66- At-Tahriem (Het Verbod)

HOOFDSTUK 66 At-Tahriem (HET VERBOD)

GEOPENBAARD TE MADINAH 2 paragrafen en 12 verzen

Algemene opmerkingen:
De titel van dit hoofdstuk, Het Verbod, is ontleend aan de in het eerste vers gemaakte vermelding, dat de Heilige Profeet (s.a.w.) (en degenen die hem volgen) zich niet moeten vermelde gebeurtenis tijdens het leven van de Heilige Profeet (s.a.w.) is zijn tijdelijke scheiding van zijn vrouwen, toen zij om meer levensbehoeften en een beteren levenstoestand vroegen; zie 33 : 28, En daar het vorige hoofdstuk over de echtscheiding handelt, spreekt het vanzelf, dat daarop een ander volgt, dat van een tijdelijke scheiding gewaagt. De eerste paragraaf van dit hoofdstuk spreekt dus van de verhouding tussen de Heilige Profeet (s.a.w.) en zijn vrouwen, terwijl de tweede van de vooruitgang spreekt, die zijn getrouwen aanhangers zullen maken. Het verband tussen deze twee paragrafen is voor de oppervlakkige lezer misschien niet duidelijk, en daarom kunnen over dit punt nog een paar woorden worden gezegd. Het woord zaudj, dat een echtgenote of een echtgenoot beduidt, betekent ook een deelgenoot of een gezel, en de geestelijke betrekking tussen de Heilige Profeet (s.a.w.) en een waar gelovige wordt dikwijls overdrachtelijk vergeleken bij de betrekking, die er bestaat tussen een echtgenoot en een echtgenote. Opgemerkt dient ook te worden, dat de ongelovigen en de gelovigen in de laatste verzen van de tweede paragraaf bij vrouwen worden vergeleken: aan de enen kant de vrouwen van Noach en Lot, en aan de andere kant de vrouw van Farao en Marjam (a.s.), de moeder van Iesa (a.s.). De openbaring van dit hoofdstuk kan ongeveer in het jaar 9 N.H. geplaatst worden, dat het jaar der scheiding is.

 

Paragraaf 1 De huiselijke Betrekkingen van de Heilige Profeet (s.a.w.).

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

 

1 O profeet, waarom verbiedt gij u hetgeen Allah voor u wettig heeft gemaakt? Zoekt gij het behagen uwer vrouwen? En Allah is Vergevensgezind, Genadevol. 1303

Allah heeft de annulatie van uw eden voor u verplichtend gesteld en Allah is uw Beschermer en Hij is Alwetend, Alwijs.

3 Toen de profeet een woord aan een zijner vrouwen toevertrouwde en zij het daarna ruchtbaar maakte (aan een andere), deelde Allah hem dit mede. Hij maakte een deel er van bekend en verzweeg een deel ervan. En toen hij het haar vertelde, zei zij: "Wie gaf u hiervan kennis?" Hij zei: De Alwetende, de van alles op de hoogte, heeft mij er bericht van gegeven. 1304

4 Als gij beide (vrouwen) u tot Allah wendt en uw hart is reeds hiertoe geneigd (dan is het wel) – Maar indien gij samenspant tegen hem (de profeet), dan is Allah zeker zijn Beschermer, bovendien zijn Djibraiel (a.s.), de rechtvaardigen onder de gelovigen en de engelen zijn helpers.

5 Indien hij van u scheidt, 1305 is het mogelijk dat zijn Heer hem betere vrouwen dan u zal geven, die Moeslim zijn en onderdanig, gelovig, gehoorzaam, berouwvol, vroom, gewend te vasten, weduwen of maagden.

6 O gij die gelooft, redt u zelf en uw gezinnen van het Vuur, welks brandstof mensen en stenen zijn, waarover engelen zijn, hard en streng, die Allah niet ongehoorzaam zijn in hetgeen Hij hun beveelt, en volvoeren wat hun wordt geboden.


1303 Dit heeft duidelijk betrekking op de welbekende tijdelijke scheiding, betreffende welke de Heilige Profeet (s.a.w.) een gelofte deed en waarvan Boeghari in de verklarende aantekeningen bij dit hoofdstuk inderdaad zegt, dat niemand minder dan de gezaghebbende persoon van Umar (r.a.) verklaart, dat deze verzen daarop betrekking hebben. De daarop volgende verzen staven deze mening, aangezien er geen ander voorval is, dat vs. 5 kan verklaren, hetwelk melding maakt van de bereidwilligheid van de Heilige Profeet (s.a.w.) om zich van al zijn vrouwen te scheiden. Ook Ibn Djasir (r.a.) vermeldt, dat Ai’sja (r.a.), de vrouw van de Heilige Profeet, (s.a.w.) zei, dat dit vers geopenbaard werd in verband met de ila’ of tijdelijke scheiding. Deze duidelijke getuigenis in aanmerking genomen, kan het vers niet opgevat worden in de zin, dat het op enig ander voorval slaat. Er kan echter bijgevoegd worden, dat de Koptische dame, Marjam (r.a.), een vrouw van de Heilige Profeet (s.a.w.) was en de moeder van zijn zoon Ibrahiem (a.s.); er was dus niets heimelijks in zijn echtelijke betrekkingen tot haar.

1304 Er bestaat geen enkel betrouwbaar verslag, dat aantoont, op welk bijzonder voorval dit vers betrekking heeft. Daar de behandeling van hetzelfde onderwerp echter in de daarop volgende verzen voortgezet wordt, schijnt het, dat de op deze plaats vermelde kwestie enigerwijze verband houdt met de gelofte aangaande de tijdelijke scheiding, die de Heilige Profeet (s.a.w.) deed.

1305 Dat de Heilige Profeet (s.a.w.) bereid was om zich van zijn vrouwen te scheiden, indien zij in haar eis volhardden, toont aan, dat al deze verzen betrekking hebben op het geval van de tijdelijke scheiding. De Heilige Profeet (s.a.w.) scheidde zich echter niet van welke zijner vrouwen ook, hetgeen aantoont, dat zij al die eigenschappen bezaten. Vgl. 33 : 51.

 

 

7 O, gij ongelovigen, verontschuldigt u vandaag niet! U zal slechts vergolden worden voor hetgeen gij placht te doen.

 

 

 

Paragraaf 2 De vooruitgang die de Gelovigen zullen maken.

 

8 O gij gelovigen, wendt u tot Allah in oprecht berouw. Het kan zijn dat uw Heer uw fouten van u zal verwijderen en u in tuinen toelaten waar doorheen rivieren stromen, op de Dag waarop Allah de profeet alsmede de gelovigen niet zal vernederen. Hun licht zal vóór hen en van hun rechter handen uitgaan. Zij zullen zeggen: "Onze Heer, volmaak ons licht voor ons en vergeef ons; want Gij hebt macht over elk ding. 1306

9 O profeet, strijd tegen de ongelovigen en de huichelaars en wees streng tegen hen. Hun woning is de hel en dit is een kwade bestemming!

10 Allah vergelijkt de ongelovigen met de vrouw van Noeh (a.s.) en met die van Loet (a.s.). Zij behoorden aan twee Onzer rechtvaardige dienaren maar zij waren hun ontrouw. Daarom baatten haar echtgenoten haar niet tegen Allah, en er werd tot hen gezegd: "Gaat hetVuur in tezamen met degenen die er binnengaan. 1307

11 En Allah vergelijkt de gelovigen met de vrouw van Farao toen zij zeide: "Mijn Heer! bouw voor mij een huis bij U in het Paradijs, verlos mij van Farao en zijn daden en verlos mij van het onrechtvaardige volk. 1308

12 En met Marjam (r.a.), de dochter van Iemraan, die haar kuisheid bewaarde; Toen ademden Wij hem Onze geest in – zij geloofde in het Woord van haar Heer en Zijn Boeken en behoorde tot de gehoorzamen. 1309


1306 Dit toont niet alleen aan, dat het paradijs overeenkomstig de Heilige Qoer-An een plaats is om de zegeningen te genieten en de beloningen voor vroegere goede werken te oogsten, maar ook dat het, het uitgangspunt is van een onophoudelijke geestelijke vooruitgang. De bede om de volmaking van het licht is inderdaad een onophoudelijke begeerte naar volmaaktheid en toont aan, dat de geestelijke vooruitgang in dat leven eindeloos zal zijn. De Heilige Qoer-An leert dus het beginsel, dat aan de ontwikkeling van ’s mensen vermogens, zoals die in dit leven plaats grijpt, hoe onbeperkt die ook moge zijn, niet voor goed een einde komt, maar dat die het uitgangspunt is van een oneindig ruimer verschiet van de te doortrekken gebieden, dat zich na de dood opent, wanneer de ziel van de beperkingen van haar lichaam van klei bevrijd is en een ander lichaam krijgt, dat met de hier beneden verrichte daden overeenstemmen.

1307 Dit is een voorbeeld, waarin de volgelingen van profeten tegen de beginselen van hun leermeesters in handelen, daarom zullen die profeten hen niet kunnen verlossen.

1308 Dit is een voorbeeld van goede mensen, die nog niet uit de slavernij der zonde verlost zijn, waarvan Farao een typisch voorbeeld is; maar zij verlangen er vurig naar, van de zonde af te zijn en spannen zich hard in om zich van alle kluisters te bevrijden.

1309 Het in deze gelijkenis gegeven voorbeeld van de rechtschapenen licht toe, hoe de Goddelijke inspiratie aan de volmaakten wordt gegeven. Het woord hem (Ar. hi in fihi) kan niet op Marjam (r.a.) slaan, en sommige commentatoren zijn van mening, dat het op Iesa (a.s.) doelt; en dus betekent het, dat Marjam (r.a.) het leven schonk aan een zoon, die een Goddelijke inspiratie kreeg. Het pers, vnw. hem kan echter ook op de gelovige slaan, wien Marjam (r.a.) ten voorbeeld is gesteld, en de verandering kan dan beogen, de aandacht te vestigen op het feit, dat hier inderdaad het schenken van een inspiratie aan de gelovige wordt bedoeld, en niet het inblazen van een ziel.