67- Al-Moelk (Het Koninkrijk)

HOOFDSTUK 67 Al-Moelk (HET KONINKRIJK)

GEOPENBAARD TE MAKKAH 2 paragrafen en 30 verzen

Algemene opmerkingen:
Van dit hoofdstuk tot het einde zijn er acht en veertig hoofdstukken, die alle te Makkah werden geopenbaard, met de enige uitzondering van hoofdstuk 110, dat tot de Medinese openbaring behoort, hoewel ook dit te Makkah geopenbaard werd, toen de Heilige Profeet s.a.w. er om zijn laatste bedevaart was. Zij bevatten alle voorspellingen aangaande de grootheid, waartoe de Islam zich verheffen moest en aangaande de mislukking van zijn tegenstanders, terwijl hoofdstuk 110 de vervulling daarvan aantoont. Maar terwijl zij voornamelijk tot het Vroeg-Makkaans tijdperk behoren, hebben de daarin vervatte voorspellingen zeer dikwijls betrekking op de verre toekomst van den Islam, en ieder daarvan handelt over één bijzonder onderwerp. Dit hoofdstuk, welke titel aan de vermelding van het Koninkrijk Allah’s in het eerste vers ontleend is, spreekt van de regelmaat en eenvormigheid der wet en toont aan, dat de mens alleen gedijen kan, als hij zich aan de Goddelijke wet onderwerpt, en dat het schenden van de wet leed meebrengt.

 

Paragraaf 1 Het Koninkrijk Allah’s.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartigede Genadevolle.

 

1 Gezegend is Hij in Wiens hand het Koninkrijk is en Die macht heeft over alle dingen.

2 Die de dood en het leven heeft ingesteld, opdat Hij u mogen beproeven – 1310 wie onder u zich het beste gedraagt; en Hij is de Almachtige, de Vergevensgezinde.

3 Hij Die de zeven hemelen opeenvolgend heeft geschapen. Gij kunt geen tekort zien in de schepping van de Barmhartige. Kijk dan nog eens; ziet gij een enkel gebrek? 1311

4 Kijk dan weer eens en dan nog eens, uw blik zal vermoeid en verzwakt tot u terugkeren.

5 En voorwaar, Wij hebben de naastbije hemel met lampen versierd, Wij hebben hem tot een middel gemaakt om de satans te verdrijven en voor hen hebben Wij de straf van het razende Vuur bereid. 1312

6 En voor degenen die niet in hun Heer geloven is de straf der hel (bereid), en dit is een slechte bestemming. 1313

7 Wanneer zij er in worden geworpen, zullen zij haar van woede horen zieden.

8 Zij zal bijna barsten van woede. Telkens als een groep er in geworpen wordt, zullen de bewakers er van (der hel) hun vragen: "Kwam er geen waarschuwer tot u?"

9 Zij zullen zeggen: "Zeker, de waarschuwer kwam tot ons, maar wij verwierpen hem, en zeiden: "Allah heeft niets geopenbaard; gij verkeert slechts in grote dwaling."

10 En zij zullen zeggen: "Indien wij maar geluisterd hadden en ons verstand hadden gebruikt, zouden wij ons niet onder de bewoners van het laaiende Vuur bevinden."

11 Dan zullen zij hun zonden bekennen; maar de bewoners van het Vuur zijn verre (van genade).

12 Waarlijk, degenen die hun Heer in het verborgene vrezen, zullen vergiffenis en een grote beloning ontvangen.

13 Hetzij gij uw woorden verbergt of openbaar maakt, Hij weet, wat in (uw) binnenste is.

14 Zou Hij Die schiep niet alles weten? Hij is Aldoordringend, Alkennend.


1310 De wet van het leven en den dood of die van den groei en het verval is in de gehele natuur in werking, maar overgebracht op den mens heeft die een bijzondere betekenis, want de dood brengt zijn leven niet ten einde, maar is een uitgangspunt van een nieuw leven van geestelijke vooruitgang. Het leven hier beneden is derhalve een beproeving voor hem, d.w.z. een middel om zijn verborgen vermogens om het goede te doen aan het licht te brengen.

1311 Op deze plaats wordt de aandacht gevestigd op de regelmaat en uniformiteit van de wetten, die in de natuur in werking zijn; er is noch ongelijkheid, zodat dingen die tot de zelfde klasse behoren, aan verschillende wetten onderworpen zouden zijn, noch wanorde, zodat een wet niet uniform zou werken.

1312 De lichten waarmee de hemel dezer wereld verlicht wordt, d.i. de sterren, maken de sterren-wichelaars tot een middel om naar de toekomst te gissen. Raghib zegt in zijn verklaring van deze woorden: "En radjm wordt overdrachtelijk gebezigd om gissingen en vermoedens aan te duiden". Deze plaats doelt dus op de sterrenwichelaars, die de mensen misleiden door hen vele dingen vertellen, die zij, naar zij voorgeven, van de sterren hebben geleerd.

1313 Want zij schenden de zedenwetten van Allah.

 

 

Paragraaf. 2 De Kastijding der Ongelovigen.

 

15 Hij is het Die de aarde aan u onderworpen heeft; wandelt dus op haar paden en geniet van haar gaven. En tot Hem zal de Opstanding zijn.

16 Voelt gij u veilig voor Hem Die in de Hemel is, dat Hij u niet zal doen verzwelgen als de aarde plotseling begint te schudden? 1314

17 Voelt gij u veilig voor Hem Die in de Hemel is, dat Hij niet tegen u een orkaan zal zenden? Dan zult gij weten, hoe (mijn) waarschuwing was.

18 En voorzeker loochenden zij die vóór u waren ook ( de boodschap). Hoe (ernstig) was dan Mijn afkeuring!

19 Hebben zij de vogelen niet boven hun (hoofden) gezien, die hun vleugels uitspreiden en ineenvouwen? Niemand behalve de Barmhartige houdt ze tegen, waarlijk, Hij ziet alle dingen.

20 Waar is uw leger dat u buiten Allah om zou kunnen helpen? De ongelovigen zijn omhuld door bedrog.

21 Of wie is er die voor u wil zorgen indien Hij Zijn voorziening terughoudt? Neen, zij volharden in opstandigheid en afkerigheid.

22 Is hij die gebogen loopt, beter geleid of hij die rechtop het rechte pad bewandelt? 1315

23 Zeg: "Hij is het, Die u schiep, en u oren, ogen en hart gaf; weinig dank betuigt gij er voor."

24 Zeg: "Hij is het Die u vermenigvuldigt op aarde en tot Hem zult gij bijeen verzameld worden."

25 En zij zeggen: "Wanneer zal deze belofte vervuld worden, als gij de waarheid spreekt?"

26 Zeg: "De kennis daarvan ligt alleen bij Allah en ik ben slechts een duidelijke waarschuwer."

27 Maar als zij de straf van nabij zullen zien, zal het gezicht der ongelovigen zich verduisteren en er zal gezegd worden: "Dit is wat gij placht te vragen."

28 Zeg: "Vertel mij, indien Allah mij en degenen die met mij zijn, zou vernietigen – veeleer zal Hij ons genadig zijn – wie zal de ongelovigen tegen een pijnlijke straf kunnen beschermen?"

29 Zeg: "Hij is de Barmhartige, in Hem geloven wij en in Hem stellen wij ons vertrouwen. En gij zult weldra weten wie in klaarblijkelijke dwaling verkeert."

30 Zeg: "Vertel mij, indien uw water diep in de aarde wegzakt, wie zal u dan helder stromend water kunnen brengen?"


1314 Met Hem Die in den hemel is wordt bedoeld: Hij wiens gebod in de hemelen heerst; dit duidt aan, dat Hij de macht heeft om straf uit te delen, die niemand kan afwenden.

1315 De eerste handelt in strijd met de wetten Allah’s terwijl de laatste zich daaraan onderwerpt.