7- Al-A’raaf


HOOFDSTUK 7 Al-A‘rāf: De Verheven Plaatsen

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 24 paragrafen; 206 verzen

De titel van dit hoofdstuk komt van de vermelding van Al-A‘rāf, ofwel De Verheven Plaatsen. Op deze plaatsen staan de rechtschapen dienaren van Allāh, die op volmaakte wijze de wegen van waarheid en goedheid bewandelen.

Het belangrijkste thema van dit hoofdstuk is de waarheid van de Goddelijke openbaring, hoewel er ook sporadisch wordt gerefereerd aan de doctrine van de Goddelijke eenheid. Vandaar dat er wordt verwezen naar de geschiedenissen van de voorgaande profeten.

Het hoofdstuk begint met een uitspraak over de waarheid van de Goddelijke openbaring zoals die gegund werd aan de Heilige Profeet (s.a.w.). Deze waarheid wordt benadrukt door een profetische verwijzing naar de ondergang van degenen die ingaan tegen de verbreiding van de waarheid die hierin besloten ligt. De tweede paragraaf toont aan, dat tegenstand tegen de Profeet (s.a.w.) gelijkstaat aan tegenstand van de duivel tegen de rechtschapen dienaren van Allāh, van wie Adam de stamvader is. Dit wordt in de derde paragraaf gevolgd door een waarschuwing voor alle mensen tegen de insinuaties van de duivel. De volgende vier paragrafen zijn gewijd aan algemene uitspraken betreffende de komst van profeten, het lot van degenen die hen afwijzen en slecht behandelen, en de uiteindelijke triomf van de rechtschapenen. Deze vier worden gevolgd door vier andere paragrafen, die voorbeelden bevatten van deze algemene uitspraken. De voorbeelden zijn genomen uit het leven van vijf profeten, wier namen en belangrijke feiten uit hun leven bekend waren aan de Arabieren, namelijk Noach, Hoed, Sālib, Lot en Sjoe‘aib. Al deze profeten worden, hoewel ze tot verschillende volkeren en verschillende landen behoren, in chronologische volgorde van hun verschijning genoemd. Deze geschiedenissen worden in de twaalfde paragraaf gevolgd door een waarschuwing aan de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.), dat als zij hun leven niet beterden hen eenzelfde lot zou treffen als dat wat de vroegere tegenstanders van de Waarheid overkwam.

De overgebleven helft van het hoofdstuk, met uitzondering van de laatste drie paragrafen, wordt volledig in beslag genomen door de geschiedenis van Mozes en de Israëlieten. Aan die geschiedenis wordt belang gehecht vanwege de nauwe gelijkenis van de Profeet (s.a.w.) van Arabië met de grote Israëlitische profeet, en vanwege de heldere profetieën van Mozes over de komst van een een profeet uit het midden van de Ismaëlieten, ofwel de Arabische natie. Dit is de reden waarom er tegen het einde van die geschiedenis speciaal gewag wordt gemaakt van de profetieën die zijn opgenomen in de Thora en het Evangelie. De laatste drie paragrafen zijn weer van algemene aard, en verwijzen eerst naar het stempel dat de Goddelijke Eenheid drukt op de aard van de mens, en voeren zo bewijsmateriaal aan voor de waarheid van de openbaring. Vervolgens verwijzen zij naar de komst van de ondergang. Er wordt afgesloten met een slotwoord, dat als het ware de essentie van de voorgaande twee hoofdstukken bevat.

Het vorige hoofdstuk gaat vooral over de leer van de Goddelijke Eenheid, terwijl dit gaat over de waarheid van de openbaring. Aangezien de twee onderwerpen nauw samenhangen, vult dit hoofdstuk het vorige aan. Daar waar de slotparagraaf van dat hoofdstuk over de openbaring van de Qoer-ān gaat, opent dit hoofdstuk passend met een verklaring over de Goddelijke bron van de openbaring die is opgenomen in de Heilige Qoer-ān.

Zowel intern als extern bewijsmateriaal toont aan dat dit hoofdstuk rond dezelfde tijd is geopenbaard als het vorige hoofdstuk. Vandaar dat de datum van zijn openbaring kan worden vastgesteld in een periode net vóór de Vlucht. De meest voorkomende opvatting onder de vroegste commentatoren is, dat het geheel in Makkahgeopenbaard is.


PARAGRAAF 1: Ondergang van de tegenstanders

 

Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 Alif-Laaam-Miem-Saaad.

1 (Ik Alāh, ben de beste Weter, de Waarheidlievende.a

 

2 Kitaabun ‘unzila ‘ilayka falaa yakun-fie sadrika haradjum-miehu li-tunzira bihie wa zikraa lil-Mu’-minien.

2 Een Boek aan jou geopenbaard – dus laat hierover geen engte bestaan in jouw harta – opdat je ermee zult waarschuwen, en een Herinneringb aan de gelovigen.

 

3 ‘Ittabi-‘oe maaa ‘unzila ‘ilaykum-mir-Rabbikum wa laa tattabi-‘oe min-doenihie ‘awliyaaa’. Qalielam-maa tazakkaroen.

3 Volg wat er door jullie Heer aan jullie is geopenbaard en volg geen enkele beschermer buiten Hem; hoe weinig nemen jullie je in acht!

 

4 Wa kam-min-qaryatin ‘ahlak-naahaa fa-djaaa-‘ahaa ba-soenaa ba-yaatan ‘aw hum qaaa-‘iloen?

4 En hoeveel steden hebben Wij niet vernietigd! En onze straf kwam tot hen in de nacht of terwijl zij sliepen tussen de middag.a

 

5 Famaa kaana da’-waahum ‘iz-djaaa-‘ahum-ba’-sunaaa ‘illaaa ‘an-qaaloe ‘innaa kunnaa zaalimien.

5 Toen toch, toen Onze straf tot hen kwam, riepen zij niets anders dan: Wij waren waarlijk kwaaddoeners.

 

6 Falanas-‘alannal-laziena ‘ursila ‘ilayhim wa lanas-‘alannalmursalien :

6 En dan zullen Wij zeker degenen ondervragen naar wie boodschappers zijn gestuurd, en Wij zullen de boodschappers ondervragen.a

 

7 Falana-qussanna ‘alayhimbi-‘ilminw-wa maa kunnaa ghaaa-‘ibien.

7 En dan zullen Wij hen zeker met kennis verhalen, en Wij zijn nooit afwezig.a

 

8 Wal-waznu Yawma-‘izi-nilhaqq. Faman-saqulat mawaazienuhu fa-u’laaa-‘ika humul Muf-lihoen.

8 En het oordeel op die dag zal rechtvaardig zijn; dus wat betreft degenen van wie de goede daden zwaar wegen, zij zijn de succesvollen.a

 

9 Wa man gaffat mawaa-zienuhu fa-‘ulaaa-‘ikal-laziena gaasiroe ‘anfu-sahum-bimaa kaanoe bi- ‘Aayaatinaa yazlimoen.

9 En wat betreft degenen van wie de goede daden licht zijn, dat zijn degenen die hun zielen ten onder lieten gaan, omdat zij niet geloofden in Onze boodschap.a

 

10 Wa laqad makkannaakum fil-‘ardi wa dja-‘alnaa lakum fiehaa ma-‘aa-yisj: qalielam-maa tasj-kuroen!

10 En zeker vestigden Wij jullie op de aarde en maakten Wij daarop middelen voor jullie onderhoud; hoe weinig zeggen jullie dank!


1a. Van de vier letters Alif, lām, mim en sād, zijn de eerste drie hetzelfde als aan het begin van hoofdstuk 2, waarvoor verwezen wordt naar 2a. Sad staat voor Sādiq, wat Waarheidlievende betekent, Wiens belofte niet zou falen (AH), of voor Afsal, d.w.z. de beste Beslisser (I ‘Ab-AH), of Saboer, wat de betekenis draagt van deGeduldige of Langverdragende Allāh Die uitstel verleent aan de zondige mensen en Die Zijn rechtschapen dienaren voor enige tijd vervolging en beproevingen laat ondergaan door hun handen.

2a. Haradj betekent engte en de verklarende frase dus laat hierover geen engte bestaan in jouw hart, wordt geïntroduceerd om de Profeet (s.a.w.) gerust te stellen. Deze ondervond op de moment de zwaarst mogelijke tegenstand en werd aan alle kanten omringd door moeilijkheden. Bovendien had zijn missie tot dusver weinig vordering gemaakt.

2b. De Qoer-ān wordt heel vaak dzikr of dzikrā genoemd, d.w.z. een herinnering. Omdat hij in overeenstemming is met de menselijke aard, vormt hij een herinnering aan wat er ingeprent is in de menselijke aard. Of dzikrā neemt hier de betekenis aan van dzikr, d.w.z. eer of verhevenheid, aangezien 43:44 ook als volgt weergegeven kan worden: "Waarlijk is het een herinnering voor jou en jouw volk" (T, LL), en in 38:1: "Bij de Qoer-ān, in het bezit van verhevenheid" (S, LL).

4a. De tegenstanders van de Profeet (s.a.w.) worden hier gewaarschuwd voor een lot gelijk aan het lot van eerdere tegenstanders van de waarheid. De waarheid moet worden gevestigd door de vernietiging van haar tegenstanders, door de overwinning op hun macht, of door hun uiteindelijke overgave.

6a. Degenen aan wie boodschappers gezonden werden zullen ondervraagd worden over hoe zij die boodschappers behandelden, en die laatsten over hoe zij werden ontvangen.

7a. Allāh, als Weter van alle dingen, zal hun vertellen wat zij hebben gedaan; met andere woorden, de gevolgen van hun daden zullen zichtbaar worden.

8a. Wazn betekent het kennen van de maat van een ding (R). In de verwijzing naar de openingswoorden van dit vers, wordt eraan toegevoegd dat er hier wordt gezinspeeld op rechtvaardigheid in de beoordeling van de mens. Mjd zegt dat wazn hier qadā, of beoordelen betekent (IJ).

Het woord mawāzin, dat in het latere deel van het vers voorkomt, is het meervoud van mauzoen, wat wat gewongen wordt betekent, en mizān betekent dat waarmee dingen worden gewogen, of een weegschaal. In het eerste geval betekent mawāzin goede daden of deugden, omdat alleen goede daden gewogen worden – aanvaard door Mjd. In het tweede geval zouden de woorden vertaald worden met de gewichten zijn zwaar of licht, maar de zwaarte of lichtheid van de gewichten is betekenisloos, tenzij het duidt op de zwaarte of lichtheid van de goede daden die iemand op zijn conto heeft staan.

9a. Zoelm draagt, wanneer het overgankelijk wordt gemaakt met behulp van bā, de betekenis van koefr. Zo zegt LL bij zijn uitleg van zalamoe bi-hā in v. 103: "Het wordt ook overgankelijk gemaakt met behulp van bā zoals in de zinsnede in de Qoer-ān (7:103 en 17:59), omdat de betenis kafaroe is."

 

PARAGRAAF 2: Tegenstand van de duivel tegen de mens

 

11 Wa laqad galaq-naakum summa saw-warnaakum summa qulnaa lil-malaaa-‘ikaatis-djudoe li- ‘Aadama fasadjadoe ‘illaa ‘Iblies; lam yakum-minas-saadji-dien.

11 En Wij hebben jullie waarlijk geschapen, en daarna gaven Wij jullie vorm, toen zeiden Wij tegen de engelen: Onderwerp zij zich, behalven Iblies; hij behoorde niet tot degenen die zich onderwierpen.

 

12 Qaala maa mana-‘aka ‘allaa tasdjuda ‘iz ‘amartuk? Qaala ‘ana gay-rum-minh. Galaq-tanie min-naarinw-wa galaq-tahoe min-tien.

12 Hij zei: Wat belemmerde jou, dat jij je niet onderwierp toen Ik je daartoe opdracht gaf? Hij zei: Ik ben beter dan hij; U heeft mij uit vuur geschapen, terwijl U hem schiep uit stof.a

 

13 Qaala fahbit min-haa famaa yakoenu laka ‘an-tatakabbara fiehaa fagrudj ‘innaka minas-saaghirien.

13 Hij zei: Vertrek dan uit deze (staat), want het is niet aan jou om je hier trots te gedragen. Vertrek daarom, waarlijk behoor jij tot de verworpenen.a

 

14 Qaala ‘anzirnie ‘ilaa yawmi yub-‘asoen.

14 Hij zei: Geef mij uitstel tot de dag dat zij worden gewekt.a

 

15 Qaala ‘innaka minal-munzarien.

15 Hij zei: Jij behoort waarlijk tot degenen aan wie uitstel wordt verleend.

 

16 Qaala fa-bimaaa ‘aghwaytanie la-‘aq-‘udanna lahum Siraatakal-Mustaqiem :

16 Hij zei: Daar U van oordeel bent dat ik dwalende ben,a zal ik hen zeker opwachten langs Uw rechte pad,

 

17 Summa la-‘aati-yannahummim-bayni ‘aydiehim wa min gal-fihim wa ‘an ‘ay-maanihim wa ‘an-sjamaaa-‘ilihim : wa laa tadjidu ‘aksarahum sjaakirien.

17 Dan zal ik hen zeker overvallen, van voren en van achteren, en van rechts en van links; en U zult merken dat de meesten van hen niet dankbaar zijn.

 

18 Qaalag-rudj minhaa maz-‘oemam-madhoeraa. Laman-tabi-‘aka minhum la-‘amla-anna Djahanna- ma minkum ‘adjma-‘ien.

18 Hij zei: Verdwijn hieruit, veracht, verdreven. Wie van hen jou zal volgen, Ik zal de hel zeker vullen met jullie allemaal.

 

19 Wa yaaa-‘Aada-mus-kun ‘anta wa zaw-djukal-Djannata fakulaa min haysu sji’-tumaa wa laa taqrabaa haazihisj-sjadjarata fatakoenaa minaz-zaalimien.

19 En (Wij zeiden): O Adam, bewoon de tuin, jij en je echtgenote, en eet van waar jullie dit wensen, maar kom niet in de buurt van deze boom, opdat jullie niet tot de onrechtvaardigen zullen behoren.a

 

20 Fa-was-wasa lahumasj-Sjay-taanu li-yubdi-ya lahumaa maa woe-riya ‘an-humaa min-saw-‘aatihi- maa wa qaala maa nahaa-kumaa Rabbu-kumaa ‘an haazihisj-sjadjarati ‘illaaa ‘an-takoenaa malakayni ‘aw takoenaa minalgaa-lidien.

20 Maar de duivel deed hen de kwaadaardige influistering dat hij aan hen duidelijk zou maken wat voor hen van hun schaamte verborgen was geweest,a en hij zei: Jullie Heer heeft deze boom verboden, opdat jullie geen engelen zullen worden, of tot de onsterfelijken zullen behoren.

 

21 Wa qaasama-humaaa ‘innie lakumaa la-minan-naasihien.

21 En hij bezwoer hen beiden: Ik ben waarlijk een oprechte raadgever voor jullie –

 

22 Fadallaa-humaa bi-ghuroer. Falammaa zaaqasj-sjadjarata badat lahumaa saw-‘aatu-humaa wa tafiqaa yag-sifaani ‘alay-himaa minw-waraqil-Djannah. Wa nadaa-humaa Rabbu-humaa ‘alam ‘anha-kumaa ‘an-tilkumasj-sjadjarati wa ‘aqul-lakumaaa ‘innasj-Sjaytaana lakumaa ‘aduw-wummubien?

22 Zo zorgde hij ervoor dat zij vielen door bedrog. Dus toen zij van geproefd hadden van de boom, werd hun schaamte hen duidelijk, en beiden begonnen zij zich te bedekken met bladeren uit de tuin.a En hun Heer sprak tot hen: Had Ik jullie die boom niet verboden en heb Ik jullie niet verteld dat de duivel waarlijk jullie openlijke vijand is?

 

23 Qaalaa Rabbanaa zalamnaaa ‘anfu-sanaa : wa ‘il-lam taghfir-lanaa wa tar-hamnaa lanakoe-nanna minal-gaa-sirien.

23 Zij zeiden: Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan; en als U ons niet vergeeft en (geen) genade met ons kent, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren.

 

24 Qaalah-bitoe ba’-du-kum liba’-din ‘aduww. Wa lakum fil-‘ardi musta-qarrunw-wa mataa-‘un ‘ilaa hien.

24 Hij zei: Vertrek – sommigen van jullie de vijanden van anderen. En er is voor jullie een verblijfplaats op aarde en een voorziening voor een tijd.

 

25 Qaala fiehaa tah-yawna wa fiehaa tamoe-toena wa minha tug-radjoen.

25 Hij zei: Daarin zulllen jullie wonen, en daarin zullen jullie sterven, en daarvandaan zullen jullie worden opgewekt.a


11a. De woorden van dit vers maken duidelijk dat wat hier gezegd wordt over Adam voor alle mensen geldt. Eerst wordt de mens geschapen, daarna gevormd, en dan wordt de opdracht aan de engelen gegeven om zich neer te buigen voor Adam, die op deze manier de mens symboliseert, want het vers spreekt in de openingswoorden over de mens in het algemeen. Zo wordt van de engelen werkelijk verwacht dat zij zich onderwerpen aan ieder mens; zie 2:34a, 34b, 34c.

12a. In de Heilige Qoer-ān wordt vaak gerefereerd aan de schepping van de mens uit stof. Niet alleen Adam is geschapen uit stof, maar van alle mensen wordt gezegd dat zij op dezelfde manier geschapen zijn; zie 3:59a. In tegenstelling tot de schepping van de mens uit stof, maakt de duivel er aanspraak op dat hij uit vuur geschapen is. De betekenis kan zijn dat de overheersende factor in de schepping van de mens de aarde is, terwijl die van de duivel vuur is. Dit kan een verwijzing zijn naar de aarde van de temparamenten van de twee soorten, mensen en duivels. De Heilige Qoer-ān zegt elders: "De mens is geschapen uit haast" (21:37), wat betekent dat hij haastig is. Op gelijke wijze kan de schepping van de duivel uit vuur betekenen dat hij over een vurig temparament beschikt. de volmaakte mens is nederig en zachtmoedig, geschapen uit stof, wat staat voor nederigheid en zachtmoedigheid. Zo kan de beschrijving die hier wordt gegeven, staan voor de belangrijke kenmerken van de temparamenten van de twee soorten wezens. Elders wordt gesteld dat de djinn geschapen werden uit vuur (15:27), en ook dat Iblies bij de djinn hoorde (18:50).

13a. Degradatie is altijd de straf geweest voor diegenen die opstaan tegen de profeten van Allāh. Hij vernedert hen die zichzelf als machtig beschouwen.

14a. De greep van de duivel houdt slechts stand tot de mens geestelijk tot leven wordt gewekt. De opwekking staat hier voor de geestelijke opstanding van de mens. Als de Opstanding bedoeld wordt, zou de betekenis zijn dat de duivel de mens zou misleiden zolang als de mens op de aarde leeft.

16a. Aghwā-hoe (van ghawā, hij dwaalde af) betekent normaal gesproken hij was er de oorzaak van dat hij afdwaalde, maar soms verwijst het ook naar de bestraffing voor de dwaling. Zo zou joeghwija-koem in 11:34 als Allāh jullie wenst te straffen voor dwalingen betekenen (LL). Volgens T betekent het jahkoema ‘alai-koem bi-ghajji-koem, ofwel van oordeel zijn dat jullie dwalende zijn. Volgens Rz is de betekenis dat hij ervoor zou zorgen dat jullie ten onder gaan. Maar ghawā (waarvan aghwā de causatiefvorm is) betekent ook chāba (T, LA), d.w.z. hij was teleurgesteld of slaagde er niet in zijn verlangen te volbrengen, en ook fasada ‘alai-hi ‘aisjoe-hoe (LA), d.w.z. zijn leven werd slechts voor hem (wat de juiste betekenis is van ghawā in 20:121). Daarom kunnen de woorden ook geïnterpreteerd worden als U hebt het leven slechts voor me gemaakt, of U bent er de oorzaak van dat ik teleurgesteld blijf.

19a. Zie 2:35c voor de betekenis van de boom.

20a. Sau’ at betekent schaamte of delen van het lichaam die bedekking nodig hebben. Ook verwijst het naar iedere uitspraak of daad waarvoor iemand zich schaamt wanneer die duidelijke is, of naar ieder kwaadaardig, zondig of onbehoorlijk bezit, eigenschap, gebruik of gewoonte (T, LL). De influisteringen van de duivel leiden de mens altijd naar de onthulling van zijn schaamte.

22a. Je bewust zijn van het feit dat je iets hebt gedaan wat beneden je eigenwaarde is, is de zekerste weg naar het bereiken van volmaaktheid. De bedekking met de bladeren uit de tuin duidt op de wens om met menselijke inspanningen elke fout die gemaakt kan worden, goed te maken. De kleding die beschermt tegen het kwaad, waarover in v. 26 wordt gesproken als zijnde de beste kleding, verheldert hier de betekenis van het bedekken. Goddelijke openbaring wijst de mens de weg, en stelt hem in staat zichzelf te bedekken of te hoeden voor het kwaad. Verder toont de bewering in v. 27, de kleding van hen af te trekken om hun hun schaamte te tonen, aan dat de bedekking met de bladeren uit de tuin een allegorische uitspraak is; zie 27a. De Qoer-ān geeft ook aanwijzingen met betrekking tot de lichamelijke behoeften van de mens, maar zelfs hieraan ligt een idee ten grondslag voor de geestelijke verheffing van de mens.

25a. Dit vers bewijst afdoende dat iedere mens op aarde moet leven en sterven, Jezus kon op deze regel geen uitzondering zijn.

 

PARAGRAAF 3: Waarschuwing tegen de toespelingen van de Duivel

 

26 Yaa-Banie-‘Aadama qad ‘anzal-naa ‘alay-kum libaasany-yu-waarie saw-‘aati-kum wa riesjaa. Wa libaasut-taqwaa zaalika gayr. Zaalika min ‘Aayaa-til-laahi la-‘al-lahum yaz-zakka-roen.

26 O kinderen van Adam, Wij hebben jullie inderdaad kleding gestuurd om jullie schaamte te bedekken, en (kleding) voor schoonheid;a en kleding die behoedt voor het kwaad – die is de beste.b Dit is uit de boodschap van Allāh opdat zij indachtig kunnen zijn.

 

27 Yaa-Banie-‘Aadama laa yafti-nanna-kumusj-Sjay-taanu kamaaa ‘agradja ‘aba-waykum-minal-Djan- nati yan-zi-‘u-‘anhumaa libaasa-humaa liyuri-yahumaa saw-‘aati-himaa. ‘Innahoe yaraa-kum huwa wa qabie-luhoe min haysu laa tarawnahum. ‘Innaa dja-‘alnasj-sjayaa-tiena ‘aw-liyaaa-‘a lillaziena laa yu’-minoen.

27 O kinderen van Adam, laat de duivel jullie niet verleiden, zoals hij jullie ouders uit de tuin verdreef en hun kledinga van hen aftrok om hun hun schaamte te tonen. Hij ziet jullie zeker, zowel hij als zijn leger, van waar jullie hen niet kunnen zien. Waarlijk hebben Wij de duivels gemaakt tot de vrienden van de ongelovigen.b

 

28 Wa ‘izaa fa-‘aloe faahisjatan-qaaloe wadjadnaa ‘alayhaaa ‘aabaaa-‘anaa wallaahu ‘amaranaa bihaa. Qul ‘innallaaha laa ya’-muru bil-fahsjaaa’. ‘Ataqoe-loena ‘alallaahi maa laa ta’-lamoen?

28 En wanneer zij zich onzedelijk gedragen, zeggen zij: Wij hebben onze vaderen dit zien doen en Allāh heeft het ons bevolen. Zeg: Waarlijk legt Allāh geen onzedelijkheid op. Beweren jullie over Allāh (dingen) waar jullie geen weet van hebben?a

 

29 Qul ‘amara Rabbie bilqist. Wa ‘aqiemoe wudjoe-hakum ‘inda kulli mas-djidinw-wad-‘oehu mug-lisiena la-huddien. Kamaa bada-‘akum ta-‘oedoen.

29 Zeg: Mijn Heer beveelt gerechtigheid.a En houd jullie gezichten (op)recht op ieder moment van gebed en roep Hem aan, oprecht in jullie gehoorzaamheid aan Hem. Zoals Hij jullie tot leven wekte, zo zullen jullie terugkeren.

 

30 Farie-qan hadaa wa farieqan haqqa ‘alay-himuz-zalaalah: ‘innahumut-taga-zusj-sjayaa-tiena ‘aw-liyaaa-‘a mindoenil-laahi wa yah-saboena ‘annahum-muhta-doen.

30 Een groep heeft Hij geleid, en een andere groep – verdoemenis is terecht hun deel.a Zij namen immers de duivels tot vriend in plaats van Allāh en zij denken dat zij de juiste leiding ontvangen.

 

31 Yaa-Banie-‘Aadama guzoe zienatakum ‘inda kulli mas-djidinw-wa kuloe wasj-raboe wa laa tusrifoe, ‘innahoe laa yuhibbul-musrifien.

31 O kinderen van Adam, besteed aandacht aan jullie kledij bij ieder gebed, en eet en drink en wees niet verkwistend; Hij heeft de verkwisters immers niet lief.a


26a. Risj betekent oorspronkelijk veren of pluimage, de kleding en tooi van vogels, en wordt gebruikt voor prachtige of geweldige kleding, of voor versiering en schoonheid (LL).

26b. In eerste instantie diende kleding er slechts voor de schaamte te bedekken. Met de vooruitgang probeerden de mensen hun persoon ermee te verfraaien. Maar er is nog een derde soort kleding zegt de Qoer-ān, en die is de beste. Dat is libās al-taqwā of de kleding van vroomheid, letterlijk de kleding die iemand behoedt voor hen kwaad. Het duidt op een volgende stap in de ontwikkeling van de mens, want deugd is een verfraaiing van de geest. Wanneer een mens het goede heeft ingezien van de verfraaiing van zijn persoon, dan zal hij zich snel bewust worden van de noodzaak zijn geest te verfraaien.

27a. Dat hier niet de kleding voor het lichaam wordt bedoeld, wordt duidelijk uit het feit dat alle mensen worden gewaarschuwd tegen een soortgelijke aanval van de duivel. Omtrent de aard van de kleding waarvan Adam werd ontdaan bestaat geen twijfel meer, wanneer men inziet dat de duivel probeert ieder kind van Adam te ontdoen van soortgelijke kleding. Mjd zegt: Het is de kleding die behoedt voor het kwaad, en met hun sau’at wordt bedoeld het kwaad dat hen overviel als gevolg van hun ongehoorzaamheid (AH).

27b. Omdat zij niet in de Waarheid geloven maken zij de duivels tot hun vrienden. Degenen die hun band met de Bron van zuiverheid verbreken, moeten tot onzuiverheid vervallen.

28a. Sommigen beschouwen de onzedelijkheid waaraan hier wordt gerefereerd, als het feit dat zij naakt hun ronde deden rond de Ka‘bah (Mjd-IJ). Maar de uispraak is algemeen, en hoeft niet beperkt te worden.

29a. Het woord qist wordt op verschillende manieren uitgelegd, en krijgt de volgende betekenissen mee: Goddelijke Eenheid; wat goed en juist is; waarheid (AH). Deze betekenissen liggen werkelijk allemaal besloten in de letterlijke betekenis van het woord qist, dat rechtvaardigheid betekent in de breedste zin van het woord.

30a. Haqqa ‘alai-hi kadzā betekent wadjaba of thabata (T). Volgens LL is de betekenis in dergelijke gevallen dat iets noodzakelijk is geworden omdat het in zijn geval aansluit bij de vereisten van rechtvaardigheid. Dalālah betekent soms de straf voor dalālah (R), of een staat van verdoemenis (LL). De zinsnede kan ook betekenen dathet feit dat zij afdwalen of in dwaling blijven, in hun geval aansluit bij de vereisten van rechtvaardigheid. In feite verklaren de woorden zichzelf. Verdoemenis is terecht hun deel omdat zij de duivels tot vriend hebben genomen. Wie de duivel blijft volgen zal immer dwalende blijven.

31a. Van zinat of kledij wordt hier over het algemeen aangenomen dat het kleding betekent. Het zou dan verwijzen naar de gewoonte om naakt rond de Ka‘bah te lopen. Het woord zelf heeft echter een bredere betekenis. Volgens R is werkelijke kledij dat wat een mens niet onteert of onbetamelijk voorstelt in een van zijn toestanden, ofwel in dit leven of in het leven dat komen gaat. Besteed aandacht aan je kledij heeft hier daarom een dubbele betekenis. Het vereist dat men zich lichamelijk kleedt, d.w.z. dat een mens zijn kleren aan moet hebben als hij een gebed verricht tot Allāh. Bij gezamenlijke gebeden, bij de enorme samenkomsten op de vrijdagen en de ‘Ied, wordt van de moeslims vereist dat zij een bad nemen voor zij naar de moskee komen, dat zij hun beste kleren aantrekken en dat zij een geur gebruiken. Waar hier echter vooral op gedoeld wordt is de geestelijke kledij. Een moeslim moet aandacht besteden aan innerlijke verfraaiing, want het gebed is in werkelijkheid bedoeld als een hulpmiddel voor de schoonheid van de ziel. Hij moet zijn gebed benaderen met een hart dat vrij is van onzuiverheden en vol van de hoogste aspiraties en de edelste gevoelens.

 

PARAGRAAF 4: Boodschappers gestuurd voor de verheffing van de mensheid

 

32 Qul man harrama zienatallaahil-latie ‘agradja li-‘ibaadihie wat-tayyi-baati minarrizq? Qul hiya lilla-ziena ‘aamanoe fil-hayaatid-dunyaa gaa-lisa-tany-Yawmal-Qiyaamah. Kazaa-lika nufasilul ‘Aayaati li-qawminy-ya’-lamoen.

32 Zeg: Wie heeft de kledij van Allāh, verboden,a die Hij heeft voor Zijn dienaren, en de goede voorziening? Zeg: Deze zijn voor de gelovigen in dit wereldse leven, en alleen (voor hen) op de dag van de Opstanding.b Zo maken Wij de boodschap duidelijk aan een volk dat weet.

 

33 Qul ‘innamaa harrama Rabbi-yal-fawaa-hisja maa zahara minhaa wa maa batana wal-‘isma wal-baghya bi-ghayrilhaqqi wa ‘an-tusjrikoe billaahi maa lam yunazzil bihie sul-taananw-wa ‘an-taqoeloe ‘alal-laahi maa laa ta’-lamoen.

33 Zeg: Mijn Heer verbiedt slechts onzedelijke zowel als verborgen, en zonde en onterechte opstand, en dat jullie gelijkstellen aan Allāh waarvoor Hij geen gezag heeft verleend, en dat jullie iets beweren over Allāh waar jullie geen weet van hebben.

 

34 Wa likulli ‘ummatin ‘adjal: fa-‘izaa djaaa-‘a ‘adjaluhum laa yasta-giroena saa-‘atanw-wa laa yastaq-dimoen.

34 En iedere natie heeft een termijn;a dus wanneer hun termijn ten einde loopt, kunnen zij niet achternblijven, zelfs niet heel even, noch kunnen zij er op vooruitlopen.

 

35 Yaa-Banie-‘Aadama ‘immaa ya’-ti-yannakum rusulummin-kum yaqussoena ‘alay-kum ‘Aayatie famaanit-taqaa wa ‘aslaha falaa gaw-foen ‘alayhim wa laa hum yahzanoen.

35 O kinderen van Adam, wanneer er boodschappers uit jullie midden tot jullie komen, die jullie verhalen van Mijn boodschap, wie zich dan hoedt voor het kwaad en juist handelt – zij zullen geen vrees kennen, noch zullen zij treuren.

 

36 Walla-ziena kazzaboe bi-‘Aayaatinaa wastak-baroe ‘anhaaa ‘ulaaa-‘ika ‘As-haabun-Naari hum fie- haa gaalidoen.

36 En degenen die Onze boodschap afwijzen en zich er hooghartig van afkeren – dit zijn de gezellen van het Vuur; zij zullen erin verblijven.

 

37 Faman ‘azlamu mimmaniftaraa ‘alal-laahi kaziban ‘aw kazzaba bi-‘Aajaatih? ‘Ulaaa-‘ika janaalu- hum nasiebuhumminal-Kitaab: Hat-taaa ‘izaa djaaa-‘at-hum rusulunaa yatawaffaw-nahum qaaloe ‘ay- na maa kuntum tad-‘oena mindoenil-laah? Qaaloe zalloe ‘annaa wa sjahidoe ‘alaaa ‘anfusihim ‘anna- hum kaanoe kaafirien.

37 Wie is er onrechtvaardiger dan degene die een leugen verzint tegen Alh of Zijn boodschap afwijst? Dezen – hun deel van het Boeka zal hen bereiken; totdat Onze boodschappers tot hen komen en hen doen sterven, en zeggen: Waar is hetgeen jullie gewoon waren aan te roepen buiten Allāh? Zij zullen zeggen: Zij zijn bij ons weggegaan. En zij zullen tegen zichzelf getuigen dat zij ongelovigen waren.

 

38 Qaalad-guloe fie ‘umamin-qad galat min-qablikumminal-djinni wal-‘insi fin-Naar. Kullamaa dakhalat ‘ummatulla-‘anat ‘ugtahaa, hattaaa ‘izaddaa-rakoe fiehaa djamie-‘an-Qaalat ‘ugraahum lie-‘ulaahum Rabbanaa haa-‘ulaaa-‘i ‘azalloenaa fa-‘aatihim ‘azaaban-zi’-fam-minan-Naar. Qaala li-kullin zi’-funw-wa laakil-laa ta’-lamoen.

38 Hij zal zeggen: Treed het Vuur binnen onder de naties van de djinn en de mensen die eerder dan jullie zijn heengegaan. Idere keer dat hier een natie binnengaat, vervloekt zij haar zuster;a totdat, wanneer zij elkaar allen daarin volgen, de laatsten van hen over de eersten van hen zullen zrggen:b Onze Heer, zij hebben ons doen afdwalen, geef hen dus een dubbele straf van het Vuur. Hij zal zeggen: Ieder van jullie krijgt het debbele, maar dat weten jullie niet.c

 

39 Wa qaalat ‘oelaahum li-‘ug-raahum famaa kaana lakum ‘alay-naa min-fadlin-fazoequl-‘azaaba bimaa kuntum tak-siboen.

39 En de eersten van hen zullen tegen de laatsten zeggen: Jullie verdienen geen voorkeur boven ons, dus proef van de straf vanwege wat jullie verdienden.


32a. Met de kledij van Allāh wordt die kledij bedoeld waarvan Allāh het gebruikt voor de mens wettig heeft gemaakt om baat bij te hebben.

32b. De betekenis is dat in dit wereldse leven de gelovige en de ongelovige gelijk profiteren van de goede dingen. In het leven van de dood zal al het goede echter slechts voor diegenen zijn, die de juiste principes hebben aanvaard en ernaar gehandeld hebben.

34a. De termijn van een volk betekent het tijdstip waarop dit volk wordt vernietigd of gestraft vanwege de slechte daden die het heeft begaan. In feite spreekt het vers in algemene bewoordingen over het lot dat de tegenstanders van de Islām te wachten staat.

37a. Dit wil zeggen, de straf die in het Boek beloofd wordt, zal hen achterhalen.

38a. Met de zusternatie wordt het volk bedoeld dat er qua daden op lijkt.

38b. Met de laatsten en de eersten worden hier de gewone mensen en de leiders bedoeld. Hoewel de woorden beide betekenissen kunnen dragen, d.w.z. de laatsten en eersten in tijd of de laatsten en eersten in positie, wordt de laatste betekenis onderstend door vergelijkbare uitdrukking op verschillende andere plaatsen, zoals 2:166, 14:21, 34:31–33, 40:47, enz.

38c. De gewone mensen zouden verlangen dat de leiders een dubbele kwelling zouden ondergaan, zowel voor hun eigen zonden als voor het misleiden van anderen. Hen wordt verteld dat, als de leiders schuldig waren aan hun misleiding, zijzelf een dubbele straf verdienden omdat zij deze leiders blind volgden.

 

PARAGRAAF 5: Degenen die de boodschap aanvaarden

 

40 ‘Innal-laziena kazzaboe bi–‘Aayaatinaa was-takbaroe ‘anhaa laa tufattahu lahum ‘abwaabus-samaaa-‘i wa laa yadguloenal-Djannata hattaa yalidjal-djamalu fie sammil-gi-yaat: wa kazaalika nadjzil-mudj-rimien.

40 Voor degenen die Onze boodschap afwijzen en zich er hooghartig van afkeren, zullen de deuren van de hemel niet worden geopend, noch zullen zij de Tuin betreden totdat de kameel door het oog van de naald zal gaan. En zo belonen Wij de schuldigen.a

 

41 Lahum-min-Djahannama mihaadunw-wa min-faw-qihim gha-waasj: wa kazaalika nadjzizzaa-limien.

41 Zij zullen de hel als bed hebben en over hen dekens (daarvan). En zo vergelden Wij de kwaaddoeners.

 

42 Walla-ziena ‘aamanoe wa ‘amilussaa-lihaati laa nukallifu nafsan ‘illaa wus-‘ahaaa, ‘ulaaa-‘ika ‘As-haabul-Djannati hum fiehaa gaa-lidoen.

42 En wat betreft degenen die geloven en goeddoen – Wij leggen geen ziel een taak op groter dan haar vermogen – zij zijn de bezitters van de Tuin; daarin verblijven zij.

 

43 Wa naza’-naa maa fie sudoerihim-min ghillin-tadjrie min-tahtihimul-‘anhaar;-wa qaalul-Hamdu lillaa-hil-lazie hadaanaa li-haazaa: wa maa kunnaa linah-tadiya law laaa ‘an hadaa-nallaah. Laqad djaaa-‘at rusulu Rabbinaa bilhaqq. Wa noedoe ‘an-til-kumul-Djannatu ‘oe-ristumoehaa bimaa kuntum ta’-maloen.

43 En Wij zullen alle wrok uit hun harten verwijderen – er stromen rivieren onder hen. En zij zeggen: Alle lof kom Allāh toe, Die ons naar hier heeft geleid! En wij hadden de weg niet gevonden als Allāh ons niet had geleid. De boodschappers van onze Heer brachten waarlijk de waarheid. En het zal hen worden toegeroepen: Dit is de Tuin die jullie erven voor wat jullie hebben gedaan.

 

44 Wa naadaaa ‘As-haabul-Djannati ‘As-haaban-Naari ‘anqad wadjadnaa maa wa-‘adanaa Rabbunaa haqqan-fahal wadjattum-maa wa-‘ada Rabbu-kum haqqaa? Qaaloe na-‘am. Fa-‘azzana Mu’-‘azzi- num-baynahum ‘alla’-natul-laahi ‘alazzaalimien;-

44 En de bezitters van de Tuin roepen naar de gezellen van het Vuur: Wij hebben gevonden waarvan onze Heer had beloofde dat het de waarheid was; hebben jullie ook gevonden waarvan jullie Heer had beloofd dat het de waarheid was? Zij zullen zeggen: Ja. Dan zal een roeper uit hun midden uitroepen: De vloek van Allāh rust op de kwaaddoeners,

 

45 Allaziena yasuddoena ‘an-Sabielil-laahi wa yabghoenahaa ‘i-wadjaa: wa hum-bil-‘Aagirati kaafi- roen.

45 Die (mensen) verhinderen om Allāh’s weg te volgen en die proberen deze af te buigen, en zij geloven niet in het Hiernamaals.a

 

46 Wa bayna-humaa hidjaab. Wa ‘alal –‘A’-RAAFI ridjaaaluny-ya’-rifoena kullam-bisie-maahum. Wa naadaw ‘As-haabal-Djannati ‘an-Salaamun ‘alay-kum: lam yad-guloehaa wa hum yatma-‘oen.

46 En er hangt een sluier tussen hen.a En op de Verheven Plaatsenb zijn er mensen die iedereen kennen aan de hand van hun kenmerken. En zij roepen naar de bezitters van de Tuin: Vrede zij met jullie! Zij zijn er nog niet binnengegaan, maar zij hopen.c

 

47 Wa ‘izaa surifat ‘absaaruhum tilqaaa-‘a ‘As-haabin-Naari qaaloe Rabbanaa laa tadj-‘alnaa ma-‘al-qawmiz-zaalimien.

47 En wanneer hun ogen zijn gericht op de gezellen van het Vuur, zeggen zij: Onze Heer, plaats ons niet bij de onrechtvaardige mensen.a


40a. Dat wil zeggen, zij kunnen het koninkrijk van de hemel niet binnengaan, noch kunnen zij boven hun lage wereldse verlangen uitstijgen om zo te verrijzen tot de hogere regionen van het geestelijk leven.

45a. Met de woorden zij proberen Allāh’s weg af te buigen, wordt bedoeld dat zij twijfels uiten met betrekking tot de Waarheid.

46a. De sluiren die hier de slechten van de rechtschapenen scheidt en op basis waarvan de eersten er niet in slagen de zegen te zien die de laatsten genieten, zal een zichtbare vorm aannemen in het volgende leven. Het is dus niet een afstand die de hemel van de hel scheidt, maar slechts een sluier, en zij kunnen elkaar zelfs horen en zien.

46b. A‘rāf is het meervoud van ‘arf, wat letterlijk een verheven plaats betekent, en vandaar dat al-a‘rāf de verheven plaatsen betekent. Er is veel discussie geweest over wat a‘rāf is. De meerderheid van de commentaroren zegt dat het de hidjāb of sluier is, waarover in de voorgaande woorden wordt gesproken, of de soer of muur, waarover in 57:13 wordt gesproken. Anderen, waaronder Hassan en Zj, houden het erop dat ‘ala-l-a‘rāf slechts gelijk is aan ‘alā ma‘rifati ahl al-Djannat wa-l-Nār, d.w.z. het kennen van de bewoners van het Paradijs en de bewoners van de Hel (Rz). Ik heb de aard van de sluier die in v. 46 wordt genoemd al uitgelegd. De muur in 57:13 wordt genoemd in verband met het tot stand bregen van een scheiding tussen de oprechte gelovigen en de hypocrieten. Vandaar dat de twee verzen geen ondersteuning bieden aan het idee dat A‘rāf een speciale plaats is, halverwege de hemel en de hel. De mensen van wie hier wordt gezegd dat zij zich op verheven plaatsen bevinden, zijn de rechtschapen dienaren van Allāh die specifiek worden genoemd in 56:10, 11: "En de voorsten zijn de voorsten – zij worden nabij Allāh verzameld." Buiten dat wordt er over de profeten keer op keer gesproken als over een klasse op zich, als getuigen van hun volk.

46c. Zij staan, als het ware, in de deuropening van de Tuin, klaar om naar binnen te gaan.

47a. Zo bidden diegenen, die hopen het paradijs te betreden.

 

PARAGRAAF 6: Hulpeloosheid van de tegenstandsers

 

48 Wa naadaaa ‘As-haabul ‘A’-RAAFI ridjaalany-ya’-rifoenahum-bisie-maahum qaaloe maaa ‘aghnaa ‘an-kum djam-‘ukum wa maa kuntum tastakbiroen?

48 En de bezitters van de Verheven Plaatsen roepen naar de mensen die zij herkennen aan de hand van hun kenmerken, en zeggen: Wat jullie vergaard hebben en jullie arrogantie zijn jullie tot geen enkel nut geweest.a

 

49 ‘Ahaaa-‘ulaaa-‘illaziena ‘aqsamtum laa yanaalu-humullaahu bi-rahmah? ‘Ud-gulul-Djannata laa gaw-fun ‘alaykum wa laaa ‘antum tah-zanoen.

49 Zijn dit degenen van wie jullie zwoeren dat Allāh hen geen genade zou schenken? Ga de Tuin binnen; jullie kennen geen vrees, noch zullen jullie treuren.

 

50 Wa naadaaa ‘As-haabun-Naari ‘As-haabal-Djannati ‘an-afiezoe ‘alay-naa minal-maaa-‘i ‘aw mim- maa razaqa-kumullaah. Qaaloe ‘innal-laaha harrama-humaa ‘alal-kaafirien.

50 En de gezellen van het Vuur roepen naar de bezitters van de Tuin: Schenk wat water over ons uit of iets van waarin Allāh jullie heeft voorzien. Zij zeggen: Waarlijk heeft Allāh beide verboden voor de ongelovigen,

 

51 ‘Alla-zie-nattakhazoe dienahum lah-wanw-wa la-‘ibanw-wa gharrat-humul-hayaatud-dun-yaa. Fal-yawma nansaahum kamaa nasoe liqaaa-‘a yawmi-him haazaa wa maa kaanoe bi-‘Aayaatinaa yadj-hadoen.

51 Die hun religie zien als een ijdel tijdverdrijf en een spel, en dit wereldse leven bedriegt hen. Dus op deze dag zullen Wij hen verloochenen, daar zij de ontmoeting op deze voor hen speciale dag negeerden en daar zij Onze boodschap negeerden.a

 

52 Wa laqad dji’-naahoem-bi-Kitaabin-fassalnaahu ‘alaa ‘ilmin hudanw-wa rahmatal-li-qawminw-yu’-minoen.

52 En warlijk hebben Wij hen een Boek gebracht, dat Wij duidelijk maakten door kennis, een leidraad en een genade voor een volk dat gelooft.

 

53 Hal yan-zuroena ‘illaa ta’-wielah? Yawma ya’-tie ta’-wieluhoe yaqoelul-laziena nasoehu min-qablu qad djaaa-‘at rusulu Rabbinaa bil-haqq. Fahal-lanaa min-sjufa-‘aaa-‘a fayasjfa-‘oe lanaaa ‘aw nurad- du fana’-mala ghay-rallazie kunnaa na’-mal ? Qad gasiroe ‘anfusahum wa zalla ‘anhum-maa kaanoe yaf-taroen.

53 Wachten zij op iets anders dan op het uiteindelijke gevolg ervan?a Op de dag dat het uiteindelijke gevolg ervan komt, zullen degenen die haar eerder negeerden zeggen: De boodschappers van onze Heer brachten daadwerkelijk de waarheid. Zijn er bemiddelaars voor ons, zodat zij voor ons kunnen bemiddelen? Of kunnen we worden teruggestuurd zodat wij andere (daden) kunnen doen dan die we deden? Zij hebben daadwerkelijk hun zielen verloren, en wat zij verzonnen is hen tekort geschoten.


48a. Het woord djam‘oe-koem kan ofwel betekenen jullie vergaren van wereldse rijkdom, of het betekent jullie menigte of machtige aantallen.

51a. Het gebruik van nisjān blijft niet beperkt tot vergeten. Het woord is ook van toepassing op het opzettelijk uit de geest bannen van een ding (R). Wanneer het woord met betrekking tot Allāh wordt gebruikt, betekent het dat Hij hen verloochent om zo Zijn minachting voor hen te tonen (R).

53a. Met het uiteindelijke gevolg wordt bedoeld de ultieme staat van de volmaakte manifestatie van de waarheid door de vervulling van de profetieën, het doel of de ultieme consequentie; zie 4:59b.

 

PARAGRAAF 7: De rechtvaardigen zullen gedijen

 

54 ‘Inna Rabba-kumullaahullazie galaqas-samaawaati wal-’arda fie sittati ‘ayyaamin-summas-tawaa ‘alal-‘arsj. Yugh-sjillay-lan-naahaara yat-lubuhoe hasiesanw-wasj-sjamsa walqamara wan-nudjoema musaggaraatim-bi-‘amrih. ‘Alaa lahul-Galqu wal–‘Amr. Tabaarakallaahu Rabbul-‘Aalamien!

54 Jullie Heer is waarlijk Allāh, Die de hemelen en de aarde schiep in zes perioden,a en Hij is gevestigd op de Troon van Macht.b Hij maakt dat de nacht de dag bedekt, die hij onophoudelijk achtervolgt. En (Hij schiep) de zon en de maan en de sterren, dienstbaar gemaakt door Zijn bevel. De schepping en het bevel behoren immers aan Hem. Gezegend is Allāh, de Heer van Werelden!

 

55 ‘Ud-‘oe Rabba-kum tazarru-‘anw-wa guf-yah : ‘innahoe laa yuhibbul-mu’-tadien.

55 Roep jullie Heer aan, nederig en in het verborgene. Hij heeft de overtreders immers niet lief.

 

56 Wa laa tufsidoe fil-‘ardi ba’-da ‘is-laahihaa wad-‘oehu gawfanw-wa tama-‘aa: ‘inna Rab-matallaahi qariebum-minal-Muhsi-nien.

56 En stook geen onrust op aarde na haar hervorming, en roep Hem aan, vol vrees en hoop. Waarlijk is de genade van Allāh dicht bij degenen die goeddoen.a

 

57 Wa Hu-wallazie yursilur-riyaaha busjram-bayna yaday rahmatih : hattaa ‘izaaa ‘aqallat sahaaban siqaalan-suqnaahu li-baladim-mayyitin-fa-‘anzalnaa bihil-maaa-‘a fa-‘agradjnaa bihie min-kullissama- raat. Kazaalika nugridjul-mawtaa la-‘allakum tazakkaroen.

57 En Hij is het Die de winden stuurt, die het goede nieuws voor Zijn genade uitdragen;a totdat, wanneer zij een geladen wolk dragen, Wij deze sturen naar een dood land, dan laten Wij daar water op neerkomen, zodat er allerlei soorten vruchten ontstaan. Zo brengen Wij de doden voort, opdat jullie indachtig kunnen zijn.b

 

58 Wal-baladut-tayyibu yagrudju nabaa-tuhoe bi-‘idni Rabbih: wallazie gabusa laa yagrudju ‘illaa nakidan. Kazaalika nusarriful-‘Aayaati li-qawminy-yasj-kuroen.

58 En het goede land – zijn begroeiing ontspruit (overvloedig) met de toestemming van zijn Heer. En dat wat inferieur is – (zijn gras) ontspruit, maar is schaars. Zo herhalen Wij de boodschap voor een volk dat dank zegt.a


54a. Zie 1.3b, waar jaum wordt uitgelegd als een periode, wat voor een periode dan ook. De zes tijdsperioden waarin de hemel en de aarde geschapen zijn, verwijzen in feite naar de zes stadia gedurende welke zij zijn uitgegroeid tot hun huidige vorm. In het geval van de aarde worden deze zes stadia in detail besproken in 41:9, 10. Zie ook 41:10a.

54b. ‘Arsj ("Troon van Macht") betkent letterlijk iets dat ontworpen is om schaduw te geven (LL), of alles wat overdekt is (R.). Volgens de laatstgenoemde deskundige wordt het hof of de zitplaats van de koning ‘arsj genoemd vanwege zijn verhevenheid. Hij voegt eraan toe: Het wordt gebruikt om macht of kracht en gezag enheerschappij aan te duiden. LL aanvaardt de interpretatie van R, die zegt dat "de ‘arsj van Allāh een van de dingen is die de mens niet in werkelijkheid kent, maar slechts van naam en dat het niet is zoals de volkse verbeelding het zich inbeeldt". In feite worden de twee woorden ‘arsj en koersi verkeerd opgevat als de rustplaatsen vanAllāh. Het laatstgenoemde woord is al eerder uitgelegd als kennis (2:255b), en de ware betekenis van het eerstgenoemde woord is macht of controle over de schepping.

Wanneer istawā wordt gevolgd door ‘alā, betekent het hij had het beheer of de controle over een ding of hij had er overwicht over. In deze betekenis is het synoniem aan istaulā (LL), of hij was of werd standvastig (LL).

Thoemma heeft, zoals al is aangetoond in 2:29a, vaak dezelfde betekenis als wāw en betent en.

De zinsnede Istawā ‘ala-l-‘arsj ("Hij is gevestigd op de Troon van Macht") wordt in de Heilige Qoer-ān hier en op zes andere plaatsen gebruikt, nl. in 10:3, 13:2, 20:5, 25:59, 32:4 en 57:4. Een verwijzing naar al deze verzen zal aantonen dat zij onveranderlijk gebruikt wordt nadat de schepping van de hemelen en de aarde is genoemd, en altijd in verband met de Goddelijke controle over Zijn schepping en de wetten en regels waaraan het universum wordt onderworpen door zijn grootse Auteur. Dit wordt aangetoond door de woorden die volgen, De schepping en het bevel behoren immers aan Hem. De twee dingen die hier genoemd worden zijn in de openingswoorden schepping en ‘arsj, en in de slotwoorden schepping en bevel. Zo ook in 10:3, waar van ‘arsj gesproken wordt na de schepping van de hemelen en de aarde. Hier wordt het gevolgd door de verklarende woorden joedabbiroe-l-amr, d.w.z. Hij reguleert de gebeurtenissen. Er wordt hier gedoeld op het feit dat Allāh het universum na haar schepping niet onafhankelijk van Hem op haar beloop heeft gelaten, maar dat Hij het is Die de scepter zwaait en Die de zaken reguleert zoals Hij ze gepland heeft. In deze tijd van wetenschappelijke vooruitgang zijn er vele mensen die denken dat het universum sinds haar schepping volgens bepaalde onverandelijke wetten haar eigen weg gaat. Echter, zij spreken de conclusie dat er een Allāh is Die dit universum geschapen heeft niet tegen, en noemen Hem de Eerste of Primaire Oorzaak. Deze Allāh – of de Eerste Oorzaak – heeft volgens hen geen bemoeienis met de gebeurtenissen in het universum. De Heilige Qoer-ānaanvaardt deze zienswijze niet en vandaar dat hij, als hij spreekt van de schepping van de hemelen en de aard, ook spreekt van de ‘arsj die staat voor Allāh’s beheersing van het universum, zoals hierboven is aangetoond. Om het nog verder te verduidelijken, wordt het vers beëndigd met de woorden tabārak Allāhoe Rabboe-l-ālamin, d.w.z. gezegend zij Allāh, de Opvoeder van de wereld tot volmaaktheid. Deze woorden geven aan dat het wereld nog steeds in haar groei is. Volgens het Goddelijke plan beweegt zij zich voort van het ene stadium naar het volgende, om zo het stadium van volmaaktheid te bereiken. Allāh heeft haar niet alleen geschapen, Hij beheerst ook alle gebeurtenissen om haar zo te vervolmaken.

In de woorden Rabb al-‘ālamin schuilt ook, zoals in 1:1a is aangetoond, een diepere verwijzing naar de geestelijke evolutie van de mens die bewerkstelligd wordt onder het Goddelijke plan. In verband hiermee wordt de ‘arsj speciaal genoemd, daar de perfectie van de mens niet voortkomt uit de werking van de materiële wetten die in het universum voorkomen, maar uit de geestelijke wetten die benodigd zijn voor zijn volmaaktheid. De amr (zaak) waarvan de aansturing zo vaak genoemd wordt in verband met ‘arsj, is in werkelijkheid het geestelijk koninkrijk, wat Jezus het koninkrijk Allāh’s noemde. Dit wordt duidelijk gemaakt in 32:5, zie 32:5a. De gestelijke volmaaktheid van de mens wordt speciaal genoemd in verband met ‘arsj in 40:15: "Verheffer van gradaties, Heer van de ‘arsj, Hij maakt dat op Zijn bevel de geest (d.w.z. Goddelijke openbaring) neerdaalt op wie van Zijn dienaren het Hem behaagt, opdat Hij (de mens) kan waarschuwen voor de dag van de Ontmoeting." Zo wordt deHeer van de ‘arsj duidelijk gekenmerkt als de Zender van de openbaring aan de mens om hem zo tot geestelijke volmaaktheid te brengen. In dezelfde soera worden de rechtschapen dienaren van Allāh die de Goddelijke boodschap tot de mensen brengen, zeer duidelijk de dragers van de ‘arsj genoemd. Wanneer er wordt gesproken over de boodschap van de boodschappers van Allāh en over hoe de mensen hen van leugens beschuldigen, wordt er toegevoegd: "Degenen die de ‘arsj dragen en degenen eromheen roemen de glorie van hun Heer en geloven in Hem en vragen om bescherming voor degenen die geloven" (40:7). De dragers van de ‘arsj zijn in feite de dragers van de Goddelijke boodschap.

56a. Het gevoel dat ten opzichte van Allāh aangehouden zou moeten worden is een combinatie van vrees en hoop, van zowel ontzag als liefde omdat de vrees voor Zijn ongenoegen de geest niet minder veredelt dan de hoop op Zijn genade.

57a. Zijn genade wordt in de natuur vertegenwoordigd door de regen.

57b. Het tot leven wekken van de geestelijk doden door de openbaring van de Qoer-ān, wordt altijd vergeleken met het tot leven wekken van de dode aarde door regen. De wind die het goede nieuws droeg was de beweging naar de Islām, die met de dag krachtiger werd.

58a. Openbaring wordt hier vergeleken met regen, en de goede of slechte aard van de mens met goed of inferieur land. Als sommige mensen geen baat hebben bij de openbaring, is het hun eigen fout en niet van de openbaring, net zoals wanneer sommige stukken land geen baat hebben bij de regen, dat te wijten is aan hun eigen inferioriteit.

 

PARAGRAAF 8: Noach

 

59 Laqad ‘ar-salnaa Noehan ‘ilaa qawmi-hie faqaala yaaqawmi’-budullaaha maa lakummin ‘ilaahin ghay-ruh. ‘Innie ‘agaafu ‘alaykum ‘azaaba Yawmin ‘aziem!

59 Waarlijk stuurden Wij Noach naar zijn volk, dus hij zei: O mijn volk, dien Allāh, jullie hebben geen andere god dan Hij. Zeker vrees ik voor jullie de straf van een verschrikkelijke dag.a

 

60 Qaalal-mala-‘u min-qawmihie ‘innaa lanaraaka fie zalaalim-mubien.

60 De leiders van zijn volk zeiden: Waarlijk zien wij jouw duidelijke dwaling.

 

61 Qaala yaa-qawmi laysa bie zalaalatunw-wa laa-kinnie Rasoelum-mir-Rabbil-‘Aalamien.

61 Hij zei: O mijn volk, ik dwaal niet, maar ik ben een boodschapper van de Heer van de Werelden.

 

62 ‘Uballighukum risaalaati Rabbie wa ‘ansahu lakum wa ‘a’-lamu minal-laahi maa laa ta’-lamoen.

62 Ik breng jullie de boodschap van mijn Heer, en ik bied jullie goede raad, en ik weet van Allāh wat jullie niet weet.

 

63 ‘Awa-‘adjibtum ‘an-djaaa-‘akum zikrum-mir-Rabbikum ‘alaa radjulim-minkum liyun-zirakum wa li-tattaqoe wa la-‘allakum turhamoen.

63 Zijn jullie verbaasd, dat er een herinnering van jullie Heer tot jullie is gekomen via een man uit jullie midden, opdat hij jullie zal waarschuwen en opdat jullie je zullen hoeden voor het kwaad, en opdat jullie genade geschonken zal worden?

 

64 Fa-kazzaboehu fa-‘andjaynaahu wallaziena ma-‘ahoe fil-Fulki wa ‘aghraqnal-laziena kazzaboe bi- ‘Aayaatinaa. ‘Innahum kaanoe qawman ‘amien.

64 Maar zij noemden hem een leugenaar, dus verlosten Wij hem en degenen met hem in de ark, en Wij verdronken degenen die Onze boodschap afwezen. Waarlijk waren zij een blind volk!a


59a. Nadat de tegenstanders zijn gewaarschuwd voor de kwalijke gevolgen van hun tegenstand tegen de Heilige Profeet (s.a.w.), worden nu verschillende voorbeelden gegeven uit de heilige geschiedenis die aangeven hoe die mensen behandeld werden die weigerden te luisteren naar de stem van de waarschuwers. Men moet bij het lezen van de geschiedenissen van de profeten zoals die in de Heilge Qoer-ān staan, niet vergeten dat het doel hiervan niet het verhalen van de geschiedenis op zich is. Zij dienen om algemene kenmerken van de geschiedenissen van verschillende naties naar voren te brengen, en om gebeurtenissen naar voren te brengen die profetische zinspelingen bevatten omtrent het leven van de Heilige Profeet (s.a.w.). Ook illistreren zij de algemene waarschuwingen die worden geuit omtrent de uiteindelijke gevolgen die voortkomen uit de afwijzing van de Waarheid. De Qoer-ān houdt zich niet bezig met details aangaande welke boodschap een profeet aan zijn volk bracht, of hoe hij werd ontvangen. Hij stelt zich tevreden met de algemene feiten dat elke profeet de Goddelijke Eenheid predikte, dat elke profeet de nadruk legde op het doen van goed, dat elke profeet ontvangen werd met zware tegenstand, en dat elke profeet er uiteindelijk in slaagde de waarheid te vestigen. Dit is, met kleine variaties, de som en inhoud van de geschiedenissen van de profeten die in de Qoer-ān staan opgetekend. Het is niet, zoals door een christelijke criticus werd beweerd, "de ervaring van Moehammad (s.a.w.)" die in de geschiedenissen van de profeten is vastgelegd. Het is de algemene ervaring van de profeten van verschillende naties, die een profetische zinspeling bevatten op de uiteindelijke overwinning van de Profeet (s.a.w.). Dit wordt duidelijk uit het feit dat de geschiedenissen van de profeten met betrekking tot de vernietiging van hun tegenstanders hoofdzakelijk zijn opgenomen in de Makkah-openbaringen, terwijl in Makkah de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.) op het hoogtepunt van hun macht waren, en de zaak van de Profeet (s.a.w.) in alle opzichten hopeloos leek.

Verwijzingen naar Noach en zijn geschiedenis zijn opgenomen op de volgende plaatsen in de Heilige Qoer-ān: 3:33; 6:84; 7:59–64; 10:71–73; 11:25–48; 14:9; 17:3; 21:76, 77; 23:23–29; 25:37; 26:105–122; 29:14, 15; 37:75–82; 51:46; 53:52; 54:9–16; 57:26; 66:10; 69:11–12; 71:1–28.

64a. Verdere verwijzingen naar de zondvloed en de bouw van de ark zijn opgenomen in 11:37–48 en 23:27–29. Er kan hier echter worden opgemerkt dat de Heilige Qoer-ān het idee van een wereldzondvloed niet ondersteunt. Hij stelt hier eenvoudigweg dat Noach slechts naar zijn eigen volk werd gestuurd en niet naar alle naties. Alleen de mensen aan wie Noach zijn boodschap bracht noemden hem een leugenaar, en alleen diegenen werden verdronken die de boodschap van Allāh, gebracht door Noach, negeerden.

 

PARAGRAAF 9: Hoed

 

65 Wa ‘ilaa ‘Aadin ‘Agaahum Hoedaa. Qaala yaa-qawmi’-budullaaha maa lakum min ‘ilaahin ghayruh. ‘Afalaa tattaqoen?

65 En naar de ‘Āda (stuurden Wij) hun broederb Hoed.c Hij zei: O mijn volk, dien Allāh, jullie hebben geen andere god dan Hij. Willen jullie je dan niet hoeden voor het kwaad?

 

66 Qaalal-mala-‘ullaziena kafaroe min-qaw-mihie ‘innaa lana-raaka fie safaahatinw-wa ‘innaa lana-zunuka minalk’aazibien.

66 De leiders van de ongelovigen van zijn volk zeiden: Wij denken zeker dat je dwaas bent, en wij vinden dat je tot de leugenaars behoort.

 

67 Qaala yaa-qawmi laysa bie safaaha-tunw-wa laa-kinnie Rasoelum-mir-Rabbil-‘Aalamien.

67 Hij zei: O mijn volk, er is geen dwaasheid in mij, maar ik ben een boodschapper van de Heer van de Werelden.

 

68 ‘Uballi-ghukum risaalaati Rabbie wa ‘ana lakum naasihun ‘amien.

68 Ik breng jullie de boodschap van mijn Heer en ik ben een betrouwbare raadgever voor jullie.

 

69 ‘Awa-‘adjibtum ‘an-djaaa-‘akum zikrum-mir-Rabbikum ‘alaa radjulim-minkum liyunzirakum? Waz-kuroe ’iz dja-‘alakum gulafaaa-‘a mimba-di qawmi Noehinw-wa zaadakum fil-galqi bastah. Faz-kuroe ‘aalaaa-‘allaahi la-‘allakum tufli-hoen.

69 Zijn jullie verbaasd, dat er een herinnering van jullie Heer tot jullie is gekomen via een man uit jullie midden opdat hij jullie kan waarschuwen? En gedenk toen Hij jullie opvolgers maakte van Noachs volka en de voortreffelijkheid van jullie bouw verhoogde.b Dus gedenk de weldaden van Allāh, opdat jullie succesvol zullen zijn.

 

70 Qaaloe ‘adji’-tanaa lina’-budallaaha Wahdahoe wa nazara maa kaana ya’-budu ‘aabaaa-‘unaa? Fa’-tinaa bimaa ta-‘idunaaa ‘in-kunta minassaadiqien!

70 Zij zeiden: Ben jij tot ons gekomen opdat wij slechts Allāh zullen dienen, en opgeven wat onze vaderen vroeger dienden? Breng ons dan waar je ons mee dreigt, als je de waarheid spreekt.

 

71 Qaala qad waqa-‘a ‘alaykum-mir-Rabbikum ridj-sunw-wa ghazab. ‘Atudjaa-diloe-nanie fie ‘asmaaa-‘in-sammay-tumoehaaa ‘antum wa ‘aabaaa-‘ukum-maa nazzalal-laahu bihaa min-sultaan? Fan-taziroe ‘innie ma-‘akum-minalmunta-zirien.

71 Hij zei: Onreinheid en toorn van jullie Heer is daadwerkelijk op jullie neergedaald.a Redetwisten jullie met mij over namen die jullie en jullie vaderen hebben genoemd?b Allāh heeft hen geen gezag verleend. Wacht dan; ik behoor met jullie tot de wachtenden.

 

72 Fa-‘andjay-naahu wallaziena ma-‘ahoe bi-rahmatim-minnaa wa qata’-naa daabi-rallaziena kazza- boe bi-‘Aayaatienaa wa maa kaanoe Mu’-minien.

72 Dus verlosten Wij hem en degenen met hem door Onze genade, en Wij sneden de wortels af van degenen die Onze boodschap afwezen en die geen gelovigen waren.a


65a. De stam ‘Ād, met zijn profeet Hoed, wordt in de Heilige Qoer-ān op de volgende plaatsen genoemd: 7:65–72; 11:50–60; 14:9; 25:38; 26:123–140; 29:38; 41:13–16; 46:21–26; 51:41,42; 53:50; 54:18–21; 69:6–8; 89:6–8.

‘Ād was de kleinzoon van Aram (die genoemd wordt in 89:7), die een kleinzoon was van Noach. De stam ‘Ād waarover hier gesproken wordt, de eerste ‘Ād genoemd (53:50), om hen te onderscheiden van de stam Thamoed, die de tweede ‘Ād genoemd wordt. Deze stam leefde in de woestijn van al-Ahgāf (46:21), die wordt aangegeven op de kaarten van Arabië en zich uitstrekt van Oman tot Hadramaut. Rodwells mening, dat "de twee stammen ‘Ād en Thamoed – waarvan de laatste genoemd wordt door Diod. Sic. En Ptolemeus – ten noorden van Mekka liggen" is wat betreft de stam ‘Ād niet correct, hoewel het aanvaardbaar is waar het de stam Thamoed betreft. Sale geeft de volgende beschrijving van deze stam in zijn Pr. Dis.: “De ‘Ād was een oude en krachtige stam van Arabieren en fanatieke afgodsdienaren. Zij vereerden voornamelijk vier godheden, Sāqijah, Hāfizah, Rāziqah en Sālimah, waarbij zij zich voorstelden dat de eerste hen regen bracht, dat de tweede hen beschermde voor alle gevaren wanneer zij in het buitenland waren, dat de derde onderhoud aan hen verschafte en dat de vierde hen weer gezond maakte als zij door ziekte werden geveld."

65b. Over het mannelijke lid van een stam wordt over het algemeen gesproken als broeder: "Vandaar dat ja achā Bakr-in betekent, o jullie van de stam van Bakr" (LL).

65c. De profeet Hoed is de Eber uit de Bijbel, omdat Hoed de kleinzoon van Arpaksad zou zijn, de kleinzoon van Noach (Rz). Vergelijk Gen. 10:24 voor de genealogie van Eber. Zijn zoon Joktan zou een koninkrijk gesticht hebben in Joenān. Er wordt in de Bijbel niet vermeld dat Hoed een profeet was voor de ‘Ād.

69a. Met het feit dat de ‘Ādieten tot choelafā’ of opvolgers werden gemaakt, wordt bedoeld dat zij tot een heersende natie gemaakt werden en tot bezitters van een enorm koninkrijk.

69b. Sommige commentatoren hebben ongefundeerde legenden gerelateerd aan de onvoorstelbare lengte van hun gestalte. De woorden die in de Qoer-ān gebruikt worden betekenen slechts dat zij een sterk en machtig volk waren.

71a. Het vasthouden aan hun afgoden en de weigering te geloven in Allāh wordt hier onreinheid genoemd. De toorn van Allāh was te danken hun eigen zondige handelingen. Er is ook een tweede betekenis van het woord ridjs, nl. afstraffing. In dat geval zou het gebruik van de verleden tijd wijzen op de zekerheid van de gebeurtenis, omdat de straf hen zo zeker zou achterhalen, dat er van gezegd kon worden dat die reeds over hen was neergedaald.

71b. Dit is een verwijzing naar hun goden, waarvoor verwezen wordt naar 65a.

72a. Zij werden vernietigd door een storm die gedurende acht dagen continu over hen woedde (6(:7).

 

PARAGRAAF 10: Sālih en Lot

 

73 Wa ‘ilaa Samoeda ‘agaahum Saalihaa. Qaala yaa-qawmi’-budul-laaha maa lakummin ‘ilaahin ghay-ruh. Qad djaaa-‘at-kum-Bayyi-natum-mir-Rabbikum. Haazihie Naaqatullaahi lakum ‘Aayatan-fazaroehaa ta’-kul fie ‘ardil-laahi wa laa tamas-soehaa bi-soe-‘in-fa-ya’-guzakum ‘azaabun ‘aliem.

73 En naar de Thamoeda (stuurden Wij) hun broeder Sālih.b Hij zei: O mijn volk, dien Allāh; jullie hebben geen andere god behalve Hij. Er is immer een duidelijk bewijs tot jullie gekomen van jullie Heer. Dit is Allāh’s, vrouwtjeskameel – een teken voor julliec – laat haar dus rustig grazen op Allāh’s aarde, en doe haar geen kwaad, opdat jullie niet door een pijnlijke straf worden achterhaald.

 

74 Waz-kuroe ‘iz-dja-‘alakum gula-faaa-‘a mim-ba’-di ‘Aadinw-wa bawwa-‘akum fil-‘ardi tatta-gizoena min-suhoe-lihaa qusoe-ranw-wa tan-hitoenaldjibaala buyoetaa. Faz-kuroe ‘aalaaa-‘allaahi wa laa ta’-saw fil-‘ardi mufsidien.

74 En gedenk toen Hij jullie de opvolgers maakte van de Ād en jullie vestigde in het land – jullie bouwen huizen op zijn vlakten en hakken woningen in de bergen.a Dus gedenk Allāh’s weldaden en gedraag je niet verdorven in het land, en stook geen onrust.

 

75 Qaalal-mala-‘ullazienas-takbaroe min-qaw-mihie lil-lazienas-tuz-‘ifoe liman ‘aamana minhum ‘ata’-lamoena ‘anna Saaliham-mursalum-mir-Rabbih? Qaaloe ‘innaa bimaaa ‘ursila bihie Mu’-minoen.

75 De arrogante leiders van zijn volk zeiden tegen de zwakken, tegen de ongelovigen onder hen: Weten jullie dat Sālih iemand is die gezonden is door zijn Heer? Zij zeiden: Natuurlijk geloven wij in hetgeen waarmee hij is gestuurd.

 

76 Qaalal-lazienas-tak-baroe ‘innaa billazie ‘aaman-tum-bihie kaafiroen.

76 Degenen die hooghartig waren, zeiden: Wij geloven zeker niet in wat jullie geloven.

 

77 Fa ‘aqarun-Naaqata wa ‘ataw ‘an ‘amri Rabbihim wa qaaloe yaa-Saalihu’-tinaa bimaa ta-‘idunaaa ‘in-kunta minal-mursalien.

77 Toen kreupelden zij de vrouwtjeskameel en kwamen in opstand tegen het bevel van hun Heer, en zeiden: O Sālih, breng ons hetgeen waarmee jij ons dreigt, als je tot de boodschappers behoort.

 

78 Fa-‘agazat-humur-radjfatu fa-‘asbahoe fie daarihim djaasimien.

78 Dus werden zij overvallen door de aardbeving, en zij waren bewegingloze lichamen in hun woningen.a

 

79 Fata-wallaa ‘anhum wa qaala yaa-qawmi laqad ‘ablaghtukum risaalata Rabbie wa nasah-tu lakum wa laakil-laa tuhibboe-nannaa-si-hien.

79 Dus wendde hij zich van hen af en zei: O mijn volk, ik bracht jullie de boodschap van mijn Heer en gaf jullie goede raad, maar jullie houden niet van goede raadgevers.a

 

80 Wa Loe-tan ‘iz qaala liqaw-mihie ‘ata’-toenal-faahisjata maa sabaqa-kum-bihaa min ‘ahadim-minal-‘aalamien?

80 En (Wij stuurden) Lot, toen hij tegen zijn volk zei: Begaan jullie een walgelijke daad die vóór jullie nog niemand in de wereld heeft begaan?a

 

81 ‘Inna-kum lata’-toenar-ridjaala sjah-watam-min-doeninnisaaa’. Bal ‘antum qaw-mummusrifoen.

81 Jullie benaderen immers mannen met lust in plaats van vrouwen. Nee, jullie zijn een volk dat de grenzen overschrijdt.

 

82 Wa maa kaana djawaaba qaw-mihie ‘illaa ‘an-qaaloe ‘ag-ridjoehum-min qar-yatikum: ‘innahum ‘unaasuny-yatatah-haroen!

82 En het antwoord van zijn volk was niet anders dan dat zij zeiden: Jaag hen weg uit jullie stad; zij zijn waarlijk mensen die zuiverheid nastreven!

 

83 Fa-‘andjai-naahu wa ‘ahlahoe ‘illam-ra-‘atahoe kaanat minal-ghaabirien.

83 Dus verlosten Wij hem en zijn volgelingen,a behalve zijn echtgenote – zij behoorde tot degenen die achterbleven.

 

84 Wa ‘amtarnaa ‘alay-himmataraa : fanzur kayfa kaana ‘aa-qibatul-mudjrimien!

84 En Wij lieten een regen op hen neerregenen.a Zie, dan, wat het einde was van de schuldigen!


73a. De stam Thamoed wordt in de Heilige Qoer-ān vaak tezamen met de stam ‘Ād genoemd. Er wordt op de volgende plaatsen over deze stam gesproken: 7:73–79; 11:61–68; 14:9; 15:80–84; 25:38; 26:141–159; 27:45–53; 29:38; 41:13, 14, 17, 18; 51:43–45; 53:51; 54:23–31; 69:4, 5; 89:9; 91:11–15.

De ‘Ād en de Thamoed, hoewel twee nauw verwante stammen, waren zowel door tijd als plaats gescheiden. De Thamoed is genoemd naar een kleinzoon van Aram, de kleizoon van Noach. Historische aanwijzingen hiervoor zijn te vinden in Ptolemeus. De stam floreerde meer dan tweehonderd jaar na de ‘Ād, en bezette het gebied dat bekendstaat als al-Hidjr (15:80), en de vlakte die bekendstaat onder de naam Wādi-l-Qoerā, die de zuidelijke grens vormt Syrië en de noordelijke van Arabië.

 73b. Sālih was een afstammeling in de zesde generatie na Thamoed.

73c. Noch de Qoer-ān, noch enige betrouwbare uitspraak van de Heilige Profeet (s.a.w.) ondersteunt de talloze legenden omtrent de wonderbaarlijke verschijning en verbazingwekkende grootte van de vrouwtjeskameel. Zij wordt Allāh’s vrouwtjeskameel genoemd, omdat zij werd geschonken als een teken van Allāh. Het was een gewone vrouwtjeskameel die als een teken aan een volk werd gegeven. Dat zij haar doodden was een teken dat zij de waarheid niet wilden aanvaarden, noch wilden stoppen met het vervolgen van Sālih en zijn volgelingen.

Er kan hier worden opgemerkt dat er niets vreemds is aan het feit dat er een kameel gebruikt wordt als teken. Zelfs nu nog zien we dat er een onbewerkt gebouwd huis, dat bekendstaat als de Ka‘bah, aan de hele wereld is gegeven als een teken, zodat wie het ook probeert te vernietegen ten onder zal gaan.

74a. In zijn Essays on the Life of Muhammad zegt Sir Syed Ahmad Khān: "Zij groeven verschillende rotsen uit, en na deze uitgehouwen en gesneden te hebben, gingen zij daarin wonen. Deze rotsen staan tot op de dag van vandaag bekend als Athālib. Bijna iedere Arabier, alsook verschillende buitenlanders die in Arabië gereisd hebben, kunnen getuigen van het bestaan van deze rotswoningen. Deze woningen zijn dermate prominent aanwezig, dat zij zowel de nieuwsgierigheid bevredigen, als informatie verstrekken over de naties die hen maakten. Deze woningen getuigen van en bevestigen op deze manier de waarheid van dat deel van de geschiedenis van de naam Thamoed, die wordt vermeld in de Heilige Qoer-ān."

78a. De straf die de Thamoed overviel, wordt op verschillende manieren beschreven. Hier wordt hij radjfah genoemd, wat aardbeving betekent. Ook het feit dat er in 27:52 van hun woningen wordt gezegd dat ze zijn omgevallen, geeft aan dat zij door een aardbeving werden vernietigd. In 54:31 wordt met saihah, d.w.z. een schreeuwof een gil naar dezelfde straf verwezen, en dat verwijst kennelijk naar het rommelende geluid dat voorafgaat aan een aardbeving. In 51:44 en elders wordt de straf sā‘iqah genoemd, wat elke vernietigende straf (LL) betekent, en soms dezelfde betekenis heeft als saihah. In 69:5 wordt gezegd dat de Thamoed vernietigd zou zijn door middel van tāghijah, wat een uitzonderlijk zware straf betekent. Beide omschrijvingen zijn van toepassing op een aardbeving.

79a. Dit verwijst klaarblijkelijk naar de overlevenden van de grote ramp.

80a. In de chronologische volgorde die dit hoofdstuk aanhoudt, zou Abraham als volgende genoemd moeten worden, maar zijn naam wordt hier om twee redenen weggelaten. Ten eerste, omdat alleen die profeten genoemd worden waarvan de vijanden voor hun ogen vernietigd werden. Ten tweede, omdat Abrahams geschiedenis al in het voorgaande hoofdstuk wordt behandeld, waarop dit als het ware een aanvulling vormt. Vandaar dat we bij Lot komen, Abrahams neef. Zie voor andere verwijzingen naar Lot in de Heilige Qoer-ān ;86; 11:77–83; 15:61–74; 21:74, 75; 26:160–173; 27:54–58; 29:32–35; 37:133–136; 51:32–37; 53:53–54; 54:34–38 66:10. Lot is een van die profeten die niet alleen in de rabbijnse literatuur, maar ook in de Bijbel belasterd wordt. Het is duidelijk dat Lot door Abraham als een rechtschapen dienaar werd beschouwd (Gen. 18:23), maar iets verderop wordt ons verteld dat Lot schuldig was aan incestueuze omgang met zijn dochters, wat aangeeft dat hij bijzonder verdorven was. Deze berichtgeving is duidelijk gemanipuleerd.

De vraag of Lot een profeet was, wordt bevestigend beantwoord door Sale, maar Wherry ontkent het.

Als Gen. 19:30–38 een betrouwbare tekst is, kan Lot niet eens een plaats innemen onder de rechtschapenen. Wanneer zij redding tijdens de vernietiging van Sodom echter tegelijk wordt gelezen met Gen. 18:23, vormt dit een duidelijk bewijs van zijn rechtschapenheid. Sale haalt echter de aanvullende getuigenis van de apostel Petrus naar voren, en die zegt: "En verloste alleen Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel dier zedelozen, (want deze rechtvaardige heeft, onder hen wonende, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun tegen alle wet ingaande werken)" (2 Petr. 2:7, 8). Het feit dat zijn ziel werd gekweld door de zondigheid van de mensen van Sodom, kan alleen waar zijn als hij onder hen een prediker van rechtschapenheid was. En nogmaals, waarom zou Lot zich als goed mens gaan vestigen te midden van zondige mensen, als hij niet de opdracht had om hen te hervormen?

83a. Het woord ahl wordt hier geïnterpreteerd als diegenen die in hem geloofden (Bd). Het betekent in de eerste plaats iemands familie of naaste verwanten, en is in feite het equivalent van āl. Echter, wanneer gerelateerd aan hun stambetekenis, hebben beide een bredere betekenis. Deze omvat iedereen die tot iemand in verhouding staat als de leden van een groep tot het hoofd (van de stam āla, wat hij keerde terug of stond in relatie tot iemand betekent) door religie of overtuiging of verwantschap. Er is echter dit verschil tussen āl en ahl, namelijk dat de eerste alleen gebruikt wordt in relatie tot verheven mensen, terwijl de laatste kan verwijzen naar mensen in het algemeen (R).

84a. Matr of matar (lett. regenen) wordt ook gebruikt in de betekenis van goed of kwaad doen, afhankelijk van het lijdend voorwerp dat op volgt. Amtara (wat de vorm is die hier gebruikt wordt) wordt echter alleen gebruikt in verband met een bestraffing (T). De straf die het volk van Lot overkwam, wordt vaak matar of regen genoemd en in 11:82 en 15:74 wordt gezegd dat het stenen op hen neergeregend zou hebben. In 54:34 wordt het een hāsib genoemd, wat voornamelijk een werper of afschieter van stenen betekent. Het was een vulkanische uitbarsting gecombineerd met een aarbeving.

 

PARAGRAAF 11: Sjoe‘aib

 85 Wa ‘ilaa Mad-yana ‘agaahum Sju-‘aybaa. Qaala yaaqawmi’-budullaaha maa lakum-min-‘ilaahin ghay-ruh. Qad djaaa-‘atkum-Bayyi-natum-mir-Rabbikum fa-‘awful-kayfa wal-miezaana wa laa tab-gasun-naasa ‘asj-yaaa-‘ahum wa laa tufsidoe fil-‘ardi ba’-da ‘is-laahihaa: zaalikum gay-rul-lakum ‘inkuntum-Mu’-minien.

85 En naar Midjan (stuurden Wij) hun broeder Sjoe‘aib. Hij zei: O mijn volk, dien Alh, jullie hebben geen andere god dan Hij. Er is immers een duidelijk bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen, dus geef de volle maat en het volle gewicht en verminder de dingen van de mensen niet, en stook geen onrust in het land na zijn hervorming. Dit is beter voor jullie, als jullie gelovigen zijn.a

 

86 Wa laa taq-‘udoe bi-kulli siraatin-toe-‘idoena wa tasuddoena ‘an-Sabie-lil-laahi man ‘aamana bihie wa tab-ghoenahaa ‘i-wadjaa. Waz-kuroe ‘iz kuntum qalielan-fa-kas-sarakum. Wan-zuroe kayfa kaana ‘aaqi-batul-muf-sidien.

86 En lig niet langs iedere weg op de loer, om degene die in Hem gelooft te bedreigen en om hem te doen afdwalen van Allāh’s weg, terwijl jullie proberen deze af te buigen. En gedenk dat toen jullie met weinigen waren. Hij jullie vermenigvuldigde, en zie wat het einde was van de onruststokers!

 

87 Wa ‘in-kaana taaa-‘ifatumminkum ‘aamanoe bil-lazie-‘ursiltu bihie wa taaa-‘ifa-tul-lam yu’-minoe fas-biroe hattaa yahkumallaahu bay-nanaa: wa Huwa Gayrul–Haakimien.

87 En als er een groep onder jullie is die gelooft in hetgeen waar ik mee ben gezonden, en een andere groep die er niet in gelooft, wacht dan geduldig tot Allāh een oordeel tussen ons velt; en Hij is de Beste van de Rechters.

 

88 QAALAL-MALA-‘UL-lazienas-tak-baroe min-qawmihie lanug-ridjannaka yaa-Sju’’aybu walla-ziena ‘aamanoe ma-‘aka min-qar-yatinaaa ‘aw lata-‘oedunna fie millatinaa. Qaala ‘awa law kunnaa kaari- hien?

88 De arrogante leiders van zijn volk zeiden: Wij zullen jou zeker uit onze stad verjagen, o Sjoe‘aib, en degenen die met jou geloven, tenzij jullie je weer bekeren tot onze religie. Hij zei: Zelfs als wij (er) een afkeer (van) hebben?

 

89 Qadifta-raynaa ‘alal-laahi kaziban ‘in ‘udnaa fie millatikum ba’-da ‘iz nadjdjaanallaahu minhaa. Wa maa yakoenu lanaaa ‘an-na-‘oeda fiehaaa ‘illaaa ‘any-yasjaaa-‘al-laahu Rabbunaa. Wasi-‘a Rabbu- naa kulla sjay-‘in ‘ilmaa. ‘Alallaahi ta-wakkalnaa. Rabbanaf-tah bay-nanaa wa bay-na qawminaa bil-haqqi wa ‘Anta Gay-rul-Faatihien.

89 Wij zouden werkelijk een leugen tegen Allāh hebben verzonnen, als wij ons zouden bekeren tot jullie religie nadat Allāh ons daarvan heeft verlost. En het is niet aan ons om ons te bekeren, tenzij het Allāh, onze Heer behaagt. Onze Heer omvat alle dingen in Zijn kennis. Op Allāh vertrouwen wij. Onze Heer, beslis tussen ons en ons volk naar waarheid, en U bent de Beste van de Beslissers.

 

90 Wa qaalal-mala-‘ul-laziena kafaroe min-qaw-mihie la-‘inittaba’-tum Sju’ayban ‘innakum ‘izal-la-gaasiroen!

90 En de leiders van zijn volk, die niet geloofden, zeiden: Als jullie Sjoe‘aib volgen, zijn jullie zeker verliezers.

 

91 Fa-‘agazat-humur-radjfatoe fa-‘asbahoe fie daarihim djaasimien.

91 Dus achterhaalde de aardbeving hen, en zij waren bewegingloze lichamen in hun woningena –

 

92 ‘Alla-ziena kazzaboe Sju-’ayban ka-‘allam yaghnaw fiehallaziena kazzaboe Sju-’ayban-kaanoe humul-gaa-sirien!

92 Degenen die Sjoe‘aib een leugenaar noemden, waren alsof zij daar nooit in hadden gewoond – degenen die Sjoe‘aib een leugenaar noemden, dat waren de verliezers.

 

93 Fata-wallaa ‘anhum wa qaala yaa-qawmi laqad ‘ablaghtukum risaa-laati Rabbie wa nasahtu lakum; fakay-fa ‘aasaa ‘alaa qaw-min-kaafirien.

93 Dus wendde hij zich van hen af en zei: O mijn volk, ik bracht jullie werkelijk de boodschap van mijn Heer en ik gaf jullie goede raad; hoe kan ik dan medelijden hebben met een ongelovig volk?a


85a. Verwijzingen naar Sjoe‘aib zijn in de Heilige Qoer-ān hier te vinden, en in 11:84–95; 15:78, 79; 26:176–191 en 29:36, 37. Sjoe‘aib was een afstammeling van Abraham in de vijfde generatie. Madjan Midjan was de naam van Abrahams zoon bij Ketura (Gen. 25:2), en een stad met dezelfde naam verrees aan de Rode Zee ten zuidoosten van de Berg Sinaï, waar zijn afstammelingen zich vestigden. Ptolemeus noemt deze stad Modiana. Over het algemeen wordt aangenomen dat Sjoe‘aib een andere naam is voor Jetro.

Het bevel verminder de dingen van de mensen niet staat voor het niet beroven van mensen of het niet ontfutselen van hun rechten, of het niet kwaadwillend handelen ten opzichte van mensen met betrekking tot hun dingen of rechten.

91a. Naar de straf wordt twee keer verwezen met radjfah, of de aarbeving, en eenmaal in 11:94 met saihah, wat ook aarbeving betekent.

93a. Hij had zijn volk voldoende gewaarschuwd, en het was hun eigen schuld dat zij niet profiteerden van zijn goede raad.

 

PARAGRAAF 12: Inwoners van Makkah gewaarschuwd voor straf

 

94 Wa maaa ‘arsal-naa fie qaryatim-min-nabiyyin ‘illaaa ‘agaz-naaa ‘ahlahaa bil-ba’-saaa-‘i wazzar-raaa-‘i la-‘allahum yazzarra-‘oen.

94 En Wij stuurden geen profeet naar een stad, of Wij overvielen haar volk met onheil en leed opdat zij zich zouden deemoedigen.a

 

95 Summa baddalnaa makaanas-sayyi-‘atil-basanata hattaa ‘afaw-wa qaaloe qad massa ‘aabaaa-‘anaz-zarraaa-‘u was-sarraaa-‘u fa-‘agaz-naahum-baghtatanw-wa hum laa yasj-‘uroen.

95 Daarna verwisselden Wij het kwaad voor goed,a totdat zij welvarend werden en zeiden: Onheil en blijdschap hebben onze vaderen zeker beroerd. Dus verrasten Wij hen, terwijl zij (het) niet hadden voorzien.

 

96 Wa law ‘anna ‘ahlalquraaa ‘aamanoe watta-qaw lafa-tahnaa ‘alay-him barakaatim-minas-samaaa-‘i wal-‘ardi wa laakin kazzaboe fa-‘agaz-naahum-bimaa kaanoe yak-siboen.

96 En als de mensen in de steden hadden geloofd en aan hun plicht hadden voldaan, dan hadden Wij zeker de zegeningen van de hemelen en de aarde voor hen hebben geopend. Maar zij verwierpen, dus overvielen Wij hen vanwege wat zij verdienden.

 

97 ‘Afa-‘amina ‘ahlul-quraaa ‘any-ya-ti-yahum ba’-sunaa ba-yaatanw-wa hum naaa-‘imoen?

97 Zijn de mensen in de steden dan veilig voor Onze straf die ’s nachts tot hen komt, terwijl zij slapen?

 

98 ‘Awa-‘amina ‘ahlul-quraaa ‘any-ya-ti-yahum ba’-sunaa zuhanw-wa hum yal-‘aboen?

98 Of zijn de mensen in de steden veilig voor Onze straf die in de morgen tot hen komt, terwijl zij spelen?a

 

99 ‘Afa-‘aminoe makral-laah? Falaa ya’-manu makral-laahi ‘illal-qawmul-gaasi-roen!

99 Zijn zij veilig voor Allāh’s plan? Maar niemand voelt zich veilig voor Allāh’s plan, behalve de mensen die ten onder gaan.


94a. Het moet duidelijk zijn dat de geschiedenissen van de volkeren bedoeld zijn als waarschuwing voor alle tegenstanders van de waarheid. Het is ook duidelijk dat zelfs de kwellingen en de rampspoed die naar een volk worden gestuurd, bedoeld zijn voor hun geestelijke vooruitgang, opdat zij zich zouden deemoedigen.

95a. Met goed en kwaad worden hier respectievelijk gemak en ongemak bedoeld.

98a. Doeh-an, wat hier vertaald wordt met morgen, begint na zonsopgang, volgens sommigen als de zon nog laag staat, en volgens anderen als zij al hoger staat (LL). Het spelen kan letterlijk worden genomen, maar het kan ook duiden op de wereldse aangelegenheden waar zij het zeer druk mee hadden, terwijl zij hun hogere aspiraties totaal verwaarloosden.

 

PARAGRAAF 13: Mozes wordt naar Farao gestuurd met tekenen

 

100 ‘Awa-lam yahdi lillaziena yari-soenal-‘arda mim-ba’-di-‘ahlihaaa ‘al-law na-sjaaa-‘u ‘asab-naahum -bizunoebihim, wa natba-‘u ‘alaa quloe-bihim fahum laa yasma-‘oen?

100 Is het niet duidelijk voor degenen die de aarde erven na haar (vorige) bewoners dat, wanneer het Ons behaagt, Wij hen zouden beproeven vanwege hun zonden, en hun harten verzegelen zodat zij niet horen?

 

101 Tilkal-quraa naqussu ‘alay-ka min ‘ambaaa-‘ihaa. Wa laqad-djaaa-‘at-hum rusulu-hum-bil-Bayyi-naat: famaa kaanoe li-yu’-minoe bimaa kazzaboe min-qabl. Kazaalika yatba-‘ullaahu ‘alaa quloebil-kaafirien.

101 Zo ging het toe in de steden, over een aantal waarvan Wij jou het nieuws hebben verteld. En waarlijk kwamen hun boodschappers tot hen met duidelijke bewijzen, maar zij wilden niet geloven wat zij al eerder hadden afgewezen. Zo verzegelt Allāh de harten van de ongelovigen.

 

102 Wa maa wadjadnaa li-‘aksa-rihim-min ‘ahd. Wa ‘inw-wadjadnaaa ‘aksarahum la-faasiqien.

102 En in de meesten van hen vonden Wij geen (trouw aan het) verbond; en de meesten van hen bleken overtreders te zijn.

 

103 Summa ba-‘asnaa mimba’-dihim-Moesaa bi-‘Aayaatinaa ‘ilaa Fir-‘awna wa mala-‘ihie fazalamoe bihaa: fanzur kayfa kaana ‘aaqibatul-muf-sidien.

103 Toen, na hen, stuurden Wij Mozes met Onze boodschap naar Farao en zijn bevelhebbers, maar zij geloofden er niet in. Zie dan, wat het einde was van de onruststokers!a

 

104 Wa qaala Moesaa yaa – Fir-‘awnu ‘innie Rasoelum-mir-Rabbil-‘Aalamien,-

104 En Mozes zei: O Farao, ik ben waarlijk een boodschapper van de Heer van de Werelden,

 

105 Haqiequn ‘alaaa ‘al-laaa ‘aqoela ‘alal-laahi ‘illal-haqq. Qad dji’-tu-kum-bi-Bayyi-natim mir- Rabbi- kum fa-‘arsilma-‘iya Banie-‘Israaa-‘iel.

105 Het waardig om niets anders over Allāh te zeggen dan de waarheid. Ik ben zeker tot jullie gekomen met duidelijk bewijs van jullie Heer, dus laat de Kinderen van Israël met mij meegaan.

 

106 Qaala ‘in-kunta dji’-ta bi-‘Aayatin fa’-ti bihaaa-‘in-kunta minas-saadiqien.

106 Hij zei: Als je gekomen bent met een teken, laat het dan zien, als je de waarheid spreekt.

 

107 Fa-‘alqaa ‘Asaahu fa-‘izaa hiya su’-baanum-mubien!

107 Dus wierp hij zijn staf, en zie! Het was duidelijk een slang,

 

108 Wa naza-‘a yadahoe fa-‘izaa hiya bay-zaaa-‘u lin-naazirien!

108 En hij haalde zijn hand tevoorschijn en zie! Hij was wit voor de aanschouwers.a


103a. Aan de geschiedenis van Mozes is al kort gerefereerd in verband met de koppigheid van de Israëlieten. Hier wordt zij echter met meer details gebracht, en vanaf hier wordt zij voortgezet tot aan het einde van de 21e paragraaf. De reden voor deze uitbreiding is dat de Heilige Profeet (s.a.w.) meer gemeen had met Mozes dan met enige andere profeet, en hij wordt in de Mozaïsche profetieën de gelijke van Mozes genoemd. Verwijzingen naar de geschiedenis van Mozes zijn in de Heilige Qoer-ān opgenomen op de volgende plaatsen: 2:49–71; 4:153; 5:20–26; 7:103–156, 159–160; 10:75–92; 11:96–99; 17:101–104; 18:60–82; 19:51–53; 20:9–98; 23:45-49; 26:10–68; 27:7–14; 28:3–44; 37:114–122; 40:23–54; 43:46–56; 44:17–33; 51:38–40; 61:5 en 79:15–26.

108a. Hier zien we weer een voorbeeld van de juistheid van een bewering in de Qoer-ān die verschilt van de Bijbel en die de gebreken van de Bijbelse vertelling aantoont. In het vierde hoofdstuk van Exodus wordt duidelijk gesteld dat er twee tekenen aan Mozes werden gegeven – dat van zijn staf die in een slang veranderde, en dat van zijn hand die wit werd toen hij hem in zijn boezem stak. Exodus 4:8 stelt duidelijk dat Mozes bevolen werd deze twee tekenen aan Farao te tonen. Maar wanneer we hoofdstuk 7 lezen, waar de uitvoering van deze wonderen voor Farao staat opgetekend, zien we dat alleen het wonder van de staf genoemd wordt.

Een andere vraag die het waard is hier overwogen te worden, gaat over de aard van deze wonderen. Zoals elders in de Heilige Qoer-ān gesteld wordt, was de staf van Mozes een gewone staf: "Ik leun erop en ik sla er bladeren mee voor mijn schapen, en ik gebruik hem voor andere dingen" (20:18). Nergens wordt vermeld dat, altijd als hij hem neergooide, zijn staf veranderde in een slang. Zelfs toen de Israëlieten in het grootste gevaar verkeerden, maakte Mozes er geen gebruik van. Slechts in twee gevallen wordt vermeld dat de staf in een slang veranderde, nl. (1) toen Mozes in gemeenzaamheid trad met Allāh vóór hij naar Farao ging; (2) toen hij voor het eerst voor Farao verscheen, of toen Farao de tovenaars te hulp riep.

Bij de eerste van deze gelegenheden nu, is het zeker dat alleen Mozes de staf in een slang veranderd zag worden, toen hij een visioen had – een staat waarin iemand tijdelijk wordt overgebracht naar een geestelijke sfeer. Dit is de staat waarin de profeten en andere rechtschapen mensen hun Goddelijke openbaring ontvangen. Terwijl het zeker is dat het geen slaaptoestand is, is het net zo zeker dat het een toestand is waarin de geest uitstijgt boven de beperkingen van de fysieke omgeving, en dingen opneemt die niet waarneembaar zijn voor het fysieke oog, en dingen hoort die het fysieke oor niet kan horen. Het is daarom zeker dat Mozes bij de eerste gelegenheid de verandering waarnam terwijl hij in eenzelfde toestand van tijdelijke verplaatsing verkeerde als waarin hij de openbaring ontving. Het wonder vond plaats tijdens de tweede gelegenheid, toen anderen naast Mozes getuige waren van de verandering. Maar het is een feit dat het effect van een geïnspireerd visioen soms zo sterk is, dat buiten de ziener om ook anderen er deelgenoot van worden.

Deze wonderen van Mozes waren echter, wat hun werkelijke aard ook moge zijn, niet slechts spel. De grootse waarheid die ten grondslag lag aan de ‘asā of de staf die een slang wordt, was dat de volgelingen van Mozes, vertegenwoordigd door zijn staf, hun vijanden zouden overwinnen. De onderliggende betekenis van het feit dat Mozes’ hand wit werd, was dat zijn argumenten zouden stralen van helderheid.

Zie voor deze interpretaties van de twee gebeurtenissen 20:20a, 22a.

 

PARAGRAAF 14: Farao ontbiedt tovenaars

 

109 Qaalal-mala-‘u min-qawmi Fir-‘awna ‘inna haazaa lasaahirun ‘aliem.

109 De bevelhebbers van het volk van Farao zeiden: Dit is zeker een vakkundig tovenaar!

 

110 Yuriedu ‘any-yug-ridjakum-min ‘ardiekum : famaa zaa ta’-muroen?

110 Hij is van plan jullie uit jullie land te verjagen. Wat is jullie advies?a

 

111 Qaaloe ‘ardjih wa ‘agaahu wa arsil fil-Madaaa-‘ini haasjiriena-

111 Zij zeiden: Ontmoedig hem en zijn broer, en stuur ontbieders naar de steden,

 

112 Ya’-toeka bikulli saahirin ‘aliem.

112 Om jou iedere vakkundige tovenaar te brengen.

 

113 Wa djaaa-‘as-saharatu Fir-‘awna qaaloe ‘inna lanaa laadjran ‘in-kunnaa nahnul-ghaalibien.

113 En de tovenaars kwamen naar Farao en zeiden: Wij wensen zeker een beloning als wij overwinnen.a

 

114 Qaala na-‘am wa ‘innakum laminal-muqarrabien.

114 Hij zei Ja, en jullie zullen zeker bij de groep horen die (mij) dierbaar is.

 

115 Qaaloe yaa-Moesaaa ‘immaaa ‘an-tul-qiya wa ‘immaa ‘an-nakoena nahnul-mulqien?

115 Zij zeiden: O Mozes, wil jij werpen, of zullen wij (als eersten) werpen?

 

116 Qaala ‘al-qoe. Falammaaa ‘al-qaw saharoe ‘a’-yunan-naasi wastar-haboehum wa djaaa-‘oe bisihrin-‘aziem.

116 Hij zei: Werp. En toen zij wierpen, bedrogen zij de ogen van de mensen en zij imponeerden hen, en zij schiepen een geweldige betovering.

 

117 Wa ‘aw-hay-naaa ‘ilaa Moesaaa ‘an ‘alqi ‘Asaak : fa-‘izaa hiya talqafu maa ya’-fikoen!

117 En Wij openbaarden aan Mozes: Werp jouw staf. En zie! Hij verzwolg hun leugens.a

 

118 Fa-waqa-‘al-haqqu wa batala maa kaanoe ya’-maloen.

118 Zo werd de waarheid bevestigd, en wat zij hadden gedaan verwerd tot niets.

 

119 Fa-ghuliboe hunaalika wanqalaboe saaghirien.

119 Daar werden zij verslagen, en zij keerden vernederd terug.

 

120 Wa ‘ulqi-yas-sabaratu saadjidien,

120 En de tovenaars wierpen zich ter aarde –

 

121 Qaaloe ‘aamannaa bi-Rabbil-‘Aalamien,-

121 Zij zeiden: Wij geloven in de Heer van de Werelden,

 

122 Rabbi Moesaa wa Haaroen.

122 De Heer van Mozes en Aäron.

 

123 Qaala Fir-‘awnu ‘aamantum-bihie qabla ‘an ‘aazana lakum? ‘Inna haazaa la-makrummakar-tumoehu fil-Madienati li-tug-ridjoe minhaaa ‘ahlahaa : fa-sawfa ta’-lamoen.

123 Farao zei: Jullie geloven in Hem voordat ik jullie daar toestemming voor geef! Dit is waarlijk een samenzwering die jullie in de stad hebben gesmeed om haar mensen te verjagen, maar jullie zullen het weten!

 

124 La-‘u-qatti-‘anna ‘aydiyakum wa ‘ardjulakum-min-gilaafin-summa la-‘u-salli-bannakum ‘adjma-‘ien.

124 Zeker zal ik aan tegenovergestelde zijden jullie handen en voeten afhakken, en dan zal ik jullie allemaal tegelijk kruisigen!

 

125 Qaaloe ‘innaaa ‘ilaa Rabbinaa mun-qaliboen :

125 Zij zeiden: Waarlijk keren wij terug tot onze Heer.

 

126 Wa maa tanqimu minnaa ‘illaaa ‘an aamannaa bi-‘Aayaati Rabbinaa lammaa djaaa-‘atnaa! Rabbanaaa ‘af-righ ‘alay-naa sabranw-wa ta-waffanaa Muslimien!

126 En je neemt slechts wraak op ons omdat wij geloofden in de boodschap van onze Heer toen deze tot ons kwam. Onze Heer, schenk geduld over ons uit en laat ons onderwerpen (aan U) sterven!a


110a. Amr draagt hier de betekenis van adviseren of raad geven. Men zegt moer-ni wat geef me raad, adviseer me betekent (LL). De woorden zijn kennelijk van Farao.

113a. Vergelijk Exod. 7:11: "Daarop riep Farao van zijn kant de wijzen en de tovenaars."

117a. Vergelijk Exod. 7:12: "Ieder wierp zijn staf neer en deze werden tot slangen; de staf van Aäron echter verslond hun staven." De voorstelling van de tovenaars wordt hier beschreven als de leugens die zij vertelden.

126a. De Bijbel zegt niet over de tovenaars dat ze, nadat ze waren overwonnen, geloofden in de Goddelijke missie van Mozes. In tegenstelling daarmee, worden zij afgeschilderd als nog steeds in opstand tegen Mozes op het moment dat er, later, andere tekenen worden getoond. Hun harten echter, lijken onder de indruk van de waarheidsgetrouwheid van Mozes wanneer zij bij een gelegenheid tegen Farao zeggen dat "de vinger van Allāh" school in wat Mozes deed (Exod. 8:19). Ondanks deze overtuiging, wordt beschreven hoe zij nog steeds opstandig zijn tegenover Mozes en hoe zij lijden onder de zweren, net als Farao’s volgelingen (Exod. 9:11). Maar volgens de rabbijnse literatuur, vergezelden enkele Egytenaren Mozes toen hij Egypte verliet, wat ondersteund wordt door de Bijbelse vertelling: "Ook trok een menigte van allerlei slag met hen mee" (Exod. 12:38). "want de Egyptenaren kwamen, toen het moment dat Mozes de berg zou gaan afdalen daar was, met veertigduizend, vergezeld door twee Egyptische tovenaars, Jonos en Jambros, dezelfden die Mozes imiteerden toen deze de tekenen schiep en de plagen in Egypte" (Jewish Ency.). Deze twee tovenaars worden ook genoemd in 2 Tim. 3:8, wat een verdere ondersteuning is van de waarheid van de bewering die in de Qoer-ān wordt gemaakt, en van de gebreken in de Bijbelse vertelling.

Verder moet worden opgemaakt dat de tovenaars niet geloofd zouden kunnen hebben, tenzij de argumenten van Mozes omtrent het bestaan van Allāh hadden gehoort, en die omtrent het leven na de dood. Hier geloofden zij nu zo onwrikbaar in, dat zij zelfs bereid waren hun leven te offeren voor hun geloof. Het toont aan dat Mozes, voordat hij zijn tekenen toonde, de essentiële religieuze waarheden had uitgelegd aan de gehele bijeenkomst.

 

PARAGRAAF 15: De vervolging van de Israëlieten duurt voort

 

127 Wa qaalal-mala-‘u minqawmi Fir-‘awna ‘atazaru Moesaa wa qaw-mahoe liyufsidoe fil-‘ardi wa yazaraka wa ‘aali-hatak? Qaala sanu-qattilu ‘abnaaa-‘ahum wa nastha-yie nisaaa-‘ahum; wa ‘innaa fawqahum qaahi-roen.

127 En de bevelhebbers van het volk van Farao zeiden: Ben je plan om Mozes en zijn volk onrust te laten stoken in het land, terwijl zij jou en jouw goden verloochenen? Hij zei: Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen sparen, en waarlijk overheersen wij hen.a

 

128 Qaala Moesaa li-qawmihista-‘ie-noe bil-laahi wasbiroe. ‘Innal-‘arda lillaahi yoeri-suhaa many-yasjaaa-‘u min ‘ibaa-dih; wal-‘aaqibatu lil-Muttaqien.

128 Mozes zei tegen zijn volk: Vraag Allāh om hulp en wees geduldig. Het land behoort zeker aan Allāh toe – Hij geeft het als een erfenis aan diegene van zijn dienaren die het Hem behaagt. En het einde is voor degenen die aan hun plicht voldoen.

 

129 Qaaloe ‘oezienaa qabli ‘an-ta’ ti-yanaa wa mimba’-di maa dji’-tanaa. Qaala ‘asaa Rabbukum ‘any-yuhlika ‘aduw-wakum wa yastag-lifakum fil-‘ardi fa-yanzoera kayfa ta’-maloen.

129 Zij zeiden: Wij werden vervolgd voordat jij tot ons kwam en sinds jij tot ons kwam. Hij zei: Het zou kunnen dat jullie Heer jullie vijand zal vernietigen en jullie regeerders maakt in het land, dan zal Hij zien hoe jullie je gedragen.a


127a. Het woord dat vertaald wordt met overheersen is qāhir, wat iemand die een ander heeft overwonnen, verslagen of onderworpen betekent (LL).

129a. Met het land wordt het Beloofde Land bedoeld, want dit is waar Mozes hen naartoe bracht. Zij zouden slechts tot heersers in het land gemaakt worden, op voorwaarde dat zij goed zouden doen; dit wordt gesuggereerd in de slotwoorden van dit vers.

 

PARAGRAAF 16: Mozes laat meer tekenen zien

 

130 Wa laqad ‘agaz-naa ‘aala-Fir-‘awna bissi-niena wa naqsim-minas-samaraati la-‘allahum yaz-zakkaroen.

130 En zeker overvielen Wij het volk van Farao met droogtes en een vermindering van de vruchten, opdat zij indachtig konden zijn.

 

131 Fa ‘izaa djaaa-‘at-humulhasanatu qaaloe lanaa haazih: wa ‘in-tusibhum sayyi-‘atuny-yat-tayyaroe bi-Moesaa wa mam-ma-‘ah. ‘Alaaa ‘innamaa taaa-‘iruhum ‘indal-laahi wa laakinna ‘aksarahum laa ya-lamoen!

131 Maar toen het goede tot hen kwam, zeiden zij: Dit hebben wij aan onszelfs te danken. En toen het kwaad hen kwelde, weten zij dit aan de tegenspoed van Mozes en degenen met hem. Hun ongelukkig lot komt waarlijk slechts van Allāh, maar de meesten van hen weten niet.a

 

132 Wa qaaloe mahmaa ta’-tinaa bihie min ‘Aayatil-li-tas-haranaa bihaa famaa nahnu laka bi-Mu’-minien.

132 En zij zeiden: Welk teken je ons ook zal brengen om ons mee te betoveren – wij zullen niet in jou geloven.

 

133 Fa ‘arsalnaa ‘alay-hi-mut-Toefaana wal-Djaraada wal-Qummala waz-Zafaadi-‘a wad-Dama ‘aayaa-tim-mufas-salaat. Fastak-baroe wa kaanoe qawmam-mudjri-mien.

133 Dus zonden Wij wijdverspreide dood op hen neer,a en de sprinkhanen en de luizen en de kikkers en het bloed – duidelijke tekenen.b Maar zij gedroegen zich hooghartig en zij waren een schuldig volk.

 

134 Wa lammaa waqa-‘a ‘alay-himur-ridjzu qaaloe yaa-Moesad-‘u lanaa Rabbaka bimaa ‘ahida ‘indaka la-‘in-kasjafta ‘annar-ridjza lanu’-minanna laka wa lanur-silanna ma-‘aka Banie-Israaa-‘iel.

134 En toen de plaaga op hen neerdaalde, zeiden zij: O Mozes, bid voor ons tot jouw Heer daar Hij jou beloften heeft gedaan. Als jij de plaag van ons wegneemt, zullen wij zeker in jouw geloven en zullen wij de Kinderen van Israël met jou mee laten gaan.

 

135 Falammaa kasjafnaa ‘anhumur-ridjza ‘ilaaa ‘adjalin humbaali-ghoehu ‘izaa hum yunkusoen!

135 Maar toen Wij de plaag van hen wegnamen tot aan een termijn waaraan zij zich hadden moeten houden, zie! Zij braken (hun belofte).a

 

136 Fanta-qamnaa minhum fa-‘aghraq-naahum fil-yammi bi-‘annahum kazzaboe bi-‘Aayaa-tinaa wa kaanoe ‘anhaa ghaafi-lien.

136 Dus legden Wij hen een vergelding op en verdronken hen in de zee, omdat zij Onze tekenen afwezen en deze niet in acht namen.

 

137 Wa ‘aw-rasnal-qawmallaziena kaanoe yustaz-‘afoena masjaari-qal-‘ardi wa maghaariba-hallaatie baaraknaa fiehaa. Wa tammat Kalimatu Rabbikal-husnaa ‘alaa Banie-‘Israaa-iela bimaa sabaroe; wa dammarnaa maa kaana yasna-‘u Fir-‘awnoe wa qawmuhoe wa maa kaanoe ya-risjoen.

137 En Wij zorgden ervoor dat het volk waaraan werd gedacht dat het zwak was de landen in het oosten en de landen in het westen erfde, die Wij hadden gezegend. En het goede woord van jouw Heer werd vervuld in de Kinderen van Israël – vanwege hun geduld. En Wij vernietigen wat Farao en zijn volk hadden gewrocht en wat zij hadden gebouwd.a

 

138 Wa djaa-waznaa bi-Banie-‘Israaa-‘ielal-bahra fa-‘ataw ‘alaa qawminy-ya’-kufoena ‘alaaa ‘asnaa-mil-lahum. Qaaloe yaa-Musadj-‘al-lanaaa ‘ilaahan-kamaa lahum ‘aalihah. Qaala ‘innakum qaw-mun-tadj-haloen.

138 En Wij brachten de Kinderen van Israël over de zee. Toen kwamen zij bij een volk dat zijn afgoden aanbad. Zij zeiden: O Mozes, maak voor ons net zo’n god als de goden die zij hebben. Hij zei: Jullie zijn waarlijk een onwetend volk!a

 

139 ‘Inna haaa-‘ulaaa-‘i mutab-barum-maa hum fiehi wa baa-tilum-maa kaanoe ya’-maloen.

139 (Wat betreft) dezen, dat wat hen bezighoudt, zal worden vernietigd en dat wat zij doen is ijdel.

 

140 Qaala ‘a-ghay-rallaahi ‘abgiekum ‘ilaahanw-wa Hu-wa fazzalakum ‘alal-‘aalamien?

140 Hij zei: Moet ik voor jullie een andere god zoeken dan Allāh, terwijl Hij jullie boven (alle) geschapen dingen heeft verheven?a

 

141 Wa ‘iz ‘andjay-naakummin-‘Aali-Fir-‘awna yasoemoenakum soe-‘al-‘azaabi, yuqattiloena ‘abnaaa-‘akum wa yastah-yoena nisaaa-‘akum: wa fie zaalikum balaa-‘um-mir-Rabbikum ‘aziem.

141 En toen Wij jullie verlosten van het volk van Farao, dat jullie onderwierp aan zware kwellingen, dat jullie zonen doodde en jullie vrouwen spaarde. En daarin school een grootse beproeving van jullie Heer.


131a. Het orginele woord voor ongelukkig lot is tā’ir, lett. een vogel. Zie 17:13a voor de uitleg. Hun ongelukkig lot komt van Allāh betekent dat de tegenspoed die zij moesten ondergaan door Allāh werd veroorzaakt, als een gevolg van hun eigen slechte daden.

133a. Toefān (van tāfahij ging rond of liep rond het ding) is oorspronkelijk iedere omstandigheid die mensen aan alle kanten insluit (R.), en daarom wordt het ook gebruikt voor een overstroming of zandvloed. Het betekent ook dood, of snelle en wijdverbreide dood; of een algemeen gangbare dood (LL). Vandaar dat het ofwel een plaag die wijdverbreide dood veroorzaakt betekent, of een overstromingWijdverbreide dood wordt, als de ware betekenis van toefān, ook aanvaard door Boechāri (B. 65:vii).

133b. De Bijbel vermelt de volgen de tekenen: (1) Het veranderen van water in bloed; (2) kikkers; (3) luizen; (4) vliegen; (5) de pest onder dieren en mensen; (6) hagel; (7) sprikhanen; (8) duisternis; )9) dood van de eerstgeborenen. Van deze noemt de Qoer-ān de eerste twee, de derde en de zevende in duidelijke bewoordingen. De vierde is opgenomen in de derde, de vijfde en negende worden samen genoemd als toefān of wijdverbreide dood, de hagel wordt niet genoemd, maar de vernietiging van de vruchten die daardoor wordt veroorzaakt, wordt genoemd in v. 130. In dit vers zien we in plaats van duisternis droogte. Dit lijkt de ware ramp te zijn, waarvan de duisternis ofwel het metaforische, dan wel het werkelijke gevolg kan zijn geweest. Droge perioden gaan immers vaak vergezeld van orkanen en stormen die het land verduisteren. De twee tekenen uit v. 130), samen met de vijf die hier genoemd worden, zijn de zeven tekenen die samen met de twee tekenen van de staf en de witte hand, de negen tekenen vormen uit 17:101 en 27:12.

134a. Dit is een verwijzing naar de plaag die genoemd wordt in het voorgaande vers.

135a. Een verwijzing naar Exodus, hoofdstuk 8–11, toont aan dat Farao steeds weer zijn belofte brak om de Kinderen van Israël te laten gaan – beloften die hij deed op voorwaarde dat een bepaalde ramp zou worden opgeheven.

137a. Het land dat gezegend was is geen ander dan het Heilige Land, waarvoor een Goddelijke belofte werd gedaan aan Abraham. Het goede woord wanneer hier verwezen wordt is dat wat is opgenomen in Gen. 17:8. De oostelijke en westelijke landen zouden op de oostelijke en westelijke streken van het Heilige Land kunnen duiden, of op de landen ten oosten en westen van de Jordaan.

138a. De Israëlieten stuitten ongetwijfeld op idolate naties tijdens hun omzwervingen in Syrië. Zij hadden zelf idolate neigingen: "Het volk verzamelde zich rondom Aäron, en zeide tot hem: Welaan, maak ons goden die vóór ons uit gaan" (Exod. 32:1). Vele andere anekdoten vertonen een soortgerlijke hang naar afgoderij.

140a. Mozes’ argument tegen afgoderij is gelijk aan het argument waarop de Heilige Qoer-ān herhaaldelijk de aandacht vestigt. De mens, die als het ware de heer over de schepping onder Allāh is een verheven boven de gehele schepping, zou geen dingen tot zijn goden moeten nemen die lager staan dan hijzelf.

 

PARAGRAAF 17: Mozes ontvangt de wet

 

142 Wa waa-‘adnaa Moesaa salaa-siena lay-latanw-wa ‘atmam-naahaa bi-‘asjrin-fa-tamma mieqaatu Rabbihie ‘arba-‘iena laylah. Wa qaala Moesaa li-‘agiehi Haaroe-nag-lufnie fie qawmie wa ‘aslih wa laa tatta-bi’ aabie-lal-mufsidien.

142 En Wij kenden Mozes dertig nachten toe, en completeerden deze met tien, zodat de hem door zijn Heer toegekende tijd in totaal veertig nachten bedroeg. En Mozes zei tegen zijn broer Aäron: Neem mijn plaats in onder mijn volk, en handel goed en volg niet de weg van de onruststokers.

 

143 Wa lammaa djaaa-‘a Moesaa li-mie-qaatinaa wa kallamahoe Rabbuhoe qaala Rabbi ‘a-rinie ‘anzur ‘i-layk. Qaala lan-taraanie wa laakinin zur ‘ilal-djabali fa-‘inistaqarra makaanahoe fa-sawfa faraanie. Falammaa tadjallaa Rabbuhoe lil-Djabali dja-‘alahoe dakkanw-wa garra Moesaa sa-‘iqaa. Falammaaa ‘afaaqa qaala Subhaanaka tubtu ‘ilayka wa ‘ana ‘awwalul-Mu’-minien.

143 En toen Mozes kwam op de door Ons toegekende tijd en zijn Heer tot hem sprak, zei hij: Mijn Heer, vertoon (Uzelf) aan mij zodat ik U mag aanschouwen. Hij zei: Jij kunt Mij niet zien; maar kijk naar de berg; als deze vast op zijn plaats blijft staan, dan zul je Mij aanschouwen. En toen zijn Heer Zijn glorie openbaarde aan de berg deed Hij deze ineenstorten, en Mozes viel in onmacht neer. Daarna, toen hij bijkwam, zei hij: Glorie aan U! Ik wend mij tot U, en ik ben de eerste van de gelovigen.a

 

144 Qaala yaa-Moesaaa ‘innis-tafay-tuka ‘alan-naasi bi-Risaa-laatie wa bi-Kalaamie faguz maaa ‘aa-taytuka wa kum-minasj-Sjaakirien.

144 Hij zei: O Mozes, waarlijk heb Ik jou verkozen boven de mensen, met Mijn boodschap en Mijn woorden. Dus houd vast (aan) wat Ik je geef en behoor tot de dankbaren.

 

145 Wa katabnaa lahoe ‘Al-waahi min-kulli sjay-‘immaw-‘izatanw-wa tafsielal-lakulli sjay’: fa-guzhaa bi-quwwatinw-wa -mur qawmaka ya’-guzoe bi-‘ah-sanihaa: sa-‘oeriekum daaral-faa-siqien.

145 En Wij legden voor hem in de schrijftabletten allerlei waarschuwingen vast,a en een duidelijke uitleg van alle dingen. Dus houd je standvastig hieraan, en beveel jouw volk om zich te houden aan wat hiervan het beste is. Ik zal jullie de verblijfplaats van de overtreders laten zien.b

 

146 Sa-‘asrifu ‘an ‘Aayaatiyallaziena yata-kabbaroena fil-‘ardi bi-ghayril-haqq: wa ‘inyya-raw kulla ‘Aayatil-laa yu’-minoe bihaa; wa ‘iny-ya-raw sabielar-rusjdi laa yatta-gizoehu Sabielaa: wa ‘iny-ya-raw sabielal-ghayyi-gizoehu Sabielaa. Zaalika bi-‘annahum kazzaboe bi-‘Aayaatinaa wa kaanoe ‘anhaa ghaafi-lien.

146 Al wie zich op aarde ten onrechte trots gedraagt, zal Ik afwenden van Mijn boodschap. En als zij ieder teken zien, dan zullen zij er niet in geloven; en als zij de weg van rechtvaardigheid zien, dan zien zij die niet als een weg; en als zij de weg van dwaling zien, dan zien zij die als een weg. Dit komt omdat zij Onze boodschap afwijzen en deze niet in acht nemen.

 

147 Walla-ziena kazzaboe bi-‘Aayaatinaa wa Liqaaa-‘il-‘Aagirati habitat ‘a’-maaluhum. Hal yudj-zawna ‘illaa maa kaanoe ya’-maloen ?

147 En degenen die Onze boodschap en de ontmoeting van het Hiernamaals afwijzen – hun daden zijn vruchteloos. Kunnen zij ergens anders voor worden beloond, dan voor wat zij doen?


134a. De hoogste zegening van het paradijs zou de aanblik van het Goddelijk Wezen zijn. De woorden die gericht zijn tot Mozes, jij kunt Mij niet zien, ontkennen de aanblik van het Goddelijk Wezen in het leven na de dood niet. Wat zij ontkennen is de mogelijkheid het Goddelijk Wezen met het fysieke oog waar te nemen. Mozes’verzoek lijkt te zijn gebaseerd op de eis van de ouderen waarvan in 2:55 gesproken wordt. Het ineenstorten van de berg is gelijk aan het rommelen van de aardbeving in 2:55. Ik waag het echter een andere verklaring te geven. Wat Mozes wilde zien was de grootse verschijning van Goddelijke glorie die slechts was voorbehouden aan de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.). In feite waren zowel Mozes als Jezus niet in staat de taak te volbrengen die was voorbehouden aan de Profeet Moehammad (s.a.w.). Jezus zei dat hij zijn volgelingen niet alles kon leren, maar dat als de Trooster zou verschijnen hij hen zou leiden naar algehele waarheid. Dat Mozes niet tot de taak van de Heilige Profeet (s.a.w.) in staat was, wordt duidelijk aangetoond door het feit dat hij in onmacht valt als hij de Grootse Verschijning aanschouwt.

145a. Kataba betekent Hij (Allāhschreef voor, wees aan of verordende en verplichtte (LL). De woorden allerlei waarschuwingen en een duidelijke uitleg van alle dingen kunnen niet algemeen worden opgevat, maar blijven beperkt tot de vereisten van de tijd waarin Mozes verscheen.

145b. De betekenis is dat er een tijd zal komen voor de Israëlieten, waarin zij de overtreders zullen worden, d.w.z. dat zij zich niet aan de Goddelijke geboden zullen houden.

 

PARAGRAAF 18: Israëlieten aanbidden een kalf

 

148 Watta-gaza qawmu Moesaa mim-ba’-dihie min hu-liyyihim ‘idjlan djasadal-lahoe guwaar. ‘Alam yaraw ‘annahoe laa yukalli-muhum wa laa yahdiehim Sabielaa ? ‘Itta-gazoehu wa kaanoe zaali-mien.

148 En na (zijn vertrek) maakte het volk van Mozes een kalf van hun sieraden – een (levenloos) lichaam,a met een loeiend geluid. Konden zij niet zien dat het niet tot hen sprak en hen ook niet leidde langs het pad? Zij namen het (om te aanbidden) en zij waren onrechtvaardig.

 

149 Wa lammaa suqita fie ‘aydiehim wa ra-‘aw ‘annahum qad zalloe qaaloe la-‘illam yarhammaa Rabboenaa wa yagh-fir lanaa lanakoenanna minalgaa-sirien.

149 En toen zij berouw toondena en zagen dat zij waren afgedwaald, zeiden zij: Als onze Heer geen genade met ons kent en ons niet vergeeft, dan zullen wij zeker bij de verliezers horen.

 

150 Wa lammaa radja-‘a Moesaa ‘ilaa qaw-mihie ghazbaana ‘asifan-qaala bi’-samaa galaf-tumoenie mim-ba’-die ‘A-‘adjiltum ‘amra Rabbikum ? Wa ‘alqal-‘Alwaaha wa ‘agaza bira’-si ‘agiehi yadjurruhoe ‘ilayh. Qaalabna-‘umma ‘innal-qaw-mastaz-‘afoenie wa kaadoe yaqtuloenanie. Falaa tusjmit bi-yal-‘a’-daaa-‘a wa laa tadj-‘alnie ma-‘al-qawmiz-zaali-mien.

150 En toen Mozes terugkeerde bij zijn volk, vol woede en leed, zei hij: Kwaadaardig is het wat jullie hebben gedaan na mij! Bespoedigden jullie het oordeel van jullie Heer?a En hij gooide de tabletten neer, greep zijn broer bij het hoofd en trok hem naar zich toe. Hij zei: Zoon van mijn moeder, het volk achtte mij zwak en had mij bijna gedood. Dus laat de vijanden zich niet over mij verblijden en reken mij niet tot de mensen die onrechtvaardig zijn.

 

151 Qaala Rabbigh-fir lie wa li-‘agie wa ‘ad-gilnaa fie Rahmatika wa ‘Anta ‘Arhamur-raahimien!

151 Hij zei: Mijn Heer, vergeef mij en mijn broer, en laat ons toe tot Uw genade, en U bent de meest barmhartige onder degenen die barmhartig zijn.a


148a. Het woord djasad betekent een lichaam, alsook rood of intens geel. De eerste uitleg wordt door de commentatoren algemeen aanvaard, en de betekenis is dat het kalf dat gemaakt werd slechts een lichaam was, zonder ziel. Toch werd het zo gemaakt, dat het beeld het loeiende geluid van een kalf maakte. De andere uitleg verschaft ook een reële beschrijving van het kalf, want, gemaakt van gouden ornamenten, had het een rode of entens gele kleur.

149a. Soeqita fi aidi-him is een zinsnede die, volgens de algemene opinie, zij hadden berouw (van saqata, het viel neer) betekent. De zinsnede zou vóór de Qoer-ān niet hebben bestaan (LL). In zijn commentaar zegt Boechari bij de verklaring van dit woord: Over iedereen die berouw heeft wordt gesproken als soeqita fi jadi-hi (B. 65:vii). Of het wordt opgevat als nadm en de betekenis is toen zij werden gecomfronteerd met berouw. Het berouw van de Israëlieten, hoewel dit als eerste wordt genoemd, was een gevolg van de terugkeer van Mozes (2:54). In feite is de volgorde hier niet historisch, maar een die verband legt tussen het berouw en de zonde. De gebeurtenissen die het berouw tot stand brachten, worden pas in tweede instantie genoemd.

150a. Het woord ‘adjila wordt gebruikt als een overgankelijk werkwoord en is dan gelijk aan sabaqa. De betekenis is, bespoiedigden jullie het gebod van jullie Heer? De amr, of het gebod, wordt uitgelegd als de vastgestelde tijd of het oordeel.

151a. Aärons excuus en Mozes’ aanvaarding ervan, tonen duidelijk aan dat Aäron volkomen onschuldig was en dat hij geen aandeel had in het maken van het kalf, noch in de verafgoding ervan. De Bijbelse bewering die een rechtschapen profeet van Allāh schuldig maakt aan de meest gruwelijke misdaad, moet als onwaar verworpen worden. Dat er hier niet om vergeving wordt gevraagd voor enige overtreding in verband met de aanbidding van het kalf, wordt duidelijk uit het feit dat, in het gebed dat in dit vers gegeven wordt, Mozes zich bij Aäron voegt. Vergeving is hier, net als regelmatig elders in de Heilige Qoer-ān, gelijk aan de Goddelijke bescherming die ieder mens zou moeten zoeken om zich te hoeden voor de zwakheden en tekortkomingen van menselijke aard, Zie 2:286a voor een volledige uitleg van het woord ghafr.

 

PARAGRAAF 19: De Thora en de komst van de Profeet (s.a.w.)

 

152 ‘Innal-lazienat-taga-zul-‘idjla sa-yanaaloe-hum ghazabummir-Rabbihim wa zillatoun-filha-yaatid-dunyaa : wa kazaalika nadjil-muftarien.

152 Degenen die het kalf (tot god) namen – toorn van hun Heer en schande in dit aardse leven zullen hen zeker achterhalen. En zo belonen Wij degenen die leugens verzinnen.

 

153 Walla-ziena ‘amilus-sayyi-‘aati summa taaboe mim-ba’-dihaa wa ‘aamanoe ‘inna Rabbaka mim-ba’-dihaa la-Ghafoerur–Rahiem.

153 En degenen die kwade daden begaan, om daarna berouw te tonen en te geloven – jullie Heer is daarna waarlijk Vergevensgezind, Barmhartig.

 

154 Wa lammaa sakata ‘am-Moesal-ghazabu ‘agazal-‘Al-waaha wa fie nus-gatihaa Hudanw-wa Rah- matul-lillaziena hum li-Rabbihim yarhaboen.

154 En toen de woede van Mozes kalmeerde, pakte hij de schriftabletten op; en wat daarop geschreven stond bevatte een leidraad, en genade voor degenen die hun Heer vrezen.a

 

155 Wag-taara Moesaa qawmahoe sab-‘iena radjulal-li-Mieqaa-tinaa: falammaaa ‘agazat-humur-radjfatu qaala Rabbi law sji’-ta ‘ahlak-ta-hum-minqablu wa ‘iyyaay. ‘Atuh-likunaa bimaa fa-‘alas-sufahaaa-‘u minnaa? ‘In hiya ‘illaa fitnatuk. Tuzillu bihaa mantasjaaa-‘u wa tahdie mantasjaaa’. Anta Walliyyunaa faghfir lanaa warham-naa wa ‘Anta Gayrul-ghaafirien.

155 En Mozes verkoos uit zijn volk zeventig mannen voor Onze afspraak.a Dus toen de aardbeving hen overviel, zei hij: Mijn Heer, als het U had behaagd, dan had U hen al eerder vernietigd, en mij (ook). Wilt U ons vernietigen om wat de dwazen onder ons hebben gedaan? Het oordeel is slechts aan U. Daarmee doet U ten onder gaan wie het U behaagt en geeft U leiding aan wie het U behaagt. U bent onze Beschermer, dus vergeef ons en heb genade met ons, en U bent de Beste onder degenen die vergeven.

 

156 Wak-tub lanaa fie haazihid-dunyaa hasanatanw-wa fil-‘Aagirati ‘innaa hudnaaa ‘ilayk. Qaala ‘azaabie ‘usiebu bihie man ‘asjaaa’. Wa rahmatie wasi-‘at kulla sjay. Fasa-‘aktubuhaa lillaziena yatta-qoena wa yu’-toenaz-Zakaata walla-ziena hum-bi-‘Aayaatinaa yu’-minoen;-

156 En beschik voor ons het goede in dit wereldse leven en in het Hiernamaals, want wij wenden ons waarlijk tot U. hij zei: Ik kwel met Mijn straf wie Ik wil en Mijn genade omvat alle dingen. Dus beschik Ik het voor degenen die aan hun plicht voldoen en die de armenbelasting betalen, en voor degenen die in Onze boodschap gelovena –

 

157 ‘Allaziena yattabi-‘oenar-Rasoelan-Nabiyyal-‘Ummiy-yallazie yadjidoenahoe maktoeban ‘indahum fit-Taw-raati wal-‘Indjiel. Ya’-muruhum-bilma’-roefi wa yan-haahum ‘anil-munkari wa yuhillu lahumut-tayyi-baati wa yubarrimu ‘alayhimul-gabaaa-‘isa wa yaza-‘u ‘anhum ‘israhum wal-‘aghlaa-lallatie kaanat ‘alayhim. Fallaziena ‘aamanoe bihie wa ‘azza-roehu wa nasaroehu wattaba-‘un-Noerallazie ‘u ‘nzila ma-‘ahoe ‘ulaaa-‘ika humul-Muf-lihoen.

157 Degenen die de Boodschapper- Profeet (s.a.w.) volgen, de Oemmi,a die zij genoemd zien in de Thora en in het Evangelie.b Hij draagt hen het goede op en verbiedt het kwade, en hij maakt de goede dingen voor hen wettig en verbiedt de onzuivere dingen, en hij verwijdert van hen de lasten en de ketens die zij droegen. Dus degenen die in hem geloven en hem eren en helpen,c en die het licht volgen dat met hem naar beneden is gezonden – dit zijn de succesvollen.


154a. Mozes "verbrijzelde ze aan de voet van de berg" in zijn boosheid volgens Exod. 32:19, en hoofdstuk 34 van Exod. Beschrijft hoe de tafels vernieuwd werden. De Qoer-ān verschilt van deze vertelling. Hij stelt niet dat de tafels gebroken of vernieuwd werden, maar meldt dat zij door Mozes werden opgepakt nadat zijn boosheid gezakt was, en dat het geschrevene nog steeds aanwezig was.

155a. Exod. 24:1 vertelt hoe Mozes zeventig ouderen van Israël met zich mee de berg op nam, hoewel het hen verboden was om "dicht bij de Heer te komen". Bij deze gelegenheid was Mozes veertig dagen en nachten op de berg (Exod. 24:18). Hoewel er in de Bijbel ook gezegd wordt dat hij na de gebeurtenissen rondom de verering van het kalf de berg opging en daar veertig dagen en nachten bleef (Exod. 34:28), verwijst de Qoer-ān slechts naar het eerste incident. Volgens de Heilige Qoer-ān was er geen aangelegenheid waarbij een tweede bezoek plaatsvond.

156a. Geen eigenschap van het Goddelijk Wezen wordt zo benadrukt in de Heilige Qoer-ān als de eigenschap van genade. Er is zonde in de wereld, en de zondaars moeten hun verdiende loon krijgen, maar let op de tegenstelling: En Mijn genade omvat alle dingen. De waarheid is dat zelfs de straf een fase van Goddelijke genade is. Deze is immers niet bedoeld om te straffen, maar om de zondaar te corrigeren. Er wordt ons hier verteld dat Goddelijke genade vooral bedoeld is voor diegenen die zich aan hun plicht houden en die geloven in de Goddelijke openbaringen die gegeven zijn aan de Profeet Moehammad (s.a.w.).

157a. Zie 2:78a voor oemmi, wat iemand die noch schrijft noch leest betekent. Vandaar dat de Arabieren een oemmi-volk genoemd worden en de Oemmi-Profeet (s.a.w.) is ofwel de profeet van het oemmi-volk (d.w.z. de Arabierenomdat hij net zo was als zij, of hij werd zo genoemd omdat hij zelf niet kon lezen en schrijven (R.). Volgens sommigen echter, wordt de Profeet (s.a.w.) Oemmi genoemd omdat hij van de Oemm al-Qoerā kwam, d.w.z. Makkah, wat de metropool is van Arabië (MB).

De suggestie van Rodwell dat het woord oemmi niet-joods betekent, in de betekenis van een niet-joods of heidens volk, wordt door geen enkele deskundige ondersteund; zie 2:78, waar de joden oemmi genoemd worden. Het is waar dat LL niet-joods als betekenis geeft van oemmi, maar een verwijzing naar de autoriteiten die hij citeert maakt duidelijk dat niet-joods de betekenis van oemmi slechts in algemene zin vertegenwoordigt, nl. iemand die behoort tot een geslacht of stam. Daarom is de conclusie van Lane, dat de beeldspraak en de secondaire betekenis van oemmi duidelijk op heiden, volkomen ongefundeerd.

Over het feit dat de Profeet (s.a.w.) niet kon lezen en schrijven voor de openbaring tot hem kwam, kunnen geen twee meningen bestaan. Op dit punt is de Qoer-ān overtuigend: "En hiervóór droeg jij geen enkel boek voor, noch schreef jij er een met jouw rechterhand" (29:48). Er is echter een verschil van mening over de vraag of hij na de openbaring kon lezen en schrijven. Zonder over deze discussie in details te treden, kan ik opmerken dat, terwijl er een grond is om te geloven dat hij kon lezen, hij nog steeds zijn brieven liet schrijven door anderen; zie 29:48a.

157b. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament staan vele profetieën met betrekking tot de komst van de Heilige Profeet (s.a.w.). De Thora en het Evangelie worden hier speciaal genoemd omdat Mozes en Jezus respectievelijk de eerste en de laatste van de Israëlitische profeten waren. Deut. 18:15–18 heeft het heel duidelijk over de komst van een profeet (die zal lijken op Mozes) uit het midden van de broeders van de Israëlieten, d.w.z. de Ismaëlieten of de Arabieren. Deut. 33:2 heeft het over de stralende verschijning van de manifestatie van de Heer, d.w.z. de afdaling "van de berg Paran" in volle glorie. Het Evangelie staat vol met de voorspellingen over de komst van de Heilige Profeet (s.a.w.); Matt. 21:33–44, Mar. 12: 1–11, Luc. 20:9–18, waar de Heer uit de wijngaard komt nadat de zoon (d.w.z. Jezus) is mishandeld. Matt. 13:31–32, Joh. 1:21, Joh. 14:16, Joh. 14:26 bevatten ook allemaal dergelijke voorspellingen.

157c. Noldeke’s veronderstelling dat dit een verwijzing is naar de Ansār, d.w.z. de helpers van Madinah, en Rodwells conclusie dat het vers daarom in Madinah moet zijn toegevoegd, zijn geen serieuze overweging waard. Had de Profeet (s.a.w.) geen helpers in Makkah?

 

PARAGRAAF 20: Goddelijke gunsten voor de Israëlieten

 

158 Qul yaaa-‘ayyu-han-naasu-‘innie Rasoelul-laahi ‘ilay-kum djamie-‘anil-lazie lahoe mulkus-samaa-waati wal-‘ard. Laaa-‘ilaaha ‘illaa Huwa yuh-yie wa yumiet. Fa-‘aaminoe billaahi wa Rasoelihin-Nabiyyil-‘Ummiyyillazie yu’-minoe billaahi wa Kalimaatihie wattabi-‘oehu la-‘allakum tahtadoen.

158 Zeg: O mensheid, waarlijk ben ik voor jullie allen de boodschapper van Allāh, van Hem aan Wie het koninkrijk van de hemelen en de aarde toebehoort.a Er is geen god behalve Hij; Hij geeft leven en veroorzaakt dood. Dus geloof in Allāh en Zijn boodschapper, deOemmi-Profeet (s.a.w.) die gelooft in Allāh en Zijn woorden, en volg hem zodat jullie in de juiste richting geleid zullen worden.

 

159 Wa min-qawmi Moesaaa ‘ummatuny-yahdoena bil-haqqi wa bihie ya’-diloen.

159 En onder het volk van Mozes is een groep die leiding geeft naar waarheid, en daarmee laten zij het recht wedervaren.a

 

160 Wa qatta’-naahumus-natay ‘asjrata ‘asbaatan ‘uma-maa. Wa ‘aw-hay-naaa ‘ilaa Moesaaa ‘izis-tasqaahu qawmuhoe ‘a-nizrib bi-‘asaakalhadjar. Fambadja-sat minhusnataa ‘asjrata ‘aynaa qad ‘alima kullu ‘unaasim-masj-rabahum. Wa zallalnaa ‘alay-himul-ghamaama wa ‘anzalnaa ‘alay-himul-Manna was-Salwaa : kuloe min-tayyi-baati maa razaq-naakum. Wa maa zalamoena wa laa-kin-kaanoe ‘anfu-sahum yaz-limoen.

160 En Wij verdeelden hen in twaalf stammen, als naties. En toen zijn volk hem om water vroeg, openbaarden Wij aan Mozes: Sla op de rots met jouw staf; en daaruit ontsprongen twaalf bronnen. Iedere stam kende zijn drinkplaats. En Wij zorgden ervoor dat de wolken hen schaduw gaven en Wij zonden manna en kwartels. Eet van de goede dingen die Wij jullie hebben gegeven. En zij hebben Ons geen schade berokkend, maar zij deden zichzelf onrecht aan.

 

161 Wa ‘iz qiela lahumuskoenu haazihil-gharyata wa kuloe minhaa haysu sji’-tum wa qoeloe Hit- tatunw-wad-gulul-baaba sudj-djadannaghfir-lakum gatie-‘aatikum; sa-naziedul-Muhsinien.

161 En toen hen werd gezegd: Woon in deze stad en eet ervan wanneer jullie willen, en smeek om vergiffenis en ga onderdanig door de poort, Wij zullen jullie zonden vergeven. Wij zullen meer geven aan degenen die goeddoen.

 

162 Fabadda-lallaziena zalamoe minhum qawlan ghay-rallazie qiela lahum fa-‘arsalnaa ‘alayhim ridjzam-minas-samaaa-‘i bimaa kaanoe yazli-moen.

162 Maar degenen onder hen die niet rechtvaardig waren, verwisselden het voor een ander woord dan dat wat hen was verteld, dus zonden Wij voor hun kwade daden een plaag uit de hemel op hen neer.a


158a. In tegenstelling tot de verschillende profeten waarover in dit hoofdstuk gesproken wordt, die ieder naar zijn volk (qaumi-hi) werden gestuurd, wordt van de Profeet Moehammad (s.a.w.) hier gezegd dat hij naar alle volkeren werd gestuurd, naar de gehele mensheid. Zo was de verschijning van de Profeet Moehammad (s.a.w.) een keerpunt in de geschiedenis van de mensheid. De tijd van de nationale profeet was voorbij, en een nieuw tijdperk was aangebroken waarin de hele mensheid uiteindelijk onder één geestelijk leider zou worden verenigd. Zeshonderd jaar eerder zei Jezus, de laatste van de nationale profeten, tegen een niet-Israëlitische vrouw dat hij "slechts gezonden was naar de verloren schapen van het huis Israël" (Matt. 15:24); en dat hij daar na veel aandringen slechts aan toevoegde: "Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen" (Matt. 15:26). In het nieuwe tijdperk echter, moest het idee van nationalisme plaats maken voor een breder idee van één mensheid, en de basis daarvoor werd gelegd door de Heilige Qoer-ān.

159a. De Qoer-ān erkent dus dat er goede mensen waren onder de joden.

162a. Zie voor de beweringen die worden gedaan in vv. 160–162, de voetnoten 2:60a, 60b; 2:57a, 57b; 2:58a, 58b, 58c; 2:59a, 59b.

 

PARAGRAAF 21: De overtredingen van de Israëlieten

 

163 Was-‘alhum ‘anil-qaryatillatie kaanat haazi-ratal-bahr. ‘Iz ya-doena fis-Sabti ‘iz ta’-tie-him hietaa- nu-hum yawma Sab-tihim sjurra-‘anw-wa yawma laa yas-bitoena laa ta’-tiehim. Kazaalika nabloehum- bimaa kaanoe yaf-suqoen.

163 En vraag hen naar de stad die aan de zee lag. Toen zij de Sabbat schonden, toen hun vis op de dag van de Sabbat naar hen toe kwam tot aan de oppervlakte, en als het niet de dag van hun Sabbat was, dan kwamen zij niet naar hen toe. Zo beproefden Wij hen, omdat zij in overtreding waren.a

 

164 Wa ‘iz qaalat ‘ummatum-minhum lima ta-‘izoena qawma-nillaahu muhlikuhum ‘aw mu-‘azzi-buhum ‘azaabansyaddiedaa? Qaaloe ma’-ziratan ‘ilaa Rabbikum wa la-‘allahum yattaqoen.

164 En toen een groep van hen zei: Waarom preken jullie tot een volk dat Allāh zou willen vernietigen, of dat Hij zou willen straffen met een zware straf? Zij zeiden: Om vrij van schuld te zijn voor jullie Heeren opdat zij zich misschien voor het kwaad zullen hoeden.

 

165 Falammaa nasoe maa zukkiroe bihie ‘andjay-nallaziena yan-hawna ‘anis-soe-‘i wa ‘agaz-nalla- ziena zalamoe bi-‘azaabim-ba-‘iesim-bimaa kaanoe yafsuqoen.

165 Dus toen zij negeerden waar zij aan waren herinnerd, verlosten Wij degenen die zich hoedden voor het kwaad, en achterhaalden Wij degenen die onrechtvaardig waren met een kwade straf, omdat zij in overtreding waren.

 

166 Falammaa ‘ataw ‘am-maa nuhoe ‘anhoe qulnaa lahum koenoe qiradatan gaasi-‘ien.

166 Dus toen zij opstandig volhardden in wat hun was verboden, zeiden Wij tegen hen: Wees (als) apen, veracht en gehaat.a

 

167 Wa ‘iz ta-‘azzana Rabbuka la-yab-‘asanna ‘alay-him ‘ilaa Yawmil-Qi-yaamati manyyasoe-muhum soe-‘al-‘azaab. ‘Inna Rabbaka la-Sarie-‘ul-‘iqaabi wa ‘innahoe la-Ghafoerur–Rahiem.

167 En toen jouw Heer verklaarde dat Hij hen tot aan de dag van de Opstanding degenen zou sturen die hen zouden onderwerpen aan zware kwellingen. Jouw Heer is waarlijk snel met vergelden; en Hij is waarlijk Vergevensgezind, Barmhartig.

 

168 Wa qatta’-naahum fil-‘ardi ‘umamaa. Minhumus-saali-hoena wa min-hum doena zaalik. Wa balaw-naahum-bil-hasanaati was-sayyi-‘aati la-‘allahum yaridj-‘oen.

168 En Wij verdeelden hen in groepen over de aarde – sommigen van hen zijn rechtschapen en sommigen zijn dat niet. En Wij beproefden hen met zegeningen en ongeluk opdat zij zouden omkeren.

 

169 Fa-galafa mim-ba’-dihim galfunw-warisul Kitaaba ya’-guzoena ‘arada haazal-‘adnaa wa yaqoe- loena sa-yughfaru lanaa. Wa ‘iny-ya-tihim ‘aradum-misjluhoe ya’-guzoeh. ‘Alam Ju’-gaz ‘alayhim-Miesaaqul-Kitaabi ‘allaa yaqoeloe ‘alal-laahi ‘illal-haqqa wa darasoe maa fieh ? Wad-Daarul -‘Aagira- tu gayrul-lillaziena yattaqoen. ‘Afalaa ta’-qiloen?

169 Toen kwam er na hen een verdorven nageslachta dat het Boek erfde, dat de vergankelijke goederen van dit lage leven tot zich nam en zei: Het zal ons worden vergeven. En als soortgelijke goederen tot hen zouden komen, zouden zij deze (ook) nemen.b Werd hen in het Boek geen belofte afgenomen dat zij over Allāh niets anders dan de waarheid zouden vertellen? En zij bestuderen wat erin staat. En het verblijf in het Hiernamaals is beter voor degenen die aan hun plicht voldoen. Begrijpen jullie dit dan niet?

 

170 Walla-ziena yumassikoena bil-Kitaabi wa ‘aqaa-mus-Salaah,-‘innaa laa nuzie-‘u ‘adjral-Mus-lihien.

170 En wat betreft degenen die vasthouden aan het Boek en het gebed onderhouden – waarlijk laten Wij de beloning van de hervormers niet verloren gaan.

 

171 Wa ‘iz nataqnal-Djabala faw-qahum ka-‘annahoe zullatunw-wa zannoe ‘annahoe waaqi-‘um-bihim: guzoe maa ‘aatay-naakum-bi-quw-watinw-waz-kuroe maa fiehi la-‘allakum tattaqoen.

171 En toen Wij de berg boven hen deden schudden alsof hij een deken was, en zij dachten dat hij boven hen ineen zou storten: Houd stevig vast aan wat Wij jullie hebben gegeven, en besteed aandacht aan wat erin staat, opdat jullie je zullen hoeden voor het kwaad.a


163a. Over het algemeen wordt aangenomen dat de stad waarnaar hier verwezen wordt Ela is, gelegen aan de Rode Zee. De gebeurtenis waarop gezinspeeld wordt, wordt genoemd als een voorbeeld van de joodse schending van de Sabbat. De vissen verschenen aan de oppervlakte van het water op de Sabbat omdat ze een gevoel van veiligheid hadden op die dag. Dit was voor de mensen een verleiding om de wet te breken.

166a. Zie 2:5b.

169a. Lexicologen erkennen een verschil tussen chalf en chalaf, waarbij de eerste wordt toegepast op kwaad en de laatste op goed, of het nu een zoon of een generatie is (LL).

169b. Eerst begaan ze een misdaad voor de zondige dingen van dit leven, terwijl ze zeggen dat dit hen vergeven zal worden. Daarna volharden ze in hun zondige gewoonten en als een soortgelijke gelegenheid zich voordoet, keren ze weer terug tot hun oude misdaden. Er is geen berouw.

171a. De verhalen die door sommige commentatoren worden verbonden aan deze simpele woorden, moeten worden verworpen. De woorden verwijzen eenvoudigweg naar de ervaring van de ouderen van Israël, toen zij aan de voet van de berg stonden die zich boven hen verhief. Er was een zware aardbeving, waaraan in v. 155gerefereerd wordt, die hen deed vrezen dat de berg over hen heen zou vallen. De primaire betekenis van natq is volgens LA za‘za’, het bewegen, prikkelen, schudden of in beweging brengen van een voorwerp. Vandaar dat het gebruik van nataqnā in plaats van rafa ‘nā (2:63) duidelijk aangeeft dat de berg heftig werd geschud door een aardbeving, terwijl de ouderen van Israël aan de voet stonden. Natq heeft ook nog een andere betekenis, nl. met wortel en al oppakken, maar dat betekent het hier niet.

 

PARAGRAAF 22: Bewijs van een goddelijke stempel op de natuur van de mens

 

172 Wa ‘iz ‘agaza Rabbuka mim-Banie-‘Aadama min-zuhoe-rihim zur-riyyatahum wa ‘asj-hadahum ‘alaaa ‘anfusihim : "A-lastu-bi-Rabbikum"? Qaaloe "Balaa sjahinaa"! ‘An-taqoeloe Yawmal-Qiyaamati ‘innaa kunnaa ‘an haazaa ghaa-filien :

172 En toen jouw Heer uit de kinderen van Adam, uit hun lendenen, hun nakomelingen voortbracht en hen omtrent henzelf deed getuigen: Ben Ik niet jullie Heer? Zij zeiden: Ja; Wij getuigen. Opdat jullie niet op de dag van de Opstanding zullen zeggen: Daarvan waren wij niet op de hoogte,a

 

173 ‘Aw taqoeloe ‘innamaaa ‘asjraka ‘aabaaa-‘unaa min-qablu wa kunnaa zurriyyatam-mim-ba’-dihim: ‘afatuh-likunaa bimaa fa-‘alalmub-tiloen.

173 Of (opdat) jullie zouden zeggen: Alleen onze vaderen vóór ons kenden gelijken toe (aan Allāh), en wij waren (hun) nakomelingen na hen. Wilt U ons vernietigen om wat leugenaars deden?a

 

174 Wa kazaa-lika nufassilul-‘Aayaati wa la-‘allahum yar-dji-‘oen.

174 En zo maken Wij de boodschap duidelijk, zodat zij misschien terug zullen keren.

 

175 Wat-lu ‘alay-him naba-‘allazie ‘aa-taynaahu ‘Aayaatinaa fan-salaga minhaa fa-‘atba-‘ahusj-Sjay-taanu fakaana minal-ghaawien.

175 En draag aan hen het nieuws voor over degene aan wie Wij Onze boodschap geven, maar hij trekt zich van hen terug, dus haalt de duivel hem in en hij behoort tot degenen die ten onder gaan.a

 

176 Wa law sji’-naa la-rafa’-naahu bihaa walaa-kinnahoe ‘aglada ‘ilal-‘ardi wattaba-‘a hawaah. Famasaluhoe kamasalil-kalb: ‘in-tahmel ‘alayhi yal-has ‘aw tat-ruk-hu yalhas. Zaalika masalul-qawmil-laziena kazzaboe bi-‘Aayaa-tinaa. Faqsusil-qasasa la-‘allahum ya-tafakkaroen.

176 En als het Ons had behaagd dan hadden Wij hem daarmee verheven; maar hij klampt zich vast aan de aardea en volgt zijn lage lusten. Zijn parabel is als de parabel van de hond – wanneer je hem wegjaagt, dan laat hij zijn tong slap uit zijn bek hangen, en wanneer je hem met rust laat, dan laat hij zijn tong slap uit zijn bek hangen. Zo is de parabel van de mensen die Onze boodschap afwijzen. Dus vertel het verhaal opdat zij erover na zullen denken.

 

177 Saaa-‘a masala-nil-qawmul-laziena kazzaboe bi-‘Aayaa-tinaa wa ‘anfusahum kaanoe yazli-moen.

177 Kwalijk is het evenbeeld van de mensen die Onze boodschap afwijzen en die hun eigen zielen onrecht aandoen.

 

178 Many-yahdil-laahu fahuwal-muhtadie : wa many-yuzlil fa-‘ulaaa-‘ika humul-gaasiroen.

178 Degene die geleid wordt door Allāh is op de juiste weg; en degene die Hij laat dwalen – zij zijn de verliezers.

 

179 Wa laqad zara’-naa li-Djahannama kasieram-minaldjinni wal-‘ins: lahum quloebul-laa yafqa-hoena bihaa. wa lahum ‘a’-yunul-laa yub-siroena bihaa, wa lahum ‘aazaanullaa yasma-‘oena bihaa. ‘Ulaaa-‘ika kal-‘an-‘aami bal hum ‘azall: ‘ulaaa-‘ika humul-ghaafiloen.

179 En waarlijk hebben Wij velen van de djinn en de mensen geschapen voor de hel – zij hebben harten waarmee zij niet doordrongen, en zij hebben ogen waarmee zij niet zien, en zij hebben oren waarmee zij niet horen. Zij zijn als vee; nee, zij zijn nog verder afgedwaald. Dit zijn de onachtzamen.a

 

180 Wa lil-laahil-‘Asmaaa-‘ul-Husnaa fad-‘oehu bihaa. Wa zarul-laziena yul-hidoena fie ‘Asmaaa-‘ih : sa-yudj-zawna maa kaanoe ya’-maloen.

180 En de beste namen zijn van Allāh,a dus roep Hem daarmee aan en laat degenen die de heiligheidb van Zijn namen geweld aandoen links liggen. Zij zullen worden vergoden om wat zij doen.

 

181 Wa mimman galaqnaaa ‘ummatuny-yahdoena bil-haqqi wa bihie ya’-diloen.

181 En onder degenen die Wij hebben geschapen is een gemeenschapa die leiding geeft met de waarheid en die daarmee gerechtigheid doet.


172a. Het vers noemt hier niet het voortbrengen van de nakomelingen van Adam, maar van de nakomelingen van de kinderen van Adam en dit lijkt duidelijk te verwijzen naar ieder menselijk wezen op het moment dat hij aan zijn bestaan begint. Het bewijs is daarom datgene wat door de menselijke natuur zelf wordt verschaft. Het is in feite hetzelfde bewijs waarover ook elders wordt gezegd dat het door de menselijke natuur naar voren wordt gebracht, zoals in "de natuur die door Allāh is gemaakt, waarin Hij de mensen heeft geschapen" (30:30).

173a. Het Arabische woord is moebtil. Dit betekent iemand die iets zegt waarin geen waarheid of realiteit schuilt (R-LL).

175a. Balaam, Oemajjah ibn Abi Salt, Aboe ‘Āmir en alle andere hypocrieten zijn hier respectievelijk aangewezen als de personen waarnaar hier verwezen wordt. De beste uitleg wordt echter verschaft door Qatādah, die zegt: Het gaat in het algemeen over iedereen waaraan leiding wordt geschonken, maar die zich ervan afkeert. Dit uitgangspunt wordt ondersteund door wat gesteld wordt in de conclusie van de parabel in v. 176, zo is de parabel van de mensen die Onze boodschap afwijzen.

176a. Aarde staat hier voor alles wat aarde is, voor materiële dingen. De mensen waarover hier gesproken wordt zijn diegenen die geen waarde hechten aan de hogere waarden van het leven.

179a. Veel mensen en djinn zijn geschapen voor de hel, maar zij zijn niets anders dan de achtelozen die niet geven om wat er wordt gezegd. Zij hebben harten gekregen, maar zij gebruiken die niet om de waarheid te begrijpen; zij hebben ogen gekregen, maar die gebruiken zij niet om de waarheid mee te zien; zij hebben oren gekregen, maar zij keren een doof oor naar de waarheid. Dit wordt gezegd om aan te geven dat Allāh hen niet anders geschapen heeft dan anderen, maar dat zij zelf de mogelijkheden niet benutten die Allāh hen geschonken heeft.

180a. Met al-asmā-al-hoesnā worden namen bedoeld die uitdrukking geven aan de meest geweldige eigenschappen van het Godelijk Wezen. Met Hem daarmee aanroepen wordt bedoeld dat men altijd de Goddelijke eigenschappen in gedachten moet houden en moeite moet doen die eigenschappen te bezitten, want alleen zo kan men volmaaktheid bereiken.

180a. Joelhidoen komt van alhada en, in relatie tot een bepaald ding, betekent dit hij week af van het rechte pad (LL). Volgens R betekent het afwijken van het rechte pad met betrekking tot de namen van Allāh, of schending van de heiligheid van Zijn namen. Deze betekenis is tweeledig: ten eerste, Hem een onjuiste of oneigenlijke eigenschap toekennen; en ten tweede, Zijn eigenschappen interpreteren op een manier die Hem niet past. Iedere vorm van polytheïsme is daarom een schending van de heiligheid van de Goddelijke namen.

181a. "Dit is mijn gemeenschap", zou de Profeet (s.a.w.) gezegd hebben (IJ. v. ix, p. 86).

 

PARAGRAAF 23: De Komst van de ondergang

 

182 Wallaziena kazzaboe bi’Aa-yaatinaa sanas-tadridjuhum-min haysu laa ya’-lamoen.

182 En degenen die Onze boodschap afwijzen – Wij leiden hen stap voor stap (tot de ondergang), maar waar vandaan, dat weten zij niet.

 

183 Wa ‘umlie lahum : ‘inna kaydie matien.

183 En Ik schenk hen uitstel. Mijn plan is waarlijk doeltreffend.a

 

184 ‘A-walam yatafakkaroe, Maa bi-Saahibihim-min-djinnah; ‘in huwa ‘illaa nazierum-mubien.

184 Hebben zij niet in de gaten dat hun metgezel geen dwaas is? Hij is slechts een duidelijke waarschuwer.

 

185 ‘A-walam yan-zuroe fie Malakoetis-samaawaati wal-‘ardi wa maa galaqal-laahu min-sjay-‘inw-wa ‘an ‘asaaa ‘any-yakoena qadiq-taraba ‘adjaluhum ? Fabi-‘ayyi Hadiesim-ba’-dahoe yu’-minoen?

185 Denken zij niet na over het koninkrijk van de hemelen en der aarde, en welke dingen Allāh heeft geschapen, en dat het zo zou kunnen zijn dat hun ondergang dicht is genaderd? In welke aankondiging na deze zullen zij dan geloven?

 

186 Many-yuzli-lillaahu falaa haa-diya lah: wa yazaruhum fie tugh-yaanihim ya’-mahoen.

186 Voor wie door Allāh in dwaling wordt gelaten, is er geen leidraad. En Hij laat hen alleen in hun onmatigheid, terwijl zij blind verder dwalen.

 

187 Yas-‘aloenaka ‘anis-Saa-‘ati ‘ayyaana mur-saahaa? Qul ‘innamaa ‘il-muhaa ‘inda Rabbie. Laa yu-djalliehaa li-waq-tihaaa ‘illaa Hoe. Saqulat fissamaawaati wal-‘ard. Laa ta’-tiekum ‘illaa baghtah. Yas-‘aloenaka ka-‘annaka ha-fiyyun ‘anhaa. Qul ‘innamaa ‘ilmuhaa ‘indal laahi wa-laakinna ‘aksaran-naasi laa ya’-lamoen.

187 Zij vragen jou naar het Uur,a wanneer het zich zal voltrekken? Zeg: Slechts mijn Heer heeft daar wetenschap van. Niemand anders dan Hij zal openbaren wanneer de tijd daar is. Het is gedenkwaardig in de hemel en op de aarde. Het zal niet anders dan zeer plotseling tot jullie komen. Zij vragen het jou alsof jij er zorg voor draagt. Zeg: Die wetenschap heeft slechts Allāh, maar de meeste mensen weten dit niet.

188 Qul-laaa ‘amlieku li-nafsie naf-‘anw-wa laa zarran ‘illaa maa sjaaa-Allaah. Wa law kuntu ‘a-lamul-ghayba lastaksartu minal-gayri wa maa massani-yas-soe’. ‘In ‘ana ‘illaa nazierunw-wa basjierulli-qaw- miny-yu’-minoen.

188 Zeg: Ik heb geen macht over voordelen of nadelen voor mijzelf, behalve zoals het Allāh behaagt. En als ik op de hoogte was geweest van het ongeziene, dan zou ik zeer veel goeds hebben, en zou het kwaad mij niet raken. Ik ben slechts een waarschuwer en een gever van goed nieuws aan een volk dat gelooft.a


183a. De betekenis van het woord kaid (hier vertaald met plan) wordt vaak verkeerd opgevat, net als die van makrKaid duidt op kundigheid, vernuft, vaardigheid of vakmanschap in de regeling of ordening van zaken, met behulp van uitstekende overwegingen of afwegingen en de mogelijkheid om subtiel te handelen in de lijn van de eigen vrije wil (LL). Daarom betekent kāda (inf. zelfs. nw. kaidhij verzon, beraamde, of plande iets, slechts dan wel goed (LA). En nogmaals kāda (aorist jakidoe) betekent hij werkte of arbeidde ergens op of aan; hij arbeidde, pijnigde zich, putte zichzelf uit, streefde ernaar of worstelde om iets te doen, of worstelde om iets tot uitvoering te brengen of te volbrengen; hij zwoegde, streefde of worstelde met iets om iets te voorkomen of te overwinnen of te bewerkstelligen (LL). In een gedicht van al-‘Adjdjādj wordt het woord kaid, wat voorkomt in relatie tot Allāh, door LL verhaald als Zijn vakkundige ordening.

187a. Dat wil zeggen, het Uur waarmee zij bedreigd worden, oftewel het uur van hun ondergang. Het woord sā‘at of het uur wordt in de Heilige Qoer-ān gebruikt om zowel de ondergang van de schuldigen in dit leven aan te duiden, als het moment waarop een volmaakte manifestatie van beloningen en bestraffingen zal plaatsvinden in het Hiernamaals.

188a. De eenvoud en edelheid van deze stelling, gebruikt om de missie van een profeet aan te duiden, is onovertroffen. Hij brengt het goede nieuws van de zege aan hen die geloven, waarschuwt de kwaaddoeners voor de kwade gevolgen van hun daden in dit leven alsook in het volgende, maar hij zegt niet dat hij Goddelijke krachten zou bezitten. Het staat vast dat er op de dag van de dood van zijn zoon Ibrāhim een totale zonsverduistering werd waargenomen. Sommige mensen fluisterden dat de zonsverduistering te wijten was aan de dood van de zoon van de Profeet (s.a.w.), maar hij was te oprecht om toe te staan dat de mensen in die waan bleven. Dit ondanks het feit dat, in de ogen van zijn volgelingen, zijn waardigheid zeker was toegenomen. Hij klom op de preekstoel en sprak zijn mensen als volgt toe: "De zon en de maan zijn waarlijk twee tekenen van Allāh; zij worden niet verduisterd als gevolg van iemands dood noch als gevolgd van iemands leven, dus als jullie dit zien, roep dan Allāh aan, en loof Hem en bid tot Hem en geef aalmoezen" (B. 16:2).

 

PARAGRAAF 24: Het laatste woord

 

189 Huwallazie galaqakummin-nafsinw-waahidatinw-wa dja-‘ala minhaa zaw-djahaa liyaskuna ‘ilay- haa. Falammaa taghasj-sjaahaa hamalat hamlan gafiefan-famarrat bih. Falammaaa ‘as-qalad-da-‘a-wallaaha Rabbahumaa la-‘in ‘aatay-tanaa saalihal-lanakoenanna minasj-Sjaakirien.

189 Hij is het Die jullie schiep uit één enkele ziel en uit hetzelfde maakte Hij zijn partner, opdat hij steun van haar zou ondervinden.a Dus wanneer hij haar bedekt, draagt zij een lichte last en zij beweegt zich hiermee rond. Dan, wanneer het groeit en zwaarder wordt, roepen zij beiden Allāh, hun Heer, aan: Als U ons een goede schenkt, zullen wij zeker tot de dankbaren behoren.b

 

190 Falammaaa ‘aataa-humaa saalihan dja-‘alaa lahoe sjurakaa-‘a fiemaaa ‘aataahumaa. Fata-‘aalal-laahu ‘ammaa yusjrikoen.

190 Maar wanneer Hij hen een goede schenkt, richten zij naast Hem gelijken op vanwege wat Hij hen heeft gegeven. Hoog verheven is Allāh boven wat zij (aan Hem) gelijkstellen.

 

191 ‘A-yusj-rikoena maa laa yag-luqu sjay-‘anw-wa hum yug-laqoen?

191 Stellen zij iets (aan Hem) gelijk dat niets geschapen heeft, terwijl zijzelf zijn geschapen?

 

192 Wa laa yastatie-‘oena lahum nasranw-wa laa ‘anfusahum yansuroen.

192 En zij kunnen hen niet hulpen, noch kunnen zij zichzelf helpen.

 

193 Wa ‘in-tad-‘oehum ‘ilalhudaa laa yattabi-‘oe-kum. Sawaaa-‘un ‘alaykum ‘ada-‘awtumoe-hum ‘am ‘an-tum saamitoen.

193 En als jij hen uitnodigt leiding te ontvangen, zullen zij jou niet volgen. Het maakt voor jou niets uit of je hen uitnodigt of zwijgt.a

 

194 ‘Innal-laziena tad-‘oena min doenillaahi ‘ibaadun ‘amsaalukum fad-‘oe-hum falyastadjieboe lakum ‘in-kuntum saadiqien!

194 Degenen die jullie buiten Allāh aanroepen zijn slaven zoals jullie;a dus roep hen aan en laat hen dan antwoorden, als jullie de waarheid spreken.

 

195 ‘A-lahum ‘ardjuluny-yamsjoena bihaaa ‘am lahum ‘aydiny-yab-tishoena bihaaa ‘am lahum ‘a’-yununy-yub-siroena bihaaa ‘am lahum ‘aazaanuny-yasma-‘oena bihaa? Qulid-‘oe sjurakaaa-‘akum summa kiedoeni falaa tunziroen.

195 Hebben zij voeten waarmee zij lopen, of hebben zij handen waarmee zij vasthouden, of hebben zij ogen waarmee zij zien, of hebben zij oren waarmee zij horen? Zeg: Roep jullie afgoden aan en beraam dan jullie plannen tegen mij en verleen mij geen uitstel.

 

196 ‘Inna Waliyyi-yallaa-hullazie nazzalal-Kitaaba wa Huwa yata-wallas-Salihien.

196 Mijn Vriend is waarlijk Allāh, Die het Boek openbaarde, en Hij neemt de rechtschapenen tot vriend.

 

197 Wallaziena tad-‘oena mindoenihie laa yastatie-‘oena nasrakum wa laa ‘anfusahum yansuroen.

197 En degenen die jullie naast Hem aanroepen zijn niet in staat jullie te helpen, noch kunnen zij zichzelf helpen.a

 

198 Wa ‘in-tad-‘oehum ‘ilalhudaa laa yasma-‘oe. Wa taraahum yanzuroena ‘ilay-ka wa hum laa yubsiroen.

198 En wanneer jij hen uitnodigt leiding te ontvangen, horen zij niet; en je ziet hen jouw richting opkijken, en toch zien zij niet.

 

199 Guzil-‘afwa wa’-mur-bil-‘urfi wa ‘a’-rid ‘anil-djaahilien.

199 Neig naar vergiffenis en beveel het goede en keer je af van de onwetenden.

 

200 Wa ‘immaa yanzaghannaka minasj-Sjay-taani nazghun-fasta-‘iz billaah; ‘innahoe Samie’un ‘Aliem.

200 En wanneer een valse aantijginga van de duivel jou teistert, zoek je toevlucht tot Allāh. Waarlijk is Hij Horend, Wetend.

 

201 ‘Innal-lazienat-taqaw-‘izaa massahum taaa-ifum-minasj-Sjay-taani tazakkaroe fa-‘izaa hum-mub- siroen!

201 Wanneer een bezoekinga van de duivel hen teistert, dan worden degenen die zich hoeden voor het kwaad indachtig, en jawel! Zij zien.b

 

202 Wa ‘ig-waanuhum yamuddoe-nahum fil-ghayyi summa laa yuq-siroen.

202 En hun broedersa doen hen verder afdwalen, dan houden zij daar niet mee op.

 

203 Wa ‘izaa lam ta’-tihim-bi-‘Aayatin qaaloe law ladjtabaytahaa? Qul ‘innamaaa ‘attabi-‘u maa yoe’-haaa ‘i-layya mir-Rabbikum wa Hudanw-wa Rahmatul-li-qaw-miny-yu’-minoen.

203 En als jij hen geen teken brengt, zeggen zij: Waarom eis je er geen? Zeg: Ik volg slechts wat er door mijn Heer aan mij wordt geopenbaard. Dit zijn duidelijke bewijzen van jullie Heer en een leidraad en een genade voor een volk dat gelooft.

 

204 Wa ‘izaa quri-‘al-Qur-Aanu fas-tami-‘u lahoe wa ‘ansitoe la-‘allakum turhamoen.

204 En wanneer de Qoer-ān wordt voorgedragen, luister ernaar en blijf stil, opdat (Allāh) genade met jullie zal hebben.

 

205 Wazkur-Rabbaka fie nafsika tazarru-‘anw-wa giefatanw-wa doenal-djahri minalqawli bil-ghuduw- wi wal-‘aasaali wa laa takum-minal-ghaafi-lien.

205 En gedenk jullie Heer in jullie zelf, nederig en met vrees, en niet met luide stem. ’s Ochtends en ’s avonds, en behoor niet tot de onachtzamen.a

 

206 ‘Innal-laziena ‘inda Rabbika laa yastak-biroena ‘an ‘ibaa-datihie wa yusabbi-hoenahoe wa lahoe yas-djudoen.

206 Degenen die met jouw Heer zijn, zijn waarlijk niet te trots om Hem te dienen, en zij verheerlijken Hem en werpen zichzelf voor Hem ter aarde.a (Sadjdah)

 


189a. Sakn betekent oorspronkelijk roerloos zijn, bewegingloos of stil, maar sakana ilai-hi betekent hij gelooft erin of vertrouwt erop, zodat zijn gemoedsrust rustiger of meegaander wordt, of het betekent hij neigde ertoe of hij raakte ermee vertrouwd (LL).

189b. Dat dit vers zou verwijzen naar Adam en Eva wordt door alle betrouwbare commentatoren verworpen. Het beschrijft de toestand van de mens in het algemeen en verwijst naar het bewijs dat wordt geleverd door zijn natuur. Wanneer hij in moeilijkheden verkeert, keert hij zich immers altijd tot Allāh, maar in rustige perioden keert hij zich tot andere goden of tot zijn eigen lage verlangens. Dit vers beschuldigt de afgodsdienaren er duidelijk van anderen aan Allāh gelijk te stellen, zoals aangetoond wordt door het gebruik van het meervoud in v. 190 en de verzen die volgen.

193a. Dit vers spreekt van de volkomen onachtzaamheid van de verdoemde. De uitnodiging tot de Waarheid moet echter aan iedereen worden verstrekt, hoewel sommigen er niet van zullen profeteren. De betekenis wordt verder opgehelderd in v. 198, 199.

194a. ‘Ibād is het meervoud van ‘abd, wat een dienaar of een sleef betekent, en wat wordt toegepast op een mens als een lijfeigene van zijn Schepper. Daar alle geschapen dingen net als de mens zijn onderworpen aan Allāh, worden de afgoden, tezamen met andere valse goden, ‘ibād genoemd. De betekenis hiervan is dat ze allemaal in een staat van onderwerping aan Allāh verkeren.

197a. Er wordt hier voorspeld dat tijdens de komende gevechten niet alleen de macht van de tegenstanders ondermijnd zal worden omdat zij geen hulp zullen ondervinden van hun goden, maar dat diezelfde goden, d.w.z. de afgoden, niet in staat zullen zijn zichzelf te redden en vernietigd zullen worden.

200a. De belangrijkste betekenis van nazagha-hoe is hij berispte hem en legde hem een zonde ten laste en sprak kwaad van hem (T). Het betekent ook het zaaien van tweedracht, en zo wordt het in 12:100 gebruikt. Volgens R betekent het woord zich bemoeien met een zaak met het doel het te corrumperen. Ik geef de voorkeur aan de eerste betekenis, waarbij nazgh wordt gelezen als een valse beschuldiging. In dit geval staat de duivel, zoals vaak in de Heilige Qoer-ān, voor de duivelse vijanden die allerlei valse berichten over de Profeet (s.a.w.) verspreidden. Hem wordt gezegd dat hij hiertegen bescherming moest zoeken bij Allāh.

201a. Tā’if betekent een bezoeking (LL), oorspronkelijk rondgaan. De bezoeking van de duivel betekent de gebeurtenis van een betreurenswaardig incident, of het ontvangen van een kwelling uit de handen van de duivel, of naar de kwaadaardige wijze waarop de rechtschapenen worden tegengewerkt. De bezoeking van de duivel kan ook betekenen een woede die een mens blind maakt.

205a. Āsāl is het meervoud van asl of asil wat de avondtijd betekent. Hoewel de instructie om Allāh te gedenken in algemene termen wordt gegeven en er van een mens verlangd wordt dat hij Allāh te allen tijde zal loven, wordt het meervoud toch gebruikt met betrekking tot de avond. Dit verwijst naar het feit dat, terwijl er slechts één regulier gebed is in de ochtend, er in de middag en avond een aantal reguliere gebeden is, Zoehr, ‘AsrMaghrib en ‘Isja’.

206a. Het opzeggen van dit vers wordt gevolgd door een werkelijke teraardewerping, zodat de fysieke staat van het lichaam in volkomen overeenstemming kan zijn met de conditie van de geest. Er zijn al met al vijftien plaatsen in de Qoer-ān, waar van de gelovigen vereist wordt dat zij zichzelf teraardewerpen. Het was ook de gewoonte van de Profeet (s.a.w.) om zichzelf ter aarde te werpen als hij dergelijke verzen voordroeg, of dat nu een voordracht was gedurende een gebedsdienst, of bij gewone gelegenheden. Andere dergelijke verzen zijn: 13:15, 16:50, 17:109, 19:58, 22:18, 22:77, 25:60, 27:26, 32:15, 38:24, 41:38, 53:62, 84:21 en 96:19.