43- Az-Zoeghroef (Goud)

HOOFDSTUK 43 Az-Zoeghroef (GOUD)

GEOPENBAARD TE MAKKAH 7 paragrafen en 89 verzen

Algemene opmerkingen:
Dit is het vierde hoofdstuk van de Ha Miem- groep. De naam is ontleend aan de vermelding van goud in vs. 35, waar verklaard wordt, dat Allah een mens niet kiest wegens zijn overvloed van goud en zilver, maar wegens de grote eigenschappen van hoofd en hart. Het hoofdstuk begint, evenals alle hoofdstukken van deze groep, met een verklaring van de openbaring van de Heilige Qoer-An door de Almachtige Allah. Daarna verklaart het, dat ondanks de buitensporigheid der Arabieren, de herinnering hun niet onthouden wordt. De Goddelijke Eenheid wordt vervolgens verklaard, omdat die het hoofddoel is, dat de Goddelijke openbaring moet bevestigen. De tweede paragraaf is gewijd aan een veroordeling van de verschillende soorten van polytheïsme. De derde begint met een vermelding van Ibrahiem (a.s.), de vader van vele uitverkoren Allah’s, en na van de verwerping van de Heilige Profeet (s.a.w.) gewag te hebben gemaakt, beantwoordt die de tegenwerping, waarom geen invloedrijk of vermogend persoon uitverkoren werd om de Goddelijke boodschap over te brengen. Daarop volgt de vierde, die verklaart, dat slechte daden slechte gevolgen moeten hebben. De vijfde toont aan, hoe een groot regeerder als Farao verdelgd werd, toen hij Moesa (a.s.) bestreed en de zesde maakt melding vanIesa (a.s.) profeetschap en het bezwaar der afgodendienaars daartegen; er wordt hun medegedeeld, dat Iesa (a.s.) slechts een profeet was en dat zijn positie hun afgodendienst niet rechtvaardigt. De laatste paragraaf stelt de laatste toestand der twee partijen, de gelovigen en de ongelovigen, tegenover elkaar.

 

Paragraaf 1 Goddelijke Eenheid.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

 

1 Geloofde, Glorierijke Allah!

2 Beschouw het Boek, dat duidelijk maakt.

3 Waarlijk, Wij hebben het tot een Arabische Qoer-An gemaakt, opdat gij zou verstaan.

4 En waarlijk, het is in het oorspronkelijke van het Boek bij Ons, waarachtig verheven, vol van wijsheid. 1168

5 Wat! Zullen Wij de herinnering dan ganselijk van u afwenden, omdat gij een buitensporig volk zijt?

6 En hoe menig profeet hebben Wij onder de ouden gezonden.

7 En geen profeet kwam tot hen, of zij bespotten hem.

8 Derhalve verdelgden Wij degenen, die in moed sterker waren dan dezen, en het voorbeeld der ouden is voorafgegaan.

9 En indien gij hun vraagt: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, zullen zij zekerlijk zegen: De Machtige, de Wetende heeft ze geschapen:

10 Hij Die de aarde tot een rustplaats voor u maakte, en daarop wegen voor u maakte, opdat gij recht zou gaan,

11 En Hij Die water van de wolken nederzendt, overeenkomstig een maat; en Wij wekken daarmede een dood land op; alzo zult gij worden voortgebracht:

12 En Hij Die paren van alles geschapen heeft en voor u de schepen en het vee heeft gemaakt, dat gij berijdt,

13 Opdat gij stevig op hun ruggen zou zitten en aan de gunst van uw Heer zou gedenken, wanneer gij stevig daarop gezeten zijt, en zou zeggen: Glorie zij Hem, Die dit aan ons diensbaar heeft gemaakt en wij waren niet in staat het te doen,

14 En waarlijk, tot onzen Heer moeten wij wederkeren.

15 En zij schrijven Hem een deel Zijner dienaren toe; waarlijk, de mens is klaarblijkelijk ondankbaar.


1168 Oemm-oel-Kietaab betekent letterlijk moeder of oorspronkelijke van het Boek, en het openings- hoofdstuk van de Heilige Qoer-An staat ook onder dezen naam bekend, want het bevat in zijn wezen de gehele Qoer-An. Maar hier betekent het de oorspronkelijke bron, waaruit de Heilige Qoer-An komt, d.i. de Goddelijke Kennis.

 

 

Paragraaf 2 Het Polytheïsme veroordeeld.

 

16 Wat! Heeft Hij van wat Hij geschapen heeft, dochters tot Zich genomen en u uitverkoren om zonen te hebben?

17 En wanneer een hunner de tijding wordt gegeven van datgene, waarvan hij een gelijkenis voor de Weldadige Allah plaatst, wordt zijn gezicht zwart en hij is vol van razernij.

18 Wat! Datgene wat in versierselen is gemaakt en wat zich in twist niet verstaanbaar kan maken! 1169


1169 De Arabieren hadden hun godinnen en zij noemden de engelen dochters van Allah. Toch beschouwden zij de geboorte van een dochter als een ramp, gelijk in vs. 17 is vermeld. Vs. 18 geeft hun gedachten weer, of het doelt op de afgodsbeelden, die met versierselen waren bedekt.

 

 

19 En zij maken de engelen – degenen die de dienaren van de Weldadige Allah zijn – tot vrouwelijke (godheden). Wat! zijn zij getuigen van hun schepping geweest? Hun getuigenis zal opgeschreven worden en zij zullen worden ondervraagd.

20 En zij zeggen: Indien het de Weldadige Allah had behaagd, zouden wij hen nooit hebben aangebeden. Zij hebben er geen kennis van; zij liegen slechts.

21 Of hebben Wij hun vóór dit een boek gegeven, zodat zij daaraan vasthouden?

22 Neen! Zij zeggen: Wij vonden onze vaderen een godsdienst volgen en waarlijk, door hun voetstappen zijn wij geleid.

23 En zo zonden Wij vóór u geen waarschuwer in een stad, of degenen die een gemakkelijk leven leidden, zeiden: Waarlijk, wij vonden onze vaderen een godsdienst volgen, en waarlijk, wij zijn volgers van hun voetstappen.

24 (De waarschuwer) zei: Wat! al breng ik u ook een betere leiding dat wat gij uw vaderen vond volgen? Zij zeiden: Waarlijk, wij zijn degenen die niet in datgene geloven, waarmede gij gezonden zijt.

25 Derhalve legden Wij hun een vergelding op; en zie wat het einde der verwerpers was.

 

 

Paragraaf 3 Allah’s Keuze van een Profeet.

 

26 En toen Ibrahiem (a.s.) tot zijn oudere en zijn volk zei: Waarlijk, ik ben vrij van wat gij aanbidt.

27 Behalve Hem, Die mij geschapen heeft, want waarlijk, Hij zal mij leiden.

28 En hij maakte het tot een woord 1170 om onder zijn nakomelingschap voort te duren, opdat zij zouden terugkeren.

29 Neen! Ik heb hun en hun vaderen laten genieten, totdat de waarheid en een Apostel die (de waarheid) duidelijk maakte, tot hen kwamen.

30 En toen de waarheid tot hen kwam, zeiden zij: Dit is toverij, en waarlijk, wij zijn degenen die er niet in geloven.

31 En zij zeggen: Waarom werd deze Qoer-An niet tot een groot man van de twee steden geopenbaard? 117

32 Delen zij de genade van uw Heer uit? Wij delen hun levensonderhoud onder hen in het leven dezer wereld uit, en Wij hebben sommigen hunner in rang boven de anderen verheven, opdat sommigen hunner de anderen tot onderwerping zouden brengen; en de genade van uw Heer is beter dan wat zij vergaren. 1172


1170 D.i. de Goddelijke eenheid.

1171 De hier vermelde twee steden zijn Makkah en Taif. Zij wilden slechts een aanzienlijk man van de wereld volgen. Zo laag en werelds waren hun begeerten, dat zedelijke grootheid geen waarde in hun ogen hadden.

1172 D.w.z. gelijk er verschillen zijn in de uiterlijken toestand der mensen, zo er ook verschillen in hun geestelijke en morele eigenschappen, en Allah’s keuze voor het profeetschap hangt niet van rijkdommen af, maar van de innerlijke waarde.

 

 

33 En ware het niet vanwege het feit, dat alle mensen één klasse zouden zijn Wij zouden voor degenen die niet in de Weldadige Allah geloven, de daken hunner huizen en de trappen, waarlangs zij opklimmen, van zilver hebben gemaakt,

34 En de deuren hunner huizen en de rustbanken, waarop zij achterover leunen,

35 En van goud; en dit alles is niets dan een voorziening van het leven dezer wereld, en het hiernamaals is bij uw Heer slechts voor degenen die zich (voor het kwaad) hoeden.

 

 

Paragraaf 4 Een Middel om tot Grootheid te komen.

 

36 En wie zich van de gedachtenis van de Weldadige Allah afwendt, voor hem bestemmen Wij een duivel; derhalve wordt hij zijn metgezel. 1173

37 En waarlijk, zij wenden hen van het (rechte) pad af, en denken, dat zij recht geleid zijn.

38 Tot, wanneer hij tot Ons komt, hij zeggen zal: O, dat er tussen mij en u de afstand van het Oosten tot het Westen ware; 1174 en slechts is de metgezel!


1173 Zoals de daarop volgende woorden aantonen, is de duivel hier miemand anders dan de slechte vriend van de mens, die hem tot het kwade leidt.

1174 Het woord, dat ik door het Oosten en het Westen vertaal, is masjriqain, dat letterlijk betekent: de twee oosten. Maar het dubbele getal duidt in zulke gevallen vaak het genoemde voorwerp met zijn tegendeel aan.

 

 

39 En daar gij onrechtvaardig zijt geweest, zal het u heden niet baten, dat gij deelgenoten van de kastijding zult zijn.

40 Wat! kunt gij dan de dove doen horen of de blinde en hem die in duidelijke dwaling verkeert, leiden?

41 Maar indien Wij u wegnemen, zullen Wij hun dan nog een vergelding opleggen;

42 Veeleer zullen Wij u zekerlijk datgene tonen, wat Wij hun hebben beloofd; want waarlijk, Wij zijn de Bezitters van volle macht over hen. 1175

43 Derhalve, houd vast aan datgene wat tot u is geopenbaard; waarlijk, gij zijt op het rechte pad.

44 En waarlijk, het is een herinnering voor u en voor uw volk, en gij zult weldra worden ondervraagd.

45 En vraag dengenen Onzer apostelen, die Wij vóór u hebben gezonden: Hebben Wij ooit goden buiten de Weldadige Allah gemaakt om aangebeden te worden?


1175 In dit vers wordt de duidelijke belofte van straf, die de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.) tijdens zijn leven overviel, in krachtige bewoordingen verklaard.

 

 

Paragraaf 5 Farao’s Tegenstand aan Moesa (a.s.).

 

46 En voorzeker zonden Wij Moesa (a.s.) met Onze mededelingen tot Farao en zijn hoofden, en hij zei: Waarlijk, ik ben de apostel van de Heer der werelden.

47 En toen hij met Onze tekenen tot hen kwam, zie! (toen) lachten zij hen uit.

48 En Wij toonden hun een teken, maar het was groter dan zijn gelijke, 1176 en Wij grepen hen aan met de kastijding, opdat zij zouden terugkeren.


1176 Dit betekent, dat er grote tekenen werden getoond, waarvan elk groter was dan het voorgaande.

 

 

49 En zij zeiden: O tovenaar! Roep uw Heer om onzent- wil aan, gelijk Hij het verbond met u heeft gemaakt; wij zullen waarlijk de volgers van de rechten weg zijn.

50 Maar toen Wij de kastijding van hen wegnamen, zie! (toen) braken zij hun belofte.

51 En Farao verkondigde onder zijn volk: O mijn volk! Is het koninkrijk van Egypte niet mijn? En deze rivieren, die onder mij stromen? Ziet gij dan niet?

52 Neen! Ik ben beter dan deze persoon, die verachtelijk is en die nauwelijks duidelijk kan spreken:

53 Maar waarom zijn op hem geen armbanden van goud geplaatst, of waarom zijn met hem geen engelen als gezellen gekomen?

54 En hij zette zijn volk tot lichtzinnigheid aan en zij gehoorzaamden hem; waarlijk, zij waren een overtredend volk.

55 En toen zij Ons mishaagden, legden Wij hun een vergelding op en verdronken hen allen,

56 En Wij maakten hen tot iets dat voorbij is gegaan en een voorbeeld voor de latere geslachten,

 

 

Paragraaf 6 Iesa (a.s.) als Profeet.

 

57 En wanneer een beschrijving van de zoon van Marjam (r.a.) gegeven wordt, zie! (dan) heft uw volk daarop een getier aan.

58 En zij zeggen: Zijn onze goden beter of hij? 1177 Zij stellen het u niet voor, dan als twist; neen, zij zijn een twistgierig volk.

59 Hij was niets dan een dienaar, wie Wij een gunst hebben geschonken, en Wij hebben hem de kinderen Israëls tot voorbeeld gesteld.

60 En indien het Ons behaagd had, zouden Wij onder u zekerlijk engelen kunnen maken om regeerders in het land te zijn.

61 En waarlijk, het is de kennis van het uur; derhalve, twijfel er niet aan en volgt mij: dit is het rechte pad: 1178

62 En laat de duivel u niet hinderen; waarlijk, hij is uw openlijke vijand.

63 En toen Iesa (a.s.) met duidelijke bewijsgronden kwam, zei hij: Ik ben inderdaad met wijsheid tot u gekomen, en opdat ik u een deel van datgene waaromtrent gij verschuilt, duidelijk zal maken; derhalve, wees oppassend voor (uw plicht jegens) Allah en gehoorzaam mij:

64 Waarlijk, Allah is mijn Heer en uw Heer; derhalve, die Hem; dit is het rechte pad.

65 Maar de partijen onder hen verschilden; derhalve, wee over dengenen die onrechtvaardig waren, van wegen de kastijding van een pijnlijken dag.

66 Wachten zij op iets anders dan het uur, dat het onvoorziens over hen zal komen, terwijl zij (het) niet bemerken?


1177 Waarom, zeiden zij, zou hun nationale goden niet dezelfde eer worden bewezen, als de goden van een ander volk – namen niet de Christenen Iesa (a.s.) aan als Allah? Het antwoord hierop is in het daarop volgende vers vervat: Hij werd vereerd, niet omdat hij als een god werd beschouwd, maar omdat hij een uitverkoren dienaar van Allah was.

1178 Het verband toont duidelijk aan, dat het voornaamwoord er op de Heilige Qoer-An slaat; het betekent, dat de Heilige Qoer-An de kennis van het uur geeft, waarmee of de opstanding of de kastijding van zijn tegenstanders werdt bedoeld. Vatten wij het voornaamwoord hoe in innahoe op in de zin, dat het op Jezus slaat, dan betekent het, dat Iesa (a.s.) de kennis van de kastijding van het Israëlietische volk gaf, daar hij zijn laatste profeet was, en dat na dien de gave van het profeetschap van het huis Israëls weggenomen werd.

 

 

67 De vrienden zullen te dien dagen elkanders vijanden zijn, behalve degenen die zich (voor het kwaad) hoeden.

 

 

Paragraaf 7 De twee Partijen.

 

68 O Mijn dienaren! Er is heden geen vrees voor u, noch zult gij treuren,

69 Degenen die in Onze mededelingen geloofden en onderworpen waren:

70 Treed de tuin binnen, gij en uw vrouwen; gij zult gelukkig worden gemaakt.

71 Er zullen voor hen gouden schalen en drinkbekers worden rondgebracht, en daarin zal datgene zijn, waarnaar hun zielen smachten en (waarin) de ogen behagen zullen scheppen, en gij zult daarin wonen.

72 En dit is de tuin, die u als een erfenis is gegeven, wegens wat gij gedaan hebt.

73 Voor u zijn daarin, vele vruchten, waarvan gij zult eten.

74 Waarlijk, de schuldigen zullen in de kastijding der hel wonen.

75 Zij zal niet voor hen verminderd worden en zij zullen daarin wanhopen.

76 En Wij waren niet onrechtvaardig tegen hen, maar zijzelf waren onrechtvaardig.

77 En zij zullen uitroepen: O Malik! 1179 dat uw Heer een einde aan ons maken. Hij zal zeggen: Waarlijk, gij zult blijven.

78 Voorzeker hebben Wij u de waarheid gebracht, doch de meeste uwer hebben een afkeer van de waarheid.

79 Of hebben zij een zaak geschikt? Maar waarlijk, Wij zijn de Schikkers. 1180

80 Of denken zij, dat Wij niet horen wat zij verbergen en hun geheime besprekingen? Ja! En Onze boodschappers, bij hen, tekenen op.

81 Zeg: De Weldadige Allah heeft geen zoon; derhalve ben ik de eerste van degenen die dienen. 1181

82 Glorie zij de Heer der hemelen en der aarde, de Heer van de troon, boven wat zij beschrijven.

83 Derhalve, laat hen zich overgeven aan valse gesprekken en zich vermaken, tot zij hun dag ontmoeten, waarmede zij bedreigd zijn.

84 En Hij is het, Die Allah in de hemelen en Allah op de aarde is; en Hij is de Wijze, de Wetende.

85 En gezegend is Hij, aan Wie het koninkrijk der hemelen en der aarde en wat tussen beide is behoren, en bij Hem is de kennis van het vuur, en tot Hem zult gij worden wedergebracht.

86 En degenen die zij buiten Hem aanroepen, hebben geen macht van bemiddeling, behalve hij die van de waarheid getuigt, en zij kennen (hem). 1182

87 En indien gij u hun vraagt, Wie hen geschapen heeft, zullen zij zekerlijk zeggen: Allah. Vanwaar zijn zij dan afgewend?

88 En zijn geroep (is Gode bekend): O mijn Heer! Zij zijn mensen die niet geloven. 1183

89 Derhalve, wenu van hen af en zeg: Vrede, want zij zullen weldra te weten komen.


1179 Malik betekent letterlijk Meester. Hier duidt het de engel aan, die over de bewoners der hel gesteld is.

1180 D.i. hun plannen tegen de Heilige Profeet (s.a.w.) zullen hem geen kwaad doen, want alle zaken worden in waarheid door Allah geschikt.

1181 Het woord in is hier nafiejah (d.w.z. als een ontkenning bedoeld). Reeds het gebruik van de Goddelijken naam Rahmaan op deze plaats toont dat duidelijk aan; zie 19: 92. Het zoonschap is in tegenspraak met het Goddelijk attribuut rahmaniejjat.

1182 Hij die van de waarheid getuigt, is niemand anders dan de Heilige Profeet, (s.a.w.) en zij kenden hem goed, want hij was de A’mien die nooit had gelogen. Dit vers bevestigt in duidelijke bewoordingen niet alleen de bemiddeling van de Heilige Profeet (s.a.w.) ten behoeve van zijn volgelingen, maar zegt ons ook, dat een duidelijk bewijs van zijn bemiddeling gegeven zal worden, door zijn volgelingen tot grootheid te verheffen, terwijl zijn vijanden verslagen zijn, daar hun afgoden niet te hunnen behoeve kunnen voorspreken.

1183 Aldus stort de man zijn hart uit, de man die, na jaren van hard werken onder zijn volk en na onderworpen te zijn aan de scherpste vervolgingen, bevindt, dat zij een aanslag op zijn leven beramen. Hij bidt niet om hun verdelging, maar eenvoudig, opdat zij zullen geloven.