51- Adz-Dzarijaat (De Verspreiders)

HOOFDSTUK 51 Adz-Dzarijaat (DE VERSPREIDERS)

GEOPENBAARD TE MAKKAH 3 paragrafen en 60 verzen

Algemene opmerkingen:
De titel van dit hoofdstuk is ontleend aan de vermelding van de Verspreiders der waarheid in het eerste vers. Het handelt over het feit, dat de bewoners van Makkah, die de waarheid verwerpen, veroordeeld zullen worden. De eerste paragraaf vestigt de aandacht op de geleidelijke vooruitgang der waarheid, welke inderdaad met de dag veld won, en de gehele paragraaf legt de nadruk op de zekerheid van het oordeel; de tweede paragraaf die met de aankondiging van de geboorte van een zoon aan Ibrahiem (a.s.) begint (van wie de grootste der profeten afstamde), handelt over het lot van enige vroegere volkeren, die wegens hun slechte daden veroordeeld werden; en de derde waarschuwt, na een aansporing om toevlucht tot Allah te nemen – immers, de dienst van Allah is het doel van ‘s mensen schepping – de bewoners van Makkah weer, dat hun beurt van geluk voorbij zou zijn en dat zij, evenals degenen die vóór hen leefden, veroordeeld zullen worden.

Terwijl het vorige hoofdstuk over de opstanding handelt – zowel de opstanding der doden in het leven na de dood, als die degenen die geestelijk dood waren – verklaart dit hoofdstuk, dat degenen die deze waarheid logenstraffen, naar hun slechte daden geoordeeld zullen worden. Het hoofdstuk is ongetwijfeld een vroeg- Makkaanseopenbaring en kan zonder de minsten twijfel in het vroeg- Makkaanse tijdperk geplaatst worden.

 

Paragraaf 1 De valsheid is veroordeeld.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allahde Weldadige, de Genadevolle.

 

1 Beschouw degenen die wijd en zijd verspreiden,

2 En degenen die de last dragen,

3 En degenen die met gemak lopen,

4 En degenen die de zaak verdelen; 1229

5 Waarlijk, datgene waarmede gij bedreigd zijt is waar;

6 En waarlijk, het oordeel moet geschieden.

7 Beschouw de hemel, vol van wegen; 1230

8 Waarlijk, gij zijt het met elkander oneens over wat gij zegt;

9 Daarvan wordt afgewend wie zich afwendt.

10 Vervloekt zijn de leugenaars,

11 Die in een klove (van ontwetendheid) zijn, achteloos;

12 Zij vragen: Wanneer is de dag des oordeels?

13 (Het is) de dag, waarop zij in het vuur beproefd zullen worden.

14 Smaak uw vervolging; 1231 dit is wat gij zoudt willen verhaasten.

15 Waarlijk, de rechtschapenen zullen in tuinen en |(te midden) van bronnen zijn,

16 Nemende wat hun Heer hun geeft; waarlijk, zij waren vóór die degenen die het goede deden.

17 Zij plachten in de nacht slechts weinig te slapen.

18 En in de ochtend vroegen zij vergiffenis.

19 En in hun bezittingen was een deel, dat de bedelaar en hem wie (het goede) werd onthouden, toekwam. 1232


1229 Men is gewoonlijk van oordeel, dat met degenen die wijd en zijd verspreiden, de winden bedoeld worden, die stof doen opwaaien, voordat er een wolk komt. Degenen die de last dragen, zijn de wolken die met regen bezwangerd zijn; degenen die met gemak lopen, zijn de winden die de wolken meevoeren en degenen die de zaak verdelen, zijn de winden die de regen verdelen; in deze beschrijving wordt de aandacht gevestigd op een dergelijke regeling in de geestelijke wereld, waardoor de waarheid geleidelijk vooruitgaat. Maar wij kunnen ook zeggen, dat hierin de aandacht gevestigd wordt op de duidelijkere feiten, op het wijd en zijd verspreiden van de waarheid door de Heilige Profeet (s.a.w.) en zijn getrouwe volgelingen, hetgeen tengevolge had, dat sommigen de last daarvan droegen, als waren zij met waarheid bezwangerd, terwijl anderen met gemak tot het aannemen van de waarheid overgingen. Weer anderen worden genoemd: degenen die de zaak verdelen; dit zijn degenen die elders moeqtasimîn of degenen die verdelen zijn genoemd, want door het ene deel van de Heilige Qoer-An aan te nemen en het andere te verworpen, scheidden zij die in delen (15: 90). In het bestaan van deze drie klassen, waarvan de eerste twee met de dag in aantal toenamen, terwijl de derde gaandeweg daarin afnam, was een duidelijk teken, dat de overwinning van de Islam weldra in het land bevestigd zou worden.

1230 De beschrijving van de hemel als een ruimte vol van wegen is een beschrijving, die een gewoon Arabier van 1300 jaar geleden niet kon geven. Het is echtere in volkomen overeenstemming met de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen, die aantonen, dat iedere ster een middelpunt is, waarom planeten wentelen, evenals onze zon het middelpunt is, waarom de aarde en verscheidene andere planeten wentelen. De wegen in de hemelen zijn de banen der verscheidene planeten.

1231 D.i. zij verdienden gestraft te worden, omdat zij de Moeslims hadden vervolgd.

 

20 En op de aarde zijn tekenen voor degenen die overtuigd zijn,

21 En (ook) in uw eigen zielen; zult gij dan niet zien?

22 En in de hemel is uw onderhoud en datgene waarmede gij bedreigt zijt 1233

23 En bij de Heer der hemelen en der aarde! Waarlijk, het is de waarheid, precies zoals gij spreekt.


1232 Sommige vatten het woord mahroem op in de zin van een arme die niet bedelt, anderen in die van een wezen dat geen spraakvermogen heeft, d.w.z. de stomme dieren.

1233 Dat is: Allah heeft zowel een schoon onderhoud als een straf in voorraad, en Hij zal u geven wat u verdient.

 

 

 

Paragraaf 2 Het Lot der vroegere Volkeren.

 

24 Is de tijding van Ibrahiem (a.s.) geëerde gasten tot u gekomen?

25 Toen zij tot hem ingingen, zeiden zij: Vrede. Vrede, zei hij, mensen (die) vreemdelingen (zijn).

26 En hij ging in het verborgen ter zijde tot zijn gezin en bracht een vet (geroosterd) kalf.

27 En hij bracht het bij hen. Hij zei: Wat! Wilt gij niet eten?

28 En hij vatte vrees op ter oorzake van hen. Zij zeiden: Vrees niet. En zij gaven hem de blijmare van een jongen, die kennis bezit.

29 En zijn vrouw kwam in grote smart, en zij sloeg zich in het aangezicht en zei: Een oude onvruchtbare vrouw!

30 Zij zeiden: Alzo zegt uw Heer; waarlijk, Hij is de Wijze, de Wetende.

31 Ibrahiem (a.s.) zei: "Wat is uw taak, o boodschapper."

32 Zij antwoordden: "Wij zijn naar een schuldig volk gezonden

33 Om brokken klei op hem neder te zenden

34 Door uw Heer gemerkt (ter verdelging) voor de buitensporige."

35 De gelovigen die daarin waren lieten Wij (veilig) weggaan.

36 Maar Wij vonden er slechts één huis der Moeslims.

37 En Wij lieten daarin een teken achter voor hen, die de pijnlijke straf vrezen.

38 En in Moesa (a.s.) (is eveneens een teken) toen Wij hem tot Farao zonden met openlijk gezag.

39 Maar deze wendde zich af om zijn macht en zeide: "Een tovenaar of een waanzinnige."

40 Daarom grepen Wij hem en zijn scharen en wierpen hen in de zee, waardoor hij zelfverwijt kreeg.

41 En er was een teken in de Ad, toen Wij een orkaan tegen hen zonden.

42 De liet van hetgeen hij teisterde niets over of hij maakte het als as,

43 En er was een teken in de Samoed toen er tot werd gezegd: "Vermaakt u voor een wijle."

44 Maar zij overtraden het gebod van hun Heer. Daarom achterhaalde hen de bliksem terwijl zij er naar keken,

45 En zij konden niet opstaan noch konden zij zich hiertegen beschermen.

46 En in het volk van Noeh (a.s.) (is ook een teken), voorwaar zij waren een ongehoorzaam volk.

 

 

 

Paragraaf 3 De Bewoners van Makkah zullen veroordeeld worden.

 

47 Voorzeker Wij bouwden de hemel door Onze macht en waarlijk Wij zijn het, Die hem hebben uitgebreid.

48 En Wij hebben de aarde uitgespreid en hoe uitmuntend hebben Wij dit gedaan.

49 En Wij hebben alles in paren geschapen opdat gij er lering uit mocht trekken.

50 Haast u daarom tot Allah. Waarlijk ik ben voor u een duidelijke waarschuwer van Hem.

51 En werpt geen andere God op naast Allah, waarlijk ik ben voor u een duidelijke waarschuwer van Hem.

52 En er kwam tot degenen, die vóór hen waren, geen boodschapper of zij zeiden: "Dit is een tovenaar of een bezetene!"

53 Hebben zij elkander er toe aangespoord? Neen, zij zijn een opstandig volk.

54 Wend u daarom van hen af en u zal niets worden verweten.

55 Maar ga door met het vermanen want de vermaning helpt degenen die willen geloven.

56 En ik heb de djinn en de mensen slechts tot Mij aanbidding geschapen.

57 Ik wens van hen geen onderhoud noch wens Ik dat zij Mij zullen voeden.

58 Voorzeker, Allah is de grootste Voorziener, de Almachtige, de Al sterke.

59 Voorzeker het lot der onrechtvaardige is gelijk aan dat van hun gezellen. Laat hen derhalve niet wensen dit te verhaasten.

60 Wee over de ongelovigen vanwege de Dag waarmede zij worden bedreigd!