62- Al-Djoemoe’ah (De Vergadering)

HOOFDSTUK 62 Al-Djoemoe’ah (DE VERGADERING)

GEOPENBAARD TE MADINAH 2 paragrafen en 11. verzen

Algemene opmerking:
Dit hoofdstuk ontleent zijn naam aan de aanmaning om op de dag der vergadering of Vrijdag bij elkaar te komen. De eerste paragraaf verklaart, dat de Heilige Profeet (s.a.w.) niet alleen zijn onmiddellijke volgelingen reinigde, maar ook degenen die later zouden komen, en waarschuwt de Moeslims vervolgens voor het gevaar, dat de ondergang van het Joodse volk bewerkte dat wel de letter der wet bij zich had, maar niet naar de geest daarvan handelde. De tweede paragraaf gebiedt de Moeslims, hun gezamenlijke gebeden niet verzuimen, en er wordt inzonderheid gesproken van de vergadering op Vrijdag. De openbaring van dit hoofdstuk kan ongeveer in het eerste jaar van Hidjra geplaatst worden.

 

Paragraaf 1 Een Leraar voor alle Eeuwen.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

 

1 Alles wat zich in de hemelen en op aarde bevindt verheerlijkt Allah, de Koning, de Heilige, de Almachtige, de Alwijze.

2 Hij is Die onder de ongeletterden een boodschapper heeft verwekt die Zijn tekenen onder hen verkondigt en hen zuivert en hun het Boek en de wijsheid onderwijst, ofschoon zij voorheen in openbare dwaling verkeerden.

3 En ook anderen die dezen (gelovigen) nog niet hebben ontmoet. Hij is de Almachtige, de Alwijze. 1296

4 Dat is Allah’s genade, Hij schenkt haar aan wie Hij wil; en Allah is de Heer van grote genade.

5 Degenen die belast zijn met de Thora en deze niet naleven, zijn als een ezel die boeken draagt. Slecht is de staat van het volk dat de tekenen van Allah verwerpt. En Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

6 Zeg: "O gij Joden als gij denkt dat gij met uitsluiting van andere mensen de vrienden van Allah zijt, wenst dan de dood als gij de waarheid spreekt. 1297

7 Maar zij zullen deze nooit wensen vanwege hetgeen hun handen hebben uitgevoerd. En Allah kent de onrechtvaardigen goed.

8 Zeg: "De dood waarvoor gij vlucht zal u zeker treffen. Dan zult gij tot de Kenner van het onzichtbare en zichtbare teruggebracht worden, en Hij zal u inlichten over hetgeen gij placht te doen."


1296 Op deze plaats wordt verklaard, dat de Heilige Profeet (s.a.w.) niet alleen een leraar van zijn onmiddellijke discipelen was, maar ook die van degenen die na hem zouden komen; dit betekent duidelijk, dat hij de Geestelijke Leraar van het mensdom zou blijven tot het einde der tijden.

1297 Zie: 2:04 en de daarbij behorende noot.

 

 

Paragraaf 2 Vrijdaggebed.

 

9 O, gij die gelooft! Wanneer op Vrijdag de oproep tot het gebed is uitgezonden, haast u dan Allah gedachtig te zijn en verlaat de handel. Dit is beter voor u indien gij het weet. 1298

10 En als het gebed geëindigd is, verspreidt u dan over het land en zoekt naar Allah’s genade, en gedenkt Allah vaak, opdat gij moogt slagen.

11 Maar indien zij koopwaar of enig vermaak zien, gaan zij er haastig heen en laten u staan. Zeg: "Hetgeen bij Allah is, is beter dan vermaak en handel, en Allah is de beste Onderhouder."


1298 Het Vrijdaggebed geschiedt even na de middag, en de dienst die slechts uit twee rak’ats bestaat, in plaats van de vier rak’ats van het middaggebed, wordt door een preek voorafgegaan. De woorden van dit vers en van de daarop volgende verzen tonen aan, dat een Moeslim ‘s Vrijdags, zowel vóór als na het gebed, zijn dagelijks beroep kan uitoefenen. Vandaar is die, anders dan de Joodse en Christelijke Sabbat, niet noodzakelijk een rustdag. Maar ieder Moeslim is verplicht aan de Vrijdaggebeden deel te nemen, en zodra de roep tot het gebed gedaan is, moet hij iedere soort van bezigheid laten rusten en zich onmiddellijk naar de moskee haasten.