53- An-Nadjm (De Ster)

HOOFDSTUK 53 An-Nadjm (DE STER)

GEOPENBAARD TE MAKKAH 3 Paragrafen en 62 verzen

Algemene opmerkingen:
Het woord Ster, waaraan dit hoofdstuk zijn naam ontleent, komt in het eerste vers voor. Het vorige hoofdstuk handelt over het succes der gelovigen en dit spreekt van de grootheid, waartoe de Heilige Profeet (s.a.w.) moet komen – aldus staan de twee hoofdstukken met elkaar in verband. De eerste paragraaf verklaart, dat de HeiligeProfeet (s.a.w.) niet dwaalt en dat hij derhalve – daar hij op de rechte weg is – tot de verhevenste grootheid moet komen, waartoe een mens zich maar kan verheffen; ze veroordeelt afgodendienst, die de mens belet naar grootheid te streven en zich tot de hoge verhevenheid te verheffen, waartoe hij kan opklimmen. De tweede paragraaf verklaart, dat niets tegen de waarheid kan baten, terwijl de derde melding maakt van Allah’s macht, zoals die in de vernietiging der valsheid is geopenbaard.

De openbaring van dit hoofdstuk kan geplaatst worden in het vijfde jaar der Roeping, en bijgevolg behoort het, evenals het vorige hoofdstuk, tot het Vroeg – Makkaanse tijdperk.

 

Paragraaf 1 De Grootheid waartoe de Heilige Profeet (s.a.w.) zal komen.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

 

1 Bij de ster wanneer zij valt, 1240

2 Uw metgezel is noch afgedwaald noch afgeweken, 1241

3 Noch spreekt hij naar eigen begeerte.

4 Het is slechts de Openbaring die wordt nedergezonden.

5 Hij, Die grote macht heeft, onderwees hem,

6 Die kracht bezit. Zo is hij (de profeet) volmaakt geworden, 1242

7 En hij staat aan de hoogste horizon. 1243

8 Hij naderde en kwam steeds nader.

9 En werd als de spanning van twee bogen, Ja, nog dichter bij, 1244

10 En Allah openbaarde aan Zijn dienaar hetgeen Hij wilde openbaren.

11 Het hart loog niet over wat het zag.

12 Wilt gij dan met hem redetwisten over hetgeen hij heeft gezien?

13 En voorzeker, hij zag Hem ook bij een andere nederdaling.

14 Bij de Lotusboom waar niemand voorbij mag gaan. 1245

15 Waarnaast de Tuin van Verblijf is.

16 Toen het goddelijke Licht de Lotusboom overstraalde

17 Wendde zijn oog zich niet af, noch ging het de grens te buiten.

18 Voorwaar, hij zag de grote tekenen van zijn Heer.

19 Ziet, de Laat en de Ozza,

20 En een ander, de derde, Manaat?


1240 In het ondergaan van de ster wordt de aandacht gevestigd op de rampen, die de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.), wachtten. Maar het woord nadjm betekent ook een deel van de Heilige Qoer-An, en in het geval wordt de aandacht gevestigd op ieder geopenbaard deel van de Heilige Qoer-An.

1241 Dit vers bevestigt de volkomen zondeloosheid van de Heilige Profeet (s.a.w.), die, gelijk ons duidelijk wordt gezegd, nooit dwaalde of afweek, d.w.z. hij volgde zowel in gedachte als in daad de rechten weg.

1242 Daar in geen van de verzen van Djibraiel (a.s.) melding wordt gemaakt, slaat het persoonlijk voornaam woord dus niet op hem. 35) Het is de Heilige Profeet, (s.a.w.) van wie hier gezegd wordt, dat hij de volmaaktheid heeft bereikt, omdat de Almachtig Zelf zijn Leermeester was.

1243 De Heilige Profeet (s.a.w.) is in het hoogste gedeelte van de horizon, doelt op het toppunt van de zedelijke grootheid, dat hij bereikte en waartoe geen ander menselijk wezen ooit kwam.

1244 Qaba qausain is een Arabisch spreekwoord ter aanduiding van de innige verwantschap tussen twee personen. Het is net of hun bogen, waarmee zij zich verdedigen of een vijand aanvallen, bij elkaar gevoegd zijn, zodat één pijl daaruit wordt afgeschoten. Het duidt dus op de grootst mogelijk nabijheid van de Heilige Profeet (s.a.w.) tot het Goddelijk Wezen.

1245 Dit heeft betrekking op de Mi’raadj, het beroemde visioen van de Heilige Profeet (s.a.w.), dat inderdaad de verhevenheid aanduidde, waartoe de Heilige Profeet (s.a.w.) en zijn godsdienst zouden komen. De verst verwijderde lotusboom betekent de plaats, tot waar de menselijke kennis zich uitstrekt, gelijk Kasjsjaf zegt:

"De kennis van engelen en anderen eindigt daar". De woorden betekenen dus, dat de kennis van de Heilige Profeet (s.a.w.) van de Goddelijke dingen de hoogste is, die een mens kan worden gegeven.

 

 

21 Zijn voor u de mannelijke wezens en voor Hem de vrouwelijke? 1246


1246 Vss. 19-21 zijn ten grondslag gelegd aan het valse vertelsel van wat Christen – schrijvers de "Misstap van Moehammad", of "Compromis met de afgodendienst" noemen. Het heet, dat de Heilige Profeet (s.a.w.), in plaats van vs. 21, de volgende woorden las: "Dat zijn de verhevenste en schoonste juffers op wier tussenkomst gehoopt wordt". 36) Maar de inlassing van deze enkele woorden in een hoofdstuk, dat geheel en al tegen de afgodendienst is gericht, is absoluut misplaatst; vs. 23 veroordeelt de afgoden; vs. 26 loochent hun bemiddeling; vs. 28 veroordeelt het geven van namen van vrouwelijke godheden aan engelen, en zo verder. Men beweert voorts, dat 22 : 52 in verband met deze verandering werd geopenbaard, maar opgemerkt moet worden, dat er tussen de openbaring van dit vers en die van 22 : 52 een tijdvak van ten minste acht jaren verstreken moet geweest zijn. Bovendien, indien de Heilige Profeet (s.a.w.) werkelijk een dergelijk compromis had aangegaan, kon het niet plotseling plaats hebben gehad, en sporen daarvan zouden aangetroffen kunnen zijn in andere hoofdstukken, die ongeveer op dezelfde tijd geopenbaard werden. Een nauwkeurig onderzoek hiervan toont echter duidelijk aan, dat der veroordeling van de afgodendienst door de Heilige Qoer-An nooit gekenmerkt was door de minste verandering. De enige verslagen betreffende dit voorval zijn aan te treffen in Waqidi en Tabri, van wie de eerste als onbetrouwbaar en als een verzinner van verslagen bekend staat, en de laatste zich min of meer schuldig maakte aan "blindelings erkenning", gelijk Muir erkent. Zowel uiterlijke als innerlijke getuigenis is dus tegen het vertelsel van de "misstap".

 

 

22 Dat is dan een onrechtvaardige verdeling;

23 Dit zijn slechts namen die gij uitgedacht hebt – gij en uw vaderen – waarvoor Allah geen gezag heeft nedergezonden. Zij volgen slechts hun vermoedens en begeerten. En voorzeker de leiding van hun Heer is nu tot hen gekomen.

24 Krijgt de mens alles waarnaar hij verlangt?

25 Neen, aan Allah behoren het Hiernamaals en deze wereld.

 

 

 

Paragraaf 2 Niets zal tegen de Waarheid.

 

26 En hoe vele engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak van geen nut zal zijn, behalve nadat Allah verlof heeft gegeven aan wie Hij wil en wie Hem behaagt.

27 Zij, die niet in het Hiernamaals geloven geven de engelen vrouwelijke namen,

28 Maar zij hebben daar geen kennis van. Zij volgen alleen een vermoeden en het vermoeden kan tegen de waarheid niets baten.

29 Wend u daarom van hem af die zich van de gedachtenis aan Ons afwendt, en die niets wenst dan het leven dezer wereld.

30 Zo ver reikt hun kennis. Voorwaar, uw Heer kent beste degene die van Zijn pad afdwaalt en Hij kent het beste degene die Zijn leiding volgt.

31 En aan Allah behoort hetgeen in de hemelen en hetgeen op aarde is, opdat Hij degenen die slecht deden moge vergelden voor hetgeen zij hebben gewrocht en opdat Hij degenen die goed doen, met het beste moge belonen.

32 Zij, die behalve kleine feilen, de ergste zonden en slechtheden vermijden – voorwaar, 1247 uw Heer is de Heer der Alomvattende Vergiffenis. Hij kende u uit aarde deed ontstaan en toen gij een embryo waart in de baarmoeder uwer moeder. Prijst daarom uzelf niet om reinheid. Hij kent de godvruchtigen het beste.


1247 Een terloops gedachte is heel anders dan een voornemen of een poging om een zonde te begaan, want zij laat op het genoemd geen indruk achter.

 

 

 

Paragraaf 3 Allah’s Macht geopenbaard in de vernietiging der valsheid.

 

33 Ziet gij hem die zich afwendt (van het rechte pad)

34 En die weinig geeft en vrekkig is?

35 Bezit hij de kennis van het onzichtbare, zodat hij kan zien?

36 Is hem niet verteld over hetgeen in de geschriften van Moesa (a.s.) staat,

37 En van Ibrahiem (a.s.), die de geboden hield? –

38 Dat geen drager van last de last van een ander zal dragen.

39 En dat de mens niet meer kan krijgen dan hetgeen waarnaar hij streeft.

40 En dat zijn streven spoedig zal worden opgemerkt:

41 Dan zal hij er volledig voor worden beloond.

42 En dat alles uiteindelijk tot uw Heer komt,

43 En dat Hij het is, Die doet lachen en wenen

44 En dat Hij het is, Die de dood veroorzaakt en het leven geeft.

45 En dat Hij de twee echtgenoten schept, de vrouwelijke en de mannelijke

46 Uit een levenskiem wanneer deze uitgegoten wordt:

47 En dat de volgende opwekking (tot leven) op Hem rust:

48 En dat Hij het is Die voldoening en rijkdom geeft

49 En dat Hij de Heer van Sirius is.

50 En dat Hij de oude (stam van Ad) vernietigde

51 En Samoed, en Hij spaarde (hen) niet,

52 Evenals het volk van Noeh (a.s.) vóórdien; waarlijk zij waren uiterst onrechtvaardig en opstandig

53 En Hij bracht de verwoeste steden ten val.

54 Zodat hetgeen bedekken kon, hen bedekte.

55 Over welke gaven van uw Heer wilt gij dan redetwisten?

56 Deze waarschuwer is gelijk aan de vroegere waarschuwers.

57 Het Uur nadert, 1248

58 Niemand behalve Allah kan het ontsluieren.

59 Verwondert gij u dan over deze aankondiging?

60 En lacht gij in plaats van te wenen,

61 Terwijl gij achteloos zijt?

62 Werpt u voor Allah neder en aanbidt (Hem). 1249


1248 De nabije gebeurtenis is de ondergang der Qoereisjieten, de omverwerping van hun macht, die nu tegen de Islam werd aangewend.

1249 Hier hebben wij een gebod om zich neder te buigen, dat letterlijk door alle Moeslims gehoorzaamd wordt, wanneer zij de Heilige Qoer-An reciteren of die horen reciteren. Toen dit hoofdstuk voor het eerst geopenbaard werd, werd het voorgelezen in een grote bijeenkomst, bestaande uit ongelovigen en Moeslims. Toen de Heilige Profeet (s.a.w.) zich overeenkomstig het gebod nederboog, bogen zich niet alleen Moeslims neder, maar zelfs de afgodendienaars waren zodanig van ontzag bevangen, dat ook zij zich nederbogen. Het is dit eenvoudige voorval, dat met het vertelsel van de zogenaamde "misstap" in verband wordt gebracht en dat als een bewijs van de waarheid daarvan wordt aangevoerd. Men zie evenwel in, dat het nederbuigen verricht werd overeenkomstig het onmiddellijk gebod: Buig u neder voor Allah en dat het niets met de aanbidding van afgoden had uit te staan. De daarvóór verhaalde gebeurtenissen betreffende de verhevenheid en majesteit van Allah en de vernietiging der verdorvenen zijn zo indrukwekkend, dat de afgodendienaars zich er niet tegen verzetten konden zich neer te buigen.