52- At-Toer (De Berg)

HOOFDSTUK 52 At-Toer (DE BERG)

GEOPENBAARD TE MAKKAH 2 paragrafen en 49 verzen

Algemene opmerkingen:
De Berg, waarheen Moesa (a.s.) geroepen werd, wordt in het eerste vers vermeld en duidt aldus op de overeenkomst tussen de Heilige Profeet (s.a.w.) en de Israëlitische wetgever, want de Heilige Profeet (s.a.w.) ontving de roeping ook op een berg. De eerste paragraaf spreekt van de beloning der gelovigen en de tweede van de straf dergenen, die tegen de prediking der waarheid in verzet kwamen en plannen smeedden om haar in de kiem te smoren. Het oordeel van de verdorvenen, dat in het vorige hoofdstuk behandeld is, vereist een verzekering van succes voor de gelovigen, en die verzekering te geven is het wezenlijke doel van dit hoofdstuk. De openbaring daarvan behoort tot het Vroeg – Makkaanse tijdperk.

 

Paragraaf 1 Succes der Gelovigen.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

1 Bij de Berg

2 En bij het geschreven Boek,

3 Op uitgebreide perkament.

4 En bij het veelbezochte huis

5 En bij het hoogverheven dak

6 En bij de boordevolle oceaan,

7 Voorzeker, de straf van uw Heer zal worden voltrokken. 1234

8 Er is niemand die haar kan afwenden.

9 De Dag waarop de hemel in beweging zal komen.

10 En de bergen zullen vergaan.

11 Dan wee op die Dag de loochenaars, 1235


1234 De eerste zes verzen vestigen de aandacht op enige parallel lopende feiten in de openbaring aan Moesa (a.s.) en Moehammad (s.a.w.). In het ene geval hebben wij de berg Sinaï en in het andere Hira; het Boek beduidt de Thora en de Qoer-An; het bezochte Huis en het verheven baldakijn slaan enerzijds op de tabernakel, die Moesa (a.s.) voor de Israëlieten bouwde, als een heilige plaats waar zij God aanbaden en offers brachten, en anderzijds op het Heilige Huis te Makkah, dat het centrum van de Moeslims uit alle volkeren, landen en eeuwen zou zijn en waar zij offers zouden brengen. De gezwollen zee stelt de zee voor, die Farao en zijn legers vernietigde, terwijl de vijanden van de Heilige Profeet (s.a.w.) in het daarop volgende vers wordt medegedeeld, dat de straf van hun Heer hen stellig op het land zal overvallen, zoals die de vijanden van Moesa (a.s.) in de gezwollen zee overviel.

1235 De wonderbaarlijkste verandering, die teweeggebracht zou worden door de vernietiging van een machtig volk en door de verheffing van iemand, die als een bezetene werd beschouwd, tot de hoogste waardigheid, wordt afgebeeld in de woorden, dat de hemel zich van de ene zijde naar de andere zal bewegen en dat de bergen (grote mensen die tegen de Heilige Profeet (s.a.w.) in verzet kwamen) heen zullen gaan.

 

 

12 Die zich in ijdel gesprek vermaken.

13 De Dag waarop zij in het Vuur der hel zullen worden geslingerd:

14 Men zal zeggen: "Dit in het Vuur dat gij placht te loochenen."

15 Is dit dan toverkunst of ziet gij niet?

16 Brandt daarin; en het zal voor u hetzelfde zijn, of gij geduld of ongeduld toont. U is slechts vergolden voor hetgeen gij placht te doen.

17 Voorwaar, de godvruchtigen zullen in tuinen en gelukzaligheid zijn,

18 Genietende van de gaven, die hun Heer hun heeft geschonken en hun Heer heeft hen voor de marteling van het Vuur behoed.

19 Eet en drinkt met genoegen wegens hetgeen gij placht te doen.

20 (U) op tronen neervlijend die in rijen zijn gerangschikt. En Wij zullen hen met schone meisjes verenigen die grote, mooie ogen hebben. 1236


1236 Het woord hoer komt in de Heilige Qoer-An viermaal voor: hier en in 44 :54, 55 : 72 en 56 : 22. Het is het meervoud van ahwar (toegepast op een man) en van haura (toegepast op een vrouw), dat betekent: iemand die ogen heeft, welke gekenmerkt zijn door de hoedanigheid hawar, d.i. sterke witheid van het wit van het oog en sterke zwartheid van het zwart daarvan. Het andere woord, ’in, is het meervoud van a’jan (d.i. een man met grote ogen) en van ’aina (d.i. een vrouw met schone en grote ogen). Het laatste woord betekent ook een goed of schoon woord of gezegde. Men kan opmerken, dat witheid ook een zinnebeeld van volmaakte en onbevlekte reinheid is, en vandaar beduiden de twee woorden hoer en ’in inderdaad reinheid en schoonheid; en daarom kies ik, in plaats van witogige groot ogigen, welke woorden een meer letterlijke betekenis van de oorspronkelijke woorden geven, de woorden reine schonen, aangezien deze de ware betekenis beter tot uitdrukking brengen. Wat zijn deze reine schonen of de wit ogige groot ogigen? Ik heb reeds verklaard, dat de Heilige Qoer-An niet zegt, dat de echtelijke betrekkingen in het hiernamaals in fysisch zin gehandhaafd worden. Bovendien verklaart de Heilige Qoer-An duidelijk, dat de zegeningen van het paradijs, waarvan hij spreekt, slechts gelijkenissen zijn; zie 47 : 15.

Nog kan er gevraagd worden: Waarom staan deze zegeningen in woorden beschreven, die op vrouwen van toepassing zijn? De waarheid is, dat de op deze plaats vermelde beloning inzonderheid op de reinheid van karakter en de schone werken der rechtschapenen slaat, en dat de vrouwelijkheid, en niet de mannelijkheid, een zinnebeeld van reinheid en schoonheid is. Er kan echter bijgevoegd worden, dat, indien de reine schonen van deze verzen opgevat worden in de zin van vrouwen, zij de vrouwen der gelovigen zijn, daar hun nakomelingschap in vss. 21 en 24 en hun gezinnen (zowel de vrouwen als de kinderen) in vs. 26 genoemd worden.

 

 

21 En met de gelovigen zullen Wij hun nageslacht, dat hun in het geloof volgt, verenigen. En Wij zullen zeker niets aan hun werken afdoen. Elk is onderpand voor zijn daden.

22 En Wij zullen hun een overvloed van fruit en vlees schenken, volgens hun wensen.

23 Daar zullen zij elkander een beker van hand tot hand reiken waarin ijdelheid noch zonde zal zijn.

24 En er zullen knapen rondgaan alsof zij welbewaakte parels zijn.

25 En zij zullen zich vragen tot elkander wenden.

26 Zij zullen zeggen: "Voorheen vreesden wij ter wille van onze families.

27 Maar Allah is ons genadig geweest en heeft ons voor de marteling van de bradende wind behoed.

28 Wij plachten voorheen Hem te aanbidden. Voorzeker, Hij is de Goede, de Genadevolle."

 

 

 

Paragraaf 2 De Tegenstanders veroordeeld.

 

29 Waarschuw daarom (o, profeet), Bij de gratie van uw Heer zijt gij noch een waarzegger noch een bezetene.

30 Zeggen zij: "Hij is een dichter en wij wachten of te zijner tijd een ramp over hem komt?"

31 Zeg: "Wacht! Ik wacht ook met u."

32 Is het hun verstand, dat hun dit oplegt of zijn zij een opstandig volk?

33 Of zeggen zij: "Hij heeft het (de Qoer-An) verzonnen?" – Neen, zij willen niet geloven –

34 Laat hen dan een woord hieraan gelijk naar voren brengen, als zij waarachtig zijn.

35 Zijn zij door niets geschapen of zijn zij (hun eigen) schepper?

36 Schiepen zij de hemelen en de aarde? Neen, zij willen geen zekerheid hebben.

37 Bezitten zij de schatten van uw Heer of zijn zij de bewaarders hiervan?

38 Hebben zij een ladder naar de hemel waardoor zij kunnen luisteren? Laat hun luisteraar dan openlijk gezag tonen. 1237

39 Heeft Hij (Allah) dochters terwijl gij zonen hebt?

40 Vraagt gij (Moehammad (s.a.w.) loon van hen, zodat zij onder schulden gebukt gaan?

41 Bezitten zij het onzichtbare, zodat zij het kunnen neerschrijven?

42 Willen zij een plan smeden (tegen u)? Maar de ongelovigen zullen door hun eigen plan worden gevangen. 1238

43 Hebben zij een andere God buiten AllahAllah is verheven boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.

44 En indien zij een stuk van de hemel zien vallen, zullen zij zeggen: "Opgehoopte wolken."

45 Laat hen daarom, totdat zij hun Dag ontmoeten waarop zij in onmacht zullen neervallen.

46 De Dag, waarop hun samenzwering hen niets zal baten noch zullen zij worden geholpen.

47 En voorwaar, voor de onrechtvaardigen is hiervoor een straf. Maar de meeste hunner beseffen het niet. 1239

48 Wacht daarom geduldig op het oordeel van uw Heer, want gij zijt onder Onze ogen en verheerlijk uw Heer wanneer gij opstaat met de lof die Hem toekomt,

49 En verheerlijk Hem ‘s nachts en na het verbleken der sterren.


1237 Dit vers toont aan, dat de Arabisch sterrenwichelaars en waarzeggers voorgaven, naar de geheimen van de toekomst te kunnen luisteren, en dat hun gissingen omtrent de toekomst echter geen indruk konden maken, daar ze niet uitkwamen.

1238 Merk de duidelijke taal op, waarin in dit vroege tijdperk melding wordt gemaakt van oorlogen en van de daaruit volgende nederlaag der ongelovigen en de omverwerping van hun macht.

1239 De twee soorten van straf, waarmee de tegenstanders bedreigd werden, worden in dit vers ten duidelijkste genoemd, nl. een straf, die hen reeds in dit leven zou treffen en een straf in de vorm van geestelijke marteling in het andere leven.