5- Al-Maadah (Het Voedsel)

 HOOFDSTUK 5 Al-Mā’idah: Het Voedsel

GEOPENBAARD IN MADINAH: 16 paragrafen; 120 verzen

 

De naam van dit hoofdstuk komt voort uit de bespreking van een vraag naar voedsel – "het dagelijks brood"- afkomstig van de volgelingen van Jezus Christus, waarnaar wordt verwezen aan het eind van dit hoofdstuk. Het hoofdstuk gaat in het bijzonder over de christenen en deze naam zou mogelijkerwijs ook verwijzenm naar de liefde van de christenen voor wereldse geneugen.

De relatie tussen dit hoofdstuk en het vorige is dezelfde als die tussen het derde hoofdstuk en het tweede. Terwijl het vierde hoofdstuk voornamelijk gaat over de hypocrieten, gaat het vijfde over degenen die zich openlijk vijandig opstelden tegenover de Islām. Deze rode draad wordt hier en daar onderbroken met richtlijnen voor de moeslims. Nogmaals, terwijl het vierde hoofdstuk het vraagstuk van de joodse ongehoorzaamheid behandelt, brengt dit hoofdstuk de christelijke overtredingen voor het voetlicht. Deze ongehoorzaamheid komt voort uit hun buitensporige wereldse liefde, een onderscheid dat duidelijk wordt gemaakt in de afsluitende delen vande twee hoofdstukken.

Het hoofdstuk opent met een oproep aan de moeslims om trouw te blijven aan hun verplichtingen. Dit gebod wordt gevolgd door bepaalde details die verband houden met het volbrengen van de bedevaart, met verschillende soorten voedsel en met sociale verhoudingen met andere mensen. Dan volgt de mededeling dat religie in de Islām is vervolmaakt. De tweede paragraaf vestigt de aandacht op de verplichting oprecht te zijn. Hij waarschuwt er als het ware voor de letter van de wet niet zozeer te benadrukken, dat als gevolg de innerlijke kwaliteiten die de ware mens sieren, totaal worden verwaarloosd. De derde paragraaf behandelt de verbonden die werden gesloten met de joden en de christenen, en verhaalt hoe de christenen hun verbond schonden door en Goddelijke waardigheid toe te kennen aan een eenvoudige sterveling. De vierde paragraaf pakt het verhaal over de joodse schending van het verbond op bij het allereerste begin van hun bestaan als een natie, en wijst op de zondige gevolgen van hun ongehoorzaamheid. De vijfde paragraaf, die opent met de agressie van Kaïn als een les aan de joden, verwijst duidelijk naar het einde, naar de straf van de joden die nu betrokken waren bij een oorlog tegen de Profeet (s.a.w.). Het onderwerp van de bestraffing van soortgelijke overtredingen wordt doorgetrokken in de zesde paragraaf. De zevende gaat over de relatie tussen de openbaring in de Qoer-ān en eerdere openbaringen. Deze paragraaf maakt duidelijk dat deze laatste openbaring werkelijk de vervulling en vervolmaking is van al die openbaringen. De achtsche paragraaf waarschuwt de moeslims tegen de vijandige houding van de joden, de christenen en degenen die hun geloof verzaken. Dit onderwerp wordt doorgetrokken in de negende paragraaf, die gaat over hoe deze drie groepen de moeslimreligie bespotten. De tiende introduceert het onderwerp van de christelijke dwaling van de waarheid, terwijl de elfde aantoont dat de Qoer-ān hen niet onrechtvaardig behandelt vanwege hun vijandigheid ten opzichte van de Islām. De deemoedigheid van moniken en priesters uit hun midden wordt geprezen, en het feit wordt erkend dat zij, vergeleken met de joden en de polytheïsten, dicht bij de Islām staan. De drie paragrafen die volgen zijn specifiek gericht tot de gelovigen, en zinspelen op het feit dat de christenen geen aandacht schenken aan de middenweg en aan hun agressie ten opzichte van de moeslims. De twaafde paragraaf voorziet de moeslims van een dubbele waarschuwing. Aan de ene kant waarschuwt hij ertegen een monikkenleven te leiden, omdat zo’n leven van een mens vereist dat hij zich zelfs onthoudt van wettige aangelegenheden. Aan de andere kant waarschuwt de paragraaf ook tegen het gebruik van onreine, oneerbare bedwelmende middelen zoals sterke drank, en tegen het verkrijgen van eigendom door illegale middelen, zoals gokken, de twee hardnekkige zonden van christelijke naties. De paragraaf vereist dat gehoorzaamheid en ontzag voor de plicht de belangrijkste principes worden voor iemands daden. De dertiende paragraaf benadrukt de veiligheid van de Ka‘bah, en bevat een profetische verwijzing naar de plannen van machtige christelijke landen. De veertiende paragraaf, die verdere richtlijnen bevat voor de moeslims, benadrukt vooral de ernst van de zonde van polythëisme. Het is deze zonde die de christenen het verst van de waarheid heeft af doen dwalen, ondanks hun nabijheid tot de Islām. De twee afsluitende paragrafen van het hoofdstuk houden zich nog duidelijker bezig met christelijke religie. In de vijftiende wordt de aandacht gevestigd op de christelijke liefde voor dit leven en op het feit dat zij, als direct gevolg van hun materialistische neigingen, zullen worden onderworpen aan een ongekende straf. De zestiende en laatste paragraaf, bevat een duidelijke veroordeling van de doctrine van de goddelijkheid van Jezus uit de mond van deze profeet zelf. Ook maakt hij duidelijk dat deze doctrine pas na de dood van Jezus haar weg in het christelijke geloof heeft gevonden, en schept hij hoop op het feit dat zij uiteindelijk bescherming zullen vinden in de Islām.

Een overweging van de onderwerpen die in dit hoofdstuk worden behandeld en de mening van verscheidene deskundigen, leiden ons tot de zo goed als zekere conclusie dat dit hoofdstuk volgt op het vorige in zowel de volgorde van openbaring als in de volgorde van rangschikking. Het grootste gedeelte van dit hoofdstuk werd geopenbaard in de jaren 5–7 Hidjrah. De neiging van sommige christelijke critici om verzen die bepaalde joodse of christelijke doctrines veroordelen tot te schrijven aan een periode gedurende welke de politieke relaties met deze volkeren verslechterden, verdient afkering. In feite heeft de Qoer-ān de goede kanten van deze religies nimmer ontkend, noch heeft hij ooit haar fouten goedgekeurd. In een vroeg Makkaanse openbaring bijvoorbeeld, wordt de christelijke doctrine van het zoonschap van Jezus in zeer ernstige bewoordingen veroordeeld (19:88–92). Hier, in een late Madinah-openbaring, worden de christenen geprezen van wege hun deemoedigheid.

Er is echter één vers in dit hoofdstuk, dat tot een veel latere periode behoort dan de rest van het hoofdstuk, en de datum van de openbaring van dit vers kan met zekerheid worden vastgelegd. Het is het derde vers, en het bespreekt de vervolmaking van religie in de Islām. Er bestaat niet de minste twijfel over het feit dat dit vers werd geopenbaard tijdens de laatste bedevaart van de Heilige Profeet (s.a.w.) naar Makkah, in het jaar 10 A.H. Verder bestaat er duidelijk bewijs dat het werd geopenbaard op de 9e Dzoe-l-Hidjdjah van dat jaar, toen de Heilige Profeet (s.a.w.) zich op de vlakte van ‘Arafāt bevond (B. 2:32).

 

PARAGRAAF 1: Vervolmaking van religie in de Islām

 

Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aa-manoe ‘awfoe bil-‘uqoed. ‘U-hillat lakum-bahie-matul-‘an-‘aami ‘illaa maa yutlaa ‘alaykum ghayra-mu-hillis-saydi wa ‘antum hurum : ‘innallaaha yab-kumu maa yuried.

1 O jullie die geloven, vervuld de verplichtingen.a Het viervoetige vee is jullie toegestaan, behalve wat jullie wordt voorgedragen, mits jullie het verbod op wild geen geweld aandoen wanneer jullie op bedevaart zijn.b Allāh verordent immers wat Hem behaagt.

 

2 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa tuhilloe Sja-‘aaa-‘irallaahi wa lasj-Sjahral-Haraama wa lal-hadya wa lalqalaaa-‘ida wa laaa ‘aaammienal-Baytal-Haraama yabtagoena fazlam-mir-Rabbihim wa rizwaanaa. Wa ‘izaa halaltum fas-taadoe. Wa laa jadjrimannakum sjana-‘aanu qawmin ‘an-saddoe-kum ‘anil-Mas-djidil-Haraami ‘an-ta’-tadoe. Wa ta-‘aawanoe ‘alalbirri wat-taqwaa, wa laa ta-‘aawanoe ‘alal-‘ismi wal-‘udwaan: watta-qullaah : ‘innallaaha Sjadiedul-‘iqaab.

2 O jullie die geloven, doe de tekenen van Allāh geen geweld aan,a noch de Heilige Maand, noch de offers, noch de slachtoffers met (offer)-kransen,b noch degenen die zich naar het Heilige Huis begeven op zoek naar de goedgunstigheid en het welbehagen van hun Heer. En wanneer jullie vrij zijn van de verplichtingen van de pelgrimstocht, jaag dan. En laat niet de haat voor een volk – omdat zij jullie verhinderden de Heilige Moskee te bezoeken – jullie aansporen tot overtredingen. En sta elkaar bij in rechtschapenheid en vroomheid, en help elkaar niet met zonde en agressie,c en voldoe jullie plicht aan Allāh. Waarlijk is Allāh streng met vergelden (van kwaad).

 

3 Hurri-mat ‘alaykumul-maytatu waddanu wa lah-mulgin-zieri wa maa ‘uhilla lighayrillaahi bihie wal-mun-ganiqatu wal-maw-qoezatu walmuta-raddi-yatu wannatie-hatu wa maaa ‘akalas-sabu-‘u ‘illaa maa zakkaytum; wa maa zubiha ‘alan-nusubi wa ‘antastaq-simoe bil-‘azlaam: zaalikum fisq. ‘Al-yaw- ma ya-‘isallaziena kafaroe min-dienikum falaa tag-sjaw-hum wagsjawn. ‘Al-yawma ‘ak-maltu lakum Diena-kum wa ‘at-mamtu ‘alaykum ni’-matie wa razietu lakumul-I’SLAAMA Dienaa. Famaniz-turra fie mag-masatin ghayra mutadjaa-nifil-li-‘isminfa-‘innallaaha Ghafoerur-Rahiem.

3 Verboden voor jullie is dat wat uit zichzelf sterft, en bloed, en vlees van varkens, en hetgeen waarover enig andere naam dan die van Allāh is uitgesproken, en het gewurgde (dier), en dat wat is doodgeslagen, en dat wat is gedood door een val, en dat wat is gedood doordat het doorboord werd met de hoorn, en dat waarvan de wilde beesten hebben gegeten – behalve wanneer jullie het slachten;a en dat wat wordt geofferd (aan afgoden) op (daarvoor) opgerichte stenen,b en dat jullie proberen te verdelen door middel van pijlen;c dat is een overtreding. Deze dag zijn de ongelovigen de wanhoop nabij om jullie religie, dus vrees hen niet, en vrees Mij. Deze dag heb Ik jullie religie voor jullie vervolmaakt en Mijn gunst aan jullie voltooid, en heb Ik voor jullie de Islām gekozen als religie.d Maar wie gedwongen wordt door de honger, niet van zins opzettelijk te zondigen, dan is Allāh waarlijk Vergevensgezind, Barmhartig.

 

4 Yas-‘aloenaka maa zaaa ‘uhilla lahum. Qul ‘uhilla lakumut-tayyi-baatu wa maa ‘allamtum-minal-djawaarihi mukalli-biena tu-‘allimoenahunna mimmaa ‘allama-kumullaah: fakuloe mim-maaa ‘amsakna ‘alaykum waz-kurusmallaahi ‘alayh: watta-qullaah; ‘innal-laaha Sarie-‘ul-Hisaab.

4 Zij vragen je omtrent wat hen is toegestaan. Zeg: De goede dingen zijn jullie toegestaan en dat wat jullie aan de roofdieren en de roofvogels hebben geleerd, afgericht voor de jacht – jullie leren hun wat Allāh aan jullie heeft geleerd; dus eet van wat zij voor jullie vangen en roep de naam van Allāh erover af; en voldoe jullie plicht aan Allāh. Waarlijk is Allāh Snel met afrekenen.a

 

5 ‘Al-yawma ‘uhilla lakumuttayyi-baat. Wa ta-‘aamullaziena ‘oetul-Kitaaba hillullakum, wa ta-‘aamu- kum hillul-lahum. Wal-muh-sanaatu minal-mu’-mi-naati wal-muhsanaatu minal-laziena oetul- Kitaaba min-qab-likum ‘izaaa ‘aatay-tumoe-hunna ‘udjoerahunna muhsi-niena ghayra musaa-fihiena wa laa muttagi-zie ‘ag-daan. Wa many-yakfur-bil-‘iemaani faqad habita ‘amaluhoe wa huwa fil-‘Aa-girati minalgaa-sirien.

5 Deze dag worden (alle) goede dingen wettig gemaakt voor jullie. En het voedsel van degenen aan wie het Boek werd gegeven, is wettig voor jullie en jullie voedsel is wettig voor hen.a En zo ook de kuisen onder de gelovige vrouwen en de kuisen onder degenen aan wie het Boek werd gegeven vóór jullie,b wanneer jullie hen hun bruidsschatten geven, met hen in het huwelijk treden, en geen ontucht plegen en hen niet tot geheime minnaressen nemen. En ijdel is het werk van degene die het geloof verloochent;c en in het Hiernamaals behoort hij tot de verliezers.


1a. Wat allereerst noodzakelijk is binnen sociale relaties, is respect voor alle verdragen, contracten, overeenkomsten, allianties, verbonden en afspraken, allemaal besloten in de betekenis van het woord ‘oeqoed (enk. ‘aqd, een band) (LL), en ook voor alle Goddelijke verordeningen voor het welzijn van het individu en de maatschappij. Het woord omvat de verdragen die door Allāh zijn opgelegd, alsook de wederzijdse afspraken die door mensen zijn gemaakt (LL). Hier wordt dus respect voor de wet geleerd, zowel religieus als werelds.

1b. Het verbod op wild gedurende de bedevaart wordt genoemd in verband met de veiligheid van de Ka‘bah in paragraaf 13, zodat zelfs wilde dieren veilig zijn gedurende die perode; zie 95a. De woorden behalve wat jullie wordt voorgedragen verwijzen naar het verboden voedsel dat al eerder werd genoemd in 2:173, 6:145, 16:115, en dat hier, in v. 3, verder wordt uitgewerkt.

2a. Sja’ā’ir is het meervoud van sja‘irah, wat een teken betekent (R). Het is afgeleid van sja‘ara wat hij wist iets betekent. Met sja‘ā’ir Allāh wordt daarom bedoeld aangelegenheden door middel waarvan de kennis van Allāh kan worden verworven. Volgens IJ betekent het alle plichten die door Allāh aan de mens zijn opgelegd, en omvat het dus alle Goddelijke verordeningen, verplichtingen, geboden en verboden. Hasan zegt dat sja‘ā’ir Allāh betekent din Allāh of de religie van Allāh. Riten en ceremoniën die verband houden met de bedevaart en plaatsen waar deze ceremoniën gehouden worden, staan ook onder die naam bekend. Vandaar dat de Safā en de Marwah in 2:158 ook sja ‘ā ‘ir Allāh genoemd worden.

2b. Hadj is meervoud van hadjah, en betekent wat (naar Makkah) wordt gedreven. Qalā’id is het meervoud van qilādah, wat een ketting betekent of dat wat om de nek van een dier wordt gedaan wanneer het als offer naar Makkah wordt gebracht, om daar geofferd te worden (LA, LL). Vandaar ook het dier dat een krans moet dragen. Het woord qalā’id wordt gebruikt om dergelijke dieren te beschrijven, omdat zo het respect voor de dieren wordt verhoogd. Zij dragen immers een teken dat aangeeft dat zij bestemd zijn om geofferd te worden. Er moet worden opgemerkt dat slechts kamelen kransen hoefden te dragen, terwijl hadj verwijst naar allerlei soorten dieren die werden geofferd.

2c. Het grondbeginselen dat hier wordt vastgelegd, dat men oprecht moet zijn in de behandeling van zelfs diegenen die men haat, is prijzenswaardig. De internatinale code van de moderne wereld heeft een dergelijk principes van oprechtheid hard nodig. Voor de eis alle volkeren gelijk te behandelen – diegenen die we haten en diegenen die we liefhebben – kan alleen de Islām dienen als een internatinale wet.

3a. De uitzondering kan van toepassing zijn op alle vijf klassen. Het onbepaalde naamwoord tadzijah betekent ervoor zorgen dat de natuurlijke hitte voorbijtrekt. Technisch gezien beduidt dit een bepaalde manier van slachten (R, LL); en de betekenis is dat als een dier dat deels opgegeten is door wilde dieren levend gevonden wordt, en op de juiste manier geslacht wordt, het vlees is toegestaan.

3b. Volgens Ibn Djoeraidj gaat het hier om bepaalde stenen die waren opgericht rond de Ka‘bah. Het was de gewoonte om daarboven of er vlakbij dieren te doden als offerandes aan bepaalde afgoden, waarbij hun bloed werd rondgesprenkeld terwijl het vlees op de stenen lag (Rz).

3c. Istaqsamtoe-hoe betekent volgens R, ik vroeg hem om (het) te verdelen, en hij voegt eraan toe: "Dan wordt het gebruikt om verdeling aan te geven." Als deze betekenis aanvaard wordt, zou de azlām (lett., pijlen zonder punt en zonder veren) de puntloze pijlen van het kansspel betekenen. De Arabieren speelden met dergelijke pijlen om het vlees van een geslachte kameel te verdelen, die op krediet was gekocht (LL). Deze betekenis verdient hier de voorkeur vanwege de context. Het verbiedt namelijk de verdeling van het vlees van geslachte dieren door bepaalde pijlen te gebruiken waarmee een kansspel genaamd maisir gespeeld werd. Een vergelijking met 6:145, waar slachten in naam van een ander dan Allāh een overtreding wordt genoemd – zoals hier de verdeling met pijlen een overtreding wordt genoemd – toont ook aan dat dit de juiste betekenis is. Waarschijnlijk werden dieren die gewijd waren aan afgoden, na hun dood verdeeld door middel van pijlen. Volgens anderen echter, betekent istaqsama hij probeerde erachter te komen wat voor hem bestemd was door middel van de azlām. Als een van hen een reis wilde maken, of wilde trouwen, of een andere belangrijke daad wilde begaan, trok hij pijlen waarbij op één daarvan stond geschreven "Mijn Heer heeft mij geboden", op een tweede, "Mijn Heer heeft mij verboden", terwijl een derde pijl leeg was. Hij beging of weerhield zich van de gewenste daad naar gelang de pijl die te voorschijn kwam, waarbij hij het hele proces herhaalde wanneer hij de lege pijl trok (Rz).

3d. Extern bewijs aangaande de late openbaring van dit vers is al geciteerd in de inleiding van dit hoofdstuk. Het onderwerp van dit vers geeft aan dat het geopenbaard moet zijn tegen het einde van het leven van de Heilige Profeet (s.a.w.), en vandaar dat alle autoriteiten het erop houden dat er hierna geen voorschrift meer geopenbaard is. De Profeet (s.a.w.) stierf eenentachtig of tweeëntachtig dagen na de openbaring van dit vers (Rz). Het getuigt duidelijk van de vervolmaking van religie in de Islām, en een soortgelijke uitspraak is door geen enkel ander boek of religie gedaan. Net vóór Moehammad (s.a.w.) had Jezus gezegd: "Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid" (Joh. 16:12, 13). De Profeet Moehammad (s.a.w.) was dus de laatste van de profeten, omdat religie nu volmaakt was, en er na hem geen profeet meer nodig was.

4a. Een prooi die gedood is met behulp van dieren en vogels die getraind zijn om te jagen, is toegestaan. Als het beest of de vogel echter achter de prooi aan wordt gestuurd, moet de naam van Allāh worden genoemd. Een prooi die door een pijl of een schot is gedood, is toegestaan onder dezelfde voorwaarde. In beide gevallen moet de prooi geslacht worden als deze nog niet dood is wanneer de jager hem in handen krijgt. Wanneer de prooi al dood is, is het in deze situatie wettig.

5a. Hier doet de vraag zich voor of het voedsel van degenen aan wie het Boek werd gegeven wettig is, zelfs wanneer dat voesel omvat wat volgens de Heilige Qoer-ān uitdrukkelijk verboden is. Het antwoord hierop moet ontkennend luiden. Iets wat duidelijk verboden is kan niet wettig worden omdat het wordt aangeboden door een jood of christen. Volgens I‘Ab wordt hier met ta‘ām dzabihah bedoel (B. 72:22). Dieren die in naam van Allāh zijn geslacht door de joden of de christenen, zijn daarom toegestaan. Als een dier niet in naam van Allāh is geslacht, is het volgens sommigen verboden, terwijl anderen het wel toestaan. Zie verder 6:121a waar ik B. 72:22 citeer, volgens welke het dier dat is geslacht door de Mensen van het Boek, slechts dan niet is toegestaan, wanneer men de slachter een andere dan Allāh’s naam heeft horen aanroepen.

5b. Zowel de joodse als de christelijke wetten zijn op dit punt moeilijk te vergelijken met de islamitische wet. Binnen de Islām zijn gemende huwelijken met afgodsdienaren geheel verboden (2:221). Wanneer de godsdienst van een volk echter gebaseerd is op een geopenbaard boek, en dit geldt voor bijna alle volkeren in de wereld, is het huwen van hun vrouwen expliciet toegestaan. Het uithuwen van moeslimvrouwen aan volgelingen van andere godsdienaren wordt echter niet expliciet genoemd, en in de praktijk is men er vanaf het begin tegen. Terwijl vrouwen die tot andere godsdiensten behoren gelukkig zouden zijn in een moeslimhuishouden vanwege de status en rechten die de Islām verleent aan de vrouw, zouden moeslimvrouwen in eenvreemd huishouden ongelukkig zijn, omdat zij de rechten zouden verliezen die zij zouden genieten in een moeslimgemeenschap. Er kan aan worden toegevoegd dat de wet die hier gegeven wordt niet beperkt blijft tot de joden en de christenen, maar de volgelingen omvat van alle godsdiensten die op een openbaring zijn gebaseerd. Vandaar dat de wet door de metgezellen van de Heilige Profeet (s.a.w.) werd uitgebreid tot de Perzen. Zie voor de joodse wet Deut. 7:3: "Gij zult u ook met hen niet verzwangeren; uw dochters zult gij aan hun zonen niet geven, noch hun dochters nemen voor uw zonen." Paulus volgt de joodse wet: "Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis?" (2 Kor. 6:14).

5c. Het verloochenen van het geloof wordt op verschillende manieren uitgelegd. Sommigen denken dat het het verloochenen van Allāh betekent; anderen de ontkenning van de eenheid van Allāh; terwijl weer anderen denken dat geloof hier staat voor de openbaring van de Qoer-ān.

 

PARAGRAAF 2: De plicht van oprechtheid

 

6 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘izaa qumtum ‘ilas-Salaati fagh-siloe wudjoe-ha-kum wa ‘ay-diya- kum ‘ilal-maraafiqi wam-sahoe bi-ru-‘oesikum wa ‘ardju-lakum ‘ilal-ka’-bayn. Wa ‘in-kuntum djunuban-fat-tahharoe. Wa ‘in-kuntum-mardaaa ‘aw ‘alaa safarin ‘aw djaaa-‘a ‘ahadum-minkum-minal-ghaaa-‘iti ‘aw laamas-tumunnisaaa-‘a falam tadjidoe maaa-‘an-fata-yam-mamoe sa-‘iedantayyi-ban-fam-sahoe bi-wudjoehikum wa ‘ay-diekum-minh. Maa yurie-dullaahu liyadj-‘ala ‘alaykum-min haradjinw-wa laakiny-yuriedu liyu-tahhi-rakum wa liyu-timma ni’-matahoe ‘alay-kum la-‘allakum tasjkuroen.

6 O jullie die geloven, wanneer jullie opstaan voor het gebed, was dan jullie gezichten en jullie handen tot aan de ellebogen, en veeg jullie uw hoofden af en was jullie voeten tot aan de enkels. En als jullie een verplichtinga hebben, was (jezelf) dan. En als jullie ziek zijn of op reis, of een van jullie komt van het privaat, of jullie hebben contact gehad met vrouwen en jullie kunnen geen water vinden, behelp jezelf dan met pure aarde en veeg jullie gezichten en handen daarmee af. Allāh wenst jullie niet te belasten, maar Hij wenst jullie te zuiveren en Zijn gunst aan jullie te voltooien, opdat jullie dank kunnen zeggen.

 

7 Waz-kuroe ni’-matal-laahi ‘alay-kum wa Miesaaqa-hullazie waasaqakum-bihie ‘iz qultum sami’-naa wa ‘ata’-naa watta-qullaah: ‘innal-laaha ‘Aliemum-bizaatis-sudoer.

7 En gedenk Allāh’s gunst aan jullie en Zijn verbond waarmee Hij jullie bond toen jullie zeiden: Wij hebben (het) gehoorzamen.a En voldoe jullie plicht aan Allāh. Waarlijk weet Allāh wat zich afspeelt in de borsten.

 

8 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe koenoe qawwaa-miena lillaahi sjuhadaaa-‘a bil-qisti wa laa yadjri-mannakum sjana-‘aanu qawmin ‘alaaa ‘allaa ta’-diloe. ‘I’-diloe: huwa ‘aqrabu lit-taq-waa: watta-qul- laah. ‘Innal-laaha gabierum-bimaa ta’-maloen.

8 O jullie die geloven, wees oprecht voor Allāh, getuig op rechtvaardige wijze; en laat de haat voor een volk jullie niet aansporen onbillijk te handelen. Wees rechtvaardig; dat staat nader tot de vervulling van jullie plicht. En voldoe jullie plicht aan Allāh. Waarlijk is Allāh Zich Bewust van wat jullie doen.

 

9 Wa-‘adallaa-hullaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-Saali-haati lahum-magh-firatunw-wa ‘adjrun ‘aziem.

9 Allāh heeft aan degenen die geloven en goede daden doen beloofd: Voor hen is er vergiffenis en een geweldige beloning.

 

10 Wallaziena kafaroe wa kazzaboe bi-‘Aayaa-tinaaa ‘ulaaa-‘ika ‘As-haabul-Djahiem.

10 En degenen die niet geloven en Onze boodschap afwijzen, dat zijn de gezellen van het vlammende vuur.

 

11 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanuz-kuroe ni’-matal-laahi ‘alay-kum ‘iz hamma qawmun ‘any-yabsutoe ‘ilay-kum ‘ajdiyahum fakaffa ‘ay-diyahum ‘ankum: watta-qullaah. Wa ‘alal-laahi fal-yatawakkalil-Mu’-mi-noen.

11 O jullie die geloven, gedenkt Allāh’s gunst aan jullie toen een volk had besloten om hun handen tegen jullie op te heffen, maar Hij weerhield hun handen van jullie; en voldoe jullie plicht aan Allāh. En laat de gelovigen op Allāh vertrouwen.a


6a. D.w.z., de verplichting een totale rituele wassing uit te voeren; zie 4:43b.

7a. De verwijzingen in het verbond wordt over het algemeen gezien als de eed van trouw die door de inwoners van Madinah werd afgelegd bij ‘Aqabah. Sommigen zien de eed echter als de aanvaarding van de leer van de Islām en anderen zien het als het bewijs van de menselijke aard waarover gesproken wordt in 7:172. Nog weer anderen zien het als het afleggen van de eed van trouw bij Hoedaibijah (IJ). Hieraan wordt ook gerefereerd in 48:10, 18.

11a. De gelegenheden waarbij de vijanden van de Islām trachten het leven van de Profeet (s.a.w.) te nemen of de moeslims uit te roeien, zijn te talrijk om hier op te noemen. Commentatoren denken echter, dat er hier speciaal verwezen wordt naar de aanslag op het leven van de Heilige Profeet (s.a.w.) door de Bani Nadir.

 

PARAGRAAF 3: Christelijke schending van het verbond

 

12 Wa laqad ‘aga-zal-laahu Miesaaqa Banie-‘Israaa-‘iela wa ba-‘asnaa min-humus-nay-‘asjara Naqiebaa. Wa qaalallaahu ‘innie ma-‘akum: la-‘in ‘aqam-tumus-Salaata wa ‘aatay-tumuz-Zakaata wa ‘aamantum-bi-rusulie wa ‘azzar-tumoehum wa ‘aqraz-tumul-laaha Qar-zan Hasanal-la-‘ukaffiranna ‘ankum sayyi-‘aatikum wa la-‘udgi-lannakum Djannaatin-tadjrie min-tahtihal-‘anhaar; faman-kafara ba’-da zaalika minkum faqad zalla sawaaa-‘assabiel.

12 En zeker sloot Allāh een verbond met de Kinderen van Israël en Wij deden twaalf leiders opstaan in hun midden.a En Allāh zei: Ik ben waarlijk met jullie. Wanneer jullie het gebed onderhouden en de armenbelasting betalen en geloven in Mijn boodschappers en hen bijstaan en een uitnemende gift offeren aan Allāh, dan zal Ik zeker jullie zondige daden bedekken en jullie de Tuinen doen binnentreden waardoor rivieren stromen. Maar wie van jullie daarna niet gelooft, dwaalt waarlijk af van de juiste weg.b 0

 

13 Fabimaa naqzihim-Miesaaqahum la-‘annaahum wa dja-‘alnaa quloebahum qaasi-yah. Yuharri-foe- nal-kalima ‘ammawaazi-‘ihie wa nasoe hazzam-mimmaa zukkiroe bih. Wa laa tazaalu tattali-‘u ‘alaa gaaa-‘inatim-minhum ‘illaa qalielam-minhum fa’-fu ‘anhum wasfah; ‘innallaaha yuhibbul- Muhsinien.

13 Maar omdat zij hun verbond braken, vervloekten Wij hen en verhardden Wij hun harten. Zij veranderen de woorden van plaats en verwaarlozen een deel van hetgeen waaraan zij werden herinnerd. En je zal altijd verraad in hen ontdekken, uitgezonderd een paar van hen – dus begenadig hen en vergeef. Waarlijk houdt Allāh van degenen die goeddoen (aan anderen).

 

14 Wa minal-laziena qaaloe ‘innaa Nasaaraaa ‘agaz-naa Miesaa-qahum fanasoe hazzam-mimmaa zukkiroe bih: fa-‘aghraynaa bayna-humul-‘adaawata wal-baghdaaa-‘a ‘ilaa Yawmil-Qiyaamah. Wa sawfa yunabbi-‘uhumul-laahu bemaa kaanoe yasna-‘oen.

14 En met degenen die zeggen, Wij zijn Christenen, sloten Wij verbond,a maar zij verwaarloosden een deel van hetgeen waaraan zij werden herinnerd, dus wakkerden Wij vijandschap en haat aan in hun midden, tot de dag van de Opstanding. En Allāh zal hen spoedig op de hoogte brengen van wat zij deden.b

 

15 Yaaa-‘Ahlal-Kitaabi qad djaaa-‘akum Rasoe-lunaa yubayyinu lakum kasieram-mimmaa kuntum tugfoena minal-Kitaabi wa ya’-foe ‘an-kasier. Qad djaaa-‘akum-minal-laahi Noerunw-wa Kitaabum- Mubien,

15 O mensen van het Boek, Onze Boodschapper is waarlijk tot jullie gekomen om jullie een groot deel van wat jullie van het Boek verborgen hielden duidelijk te maken, terwijl hij veel overslaat.a Inderdaad is er van Allāh een Licht tot jullie gekomen en een duidelijk Boek,b

 

16 Yahdie bihillaahu manittaba-‘a Ridwaana-hoe subulassalaaami wa yugridjuhum-minaz-zulumaati ‘ilannoeri bi-‘iznihie wa yahdiehim ‘ilaa Siraatim-Mustaqiem.

16 Door middel waarvan Allāh degenen leidt die Zijn welbehagen volgen naar de wegen van vrede, en hen vanuit het donker naar hel licht brengt door Zijn wil en hen op het rechte pad leidt.

 

17 Laqad kafaral-laziena qaaloe ‘innal-laaha Huwal-Masiehubnu-Maryam. Qul famany-yamliku minallaahi sjay-‘an ‘in ‘araada ‘any-yuhlikal-Maasiehabna-Maryama wa ‘ummahoe wa man-fil-‘ardi djamie-‘aa? Wa lillaahi mulkussa-maawaatie wal-‘ardi wa maa baynahumaa -Yagluqu maa yasjaaa’. Walaahu ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

17 Inderdaad geloven degenen niet, die zeggen: Natuurlijk, Allāh Hij is de Messias, zoon van Maria. Zeg: Wie zou er nog iets tegen Allāh in kunnen brengen wanneer Hij de Messias, zoon van Maria, zou willen vernietigen, en zijn moeder en iedereen op aard?a En van Allāh is het koninkrijk van de hemelen en de aarde en al wat daartussen is. Hij schept wat Hem behaagt. En Allāh is de Bezitter van macht over alle dingen.

 

18 Wa qaalatil-Yahoedu wan-Nasaaraa nahnu ‘abnaaa-‘ullaahi wa ‘ahibbaaa-‘uh. Qul falima yu-‘azzi- bukum-bi-zunoebikum ? Bal ‘antum-basjarum-mimman galaq: yaghfiru limany-yasjaaa-’u wa yu-‘azzi- bu many-yasjaaa’. Wa lillaahi mulkussa-maawaati wal-‘ardi wa maa bay-nahumaa wa ‘ilayhil-masier.

18 En de joden en de christenen zeggen: Wij zijn de zonen van Allāh en Zijn beminden. Zeg: Waarom straft Hij jullie dan voor jullie zonden?a Nee, jullie zijn sterfelijken en horen bij degenen die Hij heeft geschapen. Hij vergeeft wie het Hen behaagt.b En van Allāh is het koninkrijk van de hemelen en der aarde en al wat daartussen is, en bij Hem is de uiteindelijk komst.

 

19 Yaaa-‘Ahlal-Kitaabi qad djaaa-‘akum Rasoelunaa yubayyinu lakum ‘alaa fatratim-minar-rusuli ‘an-taqoeloe maa djaaa-‘anaa mim-basjierinw-wa laa nazier: faqad djaaa-‘akum Basjierunw-wa Nazier. Wallaahu ‘alaa kulli sjay-‘in Qadier.

19 O Mensen van het Boek, Onze Boodschapper is waarlijk tot jullie gekomen om uitleg te geven na een onderbreking van boodschappers,a opdat jullie niet zullen zeggen: Er is geen brenger van goed nieuws tot ons gekomen, noch een waarschuwer. Dus is er inderdaad een brenger van goed nieuws en een waarschuwer tot jullie gekomen. En Allāh is de Bezitter van macht over alle dingen.


12a. Het is vreemd om te zien dat Rodwell hier een noot toevoegt dat de Profeet (s.a.w.) "deze twaalf leiders van stammen verzon", terwijl ze duidelijk met name worden genoemd in Num. 1: 5–15. In het 16e vers worden ze prinsen van de stammen van hun vaderen genoemd, en in het 44e vers lezen we: "En de prinsen van Israël, tezamen twaalf mannen." En verder, in Num. 13:3–15, lezen we nogmaals twaalf hoofden van de Kinderen van Israël die gestuurd zijn om het land van Kanaän te zoeken.

12b. Het land werd door Jozua en Kaleb beschreven als "een land dat vloeit van melk en honing" (Num. 14:8).

14a. "Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal hij u verkondigen" (Joh. 16:12, 13). Het Koninkrijk van God waarover zo vaak gesproken wordt in het Evangelie is niets anders dan het geestelijk koninkrijk dat door de Heilige Profeet (s.a.w.) werd gevestigd. Het Evangelie is in feite slechts het goede nieuws van zijn komst.

14b. De waarheid van de profetie dat er altijd haat en vijandigheid zal bestaan tussen de verschillende christelijke volkeren, is door alle tijden heen bewezen, en nog nooit duidelijker dan in onze eigen tijd. Zij zullen pas vrede vinden wanneer ze de Islām aanvaarden.

15a. Er waren vele waarheden die de joden en de christenen hadden verloren omdat hun geschriften niet gevrijwaard waren gebleven van corruptie. Vele andere waarheden zijn wel in hun boeken te vinden, maar zij handelen er niet naar. Sommige van deze waarheden zijn van permanente waarde, en deze werden in de Heilige Qoer-ān geopenbaard. Andere – waarnaar verwezen wordt in terwijl hij veel overslaat – waren slechts aan hen gegeven om aan de eisen van die tijd te voldoen, en waren niet langer meer nodig. Of er wordt verwezen naar de profetieën die betrekking hebben op de komst van de Heilige Profeet (s.a.w.), want de Qoer-ān verwijst slechts naar een klein aantal van deze profetieën.

15b. Er wordt hier van twee dingen gezegd dat zij van Allāh afkomstig zijn, een Licht en een helder Boek. Het is de Profeet (s.a.w.), en het Boek is de Qoer-ān. De Profeet (s.a.w.) is het grootste geestelijke Licht dat ooit op deze aarde heeft geschenen. Vandaar dat hij een lichtgevende zon wordt genoemd: "O Profeet (s.a.w.), waarlijk hebben Wij jou gestuurd als een getuige, en een brenger van goed nieuws en een waarschuwer, en als een uitnodiger tot Allāh met Zijn toestemming, en als een lichtgevende zon" (33:45, 46).

17a. De betekenis is dat Jezus Christus en zijn moeder Maria, en iedereen die toen op de aarde was, op gelijke wijze aan de dood proefden. Vandaar dat Jezus Christus slechts een gewoon menselijk wezen was en geen God. Was hij God geweest, dan was hij niet gestorven. In betekent soms idz ofwel wanneer (Mgh-LL), en dit is hier de betekenis. Het is een vergissing om dit als verwijzing naar de toekomst op te vatten, want tegelijk met Jezus Christus wordt Maria genoemd en de gehele generatie die toen leefde, en hun kennismaking met de dood was zonder twijfel iets uit het verleden.

18a. In de Evangeliën wodr gezegd: "Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden" (Matt. 5:9). De christenen denken dat zij het volk zijn waarover hier gesproken wordt. De joden beschouwden zichzelf als een uitverkoren volk, omdat ze dachten dat zij het enige volk waren dat door Allāh was verkozen om te worden begunstigd met de Goddelijke openbaring, met uitsluiting van alle andere volkeren van de wereld. Zo beschouwden zij zichzelf als vrienden van Allāh. Er wordt hun verteld dat hun zonden zo groot waren dat zij er zelfs in dit leven voor werden gestraft. Hoe kunnen mensen die zo diep in zonden zijn gezonken, de vrienden of zonen van Allāh zijn?

18b. Het is in overeenstemming met de Goddelijke wetten, dat vergevensgezindheid en straf ten uitvoer worden gebracht, en de beweerde verlossing van Jezus heeft geen verandering gebracht in die wet.

19a. Toen de grote Arabische profeet verscheen, waren er verscheidene eeuwen voorbij gegaan sinds de verschijning van één of andere in welk land dan ook. Geen enkele natie ter wereld maakt er aanspraak op dat er een boodschapper is opgestaan tussen de komst van Jezus Christus en die van de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.). De wereld was zich als het ware aan het voorbereiden op de komst van de grootste van alle profeten, die een boodschapper moest zijn voor alle naties van de wereld. Vandaar dat er onder alle andere volkeren geen profeet meer opstonden. De naam Chālid wordt door sommige mensen genoemd, maar hierover bestaat geen authentieke hadies. Ook is er geen hostorisch bewijs dat aan zou tonen dat er een profeet van die naam zou zijn verschenen na Jezus. Aan de andere kant is er wel een authentieke hadies volgens welke de Heilige Profeet (s.a.w.) over Jezus Christus heeft gezed: "Er is geen profeet geweest tussen hem zijn mij" (B. 21:48).

 

PARAGRAAF 4: Schending van het verbond door de Israëlieten

 

20 Wa ‘iz qaala Moesaa li-qawmihie yaa-qawmiz-kuroe ni’-matallaahi ‘alaykum ‘iz dja-‘ala fiekum ‘ambi-yaaa-‘a wa dja-‘alakum-muloekanw-wa ‘aataakum-maa lam yu’-ti ‘ahadamminal-‘aalamien.

20 En toen Mozes tegen zijn volk zei: O mijn mensen, gedenk de gunst van Allāh aan jullie toen Hij prefeten deed opstaan in jullie midden en jullie tot koningen maakte en jullie gaf wat Hij aan geen enkele andere natie heeft gegeven.a

 

21 Yaa-qawmid-gulul-‘Ardal-Muqaddasa-tallatie kataballaahu lakum wa laa tartaddoe ‘alaaa ‘adbaari- kum fatan-qaliboe gaasirien.

21 O mijn mensen, treed het Heilige Land binnen dat Allāh voor jullie heeft bestemd en keer het niet de rug toe, want dan zulllen jullie terugkeren als verliezers.

 

22 Qaaloe yaa-Moesaaa ‘inna fiehaa qawman-djabbaariena wa ‘innaa lan-nadgulahaa hattaa yagrudjoe minhaa: fa-‘iny-yagrudjoe minhaa : fa-‘innaa daagiloen.

22 Zij zeiden: O Mozes, daar bevindt zich een machtig volk, en wij zullen er niet binnentreden tot zij er uitgaan; als zij er uitgaan, dan zullen wij er zeker binnentrekken.a

 

23 Qaala radjulaani minallaziena yagaafoena ‘an-‘amallaahu ‘alay-himad-guloe ‘alay-himul-Baab: fa-‘izaa dagal-tumoehu fa-‘innakum gaaliboen. Wa ‘alallaahi fatawakkaloe ‘in-kuntum-Mu’-minien.

23 Twee mannen uit het midden van degenen die vreesden, aan wie Allāh een gunst had geschonken, zeiden: Treed hen tegemoet bij de poort, want als jullie er binnentreden, zullen jullie zeker overwinnen; en vertrouw op Allāh, als jullie gelovigen zijn.a

 

24 Qaaloe yaa-Moesaa ‘innaa lan-nad-gulahaaa ‘abadam-maa daamoe fiehaa fazhab ‘anta wa Rab- buka faqaatilaa ‘innaa haa-hunaa qaa-‘idoen.

24 Zij zeiden: O Mozes, wij zullen er nooit binnengaan zolang zij daar binnen zijn; ga daarom, jij en jouw Heer, en vecht; waarlijk zitten wij hier.

 

25 Qaala Rabbi ‘innie laaa ‘amliku ‘illaa nafsie wa ‘agie fafruq bay-nanaa wa baynal-qawmil-faa- siqien.

25 Hij zei: Mijn Heer, ik heb macht over niemand behalve over mijzelf en mijn broer, dus maak onderscheid tussen ons en de mensen in overtreding.

 

26 Qaala fa-‘inaahaa muharramatun ‘alayhim ‘arba-‘iena sanah: yatiehoena fil-‘ard. Falaa ta’-sa ‘alal- Qawmil-faasiqien.

26 Hij zei: Waarlijk zal het hen veertig jaar lang verboden zijn – zij zullen door het land zwerven. Dus treur niet om te mensen in overtreding.a


20a. Er is hier geen sprake van een anachronisme. Hier wordt de Israëlieten verteld dat er twee gunsten aan hen zijn verleend: (1) profeten waren onder hen opgestaan; (2) zij werden tot koningen gemaakt. Dit hoeft niet te verwijzen naar de vroege geschiedenis van de Israëlieten, maar naar hun geschiedenis sinds de tijd van Mozes. De komst van Mozes had namelijk een totale ommekeer teweeg gebracht in zowel hun geestelijke als politieke status. Niet alleen waren er al twee profeten uit hun midden opgestaan, Mozes en Aäron, maar met de Mozaïsche wet werd de basis gelegd voor een bloeitijd die hen de belofte bracht van talloze profeten die uit hun midden zouden opstaan. Politiek gezien waren zijn onder twijfel al ontwikkeld tot een onafhankelijke natie, de baas over zichzelf en geen slaven meer van hun Egytische meesters. Het koningschap hadden zij al verkregen, maar de woorden bevatten ook een duidelijke profetische verwijzing naar hun toekomstige ontwikkeling als een heersende natie. Geestelijke dominantie gecombineerd met politieke suprematie, was zichbaar een gunst die niet werd verleend aan een van de andere naties uit deze tijd.

22a. "Alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte" (Num. 13:32). Zie voor het gemok van de Israëlieten en hun weigering tegen de vijand op te trekken Num. 14: 1–4.

23a. "En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne … en [zij] zeiden tot de gehele vergadering der Israëlieten: … Indien de Here welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honing. Alleen, weest dan niet opstandig tegen de Here, en gij, vreest het volk van het land niet … hun schaduw is van hen geweken, en de Here is met ons; vreest hen niet" (Num. 14:6–9).

26a. "Geen van de mannen die … zal het land zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien" (Num. 14:22, 23). De veertig jaar die hier genoemd worden vertegenwoordigen het leven van die generatie.

 

PARAGRAAF 5: Kaïn en Abel – moordlustige samenzweringen tegen de Profeet

 

27 Watlu ‘alayhim naba-‘abnay ‘Aadama bil-haqq. ‘Izqarrabaa qurbaanan-fatuqubbila min ‘ahadi-himaa wa lam yutaqabbal minal-‘aagar. Qaala la-‘aqtulannak. Qaala ‘innamaa yataqabba-lullaahu minal-mutta-qien.

27 En vertel hen het verhaal van de twee zonen van Adam naar waarheid, toen zij een offer offerden, maar het werd aanvaard van een van hen en het werd niet aanvaard van de ander. Hij zei: Waarlijk zal ik je doden. (De ander) zei: Allāh aanvaardt slechts van de plichtsgetrouwen.a

 

28 La-‘im-basatta ‘ilayya yadaka litaq-tulaanie maaa ‘ana bi-baasitiny-yadiya ‘ilayka li-‘aqtulak: ‘innie ‘agaa-fullaaha Rabbal-‘Aalamien.

28 Wanneer je jouw hand naar mij uitstrekt om mij te doden, zal ik mijn hand niet naar jou uitstrekken om jou te doden. Waarlijk vrees ik Allāh, de Heer van de Werelden.

 

29 ‘Innie ‘uriedu ‘an-taboe-‘a bi-‘ismie wa ‘ismika fatakoena min-‘As-haabin-Naar. Wa zaalika yazaaa-‘uzzaalimien.

29 Ik had liever dat je de zonde tegen mij draagt, en je eigen zonde,a zo zou je tot de gezellen van het Vuur behoren; en dat is de vergelding voor de onrechtvaardigen.

 

30 Fatawwa-‘at lahoe nafsuhoe qatla ‘agiehi faqatalahoe fa-‘asbaha minalghaa-sierien.

30 Uiteindelijk maakte zijjn geest het hem makkelijk zijn broer te doden, dus doodde hij hem; dus werd hij een van de verliezers.

 

31 Faba-‘asjallaahu ghuraabany-yab-hasu fil-‘ardi li-yuriyahoe kayfa yuwaarie saw-‘ata ‘agieh. Qaala yaa-way-lataaa-‘a-‘adjaztu ‘an ‘akoena misla haazal-ghuraabi fa-‘uwaariya saw-‘ata ‘agie! Fa-‘asbaha minan-naadimien.

31 Toen stuurde Allāh een kraai die over de grond krabde om hem te laten zien hoe het dode lichaam van zijn broer te bedekken.a Hij zei: Wee mij! Kan ik niet zijn als deze kraai en het dode lichaam van mijn broer bedekken? Dus werd hij een van degenen die berouw tonen.

 

32 Min ‘adjli zaalika katabnaa ‘alaa Banie-‘Israa-‘iela ‘annahoe man-qatala nafsam-bighayri nafsin ‘aw fasaadin-fil-‘ardi faka-‘annamaa qatalannaasa djami-‘aa: wa man ‘ahyaahaa faka-annamaaa ‘ahyan- naasa djamie-‘aa. Wa laqad djaaa-‘at-hum rusulunaa bil-Bayyi-naatie summa ‘inna kasieram-minhum-ba’-da zaalika fil-‘ardi lamus-rifoen.

32 Om deze reden schreven Wij de Kinderen van Israël voor dat, voor wie een persoon doodt, behalve vanwege het doodslag of het stoken van onrust in het land, het is alsof hij alle mensen had gedood. En voor wie een leven redt, is het alsof hij het leven van alle mensen had gered.a En Onze boodschappers kwamen zeker tot hen met duidelijke bewijzen, maar zelfs daarna begaan velen van hen door het hele land uitspattingen.

 

33 ‘Innamaa djazaaa-‘ullaziena hyuaa-riboe-nallaaha wa Rasoe-lahoe wa yas-‘awna fil-‘ardi fasaa- dan ‘any-yuqattaloe ‘aw yusalla-boe ‘aw tuqatta-‘a ‘ay-diehim wa ‘ardjuluhum-min gilaafin ‘aw yunfaw minal-‘ard. Zaalika lahum giz-yun-fiddun-yaa wa lahum fil-‘Aagirati ‘azaabun ‘aziem;

33 De enige straf voor degenen die oorlog voeren tegen Allāh en Zijn boodschappers, en die ernaar streven onrust te stoken in het land,a is dat zij worden gedood, of gekruisigd, of hun handen en hun voeten moeten aan weerzijden worden afgehakt, of zij moeten gevangen worden gezet.b Dit zal een schande voor hen zijn in deze wereld, en in het Hiernamaals zullen zij een vreselijke straf ondergaan,

 

34 ‘Il-lal-laziena taaboe minqabli ‘an-taq-diroe ‘alay-him: fa-lamoe ‘annal-laaha Ghafoerur-Rahiem.

34 Behalve degenen die berouw betonen voordat zij door jullie worden overweldigd;a dus weet dat Allāh Vergevensgezind is, Barmhartig.


27a. De verwijzing is kennelijk naar het verhaal van Kaïn en Abel. Vergelijk Gen. 4:3–12. Sommige commentatoren zijn echter van mening dat er wordt verwezen naar twee mannen uit het midden van de Israëlieten, omdat iedere man de zoon van Adam genoemd kan worden (Rz). Maar het hele verhaal kan allegorisch worden opgevat als een verwijzing naar de joodse samenzweringen tegen de Heilige Profeet (s.a.w.). De Israëlieten moeten dan worden gezien als de agressieve en zondige broer, en de Ismaëlieten, vertegenwoordigd door de Heilige Profeet (s.a.w.), als de rechtschapen broer. Merk op dat we in v. 11 een verwijzing zien naar de joodse samenzweringen tegen het leven van de Profeet (s.a.w.), en dat de twee paragrafen die volgen als het ware zijn verklarend. Deze twee herinneren de joden en de christenen aan hun verbond en aan het feit dat zij dit hebben geschonden. Het onderwerp van v. 11 wordt in deze en de volgende paragraaf weer vervolgd.

29a. Ithmi betekent hier niet mijn zonde, maar de zonde die tegen mij begaan is, d.w.z. de zonde van moord. Met ithmi-ka wordt uw zonde bedoeld, d.w.z. de zonde die hij eerder beging, op basis waarvan zijn offer niet geaccepteerd werd. De rechtschapen broer vertelt de slechte, dat zelfs nadat hij wist dat hij hem wilde vermoorden, hij nog niet de eerste zou zijn om een hand hem op te heffen en hem te doden. Hij zou liever zien dat de schuldige toe zou blijven voegen aan zijn zonden.

31a. De Bijbel zwijgt op dit punt, maar er is niets onwaarschijnlijks aan een prinmitieve mens die leert van andere schepsels.

32a. Over het algemeen wordt aangenomen dat er verwezen wordt naar de zwaarte van het misdrijf, die de executie van de misdadiger vereist. Maar met het doden van een persoon kan net zo goed het doden van de Profeet (s.a.w.) worden bedoeld, die gekomen was om rechtschapenheid te vestigen. Het doden van die grote leraar in rechtschapenheid, stond inderdaad gelijk aan het doden van alle mensen en het redden van het leven van die grote Redder van de mensheid, stond gelijk aan het redden van de mensheid zelf. Er wordt verwezen naar de joodse samenzweringen om de Heilige Profeet (s.a.w.) om het leven te brengen, en dat is de reden waarom de Israëlieten hier speciaal worden genoemd.

33a. De woorden die hier gebruikt worden verwijzen oorspronkelijk naar alle tegenstanders van de Islām die oorlog voerden tegen de moeslims, en die onrust stookten in het land door onschuldige moeslims die in hun handen vielen te laten lijden onder het verlies van hun leven en hun bezit. Maar het wordt algemeen aanvaard dat de woorden ook betrekking hebben op alle rovers en moordenaars die chaos veroorzaken in een gevestigde gemeenschap. In feite was het zo dat, toen de oorlog in Arabië eindigde en het koninkrijk van de Islām op het hele schiereiland gevestigd was, de vijanden van de Islām die niet in staat waren openlijk tegen haar autoriteit in te gaan, hun toevlucht namen tot beroving en moord, om zo de vrede te verstoren die nu in het land was gerealiseerd. Hoewel het hier voornamelijk om dit soort vijanden gaat, zijn de woorden algemeen en omvatten ze alle gevallen van moord en beroving.

Er worden vier verschillende soorten straf beschreven. Dit geeft duidelijk aan dat de straf die in een bepaald geval moest worden opgelegd, afhankelijk was van de omstandigheden van het geval, alsook van de tijd en de plaats waar de misdaad plaatsvond. Wanneer er bijvoorbeeld een moord tijdens roverij werd gepleegd, dan zou de straf bestaan uit de executie van de dader. Die executie kon worden uitgevoerd door middel van kruisiging, wanneer het vergrijp zo gruwelijk was, of als de verdachte zo’n angstgevoel had veroorzaakt in het land dat het noodzakelijk was zijn lichaam aan het kruis te laten hangen als een afschrikmiddel. In andere gevallen, wanneer de zwaardere straf van het afhakken van de handen onnodig werd geacht, kon de straf bestaan uit een gevangenisstraf. De rechter nam alle omstandigheden in overweging, en legde die straf op die hij noodzakelijk achtte. Een speciaal geval dat aan de hand van dit vers wordt behandeld, is dat van een stam die ‘Oerainah werd genoemd. Enkele mannen van deze stam kwamen bij de Profeet (s.a.w.) en aanvaardden de Islām. Zij werden ziek en werden door de Profeet (s.a.w.) naar een plaats gestuurd niet ver van Madinah, voor een verandering van klimaat en herstel van de gezondheid. Maar toen zij weer gezond waren, doodden zij dezelfde mensen die hen geholpen hadden en gingen er vandoor met hun kamelen. Daarna pleegden zij overvallen en schonden zij de kuisheid van vrouwen, en zij werden zeer zwaar gestraft (B. 4:66, en de commentaren daarop in ‘Aini). Vele andere gevallen van dezelfde aard zijn door IJ vastgelegd.

33b. Joenfau min-al-ard betekent letterlijk zij zouden van deze aarde verbannen moeten worden, maar volgens Imām Aboe Hanifah is de betekenis hier gevangenneming (al-habs), en de meeste lexicologen aanvaarden deze betekenis (Rz). LA aanvaardt ook de interpretatie dat zij gevangen zouden moeten worden gehouden. De reden is duidelijk: niemand kan van de hele aarde worden verbannen, tenzij hij gevangen gehouden wordt. Deportatie valt hier ook onder, als we al-ard opvatten als een bepaald land.

34a. Dit vers gaat over mensen van wie de levensrichting veranderd is voordat ze gevangen worden genomen: degenen die berouw betonen voordat zij door jullie worden overweldigd. Berouw betekent hier natuurlijk een veranderde levenskoers die aan iedereen duidelijk is. Het verwijst duidelijk alleen naar gevallen waarin een vijand, die schuldig is aan misdaden tegen leven en bezit, een moeslim wordt hij in de handen valt van de moeslims. Hij mag dan niet worden veroordeeld en gestraft voor wat hij deed toen hij nog tot het vijandige kamp behoorde.

 

PARAGRAAF 6: Bestraffing van Overtreders

 

35 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanutta-qullaaha wab-taghoe ‘ilay-hil-Wasielata wa djaa-hidoe fie Sabielihie la-‘allakum tuflihoen.

35 O jullie die geloven, voldoe jullie plicht aan Allāh, en zoek naar manieren om Hem nabij te zijn, en span je zeer in langs Zijn pad, opdat juulie succesvol zullen zijn.

 

36 ‘Innal-laziena kafaroe law ‘anna lahum-maa fil-‘ardi djamie-’anw-wa mislahoe ma-‘ahoe li-yaf-tadoe bihie min ‘azaabi Yawmil-Qiyaamati maa tuqubbila minhum. Wa lahum ‘azaabun ‘aliem.

36 Zelfs als degenen die niet geloven alles hadden gehad wat er op aarde is, en eenzelfde hoeveelheid daar nog eens bij, om zichzelf vrij te kopen van de straf op de dag van de Opstanding, dan nog zou het niet van hen worden aanvaard; en hen wacht een pijnlijke straf.

 

37 Yurie-doena ‘any-yagrudjoe minan-Naari wa maa humbi-gaari-djiena min-haa: wa lahum ‘azaa- bum-muqiem.

37 Zij zullen wensen dat zij het Vuur kunnen verlaten, maar zij zullen het niet verlaten en voor hen is een aanhoudende straf.

 

38 Was-saariqu was-saariqatu faqta-‘oe ‘ay-diyahumaa djazaaa-‘am-bimaa kasabaa nakaalam-minal- laah: wal-laahu ‘Aziezun Hakiem.

38 En (wat betreft) de man en de vrouw die verslaafd zijn aan diefstal, hak hun handen af als straf voor wat zij hebben verdiend, een afschrikwekkende straf van Allāh. En Allāh is Machtig, Wijs.a

 

39 Faman-taaba mim-ba’-di zulmihie wa ‘aslaha fa-‘innallaaha yatoebu ‘alayh; ‘innallaaha Ghafoerur-Rahiem.

39 Maar wie berouw betoont na zijn kwade daden en zich betert, tot hem zal Allāh Zich (barmhartig) keren. Waarlijk is Allāh Vergevensgezind, Barmhartig.

 

40 ‘Alam ta’-lam ‘annal-laaha lahoe mulkus-samaawaati wal-‘ard ? Yu-‘azzibu many-yasjaaa-‘u wa jaghfiru limany-yasjaaa’: wallaahu ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

40 Weet je niet dat Allāh Degene is aan Wie het koninkrijk van de hemelen en de aarde toebehoort? Hij straft wie het Hem behaagt en vergeeft wie het Hem behaagt. En Allāh is de Bezitter van macht over alle dingen.

 

41 Yaaa-‘ayyu-har-Rasoelu laa yah-zunkallaziena yusaari-‘oena fil-kufri minal-laziena qaaloe ‘aaman- naa bi-‘afwaaahihim wa lam tu’-min-quloebuhum. Wa minalla-ziena haadoe sammaa-‘oena lil-kazibi sammaa-‘oena li-qawmin ‘aagariena lam ya’-toek. Yuharrifoenal-kalima mim-ba’-di mawaazi-‘ih. Yaqoeloena ‘in ‘oetietum haazaa fagu-zoehu wa ‘illam tu’-tawhu fah-zaroe ! Wa many-yuridillaahu fit-natahoe falan-tamlika lahoe minallaahi sjay-‘aa. ‘Ulaaa-‘ikal-laziena lam yuridillaahu ‘any-yutahhira quloebahum. Lahum fid-dunyaa gizyunw-wa lahum fil-‘Aagirati ‘azaabun ‘aziem;

41 O Boodschapper, treur niet om degenen die zich spoeden tot ongeloof, die behoren tot degenen die met hun mond zeggen, Wij geloven, en hun harten geloven niet, en die behoren tot de joden – zij zijn luisteraars omwille van een leugen, luisteraars voor een ander volk dat niet tot jou is gekomen.a Zij verplaatsen de woorden nadat deze op hun (juiste) plaats zijn gezet en zij zeggen: Als jullie dit gegeven wordt, neem het, en als jullie dit niet wordt gegeven, wees op jullie hoede. En jij hebt geen zeggenschap bij Allāh over degene voor wie Allāh verleiding heeft voorbestemd. Dat zijn degenen wier harten Allāh niet van zins is te zuiveren. Voor hen is schande in deze wereld en voor hen is er een vreselijke straf in het Hiernamaals.

 

42 Sammaa-‘oena lil-kazibi ‘akkaa-loena lis-suht. Fa-‘indjaaa-‘oeka fahkum-baynahum ‘aw ‘a’-riz ‘anhum. Wa ‘in-tu’-riz ‘anhum falany-yazurroeka sjay-‘aa. Wa ‘in hakamta fahkum-baynahum-bil-qist. ‘Innallaaha yuhibbul-Muqsitien.

42 Luisteraars omwille van een leugen, verteerders van verboden dingen, dus als zij bij jou komen, spreek dan recht tussen hen of keer je van hen af. En als jij je van hen afkeert, kunnen zij je in het geheel geen kwaad doen. En wanneer je recht spreekt, spreek dan recht onder hen met rechtvaardigheid. Waarlijk houdt Allāh van de rechtvaardigen.a

 

43 Wa kayfa yuhakkimoenaka wa ‘indahumut-Tawraatu fiehaa hukmullaahi summa yatawal-lawna mim-ba’-di zaalik? Wa maaa ‘ulaaa-‘ika bil-Mu’-minien.

43 En waarom maaken zij jou tot rechter terwijl zij de Thora hebben waar Allah’s oordeel in staat? Toch keren zij zich daarna af! En dit zijn geen gelovigen.a


38a. Het afhakken van handen kan metaforisch of letterlijk worden genomen. Men zegt qata’a lisāna-hoe, lett., hij sneed hem de tong af, als men bedoelt hij legde hem het zwijgen op (LA). Als qat‘ jad metaforische wordt opgevat, zou het eenvoudig kunnen betekenen dat de dief in bedwang wordt gehouden door hem gevangen te nemen of op andere wijze te beperken. Als het letterlijk wordt opgevat, dan kan de hand niet voor iedere diefstal worden benadrukken, is het feit dat het afhakken van de hand de maximale straf is. Zoals in 33a hierboven wordt gesteld, is de maximale straf bij beroving de dood en de minimale straf gevangenneming. Diefstal is niet zo’n zware misdaad als beroving, en daarom kan de minimale straf voor diefstal niet zwaarder zijn dan minimale straf voor beroving. In het geval van beroving is de strsaf, oplopend in zwaarte, gevangenneming, afhakken van handen en voeten, en dan de dood. Daarom verwijst wat er hier wordt gezegd in de Heilige Qoer-ān slechts naar de maximale straf voor diefstal. De minimale straf blijft hetzelfde, d.w.z. gevangenneming.

Uit v. 33 wordt nog duidelijker dat de vraag of de zwaardere of de mildere straf moet worden opgelegd, afhankelijk is van de omstandigheden van het misdrijf en van de mening van de rechter. Een beroving wordt zwaarder of lichter bevonden, afhankelijk van de mate waarin de slachtoffers van de beroving lijden aan verlies van leven of bezit. Bij diefstal lijdt men slechts een verlies van bezit en niet van leven. Daarom is de dood als straf in dit geval uitgesloten. De volgende graad van bestraffing, het afhakken van de hand, wordt gezien als de maximale straf, en de maximale straf is slechts afhankelijk van de noodzaak van de situatie. Het kan de ernst van het misdrijf zijn of de ernst van de verslaving van de overtreder aan het misdrijf diefstal, die vraagt om de maximale straf. Over het algemeen zal de maximale straf daarom alleen worden toegepast in gevallen van gewoontediefstal. De overwegingen die ons in staat stellen om het onderscheid te maken zijn als volgt: (a) De straf wordt afschrikwekkend genoemd, en een afschrikwekkende straf kan alleen worden opgelegd als de misdaad heel ernstig is of als de overtreder een recidivist is. (b) De straf hoeft niet te worden opgelegd als de overtreder berouw toont en zich afkeert van het verkeerde pad. Het volgende vers toont aan dat de straf van het afhakken van de hand alleen geldt voor een misdadiger die zich niet verbetert, d.w.z. voor de recidivist. Bovendien wordt er berouw en betering vereist. Om een mens de kans te geven zich te beteren, is het noodzakelijk dat hij de vrijheid krijgt om ernaar te handelen, voordat er een ernstigere straf wordt opgelegd. (c) De straf van het afhakken van handen wordt genoemd in verband met de meer ernstige misdaden waarover in v. 33 wordt gesproken. Zelfs deze ernstige misdaden kunnen echter slechts met gevangenneming worden bestraft. Daarom hoeft eenvoudige diefstal, wat duidelijk minder ernstig is dan beroving, niet altijd bestraft te worden met de zware straf van het afhakken van de hand.

Het is waar dat in de hadies het afhakken van de hand zelfs voor een eerste misdaad wordt vermeld, maar dit kan te wijten zijn geweest aan de speciale omstandigheden in de gemeenschap op dat moment. Het is aan de rechter om te beslissen wanneer de maximale straf wordt opgelegd en wanneer niet. Volgens een bepaalde hadies, werd de hand afgehakt wanneer de waarde die gestolen was een kwart dinār was; volgens andere als het een dinār was of meer (AD. 37:12; Ns. 46:7). Volgens een hadies mocht de hand niet worden afgehakt als de diefstal gepleegd was tijdens een reis (AD. 37:19). Er zijn hadies die aangeven dat de hand niet afgehakt moest worden voor het stelen van vruchten van een boom (AD. 37:13). Het afhakken van de hand is ook verboden in het geval van verduistering (AD. 37:14). Marwān liet iemand afranselen voor het stelen van jonge palmboompjes (AD. 37:13). Een andere hadies vertelt dat toen een bepaalde persoon een mantel ter waarde van 30 dirham onder het hoofd van iemand anders vandaan stal, de eigenaar van de mantel aanbood hem te verkopen aan de persoon die hem gestolen had. De Heilige Profeet (s.a.w.) stemde met deze schikking in (AD. 37:15). Tot slot kan ik eraan toevoegen dat ik, niet alleen om de hierboven gegeven redenen, het woord al-sāriq vertaal als iemand die verslaafd is aan diefstal, maar ook omdat al-sarriq een verklarende lezing is van dit woord, wat een ism moebālaghah is, d.w.z. een geïntensiveerd zelfstandig naamwoord van dezelfde stam.

41a. De betekenis is dat zij wel luisteren, maar dat het slechts hun doel is leugens te verzinnen om zo verkeerde boodschappen door te geven aan de mensen die niet naar de Profeet (s.a.w.) zijn gekomen. De woorden kunnen ook zo worden geïnterpreteerd dat ze betekenen dat zij slechts luisterden naar de leugens die door hun rabbijnen werden geuit, die niet naar jou toe zijn gekomen. In feite handelen zij slechts als spionnen.

42a. Volgens de overeenkomst die bij de komst van de Heilige Profeet (s.a.w.) naar Madinah werd opgesteld tussen de verschillende nationaliteiten in Madinah (zie 2:84a), moesten alle meningsverschillen aan de Heilige Profeet (s.a.w.) worden voorgesteld. De joden stonden tegen deze tijd echter zo vijandig tegenover de Profeet (s.a.w.), dat het hem is toegestaan te weigeren tussen hen te oordelen. Wanneer hij wel tussen hen oordeelde, werd hem nog steeds verteld die op onpartijdige wijze te doen. Door onpartijdig te zijn ondanks de bijzonder vijandige houding van de joden en ondanks de kennis dat zij altijd samenspanden met de vijanden van de Islām om deze te vernietigen, toont aan dat de Profeet (s.a.w.) het hoogste punt van morele rechtschapenheid had bereikt dat de mens kan bereiken.

43a. Het Goddelijke oordeel in de Thora waarvan hier gerefereerd wordt, kan ofwel duidelijk op de Goddelijke geboden die de joden weigerden op te volgen, of op de profetieën aangaande de komst van de Heilige Profeet (s.a.w.), die zij wegerden te aanvaarden.

 

PARAGRAAF 7: De Qoer-ān en eerdere geschriften

 

44 ‘Innaa ‘anzalnat-Tawraata fiehaa Hudanw-wa Noer. Yah-kumu bihan-nabiy-yoenal-laziena ‘aslamoe lillaziena haadoe war-Rabbaa-niyyoena wal-‘ahbaaru bimas-tuhfizoe min-Kitaa-billaahi wa kaanoe ‘alayhi sjuha-daaa’. Falaa tagsja-wunnaasa wag-sjaw-ni wa laa tasj-taroe bi-‘Aayaatie: samanan-qalielaa. Wa mallam-yah-kum-bimaaa ‘anzalal-laahu fa-‘ulaaa-‘ika humul-kaafiroen.

44 Waarlijk hebben Wij de Thora geopenbaar, met daarin een leidraad en licht.a Aan de hand hiervan spraken de profeten die zichzelf onderwierpen (aan Allāh) recht onder de joden, en de rabbijnen en de schriftgeleerden, omdat van hen werd verlangd het Boek van Allāh te bewaken,b en zij getuigen daarvan. Dus vrees niet de mensen maar vrees Mij, en hecht niet te weinig waarde aan Mijn boodschap. En wie niet oordeelt aan de hand van wat Allāh heeft geopenbaard, dat zijn de ongelovigen.c

 

45 Wa katabnaa ‘alay-him fiehaaa ‘annan-nafsa binnafsi wal-‘ayna bil-‘ayni wal-‘anfa bil-‘anfi wal-‘uzuna bil-‘uzuni was-sinna bis-sinni wal-djuroeba Qisaas. Faman-tasaddaqa bihie fahuwa kaffaaratul -lah. Wa mallam yahkum-bimaaa ‘anza-lal-laahu fa-‘ulaaa-‘ika humuz-zaalimoen.

45 En Wij schreven hen hierin voor, dat het leven om leven is, en oog om oog, en neus om neus, en oor om oor, en tand om tand, en vergelding voor wonden.a Maar voor wie hiervan afziet, zal dit een vergoeding zijn.b En wie niet oordeelt aan de hand van Allāh heeft geopenbaard, dat zijn de kwaaddoeners.

 

46 Wa qaf-faynaa ‘alaaa ‘aasaa-rihim-bi ‘Isabni-Maryama Musaddiqal-limaa bayna yadayhi minat- Tawraah: wa ‘aataynaahul-‘Indjiela fiehi Hudanw-wa Noerunw-wa musaddiqallimaa bayna yadayhi minat-Tawraati wa Hudanw-wa Maw-‘izatal-lil-Muttaqien.

46 En na hen stuurden Wij in hun voetsporen Jezus, zoon van Maria, die bevestigde wat er voor hen was van de Thora; en Wij gaven hem het Evangelie, met daarin een leidraad en licht, en dat bevestigt wat ervoor was van de Thora, en een leidraad en een waarschuwing voor de plichtsgetrouwen.a

 

47 Wal-yahkum ‘Ahlul-‘Indjieli bimaaa ‘anzalal-laahu fieh. Wa mallam yah-kum-bimaaa ‘anzalal-laahu fa-‘ulaaa-‘ika humulfaasiqoen.

47 En laat de Mensen van het Evangelie oordelen aan de hand van het wat Allāh hierin heeft geopenbaard. En wie niet oordeelt aan de hand van wat Allāh heeft geopenbaard, dat zijn de overtreders.

 

48 Wa ‘anzalnaa ‘ilay-kal-Kitaaba bil-haqqi musaddiqallimaa bayna yadayhi minal-Kitaabi wa muhay-minan ‘alayhi fahkum-baynahum-bimaaa ‘anza-lal-laahu wa laa tatta-bi’ ‘ahwaaa-‘ahum ‘ammaa djaaa -‘aka minal-Haqq. Likullin-dja-‘alnaa minkum Sjir-‘atanw-wa Minhaa-djaa. Wa law sjaaa-‘allaahu ladja-‘alakum ‘Ummatanw-Waahidatanw-wa laakilliyab-luwa-kum fie maa ‘aataakum fasta-biqgul-gay-raat. ‘Illal-laahi mardji-‘ukum djami-‘an-fayunabbi-‘ukum-bimaa kuntum fiehi tag-talifoen;

48 En Wij hebben aan jou het Boek met de waarheid geopenbaard, dat bevestigt wat ervoor is van het Boek, en als bewaker hierover,a dus spreek recht tussen hen aan de hand van wat Allāh heeft geopenbaard, en volg niet hun lage verlangens (terwijl je je afkeert) van de waarheid die tot jou gekomen is. Voor ieder van jullie hebben Wij een wet en een weg aangewezen.b En als het Allāh had behaagd, had Hij jullie tot één volk gemaakt, maar Hij wenst jullie te beproeven met wat Hij jullie heeft gegeven.c Dus wedijver met elkaar om rechtschapen daden. Tot Allāh zullen jullie allen wederkeren, dus Hij zal jullie duidelijk maken waarin jullie verschilden;

 

49 Wa ‘anih-kum-baynahum-bimaaa ‘anza-lal-laahu wa laa tata-bi’ ‘ahwaaa-‘ahum wahzarhum ‘any-yafti-noeka ‘amba-zi maaa ‘anza-lal-laahu ‘ilayk. Fa-‘in-ta-wal-law fa’-lam ‘annamaa yurie-dullaahu ‘any-yusie-bahum-biba’-di zunoe-bihim. Wa ‘inna kasieramminan-naasi lafaasi-qoen.

49 En dat jij tussen hen zult oordelen aan de hand van wat Allāh heeft geopenbaard, en volg hun lage verlangens niet, en wees op je hoede voor hen, opdat zij jou niet weg zullen lokken van een deel van wat Allāh aan jou heeft geopenbaard. Dan, als zij zich afkeren, weet dan dat Allāh hen wenst te kwellen voor een aantal van hun zonden. Waarlijk zijn veel aan de mensen overtreders.

 

50 ‘Afa-hukmal-Djaahi-liyyati yabqoen? Wa man ‘ah-sanu minal-laahi hukmal-li-qaw-miny-yoe-qinoen.

50 Wensen zij dan het oordeel van onwetendheid? En wie is er beter dan Allāh om te oordelen voor een volk dat zeker is?


44a. De verzen 44–47 zouden volgens christelijke critici het bewijs moeten vormen van de zuiverheid van de tekst van de Thora en het Evangelie. Dit is niet waar. Dat de Thora een Goddelijke openbaring was die licht en leiding bevat is nooit ontkend. Wat wel wordt ontkend, is dat het licht en de leiding door de eeuwen heen ongeschonden zijn gebleven. Verder wordt er ontkend dat deze twee boeken waren bedoeld voor de hele wereld en voor alle tijden. Zij bevatten zeker licht en leiding, maar slechts voor één volk – de Israëlieten, en voor een beperkte tijd. Ondanks het licht en de leiding die de Thora bevat, werd het Evangelie naar het Israëlitische volk gestuurd. Dit toont aan dat het licht en de leiding die de Thora bevat onvoldoende werd bevonden voor zelfs de Israëlieten van alle tijden, om maar te zwijgen over andere naties.

44b. De stelling die hier wordt geponeerd, is dat het de meesters van Goddelijke kennis en de geleerden "werden verzocht om het Boek van Allāh te bewaken", d.w.z. de Thora. De Qoer-ān zegt niet dat ze daarin ook werkelijk slaagden. Aan de andere kant wordt er in 2:75 en 2:79 duidelijk gesproken over verandering van die boeken. Hier tegenover staat dat er over de bescherming van de Heilige Qoer-ān gesproken wordt als over het werk van Allāh Zelf; zie 15:9: "Waarlijk hebben Wij de Herinnering geopenbaard, en waarlijk zijn Wij daar de Beschermer van."

44c. Men moet niet vergeten dat met het oordeel niet alleen een oordeel over burgerlijke of strafrechtelijke gevallen wordt bedoeld, maar ook een oordeel over alle religieuze aangelegenheden. Daarom worden diegenen die de openbaring van de Heilige Profeet (s.a.w.) niet beoordeelden aan de hand van wat er in de Thora was geopenbaard, ongelovigen genoemd. Merk op dat het gebruik van de woorden wat Allāh heeft geopenbaard, in plaats van de Thora niet zonder betekenis is. Het toont aan dat het geheel van de Thora zoals die toen bestond, door de Heilige Qoer-ān niet wordt beschouwd als de Goddelijke openbaring.

45a. Vergelijk Exod. 21:23–25, Lev. 24:19–21.

45b. Als een man afstand doet van zijn recht op een daad van vergelding tegen zijn broeder, zal dit een vergoeding zijn voor een zonde die hij mogelijk begaan heeft.

46a. De omschrijving van het Evangelie als zou het licht en leiding bevatten, draagt dezelfde betekenis als de soortgelijke stelling die wordt gedaan met betrekking tot de Thora, waarvoor verwezen wordt naar 44a. In aanvulling hierop, wordt er gezegd dat het Evangelie de Thora verifieerde, ondanks het feit dat het vele nieuwe doctrines introduceert die de plaats innemen van doctrines die worden gegeven in de Mozaïsche wet. Voorbeelden hiervan zijn de echtscheiding, de wet van vergelding, enz. Deze omschrijving van het Evangelie laat duidelijk zien dat met verificatie slechts de bevestiging wordt bedoeld van de algemene principes en brede doctrines van het geloof. De eenheid van Allāh en de gelijke behandeling van mensen bijvoorbeeld. Of de bevestiging door een profeet van de waarheid van een eerdere profeet, zoals de verklaring van de waarheid van Mozes door Jezus, en van beiden door de Heilige Profeet (s.a.w.). We moeten deze betekenis in gedachten houden, wanneer er van de Qoer-ān gezegd wordt, dat hij de Thora en het Evangelie verifieert.

48a. De Qoer-ān wordt moehaimin, of een beschermer over alle voorgaande openbaringen genoemd. Dit geeft aan dat alles wat van permanente waarde was in de voorgaande geschriften, bewaard is gebleven in de Qoer-ān. De voorgaande boeken bevatten licht en leiding voor de mensen waarvoor ze bedoeld waren, en hen werd opgedragen aan de hand van deze boeken een oordeel te vellen. Nu echter is de Qoer-ān het Boek dat een oordeel velt over alle waarheid, waar dan ook. Daarom is hij het enige Boek dat gevolgd zou moeten worden.

48b. Het aanwijzen van een wet en een pad voor iedereen, verwijst naar het feit dat er, voor de openbaring van de Heilige Qoer-ān, verschillende wetten aan verschillende naties werden gegeven, in overeenstemming met hun behoeften. De Qoer-ān vervult de behoeften van alle naties en alle tijden. De Qoer-ān erkent dus het principe waaraan hij vaak refereert, namelijk dat er profeten zijn opgestaan onder elk volk, waarvoor in het bijzonder verwezen wordt naar 10:47, 13:7 en 35:24.

48c. Dit kent slechts één betekenis. De mens is boven de gehele schepping geplaatst, omdat hij de mogelijkheid heeft gekregen onderscheid te maken. Zo kan hij kiezen welke weg hij volgt. Dit in tegenstelling tot de rest van de schepping, die noodgedwongen de wetten moet volgen waaraan zij onderworpen is. Vandaar dat mensen, geleid door dat onderscheidingsvermogen, verschillende wegen volgen en zich voegen bij verschillende groeperingen. Wanneer de mens zo gemaakt zou zijn dat hij niet in staat zou zijn om onderscheid te maken, dan waren alle mensen één enkel volk geweest. Dan zouden de goede eigenschappen van de mens, die hem uit doen stijgen boven de rest van de schepping, echter niet te voorschijn zijn gekomen. De woorden kunnen echter ook betekenen, wanneer het Allāh behaagt zal Hij jullie tot één volk maken. Dit zou kunnen verwijzen naar de uiteindelijke bestemming van het menselijk ras. In feite groeien momenteel alle mensen toe naar het bewustzijn dat zij allen slechts één volk vormen.

 

PARAGRAAF 8: Betrekkingen van Moeslims met vijanden

 

51 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa tatta-gizul-Yahoeda wan-Nasaaraaa ‘awli-yaaa’. Ba-zuhum ‘awli-yaaa-‘u ba’-d. Wa many-yata-wallahum-minkum fa-‘innahoe minhum. ‘Innallaaha laa yahdil-qaw-mazzaalimien.

51 O jullie die geloven, neem geen joden en de christenen tot vriend. Zij zijn vrienden van elkaar. En wie van jullie hen tot vriend neemt is waarlijk een van hen. Allāh geeft zeker geen leiding aan de onrechtvaardige mensen.a

 

52 Fataral-laziena fie quloebihim marazuny-yusaari-‘oena fiehim yaqoe-loena nag-sjaaa ‘an-tusie-banaa daaa-‘irah. Fa-‘asal-laahu ‘any-ya’-tiya bil-fathi ‘aw ‘amrim-min ‘indihie fayus-bihoe ‘alaa maaa ‘asarroe fie ‘anfu-sihim naadimien.

52 Maar je ziet hoe degenen in wier harten een ziekte schuilt zich naar hen toe haasten, terwijl zij zeggen: Wij vrezen dat ons anders een ramp zal overkomen.a Misschien brengt Allāh de overwinning of een gebod van Hemzelf, zodat anders zij berouw zullen krijgen van wat zij in hun zielen verborgen hielden.b

 

53 Wa yaqoe-lullaziena ‘aamanoe ‘a-haaa-‘ulaaa-‘il-laziena ‘aq-samoe billaahi djahda ‘aymaa-nihim ‘innahum lama-‘akum? Habi-tat ‘a’-maaluhum fa-‘as-bahoe gaa-sirien.

53 En de gelovigen zullen zeggen: Zijn dit degenen die met de meest krachtige geloften zwoeren bij Allāh dat zij waarlijk aan jullie kant stonden? Hun daden zullen geen vruchten afwerpen, dus zullen zij verliezers zijn.a

 

54 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe many-yar-tadda minkum ‘an-Dienihie fa-sawfa ya’-tillaahu bi-qawminy-yu-hibbuhum wa yuhib-boenahoe ‘azillatin ‘alal-Mu’-miniena ‘a-‘iz-zatin ‘alal-Kaafiriena, yudjaa-hidoena fie Sabielil-laahi wa laa yagaa-foena law-mata laaa-‘im. Zaalika Fazlul-laahi yu’-tiehi many-yasjaaa’. Wallaahu Waasi-‘un ‘Aliem.

54 O jullie die geloven, als iemand van jullie terug zou komen op zijn religie, dan zal Allāh een volk zal brengen dat Hij liefheeft en dat Hem liefheeft, nederig tegenover gelovigen, machtig tegen de ongelovigen, dat zich zeer inspant langs Allāh’s weg en niet bang is voor de afkeurig van welke criticaster dan ook. Dit is Allāh’s goedgunstigheid – Hij geeft het aan wie het Hem behaagt. En Allāh is Ruimgevend, Wetend.a

 

55 ‘Innamaa Waliyyu-kumullaahu wa Rasoe-luhoe wallaziena ‘aamanul-laziena yuqie-moenas-Salaata wa yu-toe-naz-Zakaata wa hum raaki-‘oen.

55 Alleen Allāh is jullie Vriend, en Zijn boodschapper en degenen die geloven, degenen die het gebed onderhouden en de armenbelasting betalen, en buigen zich neer.a

 

56 Wa many-yata-wal-lal-laaha wa Rasoe-lahoe wallaziena ‘aamanoe fa-‘inna Hiz-ballaahi humul-ghaali-boen.

56 En wie Allāh en Zijn Boodschapper en de gelovigen tot vriend neemt – waarlijk de groep van Allāh, zij zullen overwinnen.


51a. Alle niet-gelovigen, wat ook hun onderlinge verschillen waren, steunden elkaar tegen de Islām. Dit is wat er bedoeld wordt wanneer de Qoer-ān zegt dat zij vrienden zijn van elkaar. De moeslims worden gewaarschuwd dat zij geen hulp of vriendschap moeten verwachten van welke groep van hen dan ook, of dat nu joden, christenen of afgodsdienaren zijn. Het zou blijk geven van een zwak geloof in de uiteindelijke overwinning van de Islām als zij, uit angst voor een machtige vijand, her en der hulp en vriendschap hadden gezocht bij een vijandig volk, zoals het volgende vers laat zien. Als twee volkeren in oorlog zijn, wordt een individu van het ene volk, dat vriendschappelijke banden heeft met het vijandige volk, behandeld als een vijand; dat is precies wat de Qoer-ān hier zegt.

52a. Met zich naar hen toe haasten wordt bedoeld dat zij zich haasten om vriendschap met hen te sluiten, of om naar hulp te zoeken. De hypocrieten deden dit, bang voor een nederlaag van de moeslims.

52b. Met overwinning wordt bedoeld een overwinning voor de moeslims, en het gaat hier duidelijk om de verovering van Makkah. Het laat zien dat deze verzen geopenbaard werden vóór de verovering van Makkah in het jaar 8 A.H. Met amr of gebod wordt kennelijk bedoeld de vestiging van het Koninkrijk van de Islām, waarmee de overheersing van de Islām wordt bedoeld. In v. 54 vinden we een verdere verwijzing naar de geestelijke overwinning van de Islām, waarvoor verwezen wordt naar 54a.

53a. Dit is een profetie die voorspelt dat de daden van de hypocrieten tegen de Profeet (s.a.w.) geen effect zouden hebben. Zij zouden niet in staat zijn het doel te bereiken dat zij in gedachten hadden, en in plaats van enig verlies toe te brengen aan de Profeet (s.a.w.) zouden zij zelf de verliezers zijn.

54a. Toen zij in Makkah waren, werden de moeslims zwaar vervolgd en hun problemen in Madinah namen tienvoudig toe vanwege de aanwezigheid van strijdende stammen aan alle kanten. Toch ondergingen zij deze ontberingen met de grootste volharding, en afvalligheid was een zeldzaamheid. In 6 A.H. vroeg Heraclius aan Aboe Soefjān, die toen de aanvoerder van de vijandige legers tegen de Profeet (s.a.w.) was: "Is er iemand van hen afvallig uit haat voor zijn geloof?" Het antwoord van Aboe Soefjān was, Nee. Nogmaals vroeg hij hem: Nemen zij toe of af? Aboe Soefjān zei: “Zij nemen in aantal toe” (B. 1:1). Het is een feit dat afvalligheid nooit de gelederen van de Islām uitdunde.

55a. Na de lafhartigen er tegen gewaarschuwd te hebben geen vijanden tot vriend te nemen, vertelt de heilige Qoer-ān hen nu wie hun werkelijke vriend is, die hen kan helpen bij hun leed en probleem. Allāh is werkelijk de enige Vriend van een gelovige. Alleen Hij kan hem helpen in tijden van nood. Maar Allāh’s Boodschapper was onder hen en als Allāh de ware Vriend van een gelovige was, was Zijn Boodschapper dat ook, wiens hart immers vol was van het zuivere medeleven met de ware gelovigen.

 

PARAGRAAF 9: De spotters

 

57 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa tatta-gizul-lazienatta-gazoe Dienakum huzuwanw-wa la-‘ibam-minallaziena ‘oetul-Kitaaba min-qablikum wal-kuffaara ‘awli-yaaa’. Watta-qullaaha ‘in-kuntum–Mu’-minien.

57 O jullie die geloven, neem niet degenen tot vriend die jullie geloof tot een onderwerp van spot en scherts maken, die behoren tot degenen aan wie vóór jullie het Boek werd gegeven en de ongelovigen; en voldoe jullie plicht aan Allāh als jullie gelovigen zijn.a

 

58 Wa ‘izaa naa-daytum ‘ilas-Salaa-titta-gazoehaa huzuwanw-wa la-‘ibaa; zaalika bi-‘annahum qawmul-laa ya’-qiloen.

58 En wanneer jullie oproep tot gebed, maken zij dat tot een onderwerp van spot en scherts. Dat komt omdat zij een volk zijn dat niet begrijpt.

 

59 Qul yaaa-‘Ahlal-Kitaabi hal tanqi-moena minnaaa ‘illaaa ‘an ‘aamannaa billaahi wa maaa ‘unzila ‘ilaynaa wa maaa ‘unzila min qablu wa ‘anna ‘ak-sarakum faasi-qoen?

59 Zeg: O Mensen van het Boek, hebben jullie iets anders op ons aan te merkena dan dat wij geloven in Allāh en in hetgeen aan ons is geopenbaard en in wat daarvóór is geopenbaard, terwijl de meesten van jullie overtreders zijn?

 

60 Qul hal ‘unabbi-‘ukum-bisjarrim-min-zaalika masoebatan ‘indallaah? Malla-‘anahullaahu wa ghaziba ‘alayhi wa dja’ala min-humul-qiradata wal-ganaaziera wa ‘abadat-Taagoet; ‘ulaaa-‘ika sjar- rum-makaananw-wa ‘azallu ‘an sawaaa-‘is-sabiel!

60 Zeg: Zal ik jullie vertellen over degenen die er nog erger aan toe zijn, waar het de vergelding van Allāh betreft? Dat zijn degenen die Allāh heeft vervloekt en op wie Hij Zijn wrok deed neerkomen en van wie Hij apen en zwijnen maakte en die de duivel dienen. Dezen verkeren in een ergere toestand en zijn verder verwijderd van het rechte pad.a

 

61 Wa ‘izaa djaaa-‘ukum qaaloe ‘aamantaa wa qad-dakhaloe bil-kufri wa hum qad garadjoe bih. Wal- laahu ‘a’-lamu bimaa kaanoe yaktumoen.

61 En wanneer zij naar jullie toekomen, zeggen zij, Wij geloven, en zij komen waarlijk in ongeloof en gaan daarin heen. En Allāh weet het beste, wat zij verbergen.

 

62 Wa taraa kasieram-minhum yusaari-‘oena fil-‘ismi wal-‘udwaani wa ‘aklihimus-suht; labi’-sa maa kaanoe ya’-maloen!

62 En je ziet velen van hen met elkaar wedijveren in zonde en overtreding, om de verspilling van onwettig gewin. Waarlijk kwaadaardig is hetgeen zij doen.a

 

63 Law laa yanhaa-humur-Rabbaa-niyyoena wal-‘ahbaaru ‘an-qawlihimul-‘isma wa ‘akli-himus-suht? Labi’-sa maa kaanoe yasna-‘oen.

63 Waarom verbieden de rabbijnen en de schriftgeleerden hen niet zich zondig uit te laten en te verslinden wat onwettig is verkregen? Waarlijk slecht zijn de werken die zij doen.

 

64 Wa qaa-latil-Yahoedu yadullaahie maghloelah. Gullat ‘ay-diehim wa lu-‘inoe bimaa qaaloe. Bal Yadaahu mabsoeta-taani yun-fiqu kayfa yasjaaa’. Wa la-yaziedanna kasieram-minhum-maaa ‘unzila ‘ilayka mir-Rabbika tugh-yaananw-wa kufraa. Wa ‘al-qaynaa baynahumul-‘adaawata walbagh-daaa-‘a ‘ilaa Yawmil-Qiyaamah. Kulla-maaa ‘awqadoe naaral-lil-harbi ‘atfa-‘ahal-laahu wa yas-‘awna fil ‘ardi fasaadaa. Wallaahu laa yuhibbul-mufsidien.

64 En de joden zeggen: De hand van Allāh is gebonden. Hun eigen handen zijn geketend en zij zijn vervloekt om wat zij zeggen. Nee, Zijn beide handen zijn uitgestrekt.a Hij geeft zoals het Hem behaagt. En dat wat aan jou geopenbaard is door jouw Heer, zal velen van hen in onmatigheid en ongeloof doen toenemen. En Wij hebben hen geslagen met vijandschap en haat tot aan de dag van de Opstanding. Iedere keer dat zij een vuur ontsteken voor oorlog wordt het gedooft door Allāh en zij streven ernaar te stoken in het land.b En Allāh houdt niet van onruststokers.

 

65 Wa law ‘anna ‘Ahlal-Kitaabi ‘aamanoe wattaqaw lakaffarnaa ‘anhum sayyi-‘aatihim wala-‘ad-galnaahum Djannaatin-Na-‘iem.

65 En wanneer de Mensen van het Boek hadden geloofd en aan hun plicht hadden voldaan, dan hadden Wij zeker hun zonden verwijderd, en hen de tuinen van gelukzaligheid doen binnengaan.

 

66 Wa law ‘annahum ‘aqaamut-Tawraata wal-‘Indjiela wa maaa ‘unzila ‘ilay-him-mir-Rabbihim la-‘akaloe min-fawqihim wa min-tahti ‘ardjulihim. Minhum ‘ummatum-minhum saaa-‘a maa ya’-maloen.

66 En wanneer zij de Thora en het Evangelie hadden nageleefd, en wat hen werd geopenbaard door hun Heer, dan hadden zij zeker gegeten van wat er boven hen is en van wat er onder hun voeten is. Er is een deel van hen dat een gematigde koers vaart; en de meesten van hen – kwaadaardig is hetgeen zij doen.a


57a. Het was de moeslims verboden vriendschappelijke betrekkingen te hebben met diegenen die hun religie en hun Profeet (s.a.w.) bespotten. Vriendschap met dergelijke mensen zou inderdaad geleid hebben tot een soortgelijke instelling.

59a. Naqama gevolgd door min betekent hij had iets aan te merken op (R).

60a. De mensen waarvan wordt gezegd dat zij zijn veranderd in apen en zwijnen, zijn de joden. Zie 2:65b voor de uitleg van de betekenis van deze woorden. Het is opmerkelijk dat, hoewel de mensen waarover hier gesproken wordt op beide plaatsen dezelfde zijn, zij in het ene geval simpelweg apen worden genoemd en in het andere apen en zwijnen. Aanvullend wordt hier van dezelfde mensen gezegd dat zij de duivel dienen. De slotwoorden, die stellen dat de mensen die zo tot apen, zwijnen en tot dienaren van de duivel werden gemaakt, "verkeren in een ergere toestand en zijn verder verwijderd van het rechte pad", zijn afdoende om te bevestigen dat het hier nog steeds om mensen gaat. Over apen en zwijnen kan immers niet gezegd worden dat zij van het rechte pad afwijken. Het volgende vers maakt dit duidelijker. Daar wordt over deze zelfde apen en zwijnen gezegd dat zij in ongeloof naar de Boodschapper toe komen, en in ongeloof weer vertrekken.

62a. Soeht duidt op ieder bezit dat verboden is, onwettig verkregen (LL). Het wordt ook gebruikt voor steekpenningen (R.).

64a. Als gemeenschap waren de moeslims voornamelijk arme mensen die de waarheid aanvaarden. Bovendien hadden zij hun bezit achtergelaten in Makkah. De moeslims in Madinah vormden een boerengemeenschap en zij waren van nature niet rijk. De joden, aan de andere kant, zaten in de handel en hun woekertransacties hadden hen heel rijk gemaakt. Vandaar dat zij de moeslims hoonden en zeiden dat Allāh’s hand geketend was. Vergelijk ook 3:181 en zie 3:181a. De woorden – Zijn beide handen zijn uitgestrekt – wijzen erop dat Hij de moeslims zowel materieel als geestelijk zal verrijken.

64b. Hieruit wordt duidelijk dat de joden de hand hadden in de gevechten die de Qoeraisj begonnen tegen de Islām. Zij beloofden hen in feite hulp van binnenuit, als zij Madinah zouden aanvallen. Misschien financierden zij deze oorlogen ook. Het zaaien van onrust in hun midden zou gerelateerd kunnen zijn aan de vijandigheid tussen de joden en de christenen, omdat naar beiden keer op keer verwezen wordt in dit hoofdstuk.

66a. Als zij de Thora en het Evangelie gehoorzaamd hadden, die duidelijke voorspellingen bevatten over de komst van de Profeet (s.a.w.), zouden ze ook geloofd hebben in de openbaring van de Qoer-ān. Het eten van bovenaf is een verwijzing naar geestelijke zegeningen en eten van onder hun voeten duidt op de aardse voorzieningen; d.w.z., zij zouden beide in overvloed hebben gehad. De houding van vrijgevigheid die de Islām heeft aangenomen ten opzichte van zelfs hun meest onverbiddelijke vijanden is opmerkelijk. Ondanks hun hevige vijandigheid tegen de Islām, wordt hier een groep van joden en christenen omschreven als zouden zij een gematigde koers varen.

 

PARAGRAAF 10: Christelijke afdwaling van de waarheid

 

67 Yaaa-‘ayyu-har-Rasoelu balligh maaa ‘unzila ‘ilayka mir-Rabbik. Wa ‘illam taf-‘al famaa balagta Risaa-latah. Wallaahu ya’-simuka minannaas. ‘Innal-laaha laa yahdilqawmal-Kaafirien.

67 O Boodschapper, breng over wat aan jou is geopenbaard door jouw Heer; en als jij dit niet doet, dan heb je Zijn boodschap niet overgebracht. En Allāh zal je beschermen tegen de mensen. Allāh geeft waarlijk geen leiding aan ongelovige mensen.a

 

68 Qul yaaa-‘Ahlal-Kitaabi las-tum ‘alaa sjay-‘in hattaa tuqiemut-Taw-raata wal-‘Indjiela wa maaa ‘unzila ‘ilaykum-mir-Rabbikum. Wa la-yazie-danna kasieram-minhum-maaa ‘unzila ‘ilayka mir- Rabbika tughyaananw-wa kuf-raa. Falaa ta’-sa ‘alal-Qawmil-Kaafirien.

68 Zeg: O Mensen van het Boek, jullie volgen het goede niet, tot jullie je houden aan de Thora en het Evangelie en aan wat jullie is geopenbaard door jullie Heer.a En wat aan jou is geopenbaard door jouw Heer zal zeker bij velen van hen hun onmatigheid en ongeloof doen toenemen; treur dus niet om de ongelovige mensen.

 

69 ‘Innal-laziena ‘aamanoe wal-laziena haadoe was-Saabi-‘oena wan-Nasaaraa man ‘aamana billaahi wal-Yawmil-‘Aagiri wa ‘amila saali-hanfalaa gaw-fun ‘alay-him wa laa hum yah-zanoen.

69 Degenen die geloven en de degenen die jood zijn, en de Sabiërs en de christenen – een ieder die gelooft in Allāh en de Laatste Dag en die goed doet – zij zullen geen vrees kennen noch zullen zij treuren.

 

70 Laqad ‘agaz-naa Miesaaqa Banie-‘Israaa-‘iela wa ‘arsalnaaa ‘ilayhim rusulaa. Kullamaa djaaa- ‘ahum Rasoelum-bimaa laa tah-waaa ‘anfusuhum farieqan-kazzaboe wa farieqany-yaq-tuloen.

70 Zeker hebben Wij een verbond gesloten met de Kinderen van Israël en Wij hebben hen boodschappers gestuurd. Tekens wanneer er een boodschapper tot hen kwam met wat hun zielen niet wensten, noemden zij sommigen (van hen) leugenaars en sommigen probeerden zij (zelfs) te doden.

 

71 Wa hasiboe ‘allaa takoena fit-natun fa-‘amoe wa sammoe summa taabal-laahu ‘alayhim summa ‘amoe wa sammoe kasierum-minhum. Wallaahu Basierum-bimaa ya’-maloen.

71 En zij dachten dat er geen bezoeking zou volgen,a dus werden zij blind en doof; toen keerde Alh zich (barmhartig) tot hen, maar velen van hen werden (weer) blind en doof.b En Allāh is Degene Die ziet wat zij doen.

 

72 Laqad kafaral-laziena qaaloe ‘innal-laaha Huwal-Masie-hubnu-Maryam. Wa qaalal-Masiehu yaa- Banie-‘Israaa-‘iela-budullaaha Rabbie wa Rabbakum. ‘Innahoe many-yusjrik billaahi faqad harramal- laahu ‘alayhil-Djannata wa ma’-waahun-Naar. Wa maa lizzaa-limiena min ‘ansaar.

72 Zeker geloven degenen niet, die zeggen: Allāh, Hij is de Messias, zoon van Maria. En de Messias zei: O Kinderen van Israël, dien Allāh, mijn Heer en jullie Heer.a Voor degene die (anderen) gelijk stelt aan Allāh, heeft Allāh waarlijk de Tuin verboden en zijn verblijfplaats is het Vuur. En voor de kwaaddoeners zullen er geen helper zijn.

 

73 Laqad kafa-rallaziena qaaloe ‘innallaaha Saa-lisu-Salaa-sah. Wa maa min ‘ilaahin ‘illaaa ‘Ilaa- hunw-Waahid. Wa ‘illam yan-tahoe ‘ammaa yaqoeloena la-yamassan-nallaziena kafaroe minhum ‘azaabun ‘aliem.

73 Zeker geloven degenen niet, die zeggen: Allāh is de derde van de drie.a En er is geen God buiten Eén Allāh. En als zij niet terugkomen op wat zij zeggen, dan zal de ongelovigen onder hen waarlijk een pijnlijke straf te wachten staan.b

 

74 ‘Afalaa yatoeboena ‘ilallaahi wa yas-taghfiroe-nah ? Wallaahu Ghafoerur-Rahiem.

74 Zullen zij zich dan niet tot Allāh wenden en om Zijn vergiffenis vragen? En Allāh is Vergevensgezind, Barmhartig.

 

75 Mal-Masie-hubnu-Maryama ‘illaa Rasoel; qad galat min-qab-lihir-rusul. Wa ‘ummahoe Siddie-qah. Kaanaa ya’-kulaanit-ta-‘aam. ‘Unzur kayfa nubay-yinu lahumul-‘Aayaati summan-zur ‘annaa yu’-fakoen!

75 De Messias, de zoon van Maria, was slechts een boodschapper; boodschappers vóór hem zijn overleden. En zijn moeder was een waarheidlievende vrouw. Zij waren beiden gewoon om voedsel te eten.a Zie hoe Wij de boodschap aan hen duidelijk maken! Zie dan, hoe zij zich afkeren!

 

76 Qul ‘ata’-budoena mindoenillaahi maa laa yamliku lakum zarranw-wa laa naf-‘aa? Wallaahu Huwas-Samie-‘ul-‘Aliem.

76 Zeg: Dienen jullie buiten Allāh iets dat voor jullie noch het slechte, noch het goede beheert? Allāh – Hij is de Horend, de Wetende.

 

77 Qul yaa-‘Ahlal-Kitaabi laa taghloe fie Dienikum ghayral-haqqi wa laa tattabi-‘oe ‘ahwaaa-‘a qawmin-qad zalloe min-qablu wa ‘azalloe kasieranw-wa zalloe ‘an-sawaaa-‘is-sabiel.

77 Zeg: O Mensen van het Boek, overdrijf niet op onterechte wijze inzake jullie religie en volg niet de lage verlangens van mensen die al eerder afdwaalden en die vele anderen deden afdwalen, en die afdwaalden van het rechte pad.a


67a. In Makkah waren de Qoeraisj de enige vijanden van de Profeet (s.a.w.). Zijn vlucht naar Madinah deed de problemen tienvoudig toenemen. De joden waren een machtig volk en wat duidelijke taal had hen tot de meest vreselijke vijanden gemaakt. Hetzelfde gold voor de christenen. Tegen die tijd, waren ook de andere stammen van Arabië door de Qoeraisj met succes overgehaald om hun kant te kiezen. Daarom wordt hier de belofte gedaan dat de Profeet (s.a.w.) Goddelijke bescherming zal genieten tegen de ontelbare gevaren die hem uit alle hoeken bedreigen, en tegen de talloze complotten tegen zijn leven. Maar er wordt hier ook verwezen naar de geestelijke bescherming van de Profeet (s.a.w.). In zijn commentaar op dit vers zegt R: "De ‘ismat, of bescherming van de profeten, is Allāh’s bescherming van hen. Op de eerste plaats door hun karakter een zuivere geest mee te geven (d.w.z. door hen zo te scheppen, dat zij van nature gezuiverd zijn van iedere zonde). Volgens door hen zowel lichamelijke als geestelijke uitmuntendheid toe te delen, dan door hun hulp te verlenen en hen standvastig te houden (tijdens beproevingen), dan door kalmte over hen te doen neerdalen en door hun harten te beschermen (tegen het kwaad)". RM geeft een vergelijkbare uitleg en zegt dat hun bescherming een bescherming is tegen de zonden van alle mensen.

68a. Dit is een zeer strenge veroordeling van het standpunt van de joden en de christenen. Zij hadden de Thora en het Evangelie niet in hun oorspronkelijke vorm bewaard. Zij handelden niet naar wat er was overgebleven van de oorspronkelijke leerstellingen van de profeten, en zij hechten geen belang aan de voorspellingen die hun eigen Boeken bevatten.

71a. Hoewel zij herhaaldelijk gewaarschuwd waren tegen de kwellingen die hun deel zouden worden, dachten zij nog steeds dat, omdat zij een begunstigde natie waren, zij niet bestraft zouden worden voor hun zondige daden. Zij werden onderworpen aan zware beproevingen in de handen van Nebukadnessar en de Babylonische heersers die hem opvolgden, waarbij grote aantallen gedood werden en de rest gevangen gezet. En zij leden opnieuw in de handen van Titus. Zie v. 78, waar van deze bezoeking gezegd wordt dat zij plaatsvond na David en Jezus.

71b. Dat Allāh zich barmhartig tot hen wendde, duidt op de komst van Jezus. Dat zij voor de tweede maal doof en blind werden, verwijst naar het feit dat zij hem afwezen.

72a. "Den Here, uw God, zult gij aanbidden, en hem alleen dienen" (Matt. 4:10).

73a. Er wordt hier duidelijk verwezen naar de welbekende christelijke leer van de Drieëenheid. Er moet worden opgemerkt dat de naam van Maria nooit genoemd wordt in verband met de leer van de Drieëenheid. Maar omdat de christenen, en vooral de rooms-katholieken, Maria een Goddelijke aard toekennen door haar te zien als de moeder van God, vermeldt de Qoer-ān regelmatig dat zij en Jezus gewone stervelingen waren.

73b. De joden werden gestraft omdat ze de profeten afwezen. Hier wordt de christenen verteld dat ook hen straf te wachten staat, omdat zij naar het andere uiterste zijn afgegleden door een sterveling te verheffen tot de waardigheid van Godheid. De leer van de verlossing heeft de christelijke wereld langzaam maar zeker God geheel doen vergeten. Materiële vooruitgang en de vergaring van wereldse macht, is nu hun enige zorg. Eerst wilden ze de hele wereld onderwerpen en, nu ze dat hebben bereikt, proberen ze elkaar in macht te overtreffen. In v. 14 en nogmaals in v. 64, en ook in een eerdere openbaring, is al duidelijk gesproken over de wederzijdse haat en de vijandigheid van christenen onder elkaar, als over een straf voor hun schending van het verdrag met Allāh: "En op die dag zullen Wij sommigen van hen laten optrekken tegen anderen" (18:99).

75a. Dat zowel Jezus als zijn moeder honger hadden en voedsel gebruikten, toont aan dat zij beiden gewone stervelingen waren. Elk levend ding heeft voedsel nodig; alleen het Opperwezen heeft er geen behoefte aan. Daar van Jezus duidelijk gezegd wordt dat hij voedsel at toen hij leefde, kon hij niet in leven blijven zonder voedsel. Zo ontkent dit vers ook de bewering dat Jezus nog in leven zou zijn.

77a. De ghoeloeww of overdrijving waarvan hier sprake is, verwijst naar de christelijke leer die een sterveling verheft tot de waardigheid van Godheid. De christenen wordt hier verteld dat, door deze leer tot basis van hun religie te maken, zij slechts een onjuiste leer hebben gevolgd die al werd gepredikt door een volk vóór hen. Recente kritieken hebben aangetoond dat de christenen slechts vroegere idolate naties hebben gevolgd in het toeschrijven van een zoon aan God. Dit onderwerp wordt volledig behandeld in The Sources of Christianity (De Bronnen van het Christendom) van de overleden Kwāja Kamal-ud-Din.

 

PARAGRAAF 11: Christelijke nabijheid tot de Islām

 

78 Lu-‘inallaziena kafaroe mim-Banie-‘Israaa-‘iela ‘alaa liesaani Daa-woeda wa ‘Iesabni-Maryam: zaalika bimaa ‘asaw-wa kaanoe ya-tadoen.

78 Degenen onder de Kinderen Israël die niet geloofden, werden vervloekt door de tong van David en Jezus, zoon van Maria. Dit was omdat zij ongehoorzaam waren en de grenzen overschreden.a

 

79 Kaanoe laa yatanaa-hawna ‘am-munkarin-fa-‘aloeh: Labi’-sa maa kaanoe yaf-‘aloen!

79 Zij weerhielden elkaar niet van de verfoeilijke dingen die zij deden. Waarlijk was het kwaadaardig wat zij deden.

 

80 Taraa kasieram-minhum yata-wallaw-nallaziena kafaroe. Labi’-sa maa qaddamat lahum ‘anfusu- hum ‘an-sagitallaahu ‘alayhim wa fil-‘azaabi hum gaalidoen.

80 Je ziet hoe velen van hen vriendschap sluiten met degenen die niet geloven. Kwaadaardig is het zeker wat hun zielen eerder voor hen stuurden, zodat zij Allāh onwelgevallig zijn, en in hun straf zullen zij verblijven.

 

81 Wa law kaanoe yu’-minoena billaahi wan-nabiyyi wa maaa ‘unzila ‘ilayhi mat-tagazoehum ‘awliyaaa-‘a wa laakinna kasieram-minhum faasiqoen.

81 En als zij zouden geloven in Allāh en de Profeeta en in wat aan hem is geopenbaard, dan zouden zij hen niet tot vrienden nemen, maar de meesten van hen zijn overtreders.

 

82 Latadji-danna ‘asjaddannaasi ‘adaa-watal-lil-laziena ‘aamanul-Yahoeda wallaziena ‘asj-rakoe: wa latadjidanna ‘aqrabahum-ma-wad-datal-lillaziena ‘aamanul-laziena qaaloe ‘innaa Nasaaraa: zaalika bi-‘anna minhum Qissie-siena wa Ruhbaananw-wa ‘annahum laa yas-takbiroen.

82 Je zal zeker zien dat de mensen het hevigst in haat tegen de gelovigen de joden zijn en de afgodsdienaren; en je zal zien dat degenen die het dichtst bij vriendschap met de gelovigen staan, degenen zijn die zeggen, Wij zijn christenen. Dat komt omdat er priesters en monniken in hun midden zijn en omdat zij niet trots zijn.a

 

83 WA ‘IZAA SAMI-‘OE maaa ‘unzila ‘ilar-Rasoeli taraa ‘a’-yunahum tafiezu minaddam-‘i mimmaa ‘arafoe minal-haqq. Yaqoe-loena Rabbanaa ‘aamannaa fak-tubnaa ma-‘asj-sjaahidien.

83 En wanneer zij horen wat er aan de Boodschapper is geopenbaard, dan zie je hun ogen overvloeien van tranen vanwege de waarheid die zij herkennen. Zij zeggen: Onze Heer, wij geloven, dus schrijf ons bij, bij de getuigen.a

 

84 Wa maa lanaa laa nu’-minoe billaahi wa maa djaaa-‘anaa minal-haqqi wa natma-‘u ‘any-yud-gilanaa Rabbunaa ma-‘al-qawmis-Saalihien.

84 En wat (voor een reden) hebben wij om niet te geloven in Allāh en in de Waarheid die tot ons is gekomen, terwijl wij vurig wensen dat onze Heer ons doet binnentreden samen met de rechtschapen mensen?

 

85 Fa-‘asaaba-humul-laahu bimaa qaaloe Djannaatin-tadjriemin-tahtihal-‘anhaaru gaalidiena fiehaa. Wa zaalika djazaaa-‘ul-Muh-sinien.

85 Dus beloonde Allāh hen voor wat zij zeiden met Tuinen waardoor rivieren stromen, om in te verblijven. En dat is de beloning voor de weldoeners.

 

86 Wallaziena kafaroe wa kazzaboe bi-‘Aayaa-tinaaa ‘ulaaa-‘ika ‘As-haabul-Djahiem.

86 En degenen die niet geloven en Onze boodschap afwijzen, dit zijn de gezellen van het vlammende vuur.


78a. Na Mozes spraken David en Jezus, die het grootste succes van het Israëlitische profeetschap in wereldlijke en spirituele glorie vertegenwoordigen, in onmiskenbare bewoordingen over de komst van de Heilige Profeet (s.a.w.). De vloek wordt hier gebruikt in haar oorspronkelijke betekenis, namelijk het verder verwijderd raken van Godelijke genade. Beide profeten hadden de joden ervoor gewaarschuwd, dat hun overtredingen vroegen om Goddelijke bestraffing en dat die hen snel zou overvallen als zij hun instelling en manieren niet veranderden. De verschillende tijdperken waarin zij leefden werden beide gevolgd door hevige rampspoed voor de joden. Rampspoed die kwam in de vorm van respectievelijk de plunderingen van de Babylonische koningen en de verwoesting die door Titus werd bewerkstelligd.

81a. In de Qoer-ān wordt met al-Nabi, ofwel de Profeet, altijd de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.) bedoeld. Hij wordt vaak genoemd en toegesproken als al-Nabi of al-Rasoel, de Profeet of de Boodschapper. Er wordt trouwens ook al in vroegere openbaringen naar hem verwezen met de Profeet of die Profeet (Joh. 1:21, 25). De joden beleden geloof in de Eenheid van God, en toch werkten zij samen met de idolate Qoeraisj om de Islām te ontwortelen, wat een puur monotheïstische religie was.

82a. De christenen stonden dichter bij de Islām dan de joden, niet alleen omdat de moeslims Jezus Christus aanvaardden als een profeet van Allāh, maar omdat er onder hen nog steeds veel mensen waren die Allāh vreesden en aanbaden – er waren priesters en miniken onder hen zoals het vers zegt. Het is een feit dat de christelijke houding ten opzichte van de Islām nooit zo vijandig was als de joodse. De Negus, keizer van Abbessinië, aanvaardde de Islām toen hij erover hoorde uit de mond van de moeslimemigranten in dat land. Heraclius stond welwillend tegenover de Islām en zelfs de christelijke afvaardiging van Nadjrān, tegen het einde van het leven van de Profeet (s.a.w.), was zo onder de indruk van de argumenten van de Profeet (s.a.w.), dat zij besloot geen moebāhalah met hem te hebben. Maar de woorden hier zijn van een meer profetische aard, en het is een feit dat in de vroege geschiedenis van de Islām, de christenen in Egypte, in Noord Afrika, in Syriė, in Perziė en in andere landen, de Islām in groten getalen aanvaarden, zodat veel van die gemeenschappen volkomen of overwegend moeslim werden. Ook op dit moment ontvangen de christenen de boodschap met een open hart, wanneer de Islām aan het Westen wordt voorgesteld.

83a. Dit verwijst naar de gelovige christenen. Een belangrijke persoon die tot deze groep behoorde was de Negus van Abbessinië. Tijdens de vroege dagen van de missie van de Profeet (s.a.w.), toen de moeslims gedwongen werden te vluchten uit Makkah vanwege de heftige vervolgingen van de Qoeraisj, vonden zij beschutting in zijn rijk. Zelfs daar werden zij gevolgd door een deputatie van hun vervolgers die, om de religieuze haat van de christelijke monarch tegen de dakloze moeslims op te zetten, de Negus voorhielden dat de vluchtelingen niet alleen de afgoden van de Arabieren afkeurden, maar ook geringschattend spraken over Jezus Christus. Toen de Negus de leider van de moeslims ter verantwoording riep voor deze aanklacht, las deze het deel van het hoofdstuk "Maria" voor, dat gaat over Jezus Christus. Deze woorden maakten zo’n indruk op de Negus, dat hij huilde en zei dat Jezus Christus niets meer was dan wat de Qoer-ān zei dat hij was. Dat hij zich vervolgens daadwerkelijk bekeerde tot de Islām, wordt duidelijk aangegeven door een begrafenisdienst die voor hem werd gehouden door de Heilige Profeet (s.a.w.), toen het nieuws van zijn dood Madinah bereikt (B. 23:4).

 

PARAGRAAF 12: Een waarschuwing – hardnekkige zonden van vroegere volkeren

 

87 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa tu-harrimoe tayyibaati maaa ‘ahallal-laahu lakum wa laa ta’-tadoe: ‘innallaaha laa yuhibbul-mu’-tadien.

87 O jullie die geloven, verbied niet de goede dingen die Allāh voor jullie wettig heeft gemaakt, en overschrijd de grenzen niet. Allāh houdt zeker niet van degenen die de grenzen overschrijden.a

 

88 Wa kuloe mimmaa razaqakumullaahu halaalan-tayyi-baa; watta-qullaa-hal-lazie ‘antum-bihie Mu’-minoen.

88 En eet van de wettige en goede (dingen) die Allāh jullie heeft gegeven en voldoe jullie plicht aan Allāh, in Wie jullie geloven.

 

89 Laa yu-‘aagizu-kumullaahu bil-laghwi fie ‘ay-maanikum wa laakiny-yu-‘aagizu-kum-bimaa ‘aqqattu-mul-‘aymaan: fa-kaffaa-ratuhoe ‘it-aamu asjarati masaa-kiena min ‘aw-sati maa tut-‘imoena ‘ahliekum ‘aw kiswatuhum ‘aw tah-rieru raqabah. Famallam yadjid fa-Si-yaamu salaasati ‘ayyaam. Zaalika kaf- faaratu ‘aymaanikum ‘izaa halaftum. Wah-fazoe ‘ay-maanakum. Kazaalika yu-bayyi-nullaahu lakum ‘Aayaa-tihie la-‘allakum tasj-kuroen.

89 Allāh zal jullie niet ter verantwoording roepen voor wat ijdel is in jullie geloften, maar Hij zal jullie wel ter verantwoording roepen voor het doen van weloverwogen geloften; de boetedoening hiervoora is het voeden van tien armen mensen met het gemiddelde (voedsel) waarmee jullie je families voeden, of hun kleding, of de bevrijding van een nek. Maar wie hier niet de middelen voor vindt moet drie dagen vasten. Dit is de boetedoening voor jullie geloften wanneer jullie zweren. En houd jullie aan je geloften.b Zo maakt Allāh zijn Boodschap aan jullie duidelijk, opdat jullie dank kunnen zeggen.

 

90 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘innamal-gamru walmay-siru wal-‘ansaabu wal ‘azlaamu ridj-sum-min ‘amalisj-sjaytaani fadj-taniboehu la-‘allakum toef-lihoen.

90 O jullie die geloven, bedwelmende middelen en kansspelen en (offeren aan) opgerichte stenen en (het verdelen door middel van) pijlena zijn slechts een onreinheid, het werk van de duivel; mijd het daarom, zodat jullie succesvol kunnen zijn.b

 

91 ‘Innamaa yuriedusj-Sjaytaanu ‘any-yoeqi-‘a bayna-kumul-‘adaawata wal-baghzaaa-‘a fil-gamri wal-maysiri wa yasuddakum ‘an-zikrillaahi wa ‘anis-Salaah: fahal ‘antum-mun-tahoen.

91 De duivel wenst slechts onderlinge haat en nijd te scheppen door middel van bedwelmende middelen en kansspelen, en (wenst) jullie weg te houden van het gedenken van Allāh en van de gebeden. Zullen jullie dan wegblijven?a

 

92 Wa ‘atie-‘ullaaha wa ‘atie-‘ur-Rasoela wah-zaroe: fa-‘intawallay-tum fa-lamoe annamaa ‘annamaa ‘alaa Rasoelinal-balaaghul-mubien.

92 En wees gehoorzaam aan Allāh en wees gehoorzaam aan de Boodschapper en wees op jullie hoede. Maar als jullie terugkeren, weet dan dat de taak van Onze Boodschapper slechts bestaat uit het duidelijk overbrengen van de boodschap.

 

93 Laysa ‘alal-laziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati yunaahun-fiemaa ta-‘imoe ‘izaa matta-qaw-wa ‘aamanoe wa ‘amilus-Saalihaati summattaqaw-wa ‘aamanoe summattaqaw-wa ‘ah-sanoe. Wallaahu yuhibbul-Muhsinien.

93 Degenen die geloven en goede daden doen treft geen blaam om wat zij eten,a wanneer zij aan hun plicht voldoen en geloven en goede daden doen, vervolgens aan hun plicht voldoen en geloven, en vervolgens aan hun plicht voldoen en goeddoen (aan anderen). En Allāh houdt van weldoeners.


87a. Deze woorden stellen niet alleen de zelfverloochening aan de kaak zoals die door christelijke monniken wordt beoefend, waar in de vorige paragraaf over wordt gesproken, maar ook de zelfonthouding van Goddelijke genade, door tot kwade en lakse gewoonten te vervallen. Zo wordt de moeslims aan de ene kant verteld dat zij niet de zelfopgelegde beperkingen van de christenen moeten volgen, terwijl zij er aan de andere kant tegen gewaarschuwd worden dat Goddelijke genade hen slechts ten deel zal vallen wanneer zij er ijverig naar streven.

89a. Het is verkeerd om te veronderstellen dat dit vers de boetedoening voor alle soorten geloften vereist. Wanneer het in de context van de voorgaande verzen gelezen wordt, blijkt dat de geloften waar hier naar verwezen wordt verband houden met eden, enz., waarmee men zichzelf verbiedt wat anderszins wettig is. Het gebod aan het eind van dit vers, houd jullie aan je geloften, geeft ook aan dat geloften over het algemeen niet geschonden kunnen worden. Daarom is boetedoening slechts dan toegestaan wanneer een mens, door middel van een gelofte, zichzelf van een wettig ding of van een geval van deugdzaamheid, zoals in 2:226. Het is verder evident dat het Boek dat de nadruk legt op de trouwe uitvoering van alle soorten afspraken, de schending van overeenkomsten die bevestigd waren met geloften niet kon toestaan.

89b. de zinsnede ihfazoe aimāna-koem kan op twee manieren worden geïnterpreteerd. Het betekent houd je aan je geloften, d.w.z. wees trouw aan je geloften wanneer je ze aflegt; en het betekent waak over je geloften, d.w.z. leg geen geloften af tenzij het dringend noodzakelijk is.

90a. Zie v. 3, en 3b, 3c.

90b. Dit vers geeft een absoluut verbod op alle bedwelmende dranken en kansspelen. Daarnaast onderwerpt het ze aan het verbod van v.3, door ze onder te brengen bij het offeren aan stenen opgericht voor afgoden en verdeling aan de hand van pijlen. Er wordt verhaald dat, toen dit vers werd geopenbaard, een omroeper in de straten van Madinah verklaarde dat wijn verboden was. In antwoord hierop werden alle kruiken wijn geleegd die aanwezig waren in de huizen van de moeslims, zodat de wijn door de straten vloeide (B. 46:20). Nooit in de geschiedenis van de wereld werd een zo diepverankerd kwaad als drank zo plotseling en toch zo volkomen uitgewist.

91a. Er wordt hier slechts een duidelijke reden gegeven waarom bedwelmende dranken en kansspelen verboden zijn. Elders wordt duidelijk gesteld dat er in bedwelmende middelen en kansspelen een grote zonde steekt (2:219).

93a. Dit vers gaat over degenen die stierven voordat het verbod werd uitgevaardig. Maar zelfs wanneer men het opvat als een verwijzing naar alle gelovigen, dan zou het nog niet het doen van dat wat onwettig is rechtvaardigen. Iemand die gelooft, goede daden doet, en aan zijn plicht voldoet, zal namelijk geen verboden ding benaderen. Door driemaal het geloof en de inachtneming van plicht te noemen, verwijst het vers naar de drievoudige plicht van de mens, nl. aan Allāh, aan hemzelf en aan anderen. Of, het woord geloven wordt herhaald om te verwijzen naar de uitvoering van het geloof in de praktijk.

 

PARAGRAAF 13: Onschendbaarheid van de Ka‘bah

 

94 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe la-yablu-wanna-kumullaahu bi-sjay-‘im-minas-saydi tanaa-luhoe ‘ay-diekum wa rimaa-hukum li-ya’-lamallaahu many-yagaa-fuhoe bil-ghayb: famani’-tadaa ba’-da zaalika falahoe ‘azaabun ‘aliem.

94 O jullie die geloven, Allāh zal jullie zeker beproeven met bepaald wild dat jullie kunnen bereiken met jullie handen en lansen, opdat Allāh zal weten wie Hem in het verborgene vreest. En voor wie de grenzen hierna nog overschrijdt is er een pijnlijke straf.

 

95 Yaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa taq-tulus-sayda wa ‘antum hurum. Wa manqatalahoe minkum-muta-‘ammidan-fadjazaaa-‘ummislu maa qatala minan-na-‘ami yahkumu bihie zawaa ‘adlim-minkum hadyam-baalighal-ka’-bati ‘aw kaffaa-ratun-ta-‘aamu masaa-kiena ‘aw ‘adlu zaalika siyaa-malli-yazoe- qa wabaala ‘amrih. ‘Afalaahu ‘ammaa salaf: wa man ‘aada fa-yantaqi-mul-laahu minh. Wallaahu ‘Aziezun-Zunti-qaam.

95 O jullie die geloven, dood geen wild terwijl jullie op bedevaart zijn.a En wie van jullie het opzettelijk doodt, compenseert dit met wat gelijk is aan wat hij heeft gedood, van het vee, naar het oordeel van twee rechtvaardige personen uit jullie midden, als een offer dat wordt gebracht naar de Ka‘bah, of de boetedoening hiervoor is het voeden van de armen of het gelijke ervan door te vasten, opdat hij het verderfelijke resultaat van zijn daad zal proeven. Allāh vergeeft wat er in het verleden is gebeurt, Allāh zal hem straffen. En Allāh is Machtig, Heer van de Vergelding.

 

96 ‘U-hilla lakum saydulbahri wa ta-‘aamuhoe mataa-‘allakum wa lis-say-yaarah; wa hurrima ‘alaykum saydul-barri maa dumtum huru-maa. Wattaqullaa-halaziena ‘i-layhi tuh-sjaroen.

96 Wettig voor jullie is het wild in de zeea en haar voedsel,b een voorziening voor jullie en voor de reizigers, en het wild van het land is voor jullie verboden zolang als jullie op bedevaart zijn, en voldoe jullie plicht aan Allāh, bij Wie jullie zullen worden samengebracht.

 

97 Dja-‘alal-laahul-Ka’-batal-Baytal-Haraama qi-yaamal-linnaasi wasj-Sjahral-Haraama wal-had-ya wal-qalaa-‘id. Zaalika lita-lamoe ‘annal-laahoe ya’-lamu maa fis-samaawaati wa maa fil-‘ardi wa ‘annallaaha bikulli sjay-‘in ‘Aliem.

97 Allāh heeft de Ka‘bah,a het Heilige Huis, een middel tot steun voor de mensen gemaaks,b en de heilige maand en de offers en de slachtoffers met (offer) kransen. Dat is opdat jullie zullen weten dat Allāh bekend is met alles wat er in de hemelen is en alles wat op aarde is, en dat Allāh de Weter is van alle dingen.

 

98 ‘I’-lamoe ‘annallaaha Sjadiedul-‘iqaabi wa ‘annallaaha Ghafoerur-Rahiem.

98 Weet dat Allāh streng met vergelden (van kwaad) en dat Allāh Vergevensgezind is, Barmhartig.

 

99 Maa ‘alar-Rasoeli ‘illalbalaagh. Wallaahu ya’-lamu maa tubdoena wa maa tak-tumoen.

99 De taak van de Boodschapper is slechts (de boodschap) over te brengen. En Allāh weet wat jullie openlijk doen en wat jullie verbergen.

 

100 Qul-laa yas-ta-wil-gabiesu wat-tayyibu wa law ‘a’-djabaka kas-ratul-gabies; fattaqul-laaha yaaa-‘ulil-‘al-baabi la-‘allakum tufli-hoen.

100 Zeg: Het goede en het slechte zijn niet gelijk, hoewel de overvloed aan het slechte jullie misschien zal behagen. Dus voldoe jullie plicht aan Allāh, o mensen met verstand, opdat jullie succesvol kunnen zijn.


95a. Het verbod om wild te doden tijdens de bedevaart dat wordt genoemd in vv. 94–96, is een teken van respect voor de veiligheid van de Ka‘bah (zie v. 97). In aanvulling daarop, is het ook een maatregel die, tijdens zo’n grote bijeenkomst, noodzakelijk is voor de veiligheid van het leven.

96a. Bahr wordt hier in een brede betekenis gebruikt, en met wild in de zee worden alle soorten waterdieren bedoeld, of dat water nu een zee, rivier, vijver of meer is.

96b. Het ta‘ām (lett. voedsel) van de zee wordt hier onderscheiden van haar wild, en betekent wat er gevonden wordt (op het land) omdat het is opgeworpen door de zee of door een rivier (B. 72:12). Het duidt ook op het voedsel dat door het water is achtergelaten nadat het zich heeft teruggetrokken, zodat men voor de vangst geen moeite hoeft te doen (Rz). Volgens I‘Ab betekent ta‘ām wat vanzelf sterft in het water – (het is toegestaan) tenzij stikt (B. 72:12).

97a. Ka‘bah, van ka‘ba, betekent het is opgezwollen of werd belangrijk, en wordt zo genoemd omdat ze zo belangrijk is. Het zou ook een profetische naam kunnen zijn, die aangeeft dat de Ka‘bah voor altijd aanzien zal hebben in de wereld. Al-Bait al-Harām (Het Heilige of Onschendbare Huis) is ook een van haar namen, en onder de Arabieren stond zij bekend als Bait Allāh, of het Huis van Allāh. Het eigenlijke gebouw is 55 voet bij 50 voet (16,75 m bij 15,25 m), maar het hele plein waarop het staat, 530 bij 500 voet (161, 5 m bij 152, 4 m).

97b. Dit is een aankondiging die voorspelt dat de Ka‘bah de mensheid altijd tot steun zal zijn of tot verblijfplaats zal dienen, en dat bedevaartgangers van over de hele wereld hier zullen samenkomen. De verwijzing naar de profetie wordt in de slotwoorden nader toegelicht: "Dat is opdat jullie zullen weten dat Allāh bekend is met alles wat er in de hemelen is en alles wat op aarde is"; dat wil zeggen, dat de vervulling van deze voorspelling in alle toekomstige tijdperken een teken zal zijn van de grote kennis van Allāh. Deze kondigde dit reeds aan in een tijd waarin de Ka‘bah nauwelijks bekens was buiten Arabië; zie 3:97a.

 

PARAGRAAF 14: Enige aanwijzingen voor moeslims

 

101 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa tas-‘aloe ‘an ‘asjaaa-‘a ‘in-tubda lakum tasu’-kum. Wa ‘in tas-‘aloe ‘anhaa hiena yunazza-lul-Qur-‘aanu tubda lakum. ‘Afal-laahu ‘anhaa: wallaahu Ghafoerun Haliem.

101 O juulie die geloven, vraagt niet naar de dingen die, als zij aan jullie bekend zouden worden gemaakt, jullie moeilijk zouden vinden; en wanneer jullie ernaar vragen wanneer de Qoer-ān wordt geopenbaard, dan zullen ze aan jullie bekend worden gemaakt. Allāh vergeeft dit; en Allāh is Vergevensgezind, Verdraagzaam.a

 

102 Qad-sa-‘alahaa qawmummin-qablikum summa ‘asbahoe bihaa kaafirien.

102 Een volk vóór jullie stelde inderdaad zulke vragen, en geloofde er dan toch niet in.a

 

103 Maa dja-‘alal-laahu mimbahie-ratinw-wa laa saaa-‘ibatinw-wa laa wasielatinw-wa laa haaminw-wa laakinnal-laziena kafaroe yaftaroena ‘alal-laahilkazib; wa ‘aksaruhum laa ya’-qiloen.

103 Allāh heeft geen Bahirah, voorgeschreven, of een sā’ibah of een wasila of een hāmi, maar degenen die niet geloven verzinnen een leugen tegen Allāh. En de meesten onder hen begrijpen niet.a

 

104 Wa ‘izaa qiela lahum ta-‘aalaw ‘ilaa maaa ‘anza-lal-laahu wa ‘ilar-Rasoeli qaaloe hasbunaa maa wadjad-naa ‘alayhi ‘aabaaa-‘anna. ‘Awa law kaana ‘aabaaa-‘uhum laa ya’-lamoena sjay-anw-wa laa yahtadoen.?

104 En wanneer tegen hen wordt gezegd, Kom tot wat Allāh heeft geopenbaard en tot de Boodschapper, zeggen zei: Wat wij bij onze vanderen vonden is afdoende voor ons. Wat! Zelfs terwijl hun vaderen niets wisten en geen leiding hadden!

 

105 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘alay-kum ‘anfusakum: laa yazurrukum-manzalla ‘izah-taday-tum. ‘Ilal-laahi mardji-‘ukum djamie-‘an-fa-yunabbi-‘ukum-bimaa kuntum ta’-maloen.

105 O jullie die geloven, pas op jullie zielen – degene die dwaalt kan jullie geen kwaad doen zolang jullie je op de juiste weg bevinden. Tot Allāh zulllen jullie allen terugkeren, dus zal Hij jullie bekendmaken met wat jullie hebben gedaan.

 

106 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe sjahaadatu baynikum ‘izaa hazara ‘ahadakumulmawtu hienal-wa-siyyatis-naani zawaa ‘adlim-minkum ‘aw ‘aaga-raani min ghayrikum ‘in ‘antum zarabtum fil-‘ardi-fa-‘asaa-batkum-musie-batulmawt. Tah-bisoena-humaa mim-ba’-dis-Salaati fa-yuqsimaani billaahi ‘inir-tabtum laa nasj-tarrie bihie samananw-wa law kaana zaa-qurbaa wa laa naktumu sjahaa-datallaahi ‘innaaa ‘izalla-minal-‘aasimien.

106 O juulie die geloven, wanneer de dood voor een van jullie dichtbij komt, roep dan, op het moment dat het testament wordt opgemaakt, twee rechtvaardige personen uit jullie midden op om te getuigen, of twee anderen uit het midden van anderen dan jullie, als jullie op reis zijn en het onheil van de dood jullie overvalt.a Jullie moeten hen na het gebed nog laten blijven. En wanneer jullie (aan hen) twijfelen, zullen zij beiden zweren bij Allāh (en zeggen): Wij zullen het voor geen prijs verhandelen, zelfs als het een familielid is, noch zullen wij de getuigenis van Allāh verbergen,b want dan zullen wij zeker zondaars zijn.

 

107 Fa-‘in ‘usira ‘alaaa ‘annahumas-ta-haqqaaa ‘isman fa-aaga-raani yaqoemaani maqaama-humaa minal-lazie-nastahaqqa ‘alay-himul-‘awla-yaani fa-yuqsimaani billaahi lasjahaa-datunaaa ‘ahaqqu minshahaa-datihimaa wa ma’-tadaynaaa ‘innaaa ‘izalla-minaz-zaali-mien.

107 Wanner het ontdekt wordt dat zij schuldig zijn aan een zonde, nemen twee anderen hun plaats in, uit het midden van degenen tegen wie de eerst twee de zonde hebben begaan; aldus zullen zij zweren bij Allāh : Zeer zeker is onze getuigenis meer waarheidsgetrouw dan de getuigenis van die twee, en wij hebben de grenzen niet overschreden, want dan zouden wij zeker onrechtvaardig zijn.

 

108 Zaalika ‘adnaaa ‘any-ya’-toe bisj-sjahaadati ‘alaa wadjhihaaa ‘aw yagaa-foe ‘anturadda ‘ay-maanum-ba’-da ‘ay-maanihim. Wattaqul-laaha wasma-‘oe: wallaahu laa yahdil-qawmal-faasiqien.

108 Zo is het waarschijnlijker dat zij een waarheisgetrouwe getuigenis af zullen leggena of vrezen dat andere geloften zullen worden gemaakt na hun geloften. En voldoe jullie plicht aan Allāh en gehoorzaam. En Allāh geeft geen leiding aan de mensen die overtreden.


101a. Daar de Islām rigoureuze praktijken, zoals een kloosterleven, ontmoedigde, verbood hij ook vragen met betrekking tot de details van vele punten die ertoe zouden leiden dat bepaalde praktijken verplicht zouden worden. Veel werd overgelaten aan de individuele wil, of aan de omstandigheden van een bepaalde tijd of plaats. De uitoefening van recht neemt een belangrijke plaats in binnen de Islām, en deze laat ruimschoots de ruimte aan verschillende naties en gemeenschappen om wetten voor zichzelf op te stellen, om zo nieuwe en veranderde situaties het hoofd te kunnen bieden. De Hadies toont aan dat ook de Profeet (s.a.w.) vragen omtrent details ontmoedigde, zodat een moeslim zijn eigen weg kon kiezen (B. 3:28, 29).

102a. Dit verwijst niet naar een volk in het bijzonder. De geschiedenis van voorgaande volkeren toont aan, dat deze bewering over het algemeen waar is.

103a. De bevrijding van bepaalde dieren ter ere van afgoden, was een gewoonte onder de Arabieren. Daar de Islām iedere vorm van afgoderij ontwortelde, wordt deze gewoonte hier veroordeeld. Behirah (van bahara, wat hij sneed of scheurde betekent) verwijst naar een vrouwtjeskameel waarvan het oor wordt ingescheurd. Wanneer een vrouwtjeskameel (volgens sommigen ook een ooi of een geit) of zeven, of tien) jongen had voortgebracht, werd de laatste daarvan, als het een mannetje was, geslacht. Als het echter een vrouwtje was, werd haar oor ingescheurd. Volgens anderen ging het om de moeder; ook zij werd uitgezonderd van de slacht en van het dragen van lasten (LL).

Sā’ibah (van sāba, wat het rende uit zichzelf betekent) betekent elk dier dat zonder toezicht wordt vrijgelaten te grazen. Volgens sommigen was het de moeder van een bahirah, ofwel een vrouwtjeskameel die, wanneer zij bij tien achtereenvolgende geboortes vrouwtjes had voortgebracht, vrij werd gelaten om te grazen waar zij wilde. Zij werd niet bereden noch gemolken (LL).

Wasilah (van wasala, d.w.z. hij verbond of bracht samen) betekent een geit die een tweeling heeft gebaard, een mannetje en een vrouwtje. Als er alleen een mannetje werd geboren, werd het geslacht voor de afgoden. Wanneer er alleen een vrouwtje werd geboren, dan hield men dat. Wanneer het mannetje en het vrouwtje echter als tweelingen werden geboren, dacht men dat het mannetje aan het vrouwtje was verbonden en werd hij daarom niet aan de goden geofferd (Rz).

Hāmi (van hamā-hoe, d.w.z. hij verbood of sloot het uit of beschermde of bewaakte het) betekent een mannelijke kameel waarvan de rug uitgesloten of verboden is (voor gebruik door een berijder of voor een last); die vrij gelaten wordt en die niet wordt gebruikt; wiens afstammelingen in de tweede graad vruchtbaar zijn geweest (LL).

106a. Het volgende verhaal wordt verteld in verband met dit vers. Twee broers, beide christenen, Tamim Dāri en ‘Adi, kregen door hun stervende moeslimcompagnon Boedail, in Syriė, een bezit toevertrouwd dat zij bij hun terugkeer in Madinah moesten overhandigden de rest van het bezit. De familieleden vonden een complete lijst die onthulde dat de gestolen kom onderdeel had uitgemaakt van het oorspronkelijke bezit. Zo werd aangetoond dat de getuigenis van de christelijke broers onwaar was geweest.

Dit verhaal bewijst ruimschoots dat tot aan de openbaring van dit hoofdstuk de betrekking tussen moeslims en christenen nog vriendelijk waren. Verder maakt het duidelijk dat de Heilige Qoer-ān de getuigenis van de volgelingen van een andere religie toelaat. 

106b. "De getuigenis van Allāh" staat voor de getuigenis die door Allāh is opgelegd, en die oprecht moet worden afgelegd.

 

PARAGRAAF 15: Christelijke liefde voor dit leven

 

109 Yawma yadjma-‘ullaa-hurrusula fa-yaqoelu maa zaaa ‘udjib-tum? Qaaloe laa ‘ilma lanaa : ‘innaka ‘Anta ‘Allaamul ghuyoeb.

109 Op de dag dat Allāh de boodschappers zal samenbrengen en zeggen: Hoe luidde het antwoord dat jullie kregen? Zij zullen zeggen: Wij hebben geen kennis. U bent immers de grote Kenner van het ongeziene.a

 

110 ‘Iz qaa-lallaahu yaa-‘Iessabna-Mar-yamazkur ni’-matie ‘alayka wa ‘alaa waalidatik. ‘Iz-‘ay-yattuka bi-roehil-qudus. Tukalli-munnaasa fil-mahdi wa kahlaa. Wa ‘iz ‘allam-tukal-Kitaaba wal-Hikmata wat- Tawraata wal-‘Indjiel. Wa ‘iz tagluqu minat-tieni ka-hay-‘atit-tayri bi-‘iznie fatanfugu fiehaa fatakoenu tayram-bi-‘iznie wa tubri-‘ul-‘akmaha wal-‘abrasa bi-‘iznie. Wa ‘iz tugridjul-mawtaa bi-‘iznie. Wa ‘iz kafaftu Banie-‘Israaa-‘iela ‘anka ‘iz dji’-tahum-bil-bayyi-naati faqaalal-laziena kafaroe minhum ‘in haazaaa ‘illaa sihrum-mubien.

110 Wanneer Allāh zal zeggen: O Jezus, zoon van Maria, gedenk Mijn gunsten aan jou en jouw moeder, toen Ik je sterkte met de Heilige Geest; jij hebt tot de mensen gesproken in de wieg en op hoge leeftijd, en toen Ik je het Boek en de Wijsheid leerde en de Thora en het Evangelie, en toen je, met Mijn toestemming uit klei iets vormgaf dat leek op een vogel en er toen inblies en het een vogel werd met Mijn toestemming; en je genas de blinden en de melaatsen met Mijn toestemming; en toen je de doden wekte met Mijn toestemming’a en toen Ik de Kinderen van Israël bij jou vandaan hield toen je tot hen kwam met duidelijke bewijzen – maar degenen onder hen die niet geloften zullen worden gemaakt na hun geloften. En voldoe jullie plicht aan Allāh en gehoorzaam. En Allāh geeft geen leiding aan de mensen die overtreden.

 

111 Wa ‘iz ‘aw-haytu ‘ilal-Hawaa-riy-yiena ‘an ‘aaminoe bie wa bi-Rasoelie: qaaloe ‘aamannaa wasj-had bi-‘annanaa Musli-moen.

111 En toen Ik aan de discipelen openbaarde en zei, Geloof in Mij en Mijn Boodschapper, zeiden zij: Wij geloven en getuigen ervan dat wij ons onderwerpenb.

 

112 ‘Iz qaalal-Hawaa-riy-yoena yaa-‘Iesabna-Maryama hal yas-tatie-‘u Rabbuka ‘any-yunazzila ‘alaynaa MAAA-‘IDATAM-minas-samaaa? Qaalatta-qullaaha ‘in-kuntum-Mu’-minien.

112 Toen de discipelen zeiden: O Jezus, zoon van Maria, is jouw Heer in staat voedsel uit de hemel tot ons te laten komen?a Hij zei: Voldoe jullie plicht aan Allāh, als jullie gelovigen zijn.

 

113 Qaaloe nuriedu ‘anna’-kula minhaa wa tatma-‘inna quloe-bunaa wa na’-lama ‘anqad sadaq-tanaa wa nakoena ‘alayhaa minasj-sjaa-hidien.

113 Zij zeiden: Wij verlangen ernaar ervan te eten, opdat wij rust vinden in onze harten en dat wij weten dat jij inderdaad de waarheid hebt gesproken tegen ons, en dat wij daar getuigen van kunnen zijn.

 

114 Qaala ‘Iesabnu-Maryamallaa-humma Rabbanaaa ‘anzil ‘alaynaa Maaa-‘idatam-minas-Samaaa-‘i takoenu lanaa ‘iedalli-‘awwa-linaa wa ‘aagirinaa wa ‘Aayatam-minka war-zuqnaa wa ‘Anta Gay-rur-raaziqien.

114 Jezus, zoon van Maria, zei: O Allāh, onze Heer, zend ons voedsel uit de hemel opdat het voor ons een eeuwig terugkerende vreugde zal zijna voor de eersten van ons en de laatsen van ons, en een teken van U, en geef ons onderhoud en U bent de Beste van de onderhouders.b

 

115 Qaa-lallaahu ‘innie munazzi-luhaa ‘alaykum. Famany-yakfur ba’-du minkum fa-‘innie ‘u-‘azzibu- hoe ‘ahadam-minal-‘aala-mien.

115 Allāh zei: Natuurlijk zal Ik het jullie sturen, maar wie van jullie daarna nog ongelovig is, zal Ik straffen met een straf waarmee Ik niemand onder de naties zal straffen.a


109a. De vraag is, aanvaardden degenen naar wie jij gestuurd bent jouw boodschap en hielden zij zich eraan, of was het anders? Het antwoord van de profeten is dat alleen Allāh wist hoe hun boodschap werd ontvangen, omdat zij niet konden zeggen in hoeverre de afwijzers schuldig waren en in hoeverre de aanvaarders van de boodschap er trouw aan bleven na de dood van de profeten.

110a. Zie 2:87a voor het gesterkt worden met de Heilige Geest; zie 3:46a voor het spreken in de wieg en op hoge leeftijd, en ook voor de betekenis van kahl; zie 3:49a, 49b en 49c voor de wonderen die hier worden besproken; zie 3:54b, 55a voor het weerhouden van de Israëlieten.

112a. Mā’idah komt van māda, wat twee betekenissen heeft: (1) het kwam in beweging, en (2) hij bevoordeelde of begunstigde hem. Volgens R betekent māda-ni hij gaf me voedsel, en mā’idah betekent zowel een tafel met voedsel erop als voedsel. Het betekent ook kennis, want kennis is de voeding voor het hart, zoals voedsel voeding is voor het lichaam (R). Een tafel zonder voedsel wordt niet mā’idah genoemd (LL).

114a. Het woord ‘Id wat hier gebruikt wordt, betekent feest, waarbij de letterlijke betekenis een steeds terugkerende blijdschap of bron van vreugde is.

114b. De passage lijkt te verwijzen naar het welbekende gebed voor dagelijks brood, wat Jezus schijnt te hebben toegevoegd aan het beroemde "Onze Vader" vanwege de aardse neigingen van zijn discipelen. Het wereldse voedsel is zonder twijfel in overvloed gegund aan de christenen, maar dit heeft hen beroofd van het hemelse voedsel. Vergelijk het met het gebed van de moeslims van het openingshoofdstuk, dat niet verlangt naar brood maar naar het juiste pad. De vorm van het gebed, dat het een steeds terugkerende vreugde zou moeten zijn, geeft duidelijk aan dat het gebed er niet was voor een tafel beladen met voedsel, zoals over het algemeen wordt aangenomen. Wat betreft het feit dat het neergezonden zou zijn uit de hemel, moet men niet vergeten dat in de taal van de Heilige Qoer-ān, alles van Allāh komt en naar de mensen wordt neergezonden. Vergelijk 15:21: "En er bestaat geen ding, of de rijkdom ervan bevindt zich bij Ons, en Wij zenden het niet neer of de hoeveelheid is bekend."

115a. Deze profetie wordt voor onze ogen vervuld. De verschrikkelijke rampen die de twee Wereldoorlogen aan de mensheid hebben gebracht, en vooral aan de christelijke volkeren, zijn ongekend in de geschiedenis van de mens – een straf waarmee Ik niemand onder de naties zal straffen. En waar is deze straf aan te wijten? De rampen waarmee de wereld vandaag te maken heeft, zijn te wijten aan de onzinnige race om brood en de rijkdom van deze wereld. Het verwaarlozen van de hogere waarden van het leven en het blind achter materiële welstand aanrennen, heeft de wereld al een verval gebracht dat niet eerder gezien is, en niemand weet wat voor catastrofe er nog in petto is voor de wereld.

 

PARAGRAAF 16: Valse doctrines geïntroduceerd na de dood van Jezus

 

116 Wa ‘iz qaa-lallaahu yaa-‘lesabna-Maryama ‘a-‘anta qulta linnaa-sittagizoenie wa ‘ummi-ya ‘ilaa-hayni min-doenil-laah? Qaala Sub-haanaka maa yakoenu lie ‘an ‘aqoela maa laysa lie bi-haqq. ‘In-kuntu qultuhoe faqad ‘alimtah. Ta’-lamu maa fie nafsie wa laaa ‘a’-lamu maa fie nafsik. ‘Innaka ‘Anta ‘Allaamul ghuyoeb.

116 En wanneer Allāh zal zeggen: O Jezus, zoon van Maria, heb jij tegen de mensen gezegd, Neem mij en mijn moeder als twee goden naast Allāh?a Hij zal zeggen: Glorie aan U! het was niet aan mij om te zeggen waar ik geen recht toe had. Als ik dat had gezegd, dan had U het zeker geweten. U weet wat zich afspeelt in mijn geest, en ik weet niet wat zich afspeelt in Uw geest. U bent immer de grote Kenner van het ongeziene.

 

117 Maa qultu lahum ‘illaa maaa ‘amarta-nie bihie ‘ani’-budullaaha Rabbie wa Rabbakum; wa kuntu ‘alay-him sjahiedam-maa dumtu fiehim. Falammaa ta-waffay-tanie kunta ‘Antar-Raqieba ‘alay-him: wa ‘Anta ‘alaa kulli sjay-‘in-Sjahied.

117 Ik heb hen niets anders verteld dan wat U mij had opgedragen: Dien Allāh, mijn Heer en jullie Heer; en ik was een getuige onder hen zolang als ik in hun midden verkeerde, maar toen U mij deed sterven, was U de Waker over hen. En U bent Getuige van alle dingen.a

 

118 ‘In-tu ‘azzib-hum fa-‘innahum ‘ibaaduk; wa ‘in-taghfir lahum fa-‘innaka ‘Antal-‘Aziezul-Hakiem.

118 Wanneer U hen straft, dan zijn zij waarlijk Uw dienaren; en wanneer U hen beschermt, dan bent U waarlijk de Machtige, de Wijze.a

 

19 Qaa-lallaahu haazaa yawmu yanfa-‘us-Saadiqiena Sidquhum; lahum Djannaatun-tadjrie min-tahti- hal-‘anhaaru gaa-lidiena fiehaaa ‘abadaa: Razi-yallaahu ‘anhum wa razoe ‘anh: Zaalikal- Fawzul-‘aziem.

119 Allāh zal zeggen: Dit is een dag dat hun waarheid de waarheidlievenden tot voordeel zal zijn. Voor hen zijn er Tuinen waardoor rivieren stromen om voor eeuwig daar te verblijven. Allāh is zeer verheugd over hen en zij zijn verheugd over Allāh. Dat is de geweldige verrichting.

 

120 Lil-laahie mulkus-samaawaati wal-‘ardi wa maa fiehinn: wa Huwa ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

120 Aan Allāh is het koninkrijk van de hemelen en de aarde en al wat zich daarin bevindt; en Hij is de Bezitter van macht over alle dingen.


116a. Door deze omschrijving, die stelt dat Maria door de christenen als een God wordt gezien, concluderen sommige christelijke critici van de Qoer-ān dat de leer van de Drieëenheid volgens de Qoer-ān bestaat uit drie personen – God, Jezus en Maria. Dit is echter een absoluut ongerechtvaardigde conclusie. Van Maria wordt zonder twijfel gezegd dat zij tot voorwerp van verering is gemaakt door de christenen, maar de leer van de Drieëenheid wordt hier niet genoemd. Ook wordt de Goddelijkheid van Maria niet genoemd, wanneer over de Drieëenheid gesproken wordt. De leer en praktijk van Mariaverering, zoals het door protestante polemisten wordt genoemd, is zeer bekend. In de catechismus van de Roomse Kerk zien we de volgende doctrines: "Dat zij waarlijk de moeder van God is, en de tweede Eva, door wie wij zegen en leven hebben ontvangen; dat zij de moeder van Medeleven is en vooral onze pleitbezorger; dat haar beeltenissen van een grootst mogelijk bruikbaarheid zijn" (Ency. Br. 11e ed., deel 17, p. 813). Er wordt ook gesteld dat op haar tussenkomsten direct een beroep wordt gedaan in de litanie. En verder, dat er bepaalde vrouwen waren in Trachië, Scythië en Arabië die de gewoonte hadden de maagd als godin te aanbidden, waarbij het aanbieden van een cake een van de kenmerken van hun aanbidding was. "Sinds de tijd van het concilie van Efeze (dat gehouden werd in 413 A.D.)", zegt dezelfde schrijver, "werd het tentoonstellen van figuren van de maagd met kind toegestaan als uitdrukking van orthodoxie … Het zou onmogelijk zijn om de geschiedenis van de groei van de Mariacultus, even groot in het oosten en het westen, te achterhalen na de beslissing in Efeze … Justinianus bespreekt haar pleitbezorging voor het Keizerrijk in een van zijn wetten, en hij schrijft haar naam op het hoge altaar in de nieuwe kerk van St. Sofia. Narses zoekt haar aanwijzingen op het slagveld. De Keizer Heraclius draagt haar beeltenis op zijn vaandel. Johannes van Damascus noemt haar een Oppermachtige vrouw aan wie de hele schepping onderworpen is vanwege haar zoon. Petrus Damiani herkent haar als de meest verheven van alle schepselen en spreekt met veel nadruk van haar als vergoddelijkt en toegerust met alle macht van hemel en aarde, zonder ons ras te vergeten." De christelijke wereld voelde in feite "de behoefte aan een bemiddelaar om met de echte bemiddelaar te onderhandelen", en zo werd Maria samen met Jezus verheven tot de troon van Goddelijkheid. De recente uitlating van de Paus met betrekking tot de lichamelijke Hemelvaart van Maria ondersteunt deze conclusie, en zal een nieuwe vraag oproepen voor de christelijke wereld of de Drieëenheid werkelijk bestaat uit God, Jezus en Maria?

117a. Dit vers bevat het overtuigende bewijs dat Jezus een natuurlijke dood stierf, en niet nu in leven is in de hemel. Hier zegt Jezus dat, zolang hij onder zijn volgelingen was, hij getuige was van hun overtuiging en dat hij niet het idee had dat zij in zijn Goddelijkheid geloofden. De logische conclusie van deze verklaring, is dat de foute leer van zijn Goddelijkheid pas na zijn dood is geïntroduceerd in het Christendom, nadat "U mij deed sterven"; zie verder 3:55a.

Er is een uitspraak van de Heilige Profeet (s.a.w.) vastgelegd waarin de Heilige Profeet (s.a.w.) over zichzelf spreekt met dezelfde woorden die hier in de mond van Jezus worden gelegd. Hij zei dat hij op de Dag van de Opstanding een paar mensen te zien zou krijgen, die tegen zijn leerstellingen waren ingegaan, en "Ik zou zeggen wat de rechtschapen dienaar zei: Ik was hun getuige zolang ik in hun midden verkeerde, maar toen U mij deed sterven, was U de Waker over hen" (B. 60:8).

Deze uitspraak toont duidelijk aan dat het na de dood van de Heilige Profeet (s.a.w.) was dat zijn volgelingen zijn leerstellingen verkeerd gebruiken, zoals het na de dood van Jezus was dat zijn volgelingen zijn leerstellingen verdraaiden.

Vergelijk Joh. 17:3: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus, die Gij gezonden hebt"; en Joh. 17:12: "Zolang ik bij hen was, bewaarde ik hen in Uw naam."

118a. De woorden taghfir la-hoem (hen beschermt of vergeeft) verwijzen naar de uiteindelijke bescherming die aan alle christelijke naties gegeven zal worden als zij de Islām aanvaarden. Als hier de vergeving van zonden bedoeld was, dan zou er verwezen zijn naar de Goddelijke eigenschappen die spreken van vergevensgezindheid en genade, zoals al-Ghafoer, al-Rahiem, d.w.z. Vergevensgezind, Barmhartig. In plaats van die eigenschappen worden al-‘Aziz, al-Hakim gebruikt, ofwel de Machtige, de Wijze. Deze wijzen er over het algemeen op dat er een groot doel bereikt zal worden en dat er een hervorming tot stand zal worden gebracht. Zo zegt Soedi, een van de eerste commentatoren, terwijl hij commentaar geeft op de woorden taghfir la-hoem: "Als U hen beschermt en zo van het Christendom overbrengt naar de leiding van de Islām" (IJ).