69- Al-Haaqqah (De Waarheid)

HOOFDSTUK 69 Al-Haaqqah (DE WAARHEID)

GEOPENBAARD TE MAKKAH 2 paragrafen en 52 verzen

Algemene opmerkingen:
Al-Haaqqah of de Waarheid, die in het eerste vers vermeld wordt en waarvan dit hoofdstuk zijn naam ontleend, is in werkelijkheid het belonen van ieder der twee partijen: de ene partij spant zich in voor de bevestiging van de Waarheid en de andere voor de vernietiging daarvan. De eerste paragraaf is aan de behandeling van dit onderwerp gewijd, terwijl de tweede over de beweringen handelt, dat de Heilige Profeet (s.a.w.) een dichter of een waarzegger of een bedrieger was.

 

Paragraaf 1 De Kastijding.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allahde Barmhartige, de Genadevolle.

1 De waarheid!

2 Wat is de waarheid!

3 En wat zal u doen begrijpen wat de waarheid is! 1326

4 De Samoed alsook de Ad loochenden de ramp.

5 Wat de Samoed betreft, dezen werden door een overweldigende straf vernietigd.

6 En de Ad werden door een felle, geweldige wind vernietigd.

7 Die Hij zeven nachten en acht dagen achtereenvolgens over hen liet woeden. Zodat gij hadt kunnen zien hoed het volk er door neergeworpen werd, alsof zij gevallen palmboomstammen waren.

8 Kunt gij enige overblijfselen van hen vinden?

9 Ook Farao, en degenen die vóór hem waren, en de steden die verwoest werden beginnen grote zonde;

10 En zij gehoorzaamden de boodschapper van hun Heer niet, daarom greep Hij hen met een vaste greep.

11 Ziet, toen de wateren stegen, droegen Wij u de ark binnen.

12 Opdat Wij dit tot een les voor u mochten maken en opdat degene die deze (gebeurtenis) kan onthouden zich deze moge herinneren.

13 En wanneer een enkele stoot op de bazuin zal worden geblazen,

14 En de aarde en de bergen van hun plaats zullen worden opgeheven en terstond zullen worden verbrijzeld,

15 Op die Dag zal de grote gebeurtenis plaats vinden.

16 En de hemelen zullen uiteen splijten, zodat deze op die Dag zwak zullen zijn.

17 En de engelen zullen op de zijden ervan staan. En op die Dag zullen acht engelen de troon van uw Heer boven zich houden. 1327

18 Dan zult gij worden bloot gelegd en geen uwer geheimen zal verborgen blijven. 1328

19 En hij, aan wie zijn boek in de rechter hand wordt gegeven, zal zeggen: "Komt, leest mijn boek.

20 Voorzeker, ik wist dat ik mijn afrekening tegemoet moest gaan."

21 Deze zal dan een heerlijk leven krijgen,

22 In een verheven tuin,

23 Waarvan het fruit gemakkelijk bereikbaar zal zijn.

24 "Eet en drinkt smakelijk als loon voor hetgeen gij in vroeger dagen hebt gedaan."

25 Maar, hij wiens boek in de linker hand wordt gegeven, zal zeggen: "O was mijn boek mij maar niet gegeven!

26 En had ik maar niet geweten wat mijn oordeel was!


1326 Al-Haaqqah is afgeleid van het grondwoord haqq, dat de waarheid betekent Het is op verschil-lende manieren uitgelegd en in al de gegeven betekenissen is de zin van het grondwoord aanwezig. Synoniem is dus: haqiqat, d.i. waarheid. Het betekent ook een grote ramp, waarvan de komst bepaald of vastgesteld is of het uur waarop de waarheid zal overwinnen. De commentatoren zeggen, dat met dit uur de opstanding wordt bedoeld, maar de overwinning der waarheid wordt ook in deze wereld teweeggebracht, en het voorbeeld van der ‘Ad, Samoed, enz. laat niet den minsten twijfel over, dat hier in de eerste plaats sprake is van het uur der overwinning van de waarheid, dat ongetwijfeld de overgang van haar tegenstanders betekent; en om het verband daarvan met de vollediger onthulling van de waarheid, van de vergelding der verdorvenen en van de beloning der rechtschapenen aan te tonen, wordt er onmiddellijk daarop gesproken van den dag der opstanding.

1327 De acht dragers van den troon doelen waarschijnlijk op de vier voornaamste attributen van het Goddelijk Wezen, die in het eerste hoofdstuk vermeld zijn en waardoor de wereld bestaat; het getal is verdubbeld, omdat deze attrubuten ten dage der opstanding wederom aan de dag worden gelegd.

1328 Dit vers spreekt duidelijk van de openbaring der verborgen realiteiten ten dage der opstanding.

 

 

27 O, had de dood maar aan mij een einde gemaakt! 1329

28 Mijn rijkdom heeft mij niet gebaat,

29 Mijn macht is van mij weg gegaan."

30 Grijpt hem en boeit hem.

31 Werpt hem dan in de hel.

32 Bindt hem vervolgens met een ketting vast waarvan de lengte zeventig armlengten bedraagt; 1330

33 Want hij geloofde niet in Allah, de Grote.

34 Noch moedigde hij aan, de armen te spijzigen.

35 Daarom heeft hij hier geen vriend;

36 Noch voedsel, behalve spoelsel van wonden,

37 Dat niemand dan de zondaren zal gebruiken.


1329 Hij wenste, dat de dood een einde aan hem had gemaakt, want het persoonlijk voornaamwoord die slaat op den dood.

1330 Opgemerkt moet worden, dat de geestelijke marteling van deze wereld in deze verzen voorge-steld wordt als een lichamelijke straf in het leven hiernamaals. De keten die op den hals wordt geplaatst, bij voorbeeld, stelt de begeerten van deze wereld voor, die den mens met zijn hoofd naar de aarde gebogen houden, en deze begeerten zullen de gedaante van een keten aannemen. Evenzo zullen de verwikkelingen van deze wereld als ketens om de benen worden gezien. De wrok van deze wereld zal eveneens duidelijk gezien worden als de vlammen van brandend vuur. De zeventig voorarmen lange keten stelt de zeventig levensjaren van den mens voor.

 

 

Paragraaf. 2 Valse Beweringen weerlegd.

 

38 Neen, Ik zweer bij alles wat gij ziet,

39 En bij alles wat gij niet ziet,

40 Dit is voorzeker de boodschap die een eerwaardige boodschapper heeft gebracht.

41 Het is geen woord van een dichter; nietig is hetgeen gij gelooft.

42 Noch is het de uiting van een waarzegger; gering is de lering, die gij er uit trekt.

43 Het is een Openbaring van de Heer der werelden.

44 En indien hij (Moehammad s.a.w.) enige woorden in Onze naam had uitgedacht,

45 Dan zouden Wij hem zeker bij de rechter hand hebben gegrepen.

46 En daarna zijn levensader hebben afgesneden,

47 En geen uwer zou Ons van hem hebben kunnen tegenhouden. 1331

48 Voorwaar, het is een vermaning voor de godvrezenden.

49 En voorzeker, Wij weten dat er onder u loochenaars zijn.

50 Waarlijk, de ongelovigen zullen er wroeging over hebben.

51 En voorwaar, het is de ware zekerheid.

52 Verheerlijk daarom de naam van uw Heer, de Luisterrijke.


1331 Dit vers en de drie daaraan voorafgaande verzen tonen aan, dat het hem, die een Goddelijke openbaring verzint, niet voorspoedig gaat. Vgl. Deut. 18: 20. 39)