen die zich naar u toe spoeden

37 Van rechts en links in groepen? 1334

38 Verwacht elk hunner de tuin van verrukking binnen te gaan?

39 Stellig niet! Wij zijn het Die hen hebben geschapen uit hetgeen zij weten. 1335

40 Maar neen! Ik zweer als Heer van het Oosten en het Westen dat Wij macht hebben.

41 In hun plaats betere (volkeren) dan zij voort te brengen en Wij kunnen (daarin) niet worden verhinderd.

42 Laten zij zich aan ijdele gesprekken overgeven en zich vermaken tot zij de Dag tegemoet gaan welke hun beloofd is,

43 De Dag waarop zij zich uit hun graven zullen haasten alsof zij zich naar een bepaald doel spoeden,

44 Met hun ogen nedergeslagen; schande zal hen bedekken. Zo is de Dag die hun beloofd is. 1336


1334 Dit is een profetische vermelding, die aantoont, dat er een tijd zal komen, wanneer degenen die niet geloven, zich tot de Heilige Profeet (s.a.w.) haasten en in hem geloven zullen.

1335 D.i. hun schepping stelt zich ten doel hen te verheffen, maar de mens kan, enkel door te zeggen dat hij gelooft, geen hoge trappen bereiken. Opvaring volgen, welke reeds zijn uitgeduid.

1336 Dit is een profetisch beeld van de definitieve nederlaag der tegenstanders van de waarheid.