41- Ha Miem (Ha Miem of Foessila)

HOOFDSTUK 41 Ha Miem of Foessilat

GEOPENBAARD TE MAKKAH 6 paragrafen en 54 verzen

Algemene opmerkingen:
Dit hoofdstuk draagt de naam van zijn aanvangsletters, maar hierbij wordt het woord foessilat, d.i. duidelijk gemaakt, gevoegd om het van de andere hoofdstukken van dezelfde groep te onderscheiden. Het is het tweede hoofdstuk van de Ha miem– groep. Wat zijn thema, jaar van openbaring en verband met het vorige hoofdstuk betreft, de algemene opmerkingen over het vorige hoofdstuk is voldoende. De eerste paragraaf bevat een uitnodiging tot het aannemen van de waarheid; de tweede geeft een waarschuwing in geval van volharding bij het verwerpen; de derde maakt melding van de getuigenis der vermogens van de mens zelf tegen het verwerpen van de waarheid; de vierde toont aan, dat de gelovigen door inspiratie gesterkt worden; de vijfde wijst op de uitwerking van de openbaring, welke leven geeft aan degenen die zedelijk en geestelijk dood zijn, en de geestelijke ziekten van de mens geneest. De laatste paragraaf echter zegt ons, dat, indien men op al deze waarschuwingen en argumenten geen acht slaat, de kastijding onvermijdelijk is, van welker tekenen men getuige kan zijn in de geleidelijke verspreiding der waarheid.

 

Paragraaf 1 Uitnodiging tot de Waarheid.

 

Biesmiellaahier – Rahmaanier – Rahiem.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

1 Geloofde, Glorierijke Allah!

2 Een openbaring van de Barmhartige, de Genadevolle Allah:

3 Een Boek waarvan de verzen duidelijk zijn gemaakt, een Arabische Qoer-An voor een volk dat weet:

4 Een aankondiger van blijde tijdingen en een waarschuwer, maar de meeste hunner wenden zich af, zodat zij niet horen.

5 En zij zeggen: Onze harten zijn onder deksels voor datgene waartoe gij ons roept, en er is een zwaarte in onze oren, en een sluier hangt tussen ons en u; derhalve, werk, ook wij werken.1149


1149 De deksels van de harten, de zwaarte in de oren en het hangen van de sluiers zijn gebezigd eenvoudig om aan te duiden, dat zij de waarheid vastberaden verwierpen; zij besloten hun hart niet voor de waarheid te openen, opdat deze er niet in zou gaan, noch het oor er aan te lenen, opdat zij de prediking van de Heilige Profeet (s.a.w.) niet hoorden.

 

6 Zeg: Ik ben slechts een sterveling als gij; het is mij geopenbaard, dat uw Allah een enig Allah is; derhalve, volg de rechten weg naar Hem en vraag Zijn vergiffenis; en wee over de polytheïsme,

7 (Over) degenen die geen aalmoezen geven, en zij zijn degenen die niet in het hiernamaals geloven.

8 (Aangaande) degenen die geloven en het goede doen, zij zullen een beloning hebben, die nimmer zal worden afgesneden.

 

 

Paragraaf 2 De Waarschuwing.

 

9 Zeg: Wat! gelooft gij waarlijk niet in Hem, Die de aarde in twee tijdperken geschapen heeft, en plaatst gij gelijken nevens Hem? Dat is de Heer der werelden.

10 En Hij heeft daarop bergen op haar oppervlakte gemaakt, en Hij heeft daarop gezegend en daarop haar voedingsmiddelen gemaakt, in vier tijdperken: 1150 gelijkelijk voor degenen die zoeken.

11 Vervolgens richtte Hij Zich op de hemel en die is damp; 1151 en Hij zei daartoe en tot de aarde: Kom beide, gewillig of ongewillig. Beide zeiden: Wij komen gewillig.

12 Dan bepaalde Hij ze tot zeven hemelen in twee tijdperken, 1152 en openbaarde in iedere hemel zijn zaak; en Wij versierden de lagere hemel met schitterende sterren en (lieten die) bewaken; dat is het besluit van de Machtige, de Wetende.

13 Maar indien zij zich afwenden, zeg dan: Ik heb u voor een gesel gewaarschuwd, gelijk de gesel van Ad en Samoed.

14 Toen hun apostelen tot hen kwamen, van voor hen en van achter hen, zeggende: Dien niets dan Allah, zeiden zij: Indien het Onzen Heer had behaagt, zou Hij zekerlijk engelen hebben nedergezonden; derhalve waarlijk, wij zijn degenen die niet in datgene geloven, waarmede gij gezonden zijt.


1150 De hier genoemde tijdperken zijn dezelfde als die, welke elders vermeld zijn en duiden slechts zovele fasen aan, die een ding heeft doorlopen. Hier wordt ons gezegd, dat de aarde zes fasen heeft doorlopen. Zij wordt eerst beschreven als te zijn geschapen in twee tijdperken, d.w.z. zij heeft twee fasen doorlopen. De eerste fase was die, waarin zij in gloeiende toestand verkeerde en de tweede die, waarin een korst werd gevormd. Dan zijn er de vier fasen van vs. 10; het maken van bergen, en het zegenen van de aarde of het doen stromen van wateren en ten laatste de schepping van voedingsmiddelen daarop, waarin de schepping van het plantenleven in de derde fase en die van het dierlijk leven in de vierde vervat zijn.

1151 Die is damp. Dat is de eerste fase. Deze beschrijving van de hemel toont bovendien aan, dat de Heilige Qoer-An het met de toen heersende denkbeelden over de hemel niet eens was.

1152 De twee tijdperken voor het scheppen van hemellichamen komen overeen met de twee tijdperken voor het scheppen van de aarde in vs. 9. De laatste woorden van vs. 11 doelen er op, dat er in het ganse helal één wet heerst.

 

 

15 En aangaande Ad, zij waren ten onrechte hoogmoedig in het land, en zij zeiden: Wie is sterker in kracht dan wij? Zagen zij niet, dat Allah Die hen geschapen had, sterker was in kracht dan zij, en zij loochenden Onze mededelingen?

16 Derhalve zonden Wij over hen een hevige wind in onzalige dagen, opdat Wij hen de kastijding der schande in het leven dezer wereld zouden doen smaken; en de kastijding van het hiernamaals is zekerlijk schandelijker, en zij zullen niet geholpen worden.

17 En aangaande Samoed, Wij leidden hen, maar zij verkozen de dwaling boven de leiding; derhalve overviel hen de gesel ener vernederende kastijding om wat zij verdienden.

18 En Wij bevrijdden degenen die geloofden en zich (voor het kwaad) hoedden.

 

Paragraaf 3 Getuigenis van de Mens tegen Zichzelf.

 

19 En ten dage als de vijanden Allah’s tot het vuur verzameld zullen worden, zullen zij dan tot groepen worden gevormd.

20 Tot, wanneer zij daartoe komen, hun oren en hun ogen en hun lichaam tegen hen zullen getuigen omtrent wat zij gedaan hebben.

21 En zij zullen tot hun lichamen zeggen: Waarom hebt gij tegen ons getuigd? Zij zullen zeggen: Allah, Die elk ding heeft doen spreken, heeft ons doen spreken, en Hij heeft u in het eerst geschapen, en tot Hem zult gij worden wedergebracht,

22 En gij bedekte u niet, opdat uw oren en uw ogen en uw lichamen niet tegen u zouden getuigen, maar gij dacht, dat Allah het meeste van wat gij gedaan had, niet kende.

23 En dat was uw (boze) gedachte, die gij omtrent uw Heer dacht, die u in het verderf heeft gestort; derhalve zijt gij van degenen geworden, die verlorenen zijn.

24 En indien zij het geduldig uithouden, dan nog is het vuur hun woning, en indien zij om welwillendheid vragen, dan zijn zij niet onder degenen wie welwillendheid zal worden geschonken.

25 En Wij hebben voor hen gezellen bestemd, zodat zij hun schoon hebben doen toeschijnen wat vóór hen en wat achter hen is, en het woord is geen hen bewaarheid – onder de volken van djinn en mensen, die vóór hen zijn heengegaan – dat zij waarlijk verliezers zullen zijn.

 

Paragraaf 4 De Gelovigen gestrekt.

 

26 En degenen die niet geloven, zeggen: Luister niet naar dezen Qoer-An en maak drukte daarin, wellicht zult gij de overhand hebben.

27 Derhalve zullen Wij degenen die niet geloven, zekerlijk een gestrenge kastijding doen smaken, en Wij zullen hen zekerlijk belonen, om de boze werken die zij plachten te doen.

28 Dat is de vergelding der vijanden Allah’s – het vuur; voor hen zal daarin het huis van lang verblijf zijn; een vergelding omdat zij Onze mededelingen plachten te loochenen.

29 En degenen die niet geloven, zullen zeggen: Onze Heer! Toon ons degenen uit het midden van de djinn en de mensen, die ons verleid hebben, opdat wij hen onder onze voeten zullen vertrappen, zodat zij onder de laagste zullen zijn.

30 (Aangaande) degenen die zeggen: Onze Heer is Allah, en op de rechten weg blijven, op hen dalen de engelen neder, zeggende: Vrees niet, en treur ook niet, en ontvang de blijde tijdingen van de tuin, die u beloofd werd:

31 Wij zijn uw bewakers in het leven dezer wereld en in het hiernamaals, en gij zult daarin hebben wat uw zielen wensen en gij zult daarin hebben wat gij vraagt: 1153

32 Een onthaal van de Vergevensgezinde, de Genadige.


1153 Dit vers en het hieraan voorafgaande tonen duidelijk aan, dat de engelen in dit leven op de gelovigen nederdalen en hun de blijde tijding geven, dat zij geen vrees moeten hebben. Het is een dwaling te denken, dat deze komst van de engelen op het volgende leven betrekking heeft. 35) Juist in dit leven, wanneer de gelovigen vervolgd en onderdrukt worden en wanneer de machten des kwaads de bovenhand hebben, zijn die verzekeringen hoogst nodig.

 

 

Paragraaf 5 Uitwerking van de Openbaring.

 

33 En wie spreekt beter dan hij, die tot Allah roept, terwijl hij het goede doet en zegt: Waarlijk, ik ben (een) van degenen die zich onderwerpen?

34 En niet gelijk zijn het goede en het kwade. Weer (het kwade) af met wat best is, en zie! Hij, tussen wie en u vijandschap is, zal zijn, of hij een boezem vriend was.

35 En niemand wordt het geschonken, behalve dengenen die lijdzaam zijn, en niemand wordt het geschonken, behalve degene die een groot geluk hebben. 

36 En indien een inmenging van de duivel u kwaad berokkent, 1154 zoek een toevlucht bij Allah; waarlijk, Hij is de Horende, de Wetende.

37 En onder Zijn tekenen zijn de nacht en de dag en de zon en de maan; buig u niet voor de zon neder, noch voor de maan; en buig u neder voor Allah, Die ze geschapen heeft, indien gij Hem dient.

38 Maar indien zij hoogmoedig zijn, verheerlijken degenen die met uw Heer zijn, Hem toch gedurende de nacht en de dag, en zij zijn niet moede. (Siedjda)

39 En onder Zijn tekenen is dit, dat gij de aarde stil ziet, maar wanneer Wij er water op zenden, beweegt zij zich en zwelt op; waarlijk, Hij Die haar leven geeft, is de Gever van leven aan de doden; waarlijk, Hij heeft macht over elk ding. 1155

40 Waarlijk, degenen die aangaande Onze mededelingen van de rechten weg afdwalen, zijn voor Ons niet verborgen. Wat! is hij die in het vuur geworpen is, dan beter, of hij die ten dage der opstanding in veiligheid komt? Doe wat gij zult; waarlijk, Hij ziet wat gij doet.

41 Waarlijk, degenen die niet in de Herinnering geloofden, toen die tot hen kwam, … wen waarlijk, het is een Machtige Boek:

42 De valsheid zal daartoe niet komen, van vóór hem noch van achter hem; een openbaring van de Wijze, de Geloofde.

43 Er wordt u niets anders gezegd, dan wat inderdaad tot de apostelen vóór u gezegd werd; aarlijk, uw Heer is de Heer der vergiffenis en de Heer der pijnlijke vergelding.

44 En indien Wij die een Qoer-An in een vreemde taal hadden gemaakt, zouden zij zekerlijk hebben gezegd: Waarom zijn, zijn mededelingen niet duidelijk gemaakt? Wat! (is) een vreemde (taal) en het Arabisch (gelijk)? 1156 Zeg: Het is voor dengenen die geloven, een leiding en een geneesmiddel; en (aangaande) degenen die niet geloven, er is een zwaarte in hun oren en het is hun duister; dezen zullen van een ver verwijderde plaats worden toegeroepen.


1154 De duivel duidt hier de kwaadstichters aan, die de vooruitgang van de waarheid bemoeilijken.

1155 De uitwerking die de regen op de aarde heeft, wordt vergeleken bij de uitwerking van de Heilige Qoer-An op de harten der mensen, en aldus wordt de aandacht gevestigd op de getuigenis van de waarheid van de Heilige Qoer-An. Het woord doden in Gever van leven aan de doden, betekent degenen die geestelijk dood zijn.

1156 D.w.z. een vreemde taal zou het Arabisch in het gemakkelijk uitdrukken van gedachten niet kunnen evenaren. Maar A;djam betekent ook duister, terwijl Arabi datgene beduidt, wat duidelijk is gemaakt; bijgevolg kan deze plaats betekenen: En indien Wij deQoer-An duister hadden laten blijven. Enz. De eerste uitspraken van de Heilige Qoer-An aangaande het lot der verdorvenen, zijn meestal met metaforische taal omkleed en de alternatieve betekenis schijnt meer met het verband overeen te stemmen.

 

 

Paragraaf 6 Geleidelijke Verspreiding der Waarheid.

 

45 En voorzeker gaven Wij Moesa (a.s.) het Boek, maar zij verschilden daaromtrent; en indien er van uw Heer niet alrede een woord ware uitgegaan, het oordeel zou tussen hen zekerlijk gegeven zijn, en waarlijk, zij zijn in onrustbarende twijfel daaromtrent.

46 Wie het goede doet, het is voor zijn eigen ziel, en wie het kwade doet, het is tegen haar; en uw Heer is geenszins onrechtvaardig jegens de dienaren.

47 Aan Hem is de kennis van het uur overgedragen. En er komt geen van de vruchten uit haar omhulsels, noch is een vrouwelijk persoon zwanger, noch baart zij dan met Zijn kennis; en ten dage als Hij hun zal toeroepen. Waar zijn (degenen die gij) Mijn deelgenoten (hebt genoemd)? Zullen zij zeggen: Wij verklaren U, niemand onzer is een getuige.

48 En wat zij tevoren aanriepen zal van hen verdwijnen, en zij zullen zeker weten, dat er geen ontkomen voor hen is.

49 De mens is het nimmer moede om het goede te bidden en indien het kwade hem aanraakt, is hij dan wanhopig, hopeloos.

50 En indien Wij hem van Ons genade laat smaken na enig kwaad, dat hem heeft aangeraakt, zou hij zekerlijk zeggen: Dit is van mij, en ik denk niet, dat het uur zal geschieden, en indien ik tot mijn Heer word wedergezonden, zal ik bij Hem waarlijk het goede hebben; maar Wij zullen degenen die niet geloofden, zekerlijk inlichten omtrent wat zij gedaan hebben, en Wij zullen hen zekerlijk een harde kastijding doen smaken.

51 En wanneer Wij de mens een gunst betonen, wendt hij zich af en trekt zich terug; en wanneer een kwaad hem aanraakt, doet hij lange smeekbeden.

52 Zeg: Zeg mij, indien het van Allah komt en gij daarin niet gelooft, wie is in grotere dwaling dan hij, die in een verlengden wederstand is?

53 Wij zullen hun weldra Onze tekenen in afgelegen streken en onder hun eigen volk tonen, 1157 tot het hun gans duidelijk zal worden, dat het de waarheid is. Is het, wat uw Heer aangaat, niet genoegzaam, dat Hij van elk ding Getuige is?

54 Nu waarlijk, zij verkeren in twijfel omtrent de ontmoeting huns Heren; nu waarlijk, Hij omvat elk ding.


1157 Zowel de mensen van de grenzen van Arabië als die uit het midden der bewoners van Makkah zelf gevoelden zich tot de Islam aangetrokken. Dit was een duidelijk teken, dat de waarheid ondanks de scherpsten tegenstand vooruitging en dat een onzichtbare hand werkte tot steun van de Heilige Profeet; (s.a.w.) immers, was dat niet het geval geweest, dan zou de krachtige en vastberaden tegenstand, die zij ontmoette, de Islam totaal vernietigd hebben. Dat was een teken voor de bewoners van Makkah. Maar het woordafaq, d.i. grenzen of uiteinde der aarde of haar afgelegen zijden, toont aan, dat deze plaats betekent, dat de Islam zich tot in de verst verwijderde streken der aarde zal verspreiden, terwijl anfoesi-hiem, hun eigen volk of de Arabieren aanduidt. Wat hier verklaard wordt is dus dit, dat de Islam zich snel zal verspreiden, niet alleen in Arabië, maar ook in verafgelegen streken der aarde; deze voorspelling is vervat in een hoofdstuk, dat te Makkah werd geopenbaard, toen de Moeslims scherp vervolgd werden en de boodschap van de Islam ogenschijnlijk weinig hoop had, waar dan ook te worden aangenomen.