4- An-Nisaa (De Vrouwen)

 

HOOFDSTUK 4 Al-Nisā: De Vrouwen

GEOPENBAARD IN MADINAH: 24 paragrafen; 176 verzen

 

Dit hoofdstuk is De Vrouwen genoemd omdat het hoofdzakelijk gaat over de rechten van vrouwen.

 Het verband tussen het voorgaande hoofdstuk en dit hoofdstuk schuilt in het feit dat de hoofdstuk gaat over de slag bij Oehoed, terwijl dit hoofdstuk gaat over de omstandigheden die het gevolg waren van die strijd. De decimering van de moest worden. Het hoofdstuk opent met de plichten jegens deze twee groepen. De twee hoofdkenmerken van de slag bij Oehoed waren de dood van een groot aantal moeslims en de desertie van de hypocrieten. Hierop volgden omstandigheden die een definitieve breuk met de joden veroorzaakten. Het hoofdstuk behandelt deze drie onderwerpen.

De openingsparagraaf legt geboden vast met betrekking tot de plichten van voogden ten opzichte van de wezen die zij onder hun hoede hadden. De tweede paragraaf brengt de vrouw tot een gelijkwaardige status als de man en legt een nieuw erfrecht vast, want onder de Arabieren had een vrouw geen recht om het bezit van een overleden familielid te erven. De derde paragraaf gaat over de behandeling van vrouwen in het algemeen en wijst de gewoonte om vrouwen als deel van de erfenis op te eisen af. De vierde paragraaf bespreekt welke vrouwen niet gehuwd mogen worden, en de vijfde geeft hen het recht om over hun verdiensten te beschikken zoals zij dat willen. De zesde geeft eerst een oplossing in geval er onenigheid bestaat tussen echtgenoot en echtgenote. Vervolgens prent deze paragraaf het principe van liefdadigheid in het algemeen in, en introduceerd hij tegen het einde het onderwerp hypocrisie.

De zevende en achtste paragraaf leggen de nadruk op zowel uiterlijke als innerlijke zuiverheid, en geven aan hoe de joden de laatste van deze twee hadden verwaarloosd en hoe, om geen andere reden dan uit afgunst voor de moeslims, zij de kant hadden gekozen van de polytheïsten. Nadat de moeslims opgelegd is volkomen standvastig te zijn in hun rechtvaardigheid, worden we in de negende paragraaf naar de daden van de hypocrieten geleid. Deze hadden geweigerd het oordeel van de Profeet (s.a.w.) om erop uit te trekken om de vijand tegemoet te treden, te aanvaarden. Vervolgens wordt ons in paragraaf tien verteld dat de oorlog een zaak van leven en dood was voor de moeslims. De elfde paragraaf gaat over de houding van de hypocrieten, en de twaalfde toont aan hoe weifelaars behandeld moeten worden. De dertiende stelt vast wanneer en in hoeverre de moordenaar van een moeslim vergeven kan worden, want moeslims werden heel vaak vermoord als gevolg van verraad en hypocrisie. De veertiende toont aan dat moeslims die gedwongen waren tegen hun zin bij de vijand te blijven, geen blaam trof. De vijftiende waarschuwt moeslims ervoor niet door de strijd verrast te worden tijdens het opzeggen van hun gebeden. De zestiende en zeventiende paragrafen verwijzen naar geheime beraadslagingen van de hypocrieten. De achttiende veroordeelt afgoderij, omdat het de afgodvererende hypocrieten zijn waarover in de voorgaande paragrafen wordt gesproken, en zo wordt het onderwerp beëindigd.

Voorafgaand aan de introductie van het derde hoofdonderwerp in dit hoofdstuk, kent de negentiende paragraaf een terugkeer naar de rechtvaardige behandeling van wezen en vrouwen, en in de twintigste paragraaf wordt dit onderwerp gegeneraliseerd. In dezelfde paragraaf worden ook de hypocrieten onder de joden behandeld. De volgende voorspelt hun einde en toont op hetzelfde moment aan, dat geloof in de voorgaande profeten hen geen goeddoet, als zij de Heilige Profeet (s.a.w.) afwijzen. De tweeëntwintigste paragraaf gaat over hun overtredingen en over hun valse beweringen betreffende de dood van Jezus aan het kruis. De drieëntwintigste paragraaf vertelt hun dat de gehele voorgaande profetie wees op de komst van de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.). Na een korte verwijzing naar de christelijke vergissing om Jezus te vergoddelijken, eindigt de laatste paragraaf met een terugkeer naar het onderwerp erfenis.

 Daar dit hoofdstuk veel van de vragen behandelt die voortkwamen uit de slag bij Oehoed, lijkt er weinig twijfel te bestaan aan het feit dat het direct na de volgorde van geopenbaard. En dus volgt het zowel in de rangschikking alsook in de volgorde van openbaring op het voorgaande hoofdstuk. Het grootste deel ervan hoort dus thuis in het vierde jaar van de Hidjrah, terwijl er geen reden is om te ontkennen dat sommige delen al tegen het einde van het derde of aan het begin van het vijfde jaar werden geopenbaard. Noeldeke’s suggestie echter, dat vv. 115–125 en 130–132 tot de Makkah-openbaring behoren, is volkomen verkeerd. Dit is slechts gebaseerd op het feit dat deze verzen "op een vriendelijke manier refereren" aan de joden. Echter, zoals aangetoond wordt is 3:115a en elders, was de Heilige Profeet (s.a.w.) zelfs rechtvaardig tegenover de joden wanneer zij zeer onvriendelijk tegen hem waren. De verzen waaraan gerefereerd wordt, behoren daarom tot het vierde of vijfde jaar van de Hidjrah.


PARAGRAAF 1: Plichten van Voogden ten opzichte van wezen

 

Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 Yaaa-‘ayyuhan-naasut-taqoe Rabbakumullazie galaqakum-min-Nafinw-waahida-tinw-wa galaqa minhaa zawdjahaa wa bassa minhumaa ridjaalan-kasieranw-wanisaaa-‘aa. Wattaqullaa hallazie tasaaa-‘aloena bihie wal-‘arhaam: ‘Iennallaaha kaana ‘alay-kum Raqiebaa.

1 O mensen, voldoe jullie plicht aan jullie Heer, Die jullie schiep[ uit een enkel wezen en Die zijn partner schiep uit dezelfde (soort),a en vanuit deze twee vele mannen en vrouwen verspreidde.b En voldoe jullie plicht aan Allāh, in Wiens naam jullie bij elkaar (je recht) opeisen, en (aan) de banden van verwantschap.c Waarlijk is Allāh immer een Waker over jullie.

 

2 Wa ‘aatul-yataamaaa ‘amwaalahum wa laa tatabaddalul-gabiesa bit-tayyib. Wa laa ta’-kuloe amwaala-hum ‘ilaaa ‘amwaalikum. ‘Innahoe kaana hoeban-kabieraa.

2 En geef de wezen hun bezittingen, en vervang hun goede (dingen) niet door waardeloze (dingen), en neem hun bezittingen niet om jullie eigen bezit (te vergroten). Dit is zeker een grote zonde.a

 

3 Wa ‘in giftum ‘allaa tuqsitoe fil-yataamaa fan-kihoe maa taaba lakum-minannisaaa-‘i masnaa wa sulaasa wa rubaa. Fa-‘in giftum ‘allaa ta’-diloe fawaa-hidatan ‘aw maa malakat ‘aymaanukum. Zaalika ‘adnaaa ‘allaa ta-‘oeloe.

3 En wanneer jullie bang zijn dat jullie de wezen geen recht kunnen doen, trouw dan vrouwen die jullie goeddunken, twee of drie, of vier; maar als jullie vrezen dat jullie niet rechtvaardig zullen zijn, (trouw er) dan maar één of degene in het bezit van jullie rechterhanden. Dit is fatsoenlijker zodat jullie geen onrecht zullen doen.b

 

4 Wa ‘aatun-nisaaa-‘a saduqaa-tihinna nihlah; fa-‘in-tibna lakum ‘an-sjay-‘im-minhu nafsan-fakuloehu hanie-‘ammarie-‘aa.

4 En geef vrouwen hun bruidsschat als een geschenk. Maar als het henzelf behaagt jullie een deel ervan te geven, verbruik het dan met plezier en genoegen.a

 

5 Wa laa tu’-tussufahaaa-‘a ‘amwaala-kumullaatie dja-‘alallaahu lakum qiyaamanw-war-zuqoehum fiehaa waksoehum wa qoeloe lahum qawlam-ma’-roefaa.

5 En draag jullie bezittingen, die Allāh tot een (middel ter) ondersteuning voor jullie heeft gemaakt,a niet over aan degenen die zwak van begrip zijn, en onderhoud hen ervan,b en kleed hen en geef hun een goede scholing.c

 

6 Wab-talul-yataamaa hattaaa ‘izaa balaghun-nikaah; fa-‘in ‘aanastum-minhum rusjdan-fadfa-‘oe ‘ilay-him ‘amwaalahum; wa laa ta’-kuloehaaa ‘israfanw-wa bidaaran ‘any-yakbaroe. Wa man-kaana gha- niyyan-fal-yasta’-fif. Wa mankaana faqieran-fal-ya’kul bilma-roef. Fa-‘izaa dafa’-tum ‘ilay-him ‘am-waalahum fa-‘asj-hidoe ‘alayhim: wa kafaa billaahi Hasiebaa.

6 En beproef de wezen tot zij de huwbare leeftijd hebben bereikt.a Draag dan, wanneer jullie een volgroeid intellect in hen ontwaren, hun bezittingen aan het over, en verbruik het niet verkwistend en haastig terwijl zij opgroeien.b En wie rijk is, laat die zich ervan onthouden, en wie arm is, laat die het op redelijke wijze verbruiken.c En wanneer jullie hun bezittingen overdragen, roep dan getuigen in hun aanwezigheid. En Alh is afdoende als Rekenaar.

 

7 Lir-ridjaali nasiebum-mimmaa tarakal-waalidaani wal-‘aqraboena, wa linnisaaa-‘i nasiebum-mim- maa tarakalwaalidaani wal-‘aqraboena mimmaa qalla minhu ‘aw kasur-nasiebam-mafroedaa.

7 Voor mannen is er een deel van wat de ouders en naaste verwanten nalaten, en voor vrouwen een deel van wat de ouders en naaste verwanten nalaten, of het nu weinig is of veel – een vastgesteld deel. a

 

8 Wa ‘izaa hazaral-qismata ‘ulul-qurbaa wal-yataamaa walmasaakienu far-zuqoehum-minhu wa qoeloe lahum qawlamma’-roefaa.

8 En wanneer er familiea aanwezig is bij de verdeling, en de wezen en de behoeftigen, schenk hun een deel hiervan en spreek vriendelijke woorden tot hen.

 

9 Wal-yag-sjallaziena law tarakoe min galfihim zurriyyatan-zi-‘aafan gaafoe ‘alayhim: fal-yattaqullaa- ha walyaqoeloe qawlan-sadiedaa.

9 En laat degenen vrezen die, mochten zij een zwak nageslacht achterlaten, zich zorgen maken over hen; dus laat hen hun plicht aan Allāh in acht nemen en laat hen juiste woorden spreken.

 

10 ‘Innallaziena ya’-kuloena ‘amwaalal-yataamaa zulman ‘innamaa ya’-kuloena fie butoenihim Naa- raa: Wa sa-yaslawna sa-‘ieraa.

10 Degenen die op onrechtvaardige wijze de bezittingen van wezen verteren, vullen hun buiken slechts met vuur. En zij zullen branden in een vlammend vuur.


1a. "Het woord nafs wordt in de taal van de Arabieren op twee manieren gebruikt. Ten eerste kan men charadjat nafsoe-hoe zeggen, waarbij in nafs de ziel besloten zit. Volgens de tweede manier, is de betekenis van nafs het geheel van een ding en de essentie ervan" (T). Op deze laatste manier wordt de schepping van partners beschreven in de Heilige Qoer-ān. Zo is de juiste vertaling van nafs bij dergelijke gelegenheden soort, waarmee de essentie wordt bedoeld. Dit wordt duidelijk gemaakt in 16:72: "En Allāh heeft uit jullie midden echtgenotes gemaakt voor jullie" (Ar. min anfoesi-koem), d.w.z. van dezelfde soort en essentie als jullie zelf zijn. Sommige commentatoren hebben dit als de betekenis opgevat, d.w.z. Hij schiep zijn partner uit dezelfde soort (AH, Rz). Hasan verklaart de woorden hier ook als van dezelfde soort (AH over 7:189).

Hoe de eerste mens geschapen werd is niet vastgelegd in de Qoer-ān noch in de Hadies, noch is de stelling in de Bijbel aanvaard, dat Eva geschapen is uit een rib van Adam. De moeslims aanvaarden niet dat de mens zesduizend jaar geleden geschapen is. De Imāmijjah aanvaarden de traditie dat Allāh dertig Adams schiep vóór onze vader Adam, en een Sji’ah Imām is zelfs zover gegaan te beweren dat er honderdduizenden Adams geschapen werden vóór onze Adam (RM). De moeslims aanvaarden ook niet dat onze wereld de enige wereld is in het universum; van een Imām is opgetekend dat hij heeft gezegd dat er in Allāh’s universum twaalfduizend systemen zijn die elk groter zijn dan ons zonnestelsel (RM).

De woorden die hier voorkomen – Die jullie schiep uit een enkel wezen en Die zijn partner schiep uit dezelfde (soort) – verklaren slechts de eenheid van het menselijk ras en de gelijkheid van de man en de vrouw. Elders wordt ons verteld dat voor jullie allen echtgenotes zijn geschapen uit jullie midden: "En Allāh heeft uit jullie midden echtgenotes gemaakt voor jullie" (16:72).

1b. "Vele mannen en vrouwen" ontstaan uit getrouwde stellen. Het vers verwijst niet noodzakelijkerwijs naar een enkel ouderpaar van de gehele mensheid. Het lijkt de onderlingende bedoeling te zijn om mensen te herinneren aan de sterkte van familiebanden, een idee wat duidelijk wordt uitgedrukt in wat volgt.

1c. Het originele woord is arhām, meervoud van rihm, wat baarmoeder betekent of de plaats van oorsprong van de jongeren; vandaar verwantschap, door sommigen beperkt tot verwantschap slechts van de vrouwelijke kant, of familiebanden (T, LL).

2a. De zorg voor de wees was een van de eerste geboden die de Islām gaf, en de Profeet (s.a.w.) toonde altijd een diepe bezorgdheid voor het welzijn van de armen en de wezen. Zie 2:220a, 220b, en ook 90:15, 16, waar de zorg voor de wees en "de arme liggend in het stof" beschreven wordt als een zware taak, maar een die volbracht moet worden. Het onderwerp wordt hier gedetailleerd geïntroduceerd omdat het aantal weze door de oorlog enorm was toegenomen.

3a. Deze passage staat polygamie onder bepaalde omstandigheden toe. Zij beveelt het niet, noch staat zij het onvoorwaardelijk toe. Er kan worden opgemerkt dat de uitleg van deze passage, zoals deze over het algemeen wordt begrepen, gebaseerd is op een verslag opgenomen in de Moeslim. Volgens dit verslag begreep ‘A’isjah dat dit vers betekende, dat als de voogden van weesmeisjes bang waren dat zij hen geen recht zouden doen door hen te trouwen, zij andere vrouwen moesten trouwen. Zelfs als dit verslag als authentiek wordt beschouwd, vereist deze uitleg dat er in de passage een aantal woorden worden tussengevoegd, die het origineel niet bevat. Aangezien de betekenis veel duidelijker is, en meer in overeenstemming met de context, zonder de toevoeging van deze woorden, verdient de hieronder gegeven interpretatie de voorkeur. Er wordt toegegeven dat dit hoofdstuk geopenbaard werd om de moeslims van leiding te voorzien in de omstandigheden die volgden op de slag bij Oehoed en het vorige hoofdstuk gaat over die slag. In die slag nu, waren zeventig van de zevenhonderd moeslims vermoord, en deze decimering had het aantal mannen sterk teruggebracht. Mannen die, als kostwinners, de natuurlijke beschermer en begeleiders van de vrouwen waren. Het aantal zou waarschijnlijk nog verder teruglopen in de slagen die nog gevochten moesten worden. Zo zouden er veel wezen worden achtergelaten onder de hoede van weduwen, die het moeilijk zouden vinden in het noodzakelijke onderhoud te voorzien. Vandaar dat het moeslims in het eerste vers van dit hoofdstuk wordt opgelegd de familiebanden te respecteren. Aangezien zij allen van één voorouder stamden, wordt het begrip familiebanden in zoverre verbreed, dat hen gezegd wordt dat zij in feite allen familie van elkaar zijn. In het tweede vers wordt de zorg voor wezen in het bijzonder opgelegd. In het derde vers wordt ons gezegd dat, als zij geen recht konden doen aan de wezen, zij de weduwen zouden kunnen trouwen, wier kinderen zo hun eigen kinderen zouden worden. Aangezien het aantal vrouwen nu veel groter was dan het aantal mannen, was het hun toegestaan zelfs twee, drie of vier vrouwen te trouwen. Het is dus duidelijk dat de toestemming om meer echtgenotes te hebben, werd verleend in het licht van de bijzondere omstandigheden waarin de moeslimgemeenschap in die tijd verkeerde. De daad van de Profeet (s.a.w.) weduwen te trouwen, alsook het voorbeeld van velen van zijn metgezellen, ondersteunt deze verklaring. In deze passage wordt ook het trouwen met weesmeisjes goedgekeurd, omdat er in het geval van weesmeisjes dezelfde problemen waren als in het geval van weduwen en de woorden dragen een algemene betekenis. Zie ook 127a.

Er kan aan worden toegevoegd dat polygamie in de Islām zowel in theorie als in de praktijk een uitzondering vormt, en niet een regel. Als uitzondering is het een oplossing voor veel van de kwaden die vooral voorkomen in de Westerse samenleving. Polygamie was niet alleen in bepaalde gevallen noodzakelijk vanwege het overwicht van het aantal vrouwen over mannen, maar ook vanwege een verscheidenheid aan andere omstandigheden, die niet alleen gerelateerd zijn aan de morele welstand van de samenleving, maar ook aan de fysieke welstand. Prostititie, het grote kwaad van de beschaving – een echt kankergezwel met zijn bijkomende aanwas van bastaards – is bijna onbekend in landen waar polygamie is toegestaan als een helende maatregel.

3b. Met degene in het bezit van jullie rechterhanden worden de vrouwen bedoeld die gevangen genomen waren in de oorlog. De Qoer-ān staat in dit vers huwelijken met hen toe. Zie 25a voor de voorwaarden voor zo’n huwelijk, waar duidelijk is vastgelegd dat een huwelijk met een krijgsgevangene alleen toegestaan is, als men het zich niet kan veroorloven om vrije, gelovige vrouwen te trouwen.

4a. Het woord dat hier wordt gebruikt is sadoeqāt, mv. van sadoeqah (van sidq, wat waarheid betekent), en dit betekent bruidsschat of een huwelijksgeschenk. Sadaqah met als betekenis liefdadigheid is een ander woord van dezelfde stam. Andere woorden die gebruikt worden voor bruidsschat zijn mahr en soedāq. Het is noodzakelijk dat aan iedere vrouw die ten huwelijk wordt genomen een "bruidsschat" wordt gegeven, of ze nu een vrije vrouw is, een weesmeisje, of een krijgsgevangene. Elke vrouw begint dus haar getrouwde leven als eigenaar van wat bezittingen, en zo is het huwelijk een manier om haar status te verhogen. Ook verheft het haar in vele opzichten tot een niveau waar zij gelijk is aan haar echtgenoot. De bruidsschat moet betaald worden op het moment dat het huwelijk plaatsvindt, en is het bezit van de bruid. Om aan te geven dat zij de volledige eigenaar hiervan is, wordt het vastgelegd dat zij hem kan geven aan wie ze maar wil, en zelfs een deel hiervan aan haar echtgenoot kan geven. In de praktijk is het echter min of meer een gewoonte geworden, om de bruidsschat te zien als een schuld van de echtgenoot aan zijn echtgenote, die zij op kan eisen wanneer zij wil.

5a. Met jullie bezittingen worden de bezittingen van de wezen bedoeld, die onder jullie hoede vallen als voogden. Het vers legt het principe vast van de Voogdijraad. Het vereist voogdijschap voor iedereen die zwak is van begrip, minderjarig of niet. Qijām betekent voorziening of dat wat onderhoudt of ondersteunt. Terwijl de Qoer-ān aan de ene kant de nadruk legt op de vergankelijkheid van dit leven, leert hij ook dat rijkdom niet veracht of verspild moet worden, omdat het een bron van inkomsten is.

5b. "Maak het tot de bron van hun onderhoud, door ermee te handelen en het zo winstgevend te maken, zodat jullie in staat zullen zijn hun uitgaven te bekostigen uit de winst en niet uit het kapitaal" (AH). Rz geeft een soortgelijke verklaring. Er is ook een gezegde van de Profeet (s.a.w.) in dit verband: “Wie ook de voogd is van een wees met bezit, hij zou ermee moeten handelen en het niet onontgonnen moeten laten, zodat de zakāt het zou kunnen opmaken” (Msh. 6).

5c. De woorden worden over het algemeen vertaald als spreek goede woorden tot hen. Zie echter ook 2:83e, waar wordt aangetoond dat het woord qaul gebruikt wordt om allerlei soorten handelingen uit te drukken. Na te spreken over hoe de wezen op een paasende manier moeten worden onderhouden en gekleed moeten worden, vraagt de Heilige Qoer-ān nu aandacht voor onderwijs, wat een andere grote behoefte van hen is. Vanaf het eerste moment legt de Islām de nadruk op kennis. Lees en schrijf (96:1–5) is zijn allereerste boodschap, en de Profeet (s.a.w.) zei over de vergaring van kennis dat het net zo’n grote behoefte was van de mensheid, als de vergaren van rijkdom: "Er zal geen afgunst zijn, behalve tegen deze twee: de persoon aan wie Allāh rijkdom heeft geschonken en de macht om het uit te geven in het belang van de waarheid, en de persoon aan wie Allāh kennis heeft geschonken en die daarmee een oordeel velt en ermee onderwijs" (B. 3:75). Hij legde zelfs nadruk op het onderwijs van slavinnen. "Die persoon zal een dubbele beloning krijgen", zei hij, "die een slavin bezit en haar zo goed mogelijk opleidt, die haar de beste scholing geeft, en haar dan vrijlaat en haar trouwt" (B. 3:31). Hier spreekt de Heilige Qoer-ān dus over de opleiding van wezen, en het volgende vers dat de voogden beveelt hun pupillen te "beproeven", maakt dit duidelijk.

6a. Deze woorden tonen aan dat de voogd niet alleen verantwoordelijk is voor de opleiding van zijn pupillen, zoals uiteen wordt gezet aan het eind van het vorige vers, maar dat er ook van hem wordt vereist dat hij ze test en controleert welke vorderingen ze gemaakt hebben. Volgens Aboe Hanifah wordt de meerderjarige leeftijd bereikt met achttien jaar, maar als geestelijke volwassenheid met achtien nog niet is bereikt, kan de grens worden verlegd. Deze woorden geven bovendien aan dat het huwelijk voltrokken zou moeten worden op de leeftijd waarop de persoon meerderjarig is. Er wordt namelijk over de leeftijd voor het huwelijk gesproken als de meerderjarige leeftijd.

6b. De betekenis is: Haast je niet om het bezit van minderjarigen uit te geven met als doel het te verspillen voordat zij meerderjarig zijn.

6c. Deze woorden staan de betaling toe van een redelijke beloning uit het bezit van een pupil, aan de beheerder van het bezit van de pupil, als de beheerder geen rijke man is. Het berekende bedrag moet redelijk zijn, en er moet rekening worden gehouden met de waarde van het bezit en de hoeveelheid werk die het beheren met zich meebrengt.

7a. Onder de Arabieren deelden vrouwen en kinderen niet in de erfenis, want een van hun gezegden was: "Niemand zal erven dan hij die de speer werpt" (Rz). De reden hiervoor schuilt in het feit dat, vóór de Islām, de normale situatie in Arabiė bestond uit een constante staat van oorlog. Slechts degenen die in staat waren te strijden telden mee. Deze grote hervorming, waarbij de status van de vrouwen werd verheven van het laagste niveau naar een niveau van gelijkheid aan de mannen, wees er duidelijk op dat het bewerkstelligen van vrede een van de doelen van de Islām was.

Het grondbeginsel dat wordt vastgelegd in dit vers, vormt de basis voor het moeslim erfrecht. Wettige erfgenamen bestaan uit kinderen en nabije verwanten, of, als deze er niet zijn, verre verwanten, of het nu mannen zijn of vrouwen. Het is niet zo dat het hele bezit naar de oudste zoon gaat. Welke bezwaren er ook gemaakt kunnen worden tegen dit grondbeginsel op basis van de opdeling van bezit, er is niet de minste twijfel dat de regel in overeenstemming is met de grondbeginselen van democratie en de broederschap van de mens, die de Islām probeert te vestigen.

8a. Hiermee worden die verre verwanten bedoeld die om een of andere reden geen erfrecht hebben.

 

PARAGRAAF 2: Erfrecht

 

11 Yoesie-kumullaahu fie ‘awlaadikum: lizzakari mislu hazzil-‘unsa-yayn: fa-‘in-kunna nisaaa-‘an-fawqas-natayni falahunna sulusaa maa tarak; wa ‘in-kaanat waahidatan-falahan-nisf. Wa li-‘aba-wayhilikulli waahidim-min-humassudusu mimmaa taraka ‘inkaana lahoe walad; fa-‘illam yakullahu wal- adunw-wa warisahoe ‘abawaahu fali-‘ummihis-sulus; fa-‘in-kaana lahoe ‘ig-watun-fali-‘ummihis-sudu- su mim-ba’-di wa-siyyatiny-yoesie bihaaa ‘aw dayn. ‘Aabaaa-‘ukum, wa ‘abnaaa-‘ukum laa tadroena ‘ayyuhum ‘aqrabu lakum naf-‘aa. Fariezatam-minallaah; ‘innallaaha kaana Alieman Hakiemaa.

11 Wat betreft jullie kinderen beveelt Allāh jullie: voor de man is er een deel gelijk aan het deel van twee vrouwen; maar wanneer er als er meer dan twee vrouwen zijn,a dan is twee derde van wat de overledene achterlaat van hen; en wanneer er één is, is de helftvoor haar. En wat betreft zijn ouders, voor elk van hen is een zesde van wat hij achterlaat, als hij een kind heeft’maar wanneer hij geen kind heeft en (alleen) zij twee ouders van hem erven, is een derde voor zijn moeder; maar als hij broers heeft, is een zesde voor zijn moeder, na (de betaling van) een legaat dat hij wellicht heeft vermaakt of een schuld.b Je ouders en je kinderen, jullie weten niet wie jullie meer na staat in het voordeel. Dit is een voorschrift van Allāh. Waarlijk is Allāh immer Wetend, Wijs.

 

12 Walakum nisfu maa taraka ‘azwaa-djukum ‘illam-yakullahunna walad; fa-‘in-kaana lahunna wala- dun-falakumurrubu-‘u mimmaa tarakna mimba’-di Wa-siyyatiny-yoesiena bihaaa ‘aw dayn. Wa lahun- nar-rubu-‘u mimmaa taraktum ‘illam-yakul-lakum walad; fa-‘in-kaana lakum waladun-falahunnas-su- munu mimmaa taraktum-mim-ba’-di Wa-siyyatin-toe-soena bihaaa ‘aw dayn. Wa ‘in-kaana radjuluny-yoe-rasu kalaalatan ‘a-wimra-‘atunw-wa lahoe ‘agun ‘aw ‘ugtun-fali-kulli waahidimmin-humas-sudus; fa-‘in-kaanoe ‘ak-sara min zaalika fahum sjura-kaaa-‘u fissulusi mim-ba’-di Wa-siyyatiny-yoesaa bihaaa ‘aw daynin ghayra muzaaarr. Wa-siyyatam-minallaah; wallaahu ‘Aliemoen Haliem.

12 En voor jullie is de heft van wat jullie echtgenotes nalaten als zij geen kind hebben; maar wanneer zij een kind hebben is jullie deel een vierde van wat zij nalaten na (de betaling van) een legaat dat zij wellicht hebben vermaakt of een schuld; en voor hen is een vierde van wat juulie nalaten als je geen kind hebt, maar wanneer je een kind hebt, is hun deel een achtste van wat jullie nalaten na (de betaling van) een legaat dat jullie wellicht hebben vermaakt of een schuld.a En wanneer een man of een vrouw die geen kinderen heeft, bezittingen nalaat die geërfd worden en hij (of zij) heeft een broer of een zus,b dan is voor elk van hen een zesde; maar als zij met meer zijn dan dat, dan zullen zij een derde onderling verdelen na (de betaling van) een legaat dat wellicht is vermaakt of een schuld die (anderen) niet schaden.c Dit is een voorschrift van Allāh: en Allāh is Wetend, Verdraagzaam.

 

13 Tilka Hudoedullaah: wa many-yuti-‘illaaha wa Rasoelahoe yudgilhu Djannaatin-tadjrie min-tahtihal-‘anhaaru gaalidiena fiehaa: wa zaalikal-fawzul-‘aziem.

13 Dit zijn de grenzen van Allāh. En wie gehoorzaamt aan Allāh en Zijn boodschapper, Hij zal hem toelaten tot Tuinen waardoor rivieren stromen, om daarin te verblijven. En dit is de grootse verrichting.

 

14 Wa many-ya’-sillaaha wa Rasoelahoe yud-gilhu Naaran gaalidan fiehaa: wa lahoe ‘azaabum-muhien.

14 En wie niet gehoorzaamt aan Allāh en Zijn Boodschapper en Zijn grenzen overschrijdt, Hij zal hem vuur binnenleiden om in te verblijven, en voor hem is er een vernederende straf.


11a. Met vrouwen worden hier de vrouwelijke kinderen bedoeld. Als de dochters de enige erfgenamen zijn, hebben ze recht op een aandeel van twee derden. Het aandeel van twee derden waarop "meer dan twee" dochters recht hebben, blijft hetzelfde ook als er maar twee dochters zijn. Een enkele dochter heeft recht op de helft zoals verderop duidelijk wordt gemaakt. Vergelijk met v. 176 waar twee zusters genoemd worden, maar zij omvatten meer dan twee.

11b. Dit is het tweede geval, en behandelt het vraagstuk hoe de erfenis verdeeld moet worden wanneer de overledene overleefd wordt door ouders. In dit geval nemen de ouders eerst hun respectievelijke aandelen en het restant gaat naar de kinderen, als die er zijn. Als die er niet zijn, worden de aandelen van de ouders vergroot. Maar als de overledene broers had, ontvangt de moeder hetzelfde aandeel als wat zij had gekregen als de overledene wel kinderen had gehad.

Er kan worden opgemaakt dat in alle gevallen de betaling van legaten en schulden vóór de aandelen van de erfgenamen komt.

12a. Dit is het derde geval en behandelt het vraagstuk wat te doen als de overledene een echtgenoot of echtgenote achterlaat, met of zonder kinderen. De echtgenoot of echtgenote neemt zijn of haar aandeel eerst, zoals in het geval van ouders, en de rest gaat naar de kinderen.

Als er zowel ouders, als een echtgenoot of echtgenote en kinderen zijn, nemen de eerste twee hun deel eerst en de rest gaat naar de kinderen, of dat nu allemaal mannen zijn, allemaal vrouwen, of een combinatie van die twee. Het tweederde deel voor twee of meer dochters kan alleen gegeven worden als er noch ouders zijn, noch een echtgenoot of echtgenote. Wanneer dit wel het geval is, krijgen zij het restant, zoals in het geval van zonen of zonen en dochters.

De praktijk is anders, en schuift ‘aul naar voren om de moeilijkheid op te lossen. De ‘aul werd het eerst gelegaliseerd door ‘Ali, de vierde Kalief, die, toen hem werd gevraagd naar het aandeel van de echtgenote wanneer de andere erfgenamen de twee ouders en twee dochters waren, "zonder na te denken" het antwoord gaf dat het achtste aandeel van de echtgenote een negende aandeel was geworden. Hij beredeneerde dat de twee ouders een derde zouden moeten krijgen, de twee dochters twee derden en de echtgenote een achtste, wat neerkomt op negen achtsten. Vandaar dat ‘Ali besliste dat elk van de erfgenamen minder zou moeten nemen dan hen toekwam, zodat de verhouding hetzelfde zou blijven (T). De moeilijkheid zou niet ontstaan zijn als er zonen of zonen en dochters waren geweest, in plaats van alleen dochters. Als ‘Ali besloten had om het restant aan de dochters te geven, na eerst een achtste voor de echtgenote en een derde voor de ouders te hebben weggenomen, zoals hij had moeten doen in het geval van twee zonen of een zoon en een dochter, zou de vraag van ‘aul nooit opgekomen zijn.

12b. Commentatoren zijn van mening dat met een broer of een zus hier een broer of een zus van moeders kant wordt bedoeld, en dat het geval van echte broers en zusters, of broers en zusters van vaders kant, behandeld wordt in v. 176 van dit hoofdstuk. De reden hiervoor is dat hier zowel als in v. 176, het bezit dat geërfd kan worden van een kalālah is. Over het algemeen wordt aangenomen dat een kalālah iemand is die ouders noch kinderen heeft. Maar feitelijk draagt kalālah twee betekenissen. Het verwijst naar de persoon die geen kinderen heeft of hij nu ouders heeft of niet, en het verwijst ook naar de persoon die kinderen noch ouders heeft. Het is afgeleid van kalla wat hij werd moe of vermoeid betekent, en daarom zou de eerste betekenis de persoon die geen kinderen heeft zijn. Over I‘Ab is opgetekent dat hij dit woord heeft uitgelegd als iemand die geen nageslacht nalaat of hij nu ouders heeft of niet. ‘Oemar zou ook gezegd hebben: een kalālah is iemand die geen kinderen heeft, dat is alles; zie Gharā’ib al-Qoer-ān. Vandaar dat het logischer is om aan te nemen dat de kalālah die hier besproken wordt, verschilt van de kalālah uit v. 176. In dit geval is kalālah iemand die geen kinderen heeft maar wel ouders, en daarom zijn de broers en zusters niet de enige erfgenamen en is hun deel slechts een zesde. De kalālah die in v. 176 genoemd wordt, is iemand die noch kinderen noch ouders achterlaat, en dan krijgen de broers en zusters de gehele erfenis.

12c. Wat betreft diegenen die geen kinderen hebben, is het waarschijnlijk dat zij hun bezit hebben belast met onnodige schulden, of dat zij zelfs schulden op zich nemen die niet wettelijk zijn aangegaan. Ook kunnen zij legaten hebben vermaakt die niets overlaten voor hun wettige erfgenamen. Daarom zijn de woorden anderen niet schaden toegevoegd, om duidelijk te maken dat schulden en legaten in zo’n geval niet de rechten van de wettige erfgenamen mogen benadelen.

 

PARAGRAAF 3: Behandeling van vrouwen

 

15 Wallaa-tie ya’-tienal-faahisjata min-nisaaa-‘ikum fastasj-hidoe ‘alayhinna ‘arba-‘atam-minkum; fa-‘in-sjahidoe fa-‘amsikoehunna fil-buyoeti hattaa yatawaffaa-hunnal-mawtu ‘aw yadj-‘alallaahu lahunna sabielaa.

15 En wat betreft die vrouwen van jullie die schuldig zijn aan een onzedelijkheid, roep vier (getuigen) uit jullie midden tegen hen op; en wanneer zij getuigen, sluit hen dan op in de huizen tot de dood hen weghaalt of Allāh een weg voor hen opent.a

 

16 Wallazaanni ya’-tiyaanihaa minkum fa-‘aazoehumaa. Fa-‘in-taabaa wa ‘aslahaa fa-‘a’-rizoe ‘anhu- maa; ‘innallaaha kaana Taw-waabar-Rahiemaa.

16 En wat betreft de twee uit jullie midden die schuldig zijn, geef hen beiden een lichte straf; en als zij berouw tonen en zich beteren, houd je dan afzijdig van hen.a Waarlijk is Allāh de Vaakweerkerende (tot genade), de Barmhatige.

 

17 ‘Innamat-tawbatu ‘alallaahi lillaziena ya’-maloenassoe-‘a bi-djahaalatin summa yatoeboena min-qariebin-fa-‘ulaaa-‘ika yatoe-bullaahu ‘alayhim : wa kaanallaahu ‘Alieman Hakiemaa.

17 Berouw tonen aan Allāh is slechts voor degenen die kwaad doen uit onwetendheid, en zich dan snel (tot Allāh) keren, dus zij zijn het maar wie Allāh zich (barmhartig) keert. En Allāh is immer Wetend, Wijs.

 

18 Wa laysa-titaw-batu lillaziena ya’-maloenas-sayyi-‘aati hattaaa ‘izaa hazara ‘ahadahumul-mawtu qaala ‘innie tubtul-‘aana wa lallaziena yamoetoena wa hum kuffaar: ‘ulaaa-‘ika ‘a’-tadnaa lahum ‘azaaban ‘aliemaa.

18 En berouw is niet voor degenen die slechtse daden blijven begaan totdat, wanneer de dood een van hen nadert, hij zegt: Nu heb ik berouw; noch (voor) degenen die ongelovig sterven. Voor zulken hebben Wij een pijnlijke straf bereid.a

 

19 Yaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa yahilu lakum ‘an-tarisun-nisaaa-‘a karhaa. Wa laa ta’-zuloe- hunna litazhaboe bi-ba’-di maaa ‘aatay-tumoe-hunna ‘illaaa ‘any-ya’-tiena bifaa-hishatim-mubayyinah; wa ‘aasjiroehunna bil-ma’-roef. Fa-‘inkarih-tumoehunna fa-‘asaaa ‘an-takrahoe sjay-anw-wa yadj-‘alallahu fiehi gay-ran-kasieraa.

19 O jullie die geloven, het is niet rechtmatig voor jullie om vrouwen tegen hun wil als erfenis te aanvaarden.a Noch mogen jullie hen beperken door een deel terug te nemen van wat jullie hen gegeven hebben,b tenzij zij schuldig zijn aan duidelijk onzedelijk gedrag.a En bejegen hen met vriendelijkheid. En als jullie hen haten, kan het zijn dat jullie iets niet aanstaat, terwijl Allāh er een overdaad aan goed in heeft verwerkt.

 

20 Wa ‘in ‘arattumus-tibdaala zawdjim-makaana zawdjiw-wa ‘aataytum ‘ihdaahunna qintaaran-falaa ta’-guzoe mihu sjay-‘aa: ‘ata’-guzoenahoe buhtaananw-wa ‘is-mam-mubienaa.

20 wanneer jullie (één) echtgenote wensen te hebben in de plaats van een andere en jullie hebben aan een van hen een berg goud gegeven, neem er niets van terug. Zouden jullie het terugnemen door (haar) te belasteren en haar openlijk onrecht aan te doen?a

 

21 Wa kayfa ta’-guzoenahoe wa qad ‘afzaa ba’-zukum ‘ilaa ba’-dinw-wa ‘agazna minkum-miesaaqan ghaliezaa?

21 En hoe kunnen jullie het terugnemen als een van jullie de ander al is binnengegaan, en zij een krachtig verbond met jullie zijn aangegaan?a

 

22 Wa laa tankihoe maa nakaha ‘aabaaa-‘ukum-minannisaaa-‘i ‘illaa maa qad aalaf: ‘innahoe kaana faahisjatanw-wa maqtaa,- wa saaa-‘a sabielaa.

22 En trouw niet met vrouwen die jullie vaderen huwden, tenzij dit al gebeurd is. Dit is zeker onzedelijk en verfoeilijk; en het is een kwaadaardig gebruik.a

 


15a. Al-fāhisjah betekent alles wat de grenzen van correchtheid overschrijfdt (grof, onfatsoenlijk, wellustig, obsceen) Mgh, LL). Zie verder 19c, waar wordt aangetoond dat fāhisjah haat, verlating, stijfkoppigheid, enz. omvat. Hoewel het woord soms wordt gebruikt in de betekenis van overspel, geeft de context hier aan dat het hier wordt gebruikt om uitdrukking te geven aan immoreel gedrag dat minder zwaar weegt dan overspel, want de straf voor overspel wordt in 24:2 gegeven. De woorden in het vers dat volgt, die verwezen naar een soortgelijke immorele daad met een bestraffing van onbepaalde aard, ondersteunen deze conclusie. Het is logisch dat de straf voor een daad die minder zwaar weegt dan overspel, varieert naar gelang de aard van het vergrijp. Zo worden vrouwen die schuldig zijn aan immorele gedrag in hun vrijheid beperkt. Wanneer zij hun houding verbeteren, of wanneer ze, als ze ongetrouwd zijn gaan trouwen, wordt er een weg voor hen geopend door Allāh en krijgen zij hun vrijheid terug. Als zij dat niet doen, moet de beperking van hun vrijheid worden voortgezet tot aan hun dood. Er is geen bewijs voor Palmers veronderstelling dat "vrouwen die op echtbreuk of overspel werden betrapt, in de begintijd van de Islām letterlijk werden ingemetseld".

16a. Het vergrijp waarover in dit vers gesproken wordt, is hetzelfde als in het voorgaande vers. Er zijn twee daders, en hoewel de mannelijke vorm wordt gebruikt, gaat het niet noodzakelijkerwijs om twee mannen, lichte straf wordt door Qatādah uitgelegd als een mondelinge berisping (AH). De Islām vereist de hoogste graad van fatsoen in seksuele relaties.

De verwijzing naar berouw in verband met het noemen van fāhisjah dient ook als bewijs dat fāhisjah hier niet overspel betekent, maar een minder zwaarwegende vorm van zedeloosheid. Opverspel is namelijk een strafbaar vergrijp, en berouw aan de kant van diegenen die er schuldig aan zijn kan de straf niet afwenden.

18a. De verzen 17 en 18 gevan aan dat, volgens de Heilige Qoer-ān, berouw een werkelijke verandering in iemands leven inhoudt en niet slechts kan worden uitgedrukt in woorden. In feite geeft de hier vastgelegde wet aan hoe berouw begane zonden kan opheffen. Wanneer iemands gehele levensweg verandert vanwege een bepaalde zonde, wordt de hang naar die zonde uitgeroeid. Maar degenen die volharden in hen kwade doeleinden tot de dood hen overvalt, zullen het voordeel van berouw niet behalen omdat er geen tijd voor hen over is om zich te verbeteren.

19a. Wanneer er onder de preïslamitische Arabieren een man stierf, dan hadden zijn oudste zoon of andere familieleden het recht om de weduwe of weduwen te bezitten. Zij konden, wanneer zij dat wilden, zelf de weduwe trouwen zonder voor hen een bruidsachat te regelen. Ze mochten hen ook uithuwelijken aan anderen, of het hen helemaal verbieden te trouwen (B. 65: iv, 6).

19b. De passage bracht een eind aan een ander kwaad. Die echtgenoten die niet tevreden waren met hun echtgenotes, waren gewend het hen moeilijk te maken zodat ze gedwongen werden een echtscheiding te eisen en de bruidschat af te staan (Rz). Dit is niet toegestaan. Als de rechter beslist dat de fout eigemlijk bij de echtgenoot ligt, zal hij niet toestaan dat de bruidsschat wordt afgestaan in zijn voordeel.

19c. De uitzondering verwijst naar het terugnemen van een deel van de bruidsschat, wat betekent dat een deel van de bruidsschat slechts teruggenomen kan worden als de vrouw schuldig is aan onzedelijk gedrag. Het duidelijk onzedelijk gedrag waarover hier wordt gesproken, bestaat uit het haten en verlaten van de echtgenoot, weerspannigheid, en de echtgenoot en zijn familie schade berokkenen (Rz). In zulke gevallen, wanneer de fout bij de vrouw ligt, kan van haar geëist worden dat zij haar bruidsschat geheel of gedeeltelijk teruggeeft.

20a. "Er wordt verhaald dat, wanneer een (getroude) man onder hen een anders echtgenote wilde trouwen in plaats van de eerste, hij gewend was die laatste te beschuldigen van overspel of andere grove onzedelijkheid, om haar zo te dwingen een echtscheiding te verkrijgen door een groot bedrag te betalen" (Rz). Een vrouw wensen te hebben in de plaats van een andere betekent het scheiden van de eerste en het trouwen met een andere. Dit vers geeft verder aan dat er geen grenzen zijn aan de bruidsschat die aan een echtgenote kan worden gegeven; als de echtgenoot de middelen heeft, kan hij haar zelfs een berg goud geven. Toen ‘Oemar grote bruidsschatten wilde uitbannen, legde een vrouw in de menigte hem het zwijgen op door dit vers voor te dragen. Hij moest zijn bevelen herroepen, en zei dat "de vrouwen van Madinah meer begrip hebben dan ‘Oemar".

21a. Het huwelijk wordt hier een mithāq ofwel een overeenkomst of afspraak tussen de echtgenoot en de echtgenote genoemd. Daar geen afspraak kan bestaan zonder dat beide partijen er hun goedkeuring aan hechten, kan in de Islām een huwelijk alleen worden voltrokken met de vrije instemming van de twee partijen.

22a. Zoals al is uitgelegd, kwamen de vrouwen van een man na zijn dood in het bezit van zijn oudste zoon, en deze kon trouwen met wie van hen hij dit ook wilde. Aan deze onzedelijke gewoonte werd door dit vers een einde gemaakt.

 

PARAGRAAF 4: Welke vrouwen gehuwd mogen worden

 

23 Hurrimat ‘alaykum ‘ummahaa-tukum wa banaa-tukum wa ‘agawaa-tukum wa ‘ammaa-tukum wa gaalaa-tukum wa banaatul-‘agi wa banaatul-‘ugti wa ‘umma-haatukumul-laatie ‘arda’-nakum wa ‘aga- waa-tukum-minar-razaa-‘ati wa ‘umma-haatoe nisaaa-‘ikum wa rabaaa-‘ibukumul-laatie fie hu-djoeri- kum-min-nisaaa-‘ikumullaatie dagaltum-bihinn,-fa-‘illam takoenoe dagaltum-bihinna falaa dju-naaha ‘alaykum;-wa halaaa-‘ilu ‘abnaaa-‘ikumullaziena min ‘aslaa-bikum wa ‘an-tadjma-‘oe baynal-‘ugtayni ‘illaa maa qad salaf; ‘innallaaha kaana Ghafoerar-Rahiemaa :

23 Verboden voor jullie zijn jullie moeders, en jullie dochters, en jullie zusters, en jullie tantes van moederskant, en dochters van broers en dochter van zusters, en jullie moeder die jullie gezoogd hebben, en jullie pleegzusters, en moeders van jullie echtgenotes, en jullie stiefdochters die onder jullie voogdij staan (geboren) uit echtgenotes die jullie zijn binnengegaan – maar als jullie hen niet zijn binnengegaan treft jullie geen blaam – en de echtgenotes van zonen uit julliezelf voortgekomen; en dat jullie twee zusters tegelijk hebben (als echtgenote), behalve als dit al gebeurd is. Waarlijk is Allāh immer Vergevensgezind, Barmhartig.a

 

24 WAL – MUHSANAATU minan-nisaaa-ie ‘illaa maa malakat ‘ay-maanukum. Kitaaballaahi ‘alay-kum. Wa ‘uhilla lakum-maa waraaa-‘a zaalikum ‘an-tab-taghoe bi-‘amwaalikum-muhsi-niena ghayra musaa-fihien. Famas-tamta’tum-bihie minhunna fa’-aatoehunna ‘udjoerahunna fariedah. Wa laa djunaaha ‘‘alay-kum fiemaa taraa-zaytumbihie mim-ba’-dil-fariezati, ‘innal-laaha kaana ‘Alieman Hakiemaa.

24 En alle getrouwde vrouwen, tenzij in het bezit van jullie rechterhanden (zijn verboden);a (dit is) Alh’s voorschrift aan jullie. En (alle vrouwen) behalve dezen zijn rechtmatig voor jullie, in aanmerking genomen dat jullie (hen) aanzoeken met jullie bezittingen, (hen) het huwelijk binnenvoeren en geen overspel plegen. Dan, wat betreft degenen waar jullie voordeel van hebben (door te trouwen), geef hen hun bruidsschatten als overeengekomen. En jullie treft geen blaam aangaande wat jullie samen afspreken na wat is overeengekomen (als bruidsschat).b Waarlijk is Allāh immer Wetend, Wijs.

 

25 Wa mallam yastati minkum taw-lan ‘any-yankihal-Muhsanaatil-Mu’-minaati famimmaa malakat ‘ay-maanukum-min-fatayaa-tikumul-Mu’-minaat: wallaahu ‘a’-lamu bi-‘iemaanikum. Ba’-zukum-mimba’-d: fankihoe-hunna bi-‘idni ‘ahli-hinna wa ‘aatoe-hunna ‘udjoera-hunna bil-ma’-roefi muhsanaatin ghayra musaafihaatinw-wa laa muttagi-zaati ‘ag-daan. Fa-‘izaaa ‘uhsinna fa-‘in ‘atayna bi-faahi-sjatin-fa-‘alay -hinna nisfu maa ‘alalmuhsanaati minal-‘azaab. Zaalika liman gasjiyal-‘anata minkum. Wa ‘an tasbiroe gay-rul-lakum: wallaahu Ghafoerur-Rahiem.

25 En wie van jullie het zich niet kan veroorloven om vrije, gelovige vrouwen te trouwen, (laat hem) de gelovige dienaressen (trouwen) in het bezit van jullie rechterhanden. En Allāh doorgrondt jullie geloof het beste – jullie zijn uit elkaar voortgekomen. Dus trouw hen met de toestemming van hun meesters en geef hen hun bruidsschat op rechtvaardige wijze, als zij kuis zijn, geen overspel plegen en geen minnaars ontvangen; en wanneer zij zich schuldig maken aan overspel nadat zij zijn gehuwd, krijgen zij de halve straf die vrije gehuwde vrouwen toekomt. Dit is voor degene onder jullie die bang is om in zonde te vervallen. En het is beter voor jullie dat jullie je onthouden. En Allāh is Vergevensgezind, Barmhartig.a


23a. Zie voor verboden huwelijksrelaties in de Mozaïsche wet Lev. 18:16 – 18.  

24a. Het is een man dus verboden een vrouw te trouwen die al getrouwd is. Er wordt echter een uitzondering gemaakt voor degenen in het bezit van jullie rechterhanden, een uitdrukking waarmee in de Heilige Qoer-ān over het algemeen wordt bedoeld degenen die in de oorlog gevangen zijn genomen. Het gebeurde soms dat zulke gevangenen zich tot de Islām bekeerden en daarom niet teruggestuurd konden worden. Zulke vrouwen konden wettelijk getrouwd worden, zelfs als ze misschien niet formeel gescheiden waren van hun eerdere echtgenoten. De woorden malakat aimānoe-koem kunnen echter ook degenen die jullie wettig getrouwd hebben betekenen. Wettig bezit ligt namelijk duidelijk besloten in het woord aimān, wat overeenkomst betekent, en een huwelijk is ook een overeenkomst. De betekenis van de passage kan daarom ook zijn, dat alle vrije vrouwen voor jullie verboden zijn behalve degenen die jullie wettig getrouwd hebben.

24b. Het staat de echtgenoot en de echtgenote vrij om de grootte van de bruisschat zoals die ten tijde van de huwelijksverbintenis is vastgesteld, in onderling overleg te vergroten of te verkleinen. Er moet ook worden opgemaakt dat de Islām geen tijdelijke huwelijken toestaat. Het erkent alleen ihsān, het huwen van een vrouw voor altijd, van de stam hasoena, het (een plaats) was ontoegankelijk, of (een vrouw) was kuis of getrouwd (LL), zodat ihsān dus een plaats versterken of trouwen betekent. Seksuele relaties buiten ihsān worden afgekeurd als zijnde moesāfihat, of zichzelf overgeven aan losbandigheid. Dit komt van de stam safh, wat verspillen betekent. Ihsān leidt tot bepaalde rechten en plichten die voor het leven worden vastgelegd, maar zulke rechten en plichten komen niet voor bij moesāfihat, ofwel overspel, en bij moet‘ah, wat verwijst naar een tijdelijk huwelijk dat was erkend in Arabië voor de komst van de Islām. Het schijnt dat, tijdens een of twee van de veldslagen, sommige moeslims hun toevlucht namen tot moet‘ah, maar dat de Profeet (s.a.w.) het uitdrukkelijk verbood in de slag bij Chaibar (B. 64:40).

25a. Dit vers legt de voorwaarden vast waaronder diegenen die tijden de oorlog gevangen zijn genomen, gehuwd mogen worden. Ik kan geen enkel vers in de Heilige Qoer-ān vinden, of enige gebeurtenis in het leven van de Profeet (s.a.w.), dat goedkeuring verleent aan dat wat concubinaat genoemd wordt. Wanneer het hebben van gemeenschap met slavinnen wordt besproken, wordt meerdere malen de duidelijke voorwaarde gesteld dat men hen moeten huwen, zoals in v. 24 en in dit vers. Hier wordt het trouwen van hen die in de oorlog gevangen zijn genomen onder bepaalde omstandigheden toegestaan, waarvan de eerste is dat ze gelovige vrouwen of moeslims moeten zijn. Er zijn nog twee voorwaarden: (1) dat de man niet de mogelijkheid heeft een vrije vrouw te trouwen, zoals de openingswoorden aangeven, en (2) dat hij bang is tot het kwade te vervallen, zoals in de slotwoorden wordt gesteld. Als het zelfs is toegestaan om onder buitengewone omstandigheden met haar te trouwen, dat is het volkomen onlogisch te veronderstellen dat haar meester gemeenschap met haar zou mogen hebben zonder haar tot zijn echtgenote te maken. Zij bevond zich in de Arabische maatschappij zonder twijfel op een lager niveau dan een vrije vrouw, maar dat is alles. Misschien is de striktheid van de regels met betrekking tot een huwelijk met een slavin te wijten aan de overweging, dat hij die haar wenst te trouwen haar eerst zou moeten bevrijden uit de slavernij.

Het kan worden beargumenteerd, dat dit vers over anderen gaat dan over de meesters van de slavinnen, omdat er toestemming wordt vereist van de meesters. Het enige recht dat de meester redelijkerwijs kan opeisen, is dat hij van niemand anders toestemming nodig heeft. Toch moet hij haar tot echtgenote nemen en niet als minnares. Maar zie de hadies van de Profeet (s.a.w.), geciteerd in 5c, volgens welke de meester verplicht is de slavin te onderwijzen, om haar vervolgens in vrijheid te stellen en dan te huwen. Er komt uit dit vers nog een punt naar voren dat besproken moet worden. Er wordt duidelijk vastgesteld dat, wanneer een getrouwde slavin overspel pleegt, haar straf half zo zwaar is als die van de vrije gehuwde vrouw die overspel pleegt. Dit geeft aan dat de Heilige Qoer-ān nooit steniging heeft voorgeschreven als de straf voor overspel, want dat kan niet worden gehalveerd. In feite spreekt het Heilige Boek nergens over steniging. De enige straf voor overspel waarover het spreekt bestaat uit honderd zweepslagen (24:2).

 

PARAGRAAF 5: Rechten van vrouwen betreffende hun inkomen

 

26 Yuriedullaahu liyubayyina lakum wa yahdiyakum sunnanallaziena min-qablikum wa yatoeba ‘alaykum: wallaahu ‘Aliemun Hakiem.

26 Allāh wenst jullie uitleg te geven en jullie te leiden naar het pad van degenen die voor jullie voorgingen, en (wenst) Zich (barmhartig) tot jullie te keren. En Allāh is Wetend, Wijs.

 

27 Wallaahu yuriedu ‘anyyatoeba ‘alaykum; wa yuriedullaziena yattabi-‘oenasj-sjahawaati ‘an-tamie- loe maylan ‘aziemaa.

27 En Allāh wenst zich (barmhartig) tot jullie te keren. En degenen die hun lusten najagen, wensen dat jullie zeer ver afdwalen.

 

28 Yurie-dullaahu ‘any-jugaffifa ‘ankum; wa guliqal-‘insaanu za-‘iefaa.

28 Allāh wenst jullie lasten te verlichten,a en de mens is zwak geschapen.b

 

29 Yaaa ‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa ta’-kuloe ‘amwaalakum-baynakum-bil-baatili ‘illaa ‘an-takoena tidjaaratan ‘an-taraazim-minkum: wa laa taq-tuloe ‘anfusakum: ‘innallaaha kaana bikum Rahiemaa!

29 O jullie die geloven, verteer jullie bezittingen niet onder elkaar met illiegale methoden, maar alleen in handel met wederzijdse goedkeuring.a En dood je eigen mensen niet. Waarlijk is Allāh immer Barmhartig voor jullie.

 

30 Wa many-yaf-‘al zaalika ‘udwaananw-wa zulman-fasawfa nusliehi Naaraa: wa kaana zaalika ‘alallaahi yasieraa.

30 En wie dit agressief doet of onrechtvaardig, Wij zullen hem spoedig in het vuur werpen. En dit is immer eenvoudig voor Allāh.

 

31 ‘In-tadj-taniboe kabaaa-‘ira maa tun-hawna ‘anhu nu-kaffir ‘ankum sayyi-‘aatikum wa nudgilkum- Mud-galan-kariemaa.

31 Als jullie de grote dingen die jullie verboden zijn uit de weg gaan, dan zullen Wij jullie kwade (bedoelingen)a opzij zetten, en ervoor zorgen dat jullie een eerzame plaats van binnenkomst zullen binnengaan.

 

32 Wa laa tatamannaw maa fazzalallaahu bihie ba’-dakum ‘alaa ba’-d Lir-ridjaali nasiebum-mimmak-tasaboe, wa linnisaaa-‘i nasiebum-mimmaktasabn. Was-‘alullaaha min fad-lih. ‘Innallaaha kaana bikulli sjay-‘in ‘Aliemaa.

32 En begeer niet datgene waarmee Allāh sommigen van jullie boven anderen heeft verheven. Voor mannen is het voordeel van wat zij verdienen. En voor vrouwen is het voordeel van wat zij verdienen. En vraag Allāh om Zijn goedgunstigheid. Waarlijk is Allāh immer de Weter van alle dingen.

 

33 Wa li-kullin-dja-‘alnaa mawaa-liya mimmaa tarakal-waalidaani wal-‘aqraboen. Wallaziena ‘aqadat ‘aymaanukum fa-‘aatoehum nasiebahum. ‘Innallaaha kaana ‘alaa kulli sjay-‘in-Sjahiedaa.

33 En aan iedereen hebben Wij erfgenamena toegewezen voor wat wordt nagelaten door ouders en naaste familie. En wat betreft degenen waarmee jullie rechterhanden een overeenkomst hebben gesloten, geef hen wat hen toekomt.b Waarlijk is Allāh immer Getuige van alle dingen.


28a. Niet alleen wordt de gestrengheid van de joodse en andere, eerdere wetten door de Islām sterk afgezwakt, maar alle grondbeginselen van eerzaam gedrag worden zo compleet vastgelegd, ontbloot van alle onnodige details, dat de werkelijke last van de mens in de Islām verder verlicht wordt dan in enige andere religie. Hij toont bovendien de mens de juiste weg, die hem bevrijdt uit zijn zondige ketenen en zo dus zijn last verlicht. Niet door valse geruststelling, maar door hem werkelijk te behoeden om in het kwaad te vervallen.

28b. Deze verzen spreken over Allāh’s grote genade, dat Hij de mens de weg heeft gewezen naar waarheid en leiding. De mens zelf is namelijk zwak geschapen en kan voor zichzelf geen weg uitstippelen die vrij is van vergissingen. Dat is alles wat de zwakheid van de mens hier betekent.

29a. In het eerste deel van dit vers worden alle illegale manieren om bezit te verkrijgen verboden. Het is wel toegestaan te streven naar het behalen van voordeel op een ander door middel van handel, wat wederzijdse goedkeuring inhoudt. Deze goedkeuring maakt het tot een legale methode. Hoewel de woorden algemeen zijn, is de passage er vooral voor bedoeld om het bezitrecht van vrouwen te beschermen. Het was voornamelijk het bezit van vrouwen en wezen dat, over het algemeen, onterecht en op agressieve wijze werd verzwolgen.

Het tweede deel verbiedt het doden van anfoesa-koem, wat jullie mensen of jullie zelf betekent. In het eerste geval is de betekenis dat leven ook beschermd moet worden. In het tweede geval is het een bevel tegen zelfmoord, wat volgens de islamitische wet een zware zonde is.

31a. Sajji’ah of soe’ betekent zowel een zondige daad als een kwade bedoeling (LL). De context vereist dat die laatste betekenis hier wordt aangehouden. Al wat bedoel wordt, is dat als een mens het begaan van zonden vermijdt, de slechte neigingen in hem ook afsterven. De verdeling van zonde in kabirah en saghirah is ongegrond.

33a. Mawāli is het meervoud van maulā, wat een aantal betekenissen omvat, zoals heer of baas, een neef, een bevrijde man, een slaaf, een erfgenaam. De grootste deskundigen houden deze laatste betekenis hier aan (B. 65:iv, 7), en dit is ook de enige die in de context past.

 33b. in de preïslamitische dagen waren de mensen het gewoon om een overeenkomst met elkaar aan te gaan, waarin zij vastlegden elkaar te verdedigen en een erfenis na te laten. Wanneer een van hen stierf, had de ander recht op een zesde deel van het bezit van de overledene (AH). Toen de moeslims naar Madinah vluchten, zorgde de Profeet (s.a.w.) ervoor dat iedere emigrant uit Makkah deel uitmaakte van een hechte broederband met een van de inwoners van Madinah. Volgens de oude gewoonten zou zo de één de erfgenaam zijn van de ander bij diens overlijden. Overerving werd afgeschaft door dit vers, en de woorden geef hen wat hen toekomt betekenen het verlenen van bijstand in het algemeen, goede daden doen en het geven van goed advies. Een aantal dingen kunnen echter worden vastgelegd in een testament (B. 39:2).

 

PARAGRAAF 6: Meningsverschil tussen echtgenoot en echtgenote

 

34 ‘Ar-ridjaalu qawwaamoena ‘alan-nisaaa-‘i bimaa fazzalallaahu ba’-dahum ‘alaa ba’-dinw-wa bimaa ‘anfaqoe min ‘amwaalihim. Fas-Saalihaatu qaanitaatun haafi-zaatul-lil-ghaybi bimaa hafi-zallaah. Wallaatie tagaa-foena nushoe-zahunna fa-‘izoehunna wah-djuroehunna fil-mazaaadji-‘i wazriboe-hunn. Fa-‘in ‘ata’-nakum falaa tabghoe ‘alayhinna sabielaa: ‘innallaaha kaana ‘A-liyyan-Kabieraa.

34 Mannen zijn de onderhoudersa van vrouwen, met wat Allāh sommigen van hen boven anderen deed verheffen en met wat zij van hun rijkdom uitgeven. Dus goede vrouwen zijn gehoorzaamb en beschermen het ongeziene,c zoals Allāh heeft geschermd.d En (wat betreft) degenen van wie jullie vrezen dat zij jullie verlaten, vermaan hen, en laat hen alleen in de bedden en wijs hen terecht. Maar als zij jullie gehoorzamen, probeer dan niets tegen hen. Waarlijk is Allāh immer Verheven, Groot.e

 

35 Wa ‘in giftum sjiqaaqa baynihimaa fab-‘asoe hakamam-min ‘ahlihie wa hakamam-min ‘ahlihaa. ‘Iny -yuriedaa ‘islaahany-yuwaffi-qillaahu baynahumaa: ‘innallaaha kaana ‘Alieman Gabieraa.

35 En wanneer jullie een breuk tussen hen beiden vrezen, wijs dan een arbiter uit haar familie. Als zij beiden een overeenkomst wensen, dan zal Allāh zorgen voor eendracht tussen hen beiden. Waarlijk is Allāh immer Wetend, Bewust.a

 

36 Wa’-budullaaha wa laa tusjrikoe bihie sjay-anw-wa bil-waalidayni ‘ihsaananw-wa bizil-qurbaa wal-yataamaa walmasaakieni wal-djaari-zil-qurbaa wal-djaaril-yunubi was-saahibi bil-djambi wabnis-sabieli wa maa malakat ‘aymaanukum: ‘innallaaha laa yuhibbu mankaana mug-taalan-fakhoeraa;

36 En dien Allāh en stel niets aan Hem gelijk, en wees goed voor de ouders en voor de naaste verwanten en de wezen en de behoeftigen en (jullie) verwante buren en de vreemde buren,a en de metgezel tijdens een reis en de reiziger en degenen in het bezit van jullie rechterhanden.b waarlijk houdt Allāh niet van mensen die trots zijn en opscheppen,

 

37 ‘Allaziena yab-galoena wa ya’-muroe-nannaasa bilbugli yaktumoena maaa ‘aataa-humullaahu min-fadlih; wa ‘a’- tadnaa lil-kaafiriena ‘azaabam-muhienaa;-

37 Die gierig zijn en van mensen verlangen dat ze gierig zijn en die verbergen wat Allāh hen uit Zijn goedgunstigheid heeft geschonken. En Wij hebben de ongelovigen een vernederende straf bereid –

 

38 Wallaziena yunti-qoena ‘amwaalahum ri-‘aaa-‘annaasi wa laa yu’-minoena billaahi wa laa bil- Yawmil-‘Aagir. Wa many-yakunisj-sjaytaanu lahoe qarienan-fasaaa-‘a qarienaa.

38 En degenen die hun rijkdom uitgeven om gezien te worden door de mensen en die niet geloven in Allāh, noch in de Laatste Dag. En wat betreft degene die de duivel als metgezel heeft, hij is een kwaadaardig metgezel!

 

39 Wa maa zaa ‘alay-him law ‘aamanoe billaahi wal-Yawmil-‘Aagiri wa ‘anfaqoe mimmaa razaqa- humullaah? Wa kaanallaahu bihim ‘Aliemaa.

39 En hoe zou het hen deren als zij geloven in Allāh en de Laatste Dag en uitgeven wat Allāh hen heeft gegeven? En Allāh is immer de Kenner van hen.

 

40 ‘Innallaaha laa yazlimu misqaala zarrah: wa ‘in-taku hasanatany-yuzaa-‘ifhaa wa yu’-ti milla-dunhu ‘adjran ‘aziemaa.

40 Waarlijk doet Allāh nog niet het gewicht van een atoom onrecht aan; en als het een goede daad is vermenigvuldigt Hij deze en geeft een grootse beloning van Hemzelf.a

 

41 Fa-kayfa ‘izaa dji’-naa min kulli ‘ummatim-bi-sjahiedinw-wa dji’-naa bika ‘alaa haaa-‘ulaaa-‘i Sjahiedaa?

41 Maar hoe zal het zijn als Wij vanuit elk volk een getuige nemen en jou hier als getuige tegenover zetten?a

 

42 Yawma-‘iziny-yawaddullaziena kafaroe wa ‘asa-wur-Rasoela law tu-sawwaa bihimul-‘ard: wa laa yaktumoenallaaha hadiesaa!

42 Op die dag zullen degenen die niet geloofden en die de Boodschapper niet gehoorzaamden, wensen dat de aarde met hen gelijkgemaakt zou zijn. En zij kunnen geen enkel feit verbergen voor Allāh.


34a. Qāma-l-radjoeloe ‘ala-l-mar’ati betekent hij onderhield haar en regelde haar zaken, haar zaken onder zijn hoede hebben. Van daar dat van hem gezegd wordt dat hij haar qawwām is, d.w.z. onderhouder (T). Zo betekent qāma bi-l-jatimi hij onderhield de wees (LL). Vandaar dat met het qawwāmoen zijn van de mannen alleen bedoeld wordt dat zij de onderhouders van vrouwen zijn met dat waarmee Allāh sommigen doet uitstijgen boven anderen.

34b. Gehoorzaamheid betekent hier gehoorzamenheid aan Allāh. Deze betekenis van het woord wordt duidelijk door vergelijking met 33:31, 33:35 en 66:5.

34c. De bescherming van het ongeziene is een eufemisme voor de bescherming van de rechten van de echtgenoot. De twee eigenschappen van een goede echtgenote die hier worden gegeven zijn vroomheid of gehoorzaamheid aan Allāh, en kuisheid.

34d. Dit betekent dat hun bescherming van de rechten van de echtgenoot eigenlijk een gunst van Allāh is, omdat het Allāh is die hen beschermt. Of de betekenis kan zijn dat Allāh hun rechten heeft beschermd.

34e. Het woord noesjoez, wat ik vertaald heb met verlating, betekent in eerste instantie in opstand komen. Wanneer het gezegd wordt van een vrouw in verband met haar echtgenoot, dan betekent het dat zij in opstand komt tegen haar echtgenoot. Dit wordt op diverse manieren uitgelegd; volgens een uitleg betekent het de plek van de echtgenoot verlaten en een woning intrekken die hem niet aanstaat (AH). LL citeert verschillende deskundigen die aantonen dat noesjoez, van de kant van de vrouw, betekent dat de echtgenote haar echtgenoot weerstond en hem haatte (S, Q) en hem verliet (T).

De remedie in geval van opstandigheid van de echtgenote is drievoudig. Eerst moet zij slechts gewaarschuwd worden. Wanneer zij ophoudt, is het kwaad hersteld, maar als zij volhardt in de verkeerde weg, dan moet haar bed gescheiden worden. Als zij nog steeds volhardt, dan is bestraffing als laatste toevlucht toegestaan (Rz). Met betrekking tot deze laatste remedie moeten echter twee dingen in gedachten worden gehouden. Ten eerste gaat het hier enkel om toestemming, en uitspraken van de Profeet (s.a.w.) maken duidelijk dat, hoewel het toegestaan is, het in de praktijk werd ontmoedigd. Zo zou de Profeet (s.a.w.), in antwoord op de klacht van bepaalde vrouwen over de slechte behandeling door hun echtgenoten, gezegd hebben: "Jullie zullen deze mannen niet als de beste onder jullie beschouwen" (AD. 12:42). Volgens Sjāfi‘i verdient het de voorkeur om geen toevlucht te nemen tot het bestraffen van de echtgenote (Rz). Aangezien de geboden van de Qoer-ān zeer veelomvattend zijn, maakt het voorbeeld van de Heilige Profeet (s.a.w.) en zijn aanhoudende vermaningen tot een nette behandeling van vrouwen, zozeer dat hij de goede manier waarop een man zijn echtgenote behandelde, maakte tot de standaard voor diens goede gedrag in het algemeen – de beste onder jullie is degene die het beste is voor zijn echtgenote – duidelijk dat deze toestemming in feite slechts bedoeld is voor die mannen en vrouwen die in de lagere regionen van de maatschappij vertoeven. Zelfs deze toestemming mag echter niet klakkeloos worden aangenomen. Uitspraken van de Heilige Profeet (s.a.w.) maken namelijk duidelijk dat de bestraffing, wanneer daartoe in extreme omstandigheden wordt overgegaan, zeer gering moet zijn. I‘Ab zegt dat het met iets als een tandenborstel kan worden gedaan (AH). De Profeet (s.a.w.) zou gezegd hebben: "Aangaande jullie echtgenotes is het jullie goed recht dat zij niemand die jullie huis willen toelaten; als zij dit doen, straf hen dan op zo’n manier dat het geen impressie achterlaat" (Tr. 10:11). Dus in extreme situaties was slechts zeer geringe bestraffing toegestaan.

35a. Dit vers legt de procedure vast die gevolgd moet worden wanneer er zich een geval van echtscheiding voordoet. Het is niet aan de echtgenoot om zijn echtgenote aan de kant te zetten. Het is de taak van de rechter om de zaak te beslissen. Echtscheidingszaken moeten ook niet te openbaar worden gemaakt. De rechter moet twee arbiters aanwijzen, een behorend tot de familie van de echtgenote en de ander tot die van de echtgenoot. Deze twee arbiters moeten de feiten achterhalen, maar het moet hun doel zijn om een verzoening tot stand te brengen tussen de partijen. Als alle hoop op verzoening vervlogen is, is een echtscheiding toegestaan, maar de uiteindelijke beslissing voor de echtscheiding ligt bij de rechter die wettelijk gerechtigd is een echtscheiding uit te spreken. Tijdens de vroege dagen van de Islām, werden zaken beslist in overeenstemming met de aanwijzingen die in dit vers zijn opgenomen. Kijk maar een voorval dat geciteerd wordt door Rz met betrekking tot ‘Ali’s beslissing in een scheidingszaak. De echtgenoot werd eenvoudigweg van dit vers werden aangewezen.

36a. De verwante buren kan betekenen de buren die tot de familie behoren, of moeslim-buren. De vreemde buren zijn ofwel niet-verwante buren ofwel buren van een vreemde religie (AH). De laatste zinsnede (het kwalificeerde woord is afgeleid van djanb, wat een kant betekent) betekent, volgens lexicologen, de persoon die iemands buur is maar die tot een ander volk behoort (LL). De liefdadigheid van de Islām blijft dus niet beperkt tot iemands eigen mensen of iemands eigen geloofsgenoten, maar omvat ook vreemden.

36b. Met degenen in het bezit van jullie rechterhanden worden al degenen wier verzorging aan een persoon is toevertrouwd bedoeld, zodat het zelfs dieren omvat over wie een persoon de baas is (AH, Rz). Tijdens de behandeling van de rechten van de vrouw, generaliseerd de Qoer-ān de wet van het weldoen aan anderen. Hij vereist dat de weldaad reikt tot aan een medereiziger of een eenvoudige reiziger. Wanneer zelfs reisgenoten, wier gezelschap maar van korte duur is, zo weldadig behandeld moeten worden, hoe weldadig moet een man dan wel niet zijn voor de metgezel van zijn hele leven!

40a. Zo luidt de steeds terugkerende omschrijving van de overdaad aan genade in de Goddelijke aard: het goede wordt altijd vermenigvuldigin van het goede toont zonder twijfel aan dat in het universum het goede uiteindelijk moet overwinnen. De Goddelijke wetten die in de natuur in werking zijn, wijzen allen op het feit dat het universum op weg is naar het doel van het ultieme goed.

41a. Van de profeet die naar een volk wordt gestuurd wordt vaak gezegd dat hij een getuige is (Ar. sjahid) voor dit volk. Met het woord hier wordt hier bedoeld de volgelingen van de Heilige Profeet (s.a.w.), of naar de gemeenschap van Moehammad (s.a.w.). In een hadies is vastgelegd dat dit hoofdstuk voor de Profeet (s.a.w.) werd voorgedragen en dat, toen de voordrager bij dit vers kwam, de tranen uit de ogen van de Profeet (s.a.w.) rolden en hij zei: "Mijn Heer, ik kan getuige zijn voor degenen tussen wie ik leef, maar hoe moet het met degenen die ik niet gezien heb" (Ibn Kathir). Hieruit blijkt dat het volk waarover gesproken wordt, de moeslims zijn die ongehoorzaam zijn aan de Profeet (s.a.w.). Vandaar de bezorgdheid van de Profeet (s.a.w.) voor de latere generaties van zijn volgelingen. Dit wordt in feite duidelijk gemaakt in het vers dat volgt met de woorden degenen die niet geloofden en die de Boodschapper niet gehoorzaamden. In de praktijk leidt ongehoorzaamheid tot ongeloof.

 

PARAGRAAF 7: Zuivering van de ziel

 

43 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa taqrabus-salaata wa ‘antum sukaaraa hattaa ta’-lamoe maa taqoeloena wa laa djunuban ‘illaa ‘aabirie sabielin hattaa tagh-tasiloe. Wa ‘inkuntum-marzaaa aw ‘alaa safarin ‘aw djaaa-‘a ‘ahadumminkum-minal-ghaaa-‘iti ‘aw laamas-tumun-nisaaa-‘a falam tadjidoe maaa-‘an-fata-yammamoe sa-‘iedan tayyiban famsahoe bi-wuyoehikum wa ‘aydiekum: ‘innallaaha kaana ‘A-fuwwan Ghafoeraa.

43 O jullie die geloven, blijf uit de buurt van het gebed wanneer jullie bedwelmd zijn tot je weet wat je zegt,a en ook na geslachtsgemeenschapb – tenzij jullie er slechts langskomenc – tot jullie een bad hebben genomen. En als jullie ziek zijn of op reis, of een van jullie komt van het privaat, of jullie hebben de vrouwen aangeraakt,d en jullie kunnen geen water vinden, behelp jezelf dan met pure aarde,e en wrijf je gezicht en handen. Waarlijk is Allāh immer Begenadigend, Vergevensgezind.

 

44 ‘Alam tara ‘ilallaziena ‘oetoe nasiebam-minal-Kitaabi yasj-taroenaz-zalaalata wa yuriedoena ‘an-tazillus-sabiel.

44 Zie jij degenen niet aan wie een deel van het Boek werd gegeven? Zij kopen dwaling en willen jullie doen afdwalen van het (rechte) pad.

 

45 Wallaahu ‘a’-lamu bi-‘a-daaa-‘ikum; wa kafaa billaahi Waliy-yanw-wa kafaa billaahi Nasieraa.

45 En Allāh weet het beste wie jullie vijanden zijn. En Allāh is afdoende als Vriend en Allāh is afdoende als Helper.

 

46 Minal-laziena haadoe yuharrifoenal-kalima ‘amma-waazi-‘ihie wa yaqoeloena sami’-naa wa ‘asay-naa wasma ghayra musma-‘inw-wa raa-‘inaa layyam-bi-‘al-sinatihim wa ta’-nan-fiddien. Wa law ‘annahum qaaloe sami’-naa wa ‘ata’-naa wasma’ wan-zurnaa lakaana gayral-lahum wa ‘aqwama wa laakilla-‘anahumullaahu bi-kufrihim falaa yu’-minoena ‘illaa qalielaa.

46 Sommigen van de joden veranderen de woorden van plaatsa en zeggen, Wij hebben gehoord en wij gehoorzamen niet; en (zeggen), Luister zonder daartoe gedwongen te worden, en (zeggen), Rā‘inā, terwijl zij het met hun tongen vervormen en religie belasteren. En als zij hadden gezegd, Wij horen en wij gehoorzamen, en luisteren, en oenzoernā,b dan was dat beter voor hen geweest en oprechter; maar Allāh heeft hen vervloekt vanwege hun ongeloof, dus geloven zij slechts een klein beetje.

 

47 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘oetul-Kitaaba ‘aaminoe bimaa nazzalnaa musaddiqal-limaa ma-‘akum-min-qabli ‘an-natmisa wudjoehan fanaruddahaa ‘alaaa ‘adbaarihaaa ‘aw nal-‘anahum kamaa la-‘annaaa ‘Asjaabas-Sabt. Wa kaana ‘amrullaahi maf-‘oelaa.

47 O jullie aan wie het Boek werd gegeven, geloof in hetgeen Wij hebben geopenbaard, wat bevestigt wat jullie hebben, voordat Wij de leiders vernietigen en hen op hun rug draaien, of hen vervloeken zoals Wij de schenders van de Sabbat vervloekten.a En het bevel van Allāh wordt immer uitgevoer.

 

48 ‘Innal-laaha laa yaghfiru ‘any-yusjraka bihie wa yaghfiru maa doena zaalika limany-yasjaaa’. Wa many-yusjrik billaahi faqadif-taraaa ‘isman ‘aziemaa.

48 Allāh vergeeft het zeker niet dat er naast Hem een gelijke wordt opgericht, en vergeeft alles behalve dat, aan wie het Hem behaagt. En wie een gelijke opricht naast Allāh begaat inderdaad een grote zonde.a

 

49 ‘Alam tara ‘ilallaziena yuzakkoena ‘anfusahum? Balillaahu yuzakkie many-yasjaaa-‘u wa laa yusla- moena fatielaa.

49 Heb je degenen niet gezien die zuiverheid aan zichzelf toekennen? Nee, Allāh zuivert wie het Hem behaagt, en hen zal geen greintje onrecht worden aangedaan.a

 

50 ‘Unzur kayfa yaftaroena ‘alallaahil-kazib? wa kafaa bihie ‘ismam-mubienaa?

50 Zie hoe zij leugens verzinnen tegen Allāh! En dit is voldoende als een duidelijke zonde.a


43a. Er bestaat een verschil van mening over wat hier met soekārā bedoeld wordt. Letterlijk betekent het enkelvoud sakarān een bedwelmd iemand. Terwijl sommigen deze woorden hier uitleggen als bedwelmd door drank, denken anderen dat het bedwelmd door slaap moet zijn (T, LL). En sakr kan zonder twijfel in die laatste betekenis worden gebruikt, want de letterlijke betekenis is tot zeer laat opblijven (LL). Het woord wordt ook gebruikt voor een verward beoordelingsvermogen (LL). De Heilige Qoer-ān spreekt van sakrat al-maut (50:19) of de toestand waarin iemand zijn verstand verliest bij het naderen van de dood. Sakrat al-hamma is de toestand waarin een persoon zijn verstand verliest door hevig verdriet. Sakrat al-naum is de toestand waarin iemand niet bij zijn volle verstand is door het drukkende gevoel van zware slaap. Zoals het woord hier gebruikt wordt, kan het dit allemaal betekenen.

Het verbod op bidden onder bedwelming was een stap voorwaarts naar een algeheel verbod op drank, daar de noodzakelijkheid om vijf maal per dag te bidden weinig mogelijkheden over zou laten voor het opgaan in drank. Het vers maakt verder duidelijk dat men moet weten wat men zegt wanneer men tot Allāh bidt.

43b. Het woord djoenoeb (van djanb, wat een kant betekent) moet niet vertaald worden met onzuiver of vervuild. Het is een puur technische term, en betekent iemand die verplicht is een totale ablutie uit te voeren of te baden (LL). Het verband met de stam-betekenis is dat de persoon met zo’n verplichting aan de kant staat, of op afstand staat van het gebed (R). Als zo iemand, een djoenoeb, zichzelf in het bijzijn van de Profeet (s.a.w.) beschreef als nadjs (vervuild of onrein) verbeterde die hem, met de woorden: "Glorie aan Allāh! Een gelovige is niet nadjs (of onrein)" (B.5:23). De noodzaak om een volledige ablutie te ondergaan komt voor in het geval van uitscheiding van sperma bij geslachtsgemeenschap of pollutio nocturna.

43c. In de buurt van het gebed komen kan betekenen het binnengaan van moskeeën (I‘Ab-Rz), en de betekenis zou in dat geval zijn tenzij jullie (door de moskeeën) gaan omdat het op jullie weg ligt.

43d. Het aanraken van vrouwen is een eufemisme voor geslachtsgemeenschap. Veel van de mooie zinsneden die in de Heilige Qoer-ān gebruikt worden om deze delicate relatie aan te duiden, waren onbekend bij de Arabieren. Er werden woorden en vormen aangenomen die zelfs de meest gevoelige oren niet zouden schokken.

43e. Sa‘id betekent hoge of opgehoogde grond, vandaar in het algemeen land of grond of oppervlak van de aarde, of dat nu stof of aarde of iets anders is (LL). Tajammoen (van amma, wat hij herstelde betekent) betekent met beide handen op de zuivere aarde slaan, of op iets anders zolang als het maar zuiver stof bevat, om dan de handen over het gezicht en de rug van de handen te halen. Als er geen water voorhanden is, of wanneer het eventueel schadelijk is, voldoet tajammoem in plaats van ablutie vóór het gebed.

46a. Er wordt in de Heilige Qoer-ān steeds verwezen naar de corruptie van de voorgaande boeken en, zoals de woorden duidelijk aangeven, omvat het zowel een corruptie van de tekst alsook een verkeerde vertaling ervan. Het onderwerp van de verbastering van "de heilige schrift" wordt apart behandeld in 2:75–79, 5:13, 41, en hier (zie 2:79a). De bevestiging waaraan in v. 47 en elders gerefereerd wordt, omvat slechts een bevestiging van de algemene grondbeginselen en speciaal van de profetieën die in deze boeken zijn opgenomen.

46b. Zie 2:104a.

47a. Het woordt woedjoeh (enk., wadjh) betekent ofwel gezichten ofwel opperhoofden en leiders (R, onder tams) terwijl tams uitwissing of vernietiging betekent (R). De uitwissing van gezichten is kennelijk een metaforische beschrijving die betekent hen onthouden van grootsheid en voorspoed, en schande en tegenslag over hen afroepen (Bd). Hetzelfde idee wordt versterkt in hen op hun rug draaien. Hiermee wordt waarschijnlijk verwezen naar hun uiteindelijke verbanning uit Arabië.

De tweede manier van straffen is dat zij overvallen worden door de vloek die ook de schenders van de Sabbat overviel, waarvoor verwezen wordt naar 2:65b.

48a. Sjirk of het oprichten van gelijken naast Allāh, wordt hier genoemd als de zwaarst mogelijke zonde. Het verkeerde geloof van een mens doet op geen enkele wijze afbreuk aan de glorie van Allāh, maar een geloof in valse godheden verlaagt de waardigheid van de mens. De mens is voorbestemd om te heersen over de natuur zelf en al haar schepsels. Wanneer hij zich echter verlaagt voor schepsels die lager zijn dan hijzelf, waarover hij eigenlijk zou moeten heersen, dan brengt hij het doel van zijn schepping terug tot niets. Er moet worden opgemerkt dat sjirk of het oprichten van goden naast Allāh, niet alleen afgoderij betekent, of de verering van natuurkrachten, of een geloof in de Goddelijkheid van stervelingen, maar dat het ook een houding van blinde gehoorzaamheid omvat, die tegenover belangrijke mensen wordt aangenomen; zie voetnoot 9:31a en ook de volgende voetnoot. Verder moet men niet vergeten dat de vergevensgezindheid waarover hier gesproken wordt, verwijst naar zij die sterven terwijl zij schuldig zijn aan sjirk. Zelfs zij zullen in de genade van Allāh worden opgenomen nadat zij de gevolgen van hun daden hebben doorstaan. Als een mens schuldig is aan sjirk en daar voor zijn dood reeds berouw voor toont, worden al zijn zonden inclusief sjirk weggewassen en vergeven, omdat hij een nieuwe wending aan zijn leven geeft.

49a. Fatil betekent oorspronkelijk vlies van een dadelpit of vuil van de huid dat tussen de vingers gerold wordt; vandaar een heel klein ding (LL). Met degenen die zuiverheid aan zichzelf toekennen wordt verwezen naar het soort schriftgeleerden en monniken (9:31) (zoals ook naar ‘oelemā’ of pirs die onder de moeslims te vinden zijn) die zichzelf boven hun volgelingen stellen en van wie zij blinde gehoorzaamheid aan zichzelf verlangen. Dergelijke mensen worden hier dus genoemd in verband met het oprichten van gelijken naast Allāh, besproken in het voorgaande vers.

50a. Het opeisen van zuiverheid voor zichzelf wordt hier een openlijke zonde genoemd.

 

PARAGRAAF 8: Koninkrijk geschonken aan de afstammelingen van Abraham

 

51 ‘Alam tara ‘ilallaziena ‘oetoe nasiebam-minal-Kitaabi yu’-minoena bil-Djibti wat-Taagoeti wa yaqoe- loena lillaziena kafaroe haaa-‘ulaaa-‘i ‘ahdaa minallaziena ‘aamanoe sabielaa?

51 Hebt je degenen niet gezien aan wie een deel van het Boek werd gegeven? Zij geloven in toevenarija en waarzeggers en zeggen over degenen die niet geloven: Dezen worden beter over het pad geleid dan degenen die geloven.

 

52.’Ulaaa-‘ikallaziena la-‘anahumullaah: wa many-yal-‘anillaahu falan-tadjida lahoe nasieraa.

52 Dit zijn degenen die Allāh heeft vervloekt. En je zal geen helper vinden voor degene die door Allāh wordt vervloekt.

 

53 ‘Am lahum nasiebum-minal-mulki fa-‘izal-laa yu’-toenannaasa naqieraa?

53 Of hebben zij een aandeel in het koninkrijk? Maar dan zouden zij de mensen nog geen vlekje op een dadelpit geven.a

 

54 ‘Am yahsudoe-nan-naasa ‘alaa maaa ‘aataahumullaahu min-fadlih? Faqad ‘aataynaaa ‘Aala- ‘Ibraahiemal-Kitaaba wal-Hikmata wa ‘aataynaahum-mulkan ‘aziemaa.

54 Of zijn zij jaloer op de mensen vanwege wat Allāh hen uit Zijn goedgunstigheid heeft geschonken? Maar Wij hebben de kinderen van Abraham immers het Boek gegeven, en de Wijsheid, en Wij hebben hen een groots koninkrijk gegeven.a

 

55 Faminhum-man ‘aamana bihie wa minhum-man-sadda ‘anh: wa kafaa bi-Djahannama sa-‘ieraa.

55 Dus onder hena bevindt zich degene die in hem gelooft, en onder hen bevindt zich degene die zich van hem afkeert.b En de Hel is afdoende om te branden.

 

56 ‘Innallaaziena kafaroe bi-‘Aayaatienaa sawfa nusliehim Naaraa. Kullamaa naziyat yuloeduhum baddalnaahum yuloedan ghayrahaa li-yazoequl-‘azaab: ‘innallaaha kaana ‘Aziezan Hakiemaa.

56 Wij zullen degenen die niet in Onze Boodschap geloven het Vuur doen binnentreden. Zo vaak als hun huid verbrandt, zullen Wij deze vervangen door een andere huid,a opdat zij de straf zullen proeven. Waarlijk is Allāh immer Machtig, Wijs.

 

57 Wallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati sanud-giluhum Djannaatin-tadjrie-min tahtihal-‘anhaa- ru gaalidiena fiehaa ‘abadaa: lahum fiehaaa ‘azwaadjum-mutah-harah: wa nud-giluhum zillan-zalielaa.

57 En wij zullen degenen die geloven en goede daden doen, Tuinen doen binnentreden waardoor rivieren stromen, om voor immer in te blijven. Voor hen zijn daar zuivere gezellen en Wij zullen hen een plezierige schaduw doen betreden.a

 

58 ‘Innallaaha ya’-murukum ‘an-tu-‘addul-‘amaanaati ‘ilaaa ‘ah-lihaa wa ‘izaa hakamtum bay-nannaasi ‘an-tah-kumoe bil-‘adl. ‘Innallaaha ni-‘immaa ya-‘izukum-bih ! ‘Innallaaha kaana Samie-‘am-Basieraa.

58 Allāh verplicht jullie zeker om verantwoordelijkheida over te dragen aan degenen die ze waardig zijn, en dat wanneer jullie rechtspreken tussen mensen, jullie rechtvaardig rechtspreken. Waarlijk vermaant Allāh jullie met het uitmuntende. Waarlijk is Allāh immer Horende, Ziend.

 

59 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘atie-‘ullaaha wa ‘atie-‘ur-Rasoela wa ‘ulil-‘amri minkum. Fa-‘in-tanaaza’-tum fie sjay-‘in-fa-ruddoehu ‘ilallaahi war-Rasoeli ‘in-kuntum tu’-minoena billaahi wal- Yawmil –‘Aagir. Zaalika gayrunw-wa ‘ahsanu ta’-wielaa.

59 O juulie die geloven, gehoorzaam Allāh en gehoorzaam de Boodschapper en degenen uit juulie midden die gezag dragen; en als jullie ergens ruzie over maken, leg het dan voor aan Allāh en de Boodschapper, als jullie geloven in Allāh en de Laatste Dag.a Dit is het beste en geschikter om het doel te bereiken.b


51a. Djibt betekent een afgod of afgoden (LL): "Oemar zei, dat het tovenarij betekent (B. 65:iv, 10). Sommigen beschouwen het als hetzelfde woord als djibs, wat een waardeloos ding betekent (Rz), of een ding waarin geen goed steekt. Zie 2:256b voor tāghoet. Hier wordt het uitgelegd als kāhin of waarzegger: Djābir zegt dat elke stam haar eigen waarzegger had (B. 65:iv, 10). Er wordt vermeld dat de joden tijdens het sluiten van een verbond met de Qoerasj hun afgoden aanbaden (Rz). Maar de woorden lijken te refereren aan de algemene geestelijke verarming van de joden, die in allerlei soorten betovering, waarzeggerij en hekserij geloofden en die in de praktijk het pure monotheïsme van Mozes allang vaarwel hadden gezegd.

53a. Er wordt hier kennelijk verwezen naar het wereldse en geestelijke koninkrijk dat beloofd was aan het zaad van Abraham, zoals duidelijk wordt gesteld in het volgende vers. De joden waren beide ontnomen. De liefde voor rijkdom had hen zo zeer verlaagd, dat zij zelfs voor een werelds koninkrijk niet geschikt waren. Dit kon niet worden toegewezen aan een volk dat niet ruimdenkend met anderen kon omgaan.

54a. Met de mensen worden de Arabieren bedoeld. Het beloofde koninkrijk was nog in (handen van) het zaad van Abraham, maar het werd nu van de afstammelingen van Israël overgedragen op die van Ismaël, in overeenstemming met het verbond dat met Abraham was gesloten; zie 2:124a.

55a. Hier worden de kinderen van Abraham bedoeld, waaronder de joden.

55b. Het persoonlijk voornaamwoord slaat op de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.), die nu de ware vertolker van Abrahams geloof was.

56a. De gebruikte vorm duidt op de constante voortgang van de kwelling, in overeenstemming met de metafoor van vuur.

57a. Zill impliceert macht en ontoegankelijkheid en ook een toestand van gemak. De woorden worden hier gebruikt als zinspelingen op geluk en een aangenaam leven (R).

58a. Dit deel gaat over de toekenning van een koninkrijk aan de moeslims. Er wordt hier van hen verwacht dat zij staatsaangelegenheden toevertrouwen aan mensen die deze verantwoordelijkheid waardig zijn. De woorden die volgen, waarin van rechters vereist wordt dat zij rechtvaardig zijn, ondersteunen deze betekenis. In zijn geheel legt het vers de wederzijdse taken van onderdanen en bestuurders vast. Als uitleg van het woord amānat (enk. van amānāt, het woord dat hier voorkomt en dat met verantwoordelijkheden is vertaald), zei L’Ab dat het verplichtingen betekent (LA). De Profeet (s.a.w.) zelf legde het woord amānat uit als regering of staatszaken. "De Profeet (s.a.w.) zei: "Wanneer men zijn amānat (verantwoordelijkheid) beschaamt, wacht dan op de sā‘ah, d.w.z. het uur of de ondergang.’ Er werd gezegd: ‘Hoe zal de verantwoordelijkheid beschaamd worden, o Boodschapper van Allāh?’ Hij zei: ‘Wanneer het regeren wordt toevertrouwd aan diegenen die dat niet waard zijn, wacht dan op de ondergang.’ "(B. 81:35).

59a. Dit vers legt drie belangrijke richtlijnen vast voor zaken die betrekking hebben op het welzijn van de moeslimgemeenschap en speciaal op die zaken die verwant zijn aan staatsaagelegenheden. Dit zijn ten eerste, gehoorzaamheid aan Allāh en Zijn Boodschapper; ten tweede, gehoorzaamheid aan degenen die door de moeslims met autoriteit zijn belast; en ten derde, wanneer er onenigheid ontstaat met de machthebbers over bepaalde zaken, moeten deze worden verwezen naar Allāh en Zijn Boodschapper. Allāh en Zijn Boodschapper vormen dus het hoogste gezag. Dit wordt uitgelegd in de Hadies. "Te luisteren en te gehoorzamen", zei de Profeet (s.a.w.), "is bindend zolang men niet de opdracht krijgt ongehoorzaam aan Allāh te zijn; als men de opdracht krijgt ongehoorzaam aan Allāh te zijn, zal men niet (naar de autoriteiten) luisteren noch (hen) gehoorzamen" (B. 56:108). De woorden oeloe-l-amr, wat degenen die de macht hebben betekent, hebben een brede betekenis, zodat in verschillende zaken die gerelateerd zijn aan het leven van de mens, verschillende mensen de macht kunnen hebben. Zo werd de bevelhebber van een onderdeel van het leger beschouwd als een machthebber (B. 65:iv, 11). Wereldlijke autoriteiten moeten gehoorzaamd worden in seculiere aangelegenheden, terwijl religieuze autoriteiten gehoorzaamd moeten worden in religieuze aangelegenheden. Vooral bij religieuze aangelegenheden ontstonden er verschillen van mening, waarbij het noodzakelijk was de zaak te verwijzen naar Allāh en Zijn Boodschapper; met andere woorden naar de Qoer-ān en Hadies. Oordelen van grote Imāms zijn alleen aanvaardbaar wanneer zij onderdeel uitmaken van de Qoer-ān en Hadies. Over de grote Imām Aboe Hanifah is opgetekend dat hij gezegd heeft: “Laat mijn woord varen voor het woord van Allāh; laat mijn woord varen voor het woord van de Boodschapper van Allāh."

Wat betreft de seculiere leiders, is er een regel vastgelegd in de Hadies die zegt dat "de autoriteit van hen aan wie deze is toevertrouwd, niet in twijfel mag worden getrokken, tenzij," voegde de Peofeet (s.a.w.) er aan toe, "jullie een daad van openlijk ongeloof zien, inzake welke jullie een duidelijk argument van Allāh hebben" (B. 93:2).

De woorden van het vers gaan slechts over de gezagsdragers uit jullie midden, en de vraag komt op wat de moeslims moeten doen in het geval zijn onder een niet-moeslim autoriteit moeten leven? In zo’n geval voldoet het voorbeeld van de relaties die de Profeet (s.a.w.) zelf onderhield met Abbessinië als richtlijn. De Profeet (s.a.w.) raadde ongeveer honderd metgezellen aan bescherming te zoeken in het christelijke koninkrijk Abessinië, waar zij ongeveer tien jaar leefden, onderworpen aan de wetten van het land. De regel is echter vastgelegd in heldere bewoordingen, en al eerder geciteerd: "als men het bevel krijgt ongehoorzaam te zijn aan Allāh, dan mag men niet naar de autoriteiten luisteren of hen gehoorzamen."

59b. Ta’wil (van āla, hij keerde terug) betekent interpretatie, omdat de woorden teruggekeerd zijn naar hun betekenis. Maar uit dezelfde oorspronkelijke betekenis terugkeren volgt het gebruik in de betekenis van mardja‘, d.w.z. uiteindelijk resultaat, en ‘āqibah, d.w.z. onderwerp, doel, resultaat (LL), en dit is de betekenis die hier in de context past.

 

PARAGRAAF 9: De Profeet (s.a.w.) moet worden gehoorzaamd

 

60 ‘Alam tara ‘ilallaziena yaz-‘umoena ‘annahum ‘aamanoe bimaaa ‘unzila ‘ilayka wa maaa ‘unzila min-qablika yuriedoena ‘any-yatahaakamoe ‘ilat-Taagoeti wa qad ‘umiroe ‘any-yakfuroe bih. Wa yuriedusj-Sjay-tanu ‘any-yuzillahum zalaalam-ba-‘iedaa.

60 Heb je degenen niet gezien die verzekeren dat zij geloven in wat aan jou is geopenbaard en wat er vóór jou werd geopenbaard? Zij verlangen ernaar het oordeel van de duivel te zoeken,a terwijl hen was geboden hem te verloochenen. En de duivel wenst hen ver te laten afdwalen.

 

61 Wa ‘izaa qiela lahum ta-‘aalaw ‘ilaa maaa ‘anzalallaahu wa ‘ilar-Rasoeli ra-‘aytal-Munaa-fiqiena yasuddoena ‘anka ‘sudoe-daa.

61 En wanneer er tegen hen wordt gezegd, Kom tot wat Allāh heeft geopenbaard en tot de Boodschapper, zie je hoe de hypocrieten zich met afschuw van jou afkeren.

 

62 Fa-kayfa ‘izaa ‘asaabathum-musiebatum-bimaa qaddamat ‘aydiehim summaa djaaa-‘oeka yahli-foena billaahi ‘in-‘arad-naa ‘illaaa ‘ihsaananw-wa tawfieqaa!

62 Maar hoe kan het dat, wanneer tegenslag hen overvalt vanwege wat hun handen eerder hebben gestuurd, zij naar jou toekomen terwijl zij zweren bij Allāh: Wij wensten niets dan goedheid en eendracht?

 

63 ‘Ulaaa-‘ikallaziena ya’-lamullaahu maa fie quloebihim fa-‘a’-riz ‘anhum wa ‘iz-hum wa qul-lahum fie ‘anfusihim qawlam-balieghaa.

63 Dit zijn degenen van wie Allāh de geheimen in hun harten kent; dus blijf bij hen uit de buurt en vermaan hen en spreek doeltreffende woorden tot hen betreffende henzelf.a

 

64 Wa maaa ‘arsalnaa mir-Rasoelin ‘illaa liyutaa-‘a bi-‘Iznillaah. Wa law ‘annahum ‘iz-zalamoe ‘anfusahum-djaaa-‘oeka fastagh-farullaaha wastagh-fara lahumur-Rasoelu lawadja-dullaaha Tawwaa-bar-Rahiemaa.

64 En Wij stuurden geen boodschapper, of hij moest gehoorzaamd worden op Allāh’s bevel. En waren zij, toen zij zichzelf onrecht aandeden, naar jou toegekomen en hadden zij om vergiffenis van Allāh gevraagd, en de Boodschapper (ook) voor hen om vergiffenis gevraagd, dan hadden zij gemerkt dat Allāh Vaak weerkerend (tot genade), Barmhartig is.

 

65 Falaa wa Rabbika laa yu’-minoena hattaa yuhakkimoeka fiemaa sjadjara baynahum summa laa yadjidoe fie ‘anfusihim haradjam-mimmaa qa-zayta wa yusallimoe tasliemaa.

65 Maar nee, bij jouw Heer! zij geloven niet totdat zij jou rechter maken over een meningsverschil tussen hen, en vinden dan geen engte in hun harten omtrent wat jij beslist en onderwerpen zich met volledige overgave.

 

66 Wa law ‘annaa katabnaa ‘alayhim ‘aniqtuloe ‘anfusakum ‘awig-rudjoe min-diyaarikum-maa fa-‘aloehu ‘illaa qalielum-minhum: wa law ‘annahum fa-‘aloe maa yoe-‘azoena bihie lakaana gay-rallahum wa ‘asjadda tasbietaa;

66 En wanner Wij hen hadden bevolen, Laat jullie levensa of verlaat jullie huizen, hadden zij het, op een enkeling na, niet gedaan. En als zij hadden gedaan waartoe zij worden aangespoord, dan was dat zeker beter voor hen geweest en had het hen sterker gemaakt:

 

67 Wa ‘izalla-‘aatay-naahummilla-doennaaa ‘adjran ‘aziemaa;

67 En dan hadden Wij hun zeker een grootse beloning van Onszelf gegeven.

 

68 Wa lahaday-naahum Siraatam-Musta-qiemaa.

68 En Wij hadden hen zeker op het rechte pad geleid.

 

69 Wa many-yuti-‘illaaha war-Rasoela fa-‘ulaaa-‘ika ma-‘allaziena ‘an-‘amallaahu ‘alayhim-minan- Nabiy-yiena was-Siddie-qiena wasj-Sjuhadaaa-‘i was-Saali-hien: wa hasuna ‘ulaaa-‘ika Rafieqaa.

69 En wie er gehoorzamen aan Allāh en de Boodschapper, zij zijn met degenen aan wie Allāh gunsten heeft verleend uit het midden van de profeten en de waarheidlievenden en de getrouwen en de rechtschapenen, en wat een uitnemend gezelschap vormen zij!a

 

70 Zaalikal-Fazlu minal-laah : wa kafaa billaahi ‘Aliemaa.

70 Zo ziet de goedgunstigheid van Allāh eruit, en Allāh is afdoende als Weter.


60a. Zie 2:256b voor taghoet. De mensen waarover hier wordt gesproken zijn de hypocrieten, zoals duidelijk wordt uit het vers dat volgt. Hier zou worden verwezen naar Ka‘b, zoon van Asjraf, een jood. Anderen denken dat het verwijst naar Aboe Bardah, een waarzegger. Weer anderen beschouwen de taghoet hier als een speciale afgod of afgoden in het algemeen, aan wie geschillen werden voorgelegd die vervolgens door middel van waarzeggerij beslist werden (Rz). De hypocrieten hielden vast aan afgoden of waarzeggers die, omdat ze voorgaan in de aanbidding van de duivel, duivels worden genoemd.

63a. Iemand wordt baligh genoemd (van balagha, wat hij bereikte het uiterste punt waarnaar hij zijn koers had gericht betekent), wanneer hij een zuiver taalgebruik eropna houdt, of doeltreffend of met een scherpe tong spreekt. Wanneer het wordt toegevoegd aan een uitspraak, betekent het ook een doeltreffende toespraak of een toespraak die effect sorteert (LL).

66a. De metgezellen van de Profeet (s.a.w.) hadden hun levens moeten geven uit verdediging van hun geloof, en hadden er hun huizen voor moeten verlaten. Maar de hypocrieten in Madinah waren te lafhartig om dergelijke ontberingen te doorstaan. Van hen werd slechts verlangd dat ze bijdroegen aan de strijd die gevoerd werd om de natie te verdedigen en dat ze de bevelen van de Profeet (s.a.w.) opvolgden, wat een veel makkelijkere taak was. Maar zelfs dat deden ze niet.

69a. Degenen aan wie Allāh gunsten heeft verleend worden in vier klassen verdeeld: (1) De profeten. (2) De waarheidlievenden – het oorspronkelijke woord siddiq betekent letterlijk iemand die altijd waarheidlevend is, en in het religieuze taalgebruik iemand die waarheidlievend is in woord en geloof en die zijn waarheid bevestigd door zijn daden of manier van handelen (LL). (3) De getrouwen – het oorspronkelijke woord sjahid betekent iemand die getuigt van de waarheid van de godsdienst van Allāh, zowel in woorden als in daden. Iemand die gedood wordt bij de verdediging van zijn geloof is hierbij inbegrepen, want hij levert ook het bewijs van de waarheid van religie door zijn leven ervoor te geven. (4) De rechtschapenen, of degenen die vasthouden aan het rechte pad in al hun daden, wat er ook gebeurt.

Degenen die Allāh en de Boodschapper gehoorzamen wordt hier verteld dat zij zijn met de volmaakten die behoren tot de volgende vier klassen: de profeten, de waarheidlievenden, de getrouwen en de rechtschapenen. De betekenis is duidelijk. Zij hebben de perfectie van de volmaakten uit deze vier klassen niet bereikt, maar toch zijn zij met hen. Dat wil zeggen, in het leven dat nog komen gaat zullen zij in hun gezelschap verkeren. De uitspraken van de Profeet (s.a.w.) maken dit duidelijk. Er is geschreven dat Hij gezegd heeft: "De waarheidlievende en eerlijke handelaar is met de profeten, de waarheidlievenden en de getrouwen" (Tr. 12:4). Het betekent niet dat een eerlijke handelaar een profeet wordt, maar dat hij in het gezelschap verkeert van de profeten. Volgens een andere Hadies, werd aan de Profeet (s.a.w.) de vraag gesteld betreffende iemand die van een volk houdt maar er niet toe behoort, en hij antwoordde dat een mens met diegenen is van wie hij houdt (B. 78:96). En over Ans is geschreven dat hij heeft gezegd: "Ik houd van de Boodschapper van Allāh en ik houd van Aboe Bakr en ‘Oemar en ik hoop dat Allāh me met hen zal verheffen, hoewel ik niet de daden heb gedaan die zii hebben bereikt, het gezelschap van degenen die perfectie wel hebben bereikt. De eerstgenoemde moet echter wel zijn best hebben gedaan om Allāh en Zijn Boodschapper te gehoorzamen.

Het is onmogelijk dat iemand profeet kan worden door de Profeet (s.a.w.) te gehoorzamen. Als dat waar was, dan zouden alle waarheidlievende en getrouwen en rechtschapenen profeten zijn, omdat zij Allāh en Zijn Boodschapper volledig gehoorzaamden. Maar zij niet alleen. Ook iedereen die hun probeerde te volgen zou tot de waardigheid van profeetschap verheven worden, iets wat reeds op het eerste gezicht absurd is. En zeggen dat sommigen mensen profeten kunnen worden nadat de deur naar het profeetschap reeds gesloten is, is volstrekte onwetendheid omtrent de grondbeginselen die door het Heilige Boek zijn vastgelegd.

 

PARAGRAAF 10: Gelovigen moeten zichzelf verdedigen

 

71 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe guzoe hiezrakum fanfiroe subaatin ‘awinfiroe yamie-‘aa.

71 O juulie die geloven, tref jullie voorzorgsmaatregelen en ga dan voorwaarts in eenheden, of ga voorwaarts als een geheel.

 

72 Wa ‘inna minkum lamallayubatti-‘ann: fa-‘in ‘asaabatkum-moesie-batun-qaala qad ‘an-amallaahu ‘a-layya ‘iz lam ‘akum-ma-‘ahum sjahiedaa.

72 En tussen jullie bevindt zich degene die zich terug zal laten vallen. Als jullie dan getroffen worden door tegenslag zegt hij: Allāh heeft mij zeker begunstigd, daar ik niet in hun gezelschap was.

 

73 Wa la-‘in ‘asaa-bakum fazlum-minallaahi la-yaqoelanna ka-‘allam takum-baynakum wa bay-nahoe ma-wadda-tunyyaalay-tanie kuntu ma-‘ahum fa-‘afoeza fawzan ‘aziemaa!

73 En wanneer er overvloed van Allāh tot jullie komt, dan zal hij schreeuwen alsof er geen vriendschap tussen jou en hem was: Was ik maar bij hen geweest, dan had ik geweldige successen geboekt!

 

74 Fal-yuqaatil fie Sabie-lillaahillaziena yasj-roenal-hayaataddunyaa bil-‘Aagirah. Wa many-yuqaatil fie Sabie-lillaahi fayuq-tal ‘aw yagh-lib fa-sawfa nu’-tiehi ‘adjran ‘aziemaa.

74 Dus laten (alleen) degenen strijden langs Allāh’s weg, die het wereldse leven verkopen voor het Hiernamaals. En wie er ook strijdt langs Allāh’s weg, of hij nu geveld wordt of overwint, Wij zullen hem een geweldige beloning schenken.

 

75 Wa maa lakum laa tuqaatiloena fie Sabie-lillaahi walmustad-‘afiena minar-ridjaali wan-nisaaa-‘i wal-wildaanillaziena yaqoe-loena Rabbanaa ‘ag-ridjnaa min haazihilqaryatiz-zaalimi ‘ahluhaa; wadj-al-lanaa milladunka waliy-yanw-wadj-‘al-lanaa milladunka nasieraa!

75 En wat voor reden hebben jullie om niet te strijden langs Allāh’s weg, en voor de zwakken onder de mannen en de vrouwen en de kinderen, die zeggen: Onze Heer, haal ons weg uit deze stad, waarvan de inwoners onderdrukkers zijn, en schenk ons van U een vriend en schenk ons van U een helper!a

 

76 ‘Allaziena ‘aamanoe yuqaatiloena fie Sabielillaahi wallaziena kafaroe yuqaa-tiloena fie Sabielit- Taagoeti faqaa-tiloe ‘aw-liyaaa-‘asj-Sjaytaan: ‘inna kaydasj-Sjaytaani kaana za-‘iefaa.

76 Degenen die geloven strijden langs Allāh’s weg en degenen die niet geloven strijden voor de duivel. Dus strijd tegen de vrienden van de duivel is immers immer zwak.a


75a. Dit vers legt uit wat bedoeld wordt met strijden langs Allāh’s weg. Terwijl de meeste gelovigen die er de middelen voor hadden Makkah ontvluchten, de stad waar hier over gesproken wordt als waarvan de inwoners onderdrukkers zijn, bleven degenen achter die zwak waren en niet in staat een reis te maken. Zij werden nog steeds vervolgd en onderdrukt door de Makkanen, zoals duidelijk blijkt uit de woorden van het vers. Niet alleen mannen, maar zelfs vrouwen en jonge kinderen werden vervolgd. Te strijden om hen te bevrijden van de vervolging door de onderdrukkers, was werkelijk strijden langs Allāh’s weg. Het volgende vers laat zien dat van diezelfde onderdrukkers gezegd wordt dat zij voor de duivel streden.

76a. Dit is een voorspelling dat degenen die de kant van de duivel kiezen en tegen de Waarheid strijden uiteindelijk verslagen zullen worden.

 

PARAGRAAF 11: Houding van de hypocrieten

 

77 ‘Alam tara ‘ilal-laziena qiela lahum kuffoe ‘aydi-yakum wa ‘aqiemus-Salaata wa ‘aatuz-Zakaah? Falammaa kutiba ‘alay-himul-qitaalu ‘izaa fariequm-minhum yag-sjaw-nannaasa ka-gasj-yatillaahi ‘aw ‘a-sjadda gasj-yah: wa qaaloe Rabbanaa lima katabta ‘alaynal-qarieb? Qul mataa-‘uddunyaa qaliel: wal-‘Aagiratu gayrul li manittaqqaa : wa la tuzlamoena fatielaa.

77 Heb je degenen niet gezien tegen wie is gezegd: Houd jullie handen in bedwang, en onderhoud het gebed en betaalt de armenbelasting. Maar wanneer hen wordt voorgeschreven te strijden, zie! Een deel van hen vreest de mens zoals zij Allāh zouden moeten vrezen, of met nog grotere vrees, en zeggen: Onze Heer, waarom heeft U de strijd voor ons voorgeschreven? Zou U ons geen uitstel kunnen verlenen tot een nabije tijd?a Zeg: De genietigen in deze wereld zijn kort, en het Hiernamaals is beter voor degene die aan zijn plicht voldoet. En jullie zal geen greintje onrecht worden aangedaan.

 

78 ‘Ayna maa takoenoe yudrik-kumul-mawtu wa law kuntum fie buroedjim-musjayyadah. Wa ‘in-tusib-hum hasanatuny-yaqoeloe haaziehie min ‘indillaah; wa ‘in-tusib-hum sayyi-‘atuny-yaqoeloe haazihie min ‘indik. Qul kullum-min ‘indillaah. Famaa-lie-haaa-‘ulaaa-‘ilqawmi laa yakaadoena yafqahoena hadiesaa?

78 Waar jullie ook zijn, de dood zal juliie achterhalen, ook als jullie je in torens bevinden, hoog verheven. En wanneer het hen voorspoedig gaat, zeggen zij: Dit komt van Allāh; en worden zij getroffen door tegenslag, dan zeggen zij: Dit komt van jou. Zeg: Alles komt van Allāh. Maar wat is er aan de hand met deze mensen dat zij geen poging doen iets te begrijpen?

 

79 Maa ‘asaabaka min hasanatin faminallaah; wa maaa ‘asaabaka min sayyi-‘atin-famin-nafsik. Wa ‘arsalnaaka linnaasi Rasoelaa. Wa kafaa billaahi Sjahiedaa.

79 Welk goed jullie ook overkomt (o mens), het komt van Allāh, en welk tegenslag jullie ook treft, het komt van julliezelf.a En wij hebben jou (o Profeet (s.a.w.), naar de mensheid gestuurd als een Boodschapper. En Allāh is afdoende als getuige.

 

80 Many-yuti-‘ir-Rasoela faqad ‘ataa-‘allaah: wa man-tawallaa famaaa ‘arsal-naaka ‘alay-him hafie-zaa.

80 Wie gehoorzaamt aan de Boodschapper, gehoorzaamt ook zeker aan Allāh. En Wij hebben jou niet gestuurd als hoeder over degenen die zich afkeren.

 

81 Wa yaqoeloena Taa-‘ah; fa-‘izaa barazoe min ‘indika bayyata taaa-‘ifatum-minhum ghayrallazie taqoel. Wallaahu yak-tubu maa yubayyi-toen; fa-‘a’-rid ‘anhum wa ta-wakkal ‘alallaah: wa kafaa billaahi Wakiela.

81 En zij zeggen: Gehoorzaamheid. Maar wanneer zij uit jouw aanwezigheid verdwijnen, beraamt een deel van hen ’s nachts anders te doen dan zij zegt.a En Allāh schrijft op wat zij ’s nachts beramen, dus keer jullie van hen af en vertrouw op Allāh. En het is afdoende wanneer Allāh de macht heeft over gebeurtenissen.

 

82 ‘Afalaa yatadabba-roenal-Qur-aan? Wa law kaana min ‘indi ghayrillaahi lawadjadoe fiehig-tilaa- fan-kasieraa.

82 Zijn zij dan niet van zins om de Qoer-ān te overpeinzen? En als het van iemand anders was gekomen dan van Allāh, dan hadden zij er vele tegenstrijdigheden in gevonden.a

 

83 Wa ‘izaa djaaa-‘ahum ‘amrum-minal ‘amni ‘awil-gawfi ‘azaa-‘oe bih. Wa law raddoehu ‘ilar-Rasoeli wa ‘ilaaa ‘ulula-‘mri minhum la-‘alima-hullaziena yastam-bitoenahoe minhum. Wa law laa Fazlullaahi ‘alaykum wa Rahmatuhoe latta-ba’-tumusj-Sjaytaana ‘illaa qalielaa.

83 Maar wanneer hen enig nieuws bereikt over veiligheid of angst, verspreiden zij het wijd en zijd. En als zij het hadden voorgelegd aan de Boodschapper en aan de gezagsdragers uit hun midden, dan hadden degenen onder hen die kennis erover kunnen achterhalen, het geweten. En ware de goedgunstigheid van Alh en Zijn genade er niet voor jullie, dan hadden jullie, op een enkeling na, zeker de duivel gevolgd.a

 

84 Faqaaatil fie Sabielillaah-laa tukallafu ‘illaa nafsaka wa harrizil-Mu’-minien. ‘Asallaahu ‘any-yakuffa ba’-sallaziena kafaroe: wallaahu ‘asjaddu ba’-sanw-wa ‘asjaddu tankielaa.

84 Strijd dan langs Allāh’s weg – jij bent niet verantwoordelijk behalve voor jezelf; en moedig de gelovigen aan. Het kan zijn dat Allāh de strijd bemoeilijkt voor degenen die niet geloven. En Allāh is moediger en beter in het geven van afschrikwekkende straffen.

 

85 Many-yasj-fa’ sjafaa-‘atan hasanatany-yakul-lahoe nasiebum-minhaa: wa many-yasjfa’ sjafaa-‘atan-sayyi-‘atany-yakul-lahoe kiflum-minhaa : wa kaanal-laahu ‘alaa kulli sjay-‘im-Muqietaa.

85 Wie bemiddelt in een goede zaak bezit een deel daarvan, en wie bemiddelt in een slechte zaak bezit een deel daarvan. En Allāh is immer de Hoeder over alle dingen.a

 

86 Wa ‘izaa huyyie-tum-bitahiyyatin-fahayyoe bi-‘ahsana minhaaa ‘aw ruddoehaa. ‘Innallaaha kaana ‘alaa kulli sjay-‘in Hasiebaa.

86 En wanneer jullie worden begroet met een groet, groet dan terug met een betere, of retourneer hem.a Waarlijk houdt Allāh immer rekening met alle dingen.

 

87 ‘Allaahu laaa ‘ilaaha ‘illaa Hoe: layadjma-‘annakum ‘ilaa Yawmil-Qiyaamati laa rayba fieh. Wa man ‘asdaqu minallaahi hadiesaa?

87 Allāh, er is geen god behalve Hij – Hij zal jullie zeker verzamelen op de dag van de Opstanding, daaraan is geen twijfel. En wiens woord is meer waarheidsgetrouw dan dat van Allāh?


77a. Het bevel om te strijden was onaangenaam, en te meer voor degenen die zwak stonden in hun geloof. Als er enige hoop op buit was geweest om de gelederen van de moeslims in beweging te krijgen, dan zouden degenen die deze wereld het meest liefhadden (die hier de hypocrieten worden genoemd) de eesten geweest zijn om te strijden. Maar aangezien zij wisten dat zij een ongelijke strijd aangingen, beschouwden zij de uitvoering van dit bevel als gelijk aan vragen om de dood. Zij verzochten dan ook om uitstel tot zij een natuurlijke dood stierven.

79a. Goed en kwaad, of voorspoed en tegenspoed, komen van Allāh. Maar terwijl voorspoed van Hemzelf afkomstig is, d.w.z. uit Zijn embarmen, raken kwaad en tegenspoed de mens slechts wanneer hij er zelf om heeft gevraagd. Er bestaat geen discrepantie tussen de twee verklaringen, de ene gemaakt aan het eind van het vorige vers – Alles komt van Allāh – en de andere hier gemaakt. Het vorige vers stelt dat de hypocrieten de Profeet (s.a.w.) de schuld gaven van hun tegenspoed. Hen wordt verteld dat de tegenspoed door Allāh werd gestuurd. Dit vers vertelt hen dat, hoewel gestuurd door Allāh, de directe reden van hun tegenspoed in hun eigen daden moest worden gezocht.

81a. Hier wordt verwezen naar de geheime bijeenkomsten van de hypocrieten, die altijd tegen de Profeet (s.a.w.) samenzwoeren terwijl zij de schijn ophielden gehoorzaam aan hem te zijn.

82a. De Qoer-ān werd niet bij één gelegenheid uitgeschreven en gegeven, maar gedurende drieëntwintig jaar werd hij onder de meest uiteenlopende omstandigheden in kleine stukjes overgebracht. Vanaf het moment dat hij een eenzame kluizenaar was in de grot van Hirā’, moest de Profeet (s.a.w.) zulke uiteenlopende omstandigheden doorlopen om de enige heerser en wetgever in heel Arabië te worden, dat het leven van geen enkel ander menselijk wezen ons zo’n uiteenlopende studie verschaft. Het is waar dat de vroege openbaringen voornamelijk gaan over problemen als Goddelijke Eenheid en Grootheid, en de verantwoordelijkheid van menselijk handelen in het algemeen. De latere openbaringen behandelen een groot aantal vragen met betrekking tot het sociale en morele welzijn van de gemeenschap. Wat echter door de gehele openbaring heen opvalt, is dat zij vasthoudt aan één en dezelfde toon – volkomen onderwerping aan Allāh, volkomen vertrouwen in Hem, volmaakt vertrouwen in toekomstig succes, een ruimdenkende kijk op de mensheid, een houding van liefdadigheid ten opzichte van alle volkeren en godsdiensren, en gelijke weldaad voor allen. De diepere betekenis van de openbaringen aan de eenzame, vervolgde en afgewezen prediker uit Makkah, verschilt in bovengenoemde toonzetting en honderd andere bijzonderheden niet van de diepere betekenis van de openbaringen verleend aan de enige wereldlijke en geestelijke heerser van Arabië. Er zijn zelfs geen verschillen te vinden in de details van de vertellingen, zoals die er bijvoorbeeld wel zijn in de bijbel. Dit geldt vooral voor de taloze voorspellingen die door de Profeet (s.a.w.) werden geuit toen hij een volkomen hulpeloze man was. Als deze niet van de Alwetende gekomen waren, Die de toekomst kent zoals Hij het verleden kent, zouden ze zeker niet verstoken zijn gebleven van vele discrepanties.

83a. Goddelijke goedgunstigheid en genade werden duidelijk door het doen opstaan van een profeet, die hen bevrijdde van hun zondige ketenen en van hun slavernij aan de duivel.

84a. Deze woorden geven aan hoe groot het vertrouwen van de Profeet (s.a.w.) was in de uiteindelijke overwinning van de edele zaak die hem was toevertrouwd. De belangrijke taak van de verdediging van de Islām lag bij hem alleen, en dit tegen alle legers in Arabië. Dit geeft aan dat hij nooit enig vertrouwen had in de dapperheid van zijn volgelingen, en dat zijn vertrouwen alleen was gericht op Goddelijke hulp. Zonder materiële hulpmiddelen was hij er niet alleen van overtuigd dat hij in staat zou zijn de strijd van zijn machtige tegenstanders te stoppen, maar ook dat hij hen hun welverdiende straf zou toedienen.

85a. De betekenis is dat hij die zichzelf aan een ander bindt en hem helpt en voor hem wordt als was hij één van een paar, of een bemiddelaar bij het doen van goed of kwaad, en hem zo hulpt en sterkt, met die ander deelt in de goede of kwade gevolgen ervan (R.). Sommigen zijn ook de mening toegedaan dat sjafā‘at hier betekent "dat de één de ander een goed voorbeeld geeft, of een slecht voorbeeld, wat door de ander wordt nagedaan, waardoor hij voor hem wordt als was hij één van een paar" (LL). Het verband is duidelijk; de Profeet (s.a.w.) maakte zichzelf tot voorbeeld van het goede, zodat anderen hem konden imiteren of helpen. Zie 2:48b voor de betekenis van sjafā‘at.

86a. Een groet is een gebed voor het welzijn van een ander, en tahijjah is oorspronkelijk een gebed voor iemands lang leven. De islamitische groet is al-salāmoe ‘alai-koem, wat vrede zij met jou betekent. Wanneer twee moeslims elkaar ontmoeten, wordt er dus van hen verlangd dat zij bidden voor elkanders welzijn. De minimale vereiste is dat een groet met dezelfde woorden beantwoord wordt. Vandaar dat de andere partij zegt wa alaikoem al-salām, wat en vrede zij met jou betekent. Maar het wordt aanbevolen om de groet met betere woorden te beantwoorden, en vandaar dat aan de woorden van het antwoord de woorden wa rahmatoe-llāhi wa barakātoeh worden toegevoegd, d.w.z. en de genade van Allāh en Zijn zegeningen. Maar wat hier werkelijk wordt nagestreefd, is dat een moeslim zijn broeder altijd het goede wenst of hem goeddoet, en dat van de ander wordt verlangd dat hij een groter goed terugdoet.

 

PARAGRAAF 12: Hoe met hypocrieten om te gaan

 

88 Famaa lakum fil-Munaafiqiena fi-‘atayni wallaahu ‘arkasahum-bimaa kasaboe? ‘A-turiedoena ‘an-tahdoe man ‘adal-lallaah? Wa many-yuzli-lillaahu falan-tadjida lahoe Sabielaa.

88 Waarom zouden jullie dan uit twee partijen bestaan waar het de hypocrieten betreft, terwijl Allāh hen terug heeft doen keren (tot ongeloof) vanwege wat zij verdienden? Wensen jullie degenen te leiden die Allāh laat dwalen? En je zult geen weg kunnen vinden voor degenen die Allāh laat dwalen.a

 

89 Waddoe law tak-furoena kamaa kafaroe fata-koenoena sawaaa-‘an falaa tattagizoe minhum ‘aw-liyaaa-‘a hattaa yuhaadjiroe fie Sabielillaah; fa-‘in-tawal-law fa-guzoehum waq-tuloehum haysu wadjattu-moehum; wa laa tatta-gizoe minhum waliy-yanw-wa laa nasieraa:-

89 Zij hopen dat jullie ongelovigen worden zoals zij ongelovigen zijn, zodat jullie op gelijke hoogte komen te staan; dus neem niemand uit hun midden tot vriend tot zij (uit hun huizen) vluchten langs Allāh’s weg. Dan, wanneer zij terugkeren (tot vijandigheid), grijp hen en dood hen waar jullie hen ook vinden, en neem geen van hen tot vriend of helper,

 

90 ‘Illal-laziena yasi-loena ‘ilaa qawmim-bay-nakum wa baynahum-miesaaqun ‘aw djaaa-‘oekum hasirat sudoeruhum ‘any-yuqaa-tiloekum ‘aw yuqaa-tiloe qaw-mahum. Wa law sjaaa-‘allaahu lasalla- tahum ‘alaykum falaqaataloekum. Fa-‘ini-tazaloekum falam yuqqtiloekum wa ‘al-qaw ‘ilay-kumus-salama famaa dja-‘alallaahu lakum ‘alay-him sabielaa.

90 Behalve degenen die zich aansluiten bij een volk met wie jullie een verbond hebben, of die tot jullie komen met hun harten ineenkrimpend van de strijd tegen jullie, of de strijd tegen hun eigen volk. En als het Allāh had behaagd, dan had Hij hen macht over jullie gegeven zodat zij jullie bestreden zouden hebben. Dus als zij zich van jullie terugkeren en jullie niet bestrijden en juliie vrede aanbieden, dan staat Allāh jullie geen mogelijkheid toe tegen hen.a

 

91 Satadji-doena ‘aagariena yuriedoena ‘any-ya’-manoekum wa ya’-manoe qawmahum : kullamaa ruddoe ‘ilal-fitnati ‘urkisoe fiehaa : fa-‘illam ya’-taziloekum wa yulqoe ‘ilaykumus salama wa yakuffoe ‘ay-diyahum fakhoezoehum waq-tuloehum haysu saqiftumoehum : wa ‘ulaaa-‘ikum dja-‘alnaa lakum ‘alay-him sultaanam-mubienaa.

91 Juulie zullen anderen vinden die veilig voor jullie wensen te zijn en veilig voor hun eigen volk. Wanneer zij gedwongen worden terug te keren tot vijandigheden, dan worden zij er middenin geworpen.a Dus als zij zich niet van jullie terugtrekken en jullie ook geen vrede aanbieden en hun handen weerhouden, grijp hen dan en dood hen waar jullie hen ook vinden. Tegen dezen hebben Wij jullie duidelijke gezag verleend.


88a. Hier worden duidelijk die weifelaars bedoeld die terugkeerden tot ongeloof nadat zij de Islām hadden aangenomen, om zich zo weer bij de ongelovigen aan te sluiten. Wat betreft hun identiteit bestaan er zes verschillende vermoedens, en ik zal de lezer hiermee niet verwarren.

90a. Dit vers verklaart het voorgaande, en toont duidelijk aan dat zelfs weifelaars niet gedood of bevochten hoefden te worden, wanneer zij ervan afzagen te strijden. Ondanks het feit dat zij zich tot het ongeloof bekeerd konden hebben, nadat zij de Islām hadden aanvaard. De commentatoren zijn het erover eens dat de personen waarnaar in dit vers wordt verwezen, ongelovigen waren en geen moeslims. Over het algemeen neemt men aan dat het om de Bani Moedladj gaat (Bd). Merk ook op dat hier het duidelijke bevel wordt gegeven dat, wanneer welk volk dan ook vrede aanbood, er niet meer tegen hen gevochten mocht worden.

91a. Met onheil, of fitnah, wordt oorlog met de moeslims bedoeld (Rz). Twee stammen, Asad en Ghatfan, kwamen naar de moeslims en gaven de indruk dat zij de vrede wilden behouden. Echter, toen zij terugkeerden en hun volk hen uitnodigde hen te vergezellen in de strijd tegen de moeslims, gaven zij gehoor aan deze oproep. Zulke mensen kunnen niet vertrouwd worden. Het belang van deze instructies in tijden van oorlog, toen de moeslims aan alle kanten door vijanden werden omringd, kan nauwelijks overschat worden.

 

PARAGRAAF 13: Moordenaar van een moeslim

 

92 Wa maa kaana li-Mu’-minin ‘any-yaqtula Mu’-minan ‘illaa gata-‘aa. Wa man qatala Mu’-minan gata –‘an fatahrieru raqabatim-Mu’-minatinw-wa diyatum-musalla-matum ‘ilaaa ‘ahlihie ‘illaaa ‘any-yassad- daqoe. Fa-‘in-kaana minqawmin ‘aduwwil-lakum wa huwa Mu’-minun fatah-rieru raqaba-tim-Mu’-minah. Wa ‘in kaana min qawmim-baynakum wa baynahum-mie saaqunfa-diyatum-musalla-matun ‘ilaaa ‘ahlihie wa tah-rieru raqabatim-Mu’-minah. Famallam yadjid fa-Siyaamu sjahrayni mutataabi-‘ayn : tawbatam-minallaah : wa kaanallaahu ‘Alieman Hakiemaa.

92 En een gelovige zou geen gelovige moeten doden behalve per ongeluk.a En degene die per ongeluk een gelovige doodt, moet een gelovige slaaf vrijlaten en er moet bloedgeld worden betaald en aan zijn verwanten tenzij zij het schenken als aalmoes. Maar als hij uit een vijandige stam komt en een gelovige is dan (voldoet) het vrijlaten van een gelovige slaaf. En als hij afkomstig is van een stam waar jullie een verbond mee hebben, moet het bloedgeld worden betaald aan zijn verwanten, naast de vrijlating van een gelovige slaaf; maar degene die niet over de nodige middelen beschikt, moet twee maanden aaneensluitend vasten: een boetedoening van Allāh. En Allāh is immer Wetend, Wijs.

 

93 Wa many-yaqtul Mu’-minam-muta-‘ammidan-fa-djazaaa-‘uhoe Djahannamu gaalidanfiehaa wa ghaziballaahu ‘alayhi wa la-‘anahoe wa ‘a-‘adda lahoe ‘azaaban ‘aziemaa.

93 En degene die opzettelijk een gelovige doodt, zijn straf is de hel, om in te verblijven; en Allāh is toornig op hem en Hij heeft hem vervloekt en een vreselijke straf voor bereid.

 

94 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘izaa zarab-tum fie Sabielillaahi fata-bayyanoe laa taqoeloe liman ‘alqaaa ‘ilay-kumus-salaama lasta Mu’-minaa! -tab-taghoena ‘araazalhayaa-tiddunyaa: fa-‘in- dallaahi magaanimu kasierah. Kazaalika kuntum-min-qablu famannal-laahu ‘alaykum fatabayyanoe. ‘Innallaaha kaana bimaa ta’-maloena Gabieraa.

94 O jullie die geloven, wanneer jullie (ten strijde) trekken langs Allāh’s weg, stel dan onderzoek in, en zeg niet tegen iemand die jullie met de vrede begroet, je bent geen gelovige,a op zoek naar het goede van het leven in deze wereld. Maar bij Allāh liggen overvloedige voordelen. Jullie waren ook zo hiervóór, tot Allāh jullie een voordeel toekende; dus onderzoek alles. Waarlijk is Allāh Zich immer Bewust van wat jullie doen.b

 

95 Laa yastawil-qaa-‘idoena minal–Mu’-miniena ghayru-‘ulizzarari wal-Mudjaa-hidoena fie Sabielil- laahi bi-‘amwaa-lihim wa-‘anfu-sihim. Faddalal-laahul–Mudjaa-hidiena bi-‘amwaa-lihim wa-‘anfu-sihim ‘alal qaa-‘idiena daradjah. Wa kullanw-wa-‘adallaahul husnaa: wa fazza-lallaahul-Mudjaa-hidiena ‘alal-qaa-‘idiena ‘adjran ‘aziemaa;-

95 De achterblijvers uit het midden van de gelovigen, die niet invalide zijn door hun verwondingen, en degenen die met hun bezittingen en persoon zich zeer inspannen langs Allāh’s weg, zijn niet gelijk. Allāh heeft ervoor gezord dat degenen die zich met hun bezittingen en persoon inspannen in (hoge) rang verheven zijn boven de achterblijvers. En aan beiden heeft Allāh het goede beloofd. En Allāh heeft degenen die zich inspannen boven de achterblijvers een geweldige beloning geschonken –

 

96 Daradjaatim-minhu wa maghtiratanw-wa rahmah. Wa kaanallaahu Ghafoerar-Rahiemaa.

96 (Hoge) rangen van Hem en bescherming en genade. En Allāh is immer Vergevensgezind, Barmhartig.


92a. Dit vers en het volgende tonen aan dat de mens die met opzet een gelovige doodde, geen gelovige kon zijn. In de staat van oorlog die in die tijd in Arabië heerste, maakten ongelovigen vaak gebruik van listen. Ze wendden dan een vast geloof in de Islām voor, om zo de moeslims te verleiden naar hen toe te komen als religieuze leermeesters. Daarna vermoordden zij hen.

93a. De commentatoren zijn het erover eens dat dit vers over een ongelovige gaat die een gelovige vermoordt. In feite staat het woord opzettelijk hier voor het vermoorden van een persoon, omdat hij gelovig is. Ongelovigen deden dit regelmatig.

94a. Het oorspronkelijke woord voor begroeting is salām (wat vrede betekent). Het eerste woord van de moeslimgroet staat dus voor de gehele moeslimgroet. De moeslims waren aan alle kanten omringd door vijanden, en toch werd hen gezegd niet te veronderstellen dat iedere Arabische stam tot een vijandig kamp behoorde, maar dat ze eerst moesten onderzoeken of die stam de Islām werkelijk vijandig gezind was. Zelfs wanneer een persoon die tot een vijandige stam behoorde de moeslimgroet bracht, om aan te geven dat hij een moeslim was, moest hij als een moeslimbroeder beschouwd worden en kon hij niet als een vijand behandeld worden. I‘Ab verwijst naar een geval waarin de moeslims, terwijl ze op zoek waren naar de vijand, op een man stuiten die zijn geiten aan het verzorgen was. De man deed hen de moeslimgroet maar hij werd gedood toen hij geen verdere aanwijzingen gaf dat hij een moeslim was (B. 65:iv, 18). Deze openbaring werd gegeven om dergelijke gevallen te voorkomen. Het legt meteen het grondbeginsel vast, dat geen enkele moeslim een kāfir genoemd mag worden. Zelfs de persoon niet die aanspraak maakt op de Islām door slechts een moeslimgroet te brengen. De algemene tendens onder de moeslims om elkaar kāfir te noemen is echter zo sterk, dat zelfs het duidelijke bevel in dit vers teniet wordt gedaan door het voorwendsel, dat geen jood, christen of hindoe een moeslim genoemd mag worden alleen omdat hij de moeslimgroet doet. Wat het vers hier vastlegt is niet, wanneer er van iemand die bij ons bekendstaat als jood, christen of hindoe gezegd kan worden dat hij een moeslim is geworden, maar dat een moeslim nooit een kāfir genoemd kan worden, wanneer hij een aanwijzing geeft dat hij een moeslim is door eenvoudigweg de moeslimgroet te doen.

94b. Het was de moeslims verboden een man te doden alleen omdat hij een ongelovige was. Dit wordt duidelijk gemaakt in paragraaf 12, waar vastgelegd is dat alleen die ongelovigen gedood mogen worden die tegen de moeslims streden. Maar zelfs als een volk tegen de moeslims streed, mocht een persoon uit hun midden niet gedood worden als hij maar het geringste teken gaf dat hij een moeslim was.

 

PARAGRAAF 14: Moeslims die bij de vijand achterbleven

 

97 ‘Innal-laziena ta-waffaa-humul-malaaa-‘ikatu zaalimie ‘anfu-sihim qaaloe fiema kuntum? Qaaloe kunnaa mustaz-‘afiena fil-‘ard. Qaaloe ‘alam takun ‘arzullaahi waasie-‘atanfatu-haadjiroe fiehaa? Fa-‘ulaaa-‘ika ma-waahum Djahannam,-wa ‘saaa-‘at masieraa;

97 (Tegen) degenen die de engelen doen sterven terwijl zij zichzelf onrecht aandoen, zullen (de engelen) zeggen: Wat hebben jullie gedaan? Zij zullen zeggen: Wij waren zwak op aarde. (Zij zullen) zeggen: Was er niet genoeg ruimte op Allāh’s aarde, zodat jullie daarop hadden kunnen verhuizen? Dus zij zijn het van wie het toevluchtsoord de hel is – en het is een slecht oord.a

 

98 ‘Illal-mustaz-‘afiena minar-ridjaali wan-nisaaa-‘i walwildaani laa yastatie-‘una hielatanw-wa laa yah-tadoena sabielaa.

98 Behalve de zwakken uit het midden van de mannen en vrouwen en de kinderen, die niet de middelen hebben en die ook geen weg kunnen vinden (om te ontsnappen);

 

99 Fa-‘ulaaa-‘ika ‘asallaahu ‘any-ya’-fuwa ‘anhum: wa kaanallaahu ‘Afuwwan-Gafoeraa.

99 Dus dezen zou Allāh kunnen vergeven. En Allāh is immer Begenadigd, Vergevensgezind.

 

100 Wa many-yuhaadjir fie Sabie-lillaahi yadjid fil-‘ardi muraaghaman kasieranw-wa sa-‘ah. Wa many-yagrudj mim-batihie muhaa-djiran ‘ilallaahi wa Rasoelihie summa yudrik-hulmawtu faqad waqa-‘a ‘adjruhoe ‘alallaah: wa kaanallaahu Ghafoerar–Rahiemaa.

100 En wie vlucht langs Allāh’s weg, die zal op aarde altijd een schuilplaats vinden en voldoende hulpbronnen. En wie zijn huis verlaat op de vlucht naar Allāh en Zijn boodschapper, en die wordt achterhaad door de dood, vindt zijn beloning zeker bij Allāh. En Allāh is immer Vergevensgezind, Barmhartig.


97a. Met degenen die zichzelf onrecht aandeden, worden mensen bedoeld die overtuigd waren van de waarheid van de Islām, maar die ervoor kozen onder de ongelovigen te blijven, die hen niet toestonden hun overtuigingen te uiten, ondanks het feit dat ze de mogelijkheden hadden om naar de moeslims te gaan en daar de Islām openlijk te blijden.

 

PARAGRAAF 15: Bidden tijdens de strijd

 

101 Wa ‘izaa zarab-tum fil-‘ardi fa-laysa ‘alaykum djunaahun ‘an-taq-suroe minas-Salaati ‘in gif-tum ‘any-yaftina-kumul-laziena kafaroe : ‘innalkaafiriena kaanoe lakum ‘aduw-wam-mubienaa.

101 En wanneer jullie de aarde bereizen, en jullie vrezen dat de ongelovigen jullie in moeilijkheden zullen brengen, dan treft jullie geen blaam als jullie het gebed verkorten.a De ongelovigen zijn immers een openlijke vijand voor jullie.

 

102 Wa ‘izaa kunta fiehim fa-‘aqamta lahumus-Salaata faltaqum taaa-‘ifatum-minhumma-‘aka wal-ya’-guzoe ‘aslihatahum : fa-‘izaa sadjadoe falyakoenoe minw-waraaa-‘ikum. Wal-ta’ti taaa-‘ifatun ‘ug-raa lam yu-salloe fal-yu-salloe ma-‘aka wal-ya’-guzoe hizra-hum wa ‘asli-hatahum. Waddallaziena kafa- roe law tagh-fuloena ‘an ‘asli-hatikum wa ‘amti-‘atikum faya-mieloena ‘alaykummay-latanw-waahidah. Wa laa djunaaha ‘alaykum ‘in-kaana bikum ‘azam-mim-matarin ‘aw kuntum marzaaa ‘an-taza-‘oe ‘asli-hatakum : wa guzoe hizrakum. ‘Innallaaha ‘a-‘adda lilkaafiriena ‘azaabam-muhienaa.

102 En wanneer je in hun midden bent en hen voorgaat in gebed, laat dan een deel van hen met jou opstaan, en laat hen hun wapens meenemen, laat hen dan, wanneer zij hun teraardewerping hebben volbracht, achteraan plaatsnemen, en laat een ander deel dat nog niet heeft gebeden naar voren komen om met jou te bidden, en laat hen hun voorzorgsmaatregelen trefen en hun wapens menemen. De ongelovigen hopen dat jullie je wapens en je bagage zullen veronachtzamen, zodat zij jullie aan kunnen vallen met een plotselinge, eensgezinde aanval. En jullie treft geen blaam wanneer jullie, omdat het jullie bemoeilijkt wordt door regen of omdat jullie ziek zijn, jullie wapens wegstoppen; maar neem jullie voorzorgsmaatregrelen. Waarlijk heeft Allāh een vernederende straf bereid voor ongelovigen.a

 

103 Fa-‘izaa qaday-tumus-Salaata faz-kurullaaha qiyaamanw-wa qu-‘oedanw-wa ‘alaa djunoebikum. Fa-‘izat-ma’-nantum fa-‘aqie-mus-Salaah: ‘innas-Salaata kaanat ‘alal-Mu’-miniena kitaabam-mawqoe- taa.

103 En wanneer jullie het gebed hebben beëindigd, gedenk Allāh, dan staande, zittend liggend. Maar onderhoud (regelmatig) het gebed, wanneer jullie veilig zijn voor gevaar. Waarlijk is het de gelovigen bevolen op gezette tijden te bidden.a

 

104 Wa laa tahinoe fib-tighaaa-‘il-qawm ‘In takoenoe ta’-lamoena fa-‘innahum ya’-lamoena kamaa ta’-lamoen; wa tardjoena minallaahi maa laa yardjoen. Wa kaanallaahu ‘Alieman Hakiemaa.

104 En wees niet lafhartig in het achtervolgen van de vijand. Wanneer jullie lijden, lijden zij (ook) zoals jullie lijden, en jullie hopen op iets van Allāh, waar zij niet op hopen. En Allāh is immer Wetend, Wijs.


101a. Men is het erover eens dat een gebedsdienst op reis korter is dan het gewone gebed in de zoehr-,asr- en ‘isjā-gebeden, en bestaat uit twee rak‘ahs fard in plaats van uit vier. Uit verslagen komt verder duidelijk naar voren dat dit al zo was voor de openbaring van dit vers. Volgens ‘A’isjah bestond het gebed zoals het eerst werd ingevoerd slechts uit twee rak‘ahs, of men nu op reis was of niet. Later werd het aantal rak‘ahs in de drie gebeden tijdens gewone diensten uitgebreid tot vier (B. 8:1). Volgens I‘Ab bestonden de drie gebeden al vanaf het eerste begin normaal uit vier rak‘ahs, en uit twee rak‘ahs als men op reis was (Ms. 6:5). Volgens beide standpunten is de inkorting van het gebed, zoals er in dit vers over wordt gesproken, heel verschillend van de gewone verkorte dienst voor op reis. De detail worden in het volgende vers gegeven. Volgens ‘Oemar echter was de inkorting op reis een gevolg van de openbaring van dit vers. Hoewel deze inkorting oorspronkelijk slechts was toegestaan als er vijandelijk gevaar dreigde, werd zij later op elke reis toegestaan, of er nu gevaar dreigde of niet. Toen hem de vraag werd voorgelegd waarom het gebed op reis ingekort werd, ook wanneer er geen gevaar dreigde omdat er overal vrede was, antwoordde hij dat hij diezelfde vraag aan de Profeet (s.a.w.) van Allāh had gesteld en dat deze hem verteld had dat de inkorting "een sadaqah was of een liefdadige geschenk van Allāh, dus aanvaard Zijn geschenk" (AD. 4:1).

102a. Dit vers en het voorgaande tonen het belang aan van het gebed binnen de Islām. Dit kon zelfs niet genegeerd worden wanneer men oog in oog met de vijand stond. De soldaten van de Islām waren geen mannen voor wie de strijd hun voornaamste bezigheid was. Zoals de verzen aangeven, bestond het hoofddoel in hun leven eruit om in gemeenzaamheid te geraken met het Goddelijke Wezen, waarbij zij zelfs het directe gevaar vergaten wanneer de tijd voor dergelijk nauw contact was aangebroken.

Volgens wat er in dit vers gezegd wordt, verrichtte de gemeenschap slechts één rak‘ah samen met de Profeet (s.a.w.), die het gebed leidde en twee rak ‘ahs zei. Echter, in een hadies lezen we dat de andere rak ‘ah door ieder gedeelte van de gemeenschap apart werd opgezegd (B. 12:1). Dit geeft het belang aan van het gezamenlijk verrichten van het gebed, iets wat zelfs op het slagveld niet verwaarloosd kon worden.

103a. Met kitāb mauqoet, ofwel een geregeld bevel, wordt een bevel bedoeld dat door de tijd wordt gereguleerd, ofwel een bevel dat op gezette tijden uitgevoerd dient te worden. De gebedstijden waren dus vastgelegd door de Profeet (s.a.w.) onder Goddelijke leiding, en het vasthouden aan de gebedstijden is een essentieel onderdeel van de juiste uitvoering van gebed. Het is dit kenmerk van het islamitische gebed, dat het tot een unieke kracht maakt voor de vereniging van het menselijk ras.

 

PARAGRAAF 16: Hypocrieten zijn oneerlijk

 

105 ‘Innaaa ‘anzalnaaa ‘ilaykal-Kitaaba bil-haqqi li-tahkuma bay-nannaasi bimaaa ‘araakallaah: wa laa takul-lilgaaa-‘iniena gasiemaa;

105 Waarlijk hebben Wij het Boek met de waarheid aan jou geopenbaard, opdat je recht zult kunnen spreken tussen de mensen met behulp van wat Allāh jou geleerd heeft. En wees niet iemand die voor de zaak van de oneerlijken pleit,a

 

106 Wastagh-firillaah; ‘innallaaha kaana Ghafoerar-Rahiemaa.

106 En vraag om vergiffenis aan Allāh. Waarlijk is Allāh immer Vergevensgezind, Barmhartig.a

 

107 Wa laa tudjaadil ‘anillaziena yag-taanoena ‘anfusahum; ‘innallaaha laa yuhibbu man kaana gaw-waanan ‘asiemaa;

107 En strijd niet voor degenen die zonder trouw handelen tegenover hun zielen. Allāh houdt waarlijk niet van degene die oobetrouwbaar is, zondig:

 

108 Yastag-foena minannaasi wa laa yastag-foena minallaahi wa Huwa ma-‘ahum ‘iz yubayyi-toena maa laa yarzaa minal-qawl : wa kaanallaahu bimaa ya’-maloena Muhie-taa.

108 Zij proberen zich te verbergen voor de mensen, en zij kunnen zich niet verbergen voor Allāh, en Hij is bij hen wanneer zij ‘s nacht beraadslagen over dingen die Hem niet aanstaan. En Allāh omvat immer wat zij doen.a

 

109 Haaa-‘antum haaa-‘ulaaa-‘i djaadaltum ‘anhum filhayaatid-dunyaa. Famany-yudjaadi-lullaaha ‘anhum Yawmal-Qiyaamati ‘ammany-yakoenu ‘alayhim wakielaa?

109 Zie! Jullie zijn degenen die voor hen kunnen pleiten in dit wereldse leven, maar wie zal voor hen bij Allāh pleiten op de dag van de Opstanding, of wie zal de verantwoordelijkheid dragen voor hun zaken?

 

110 Wa many-ya’-mal soe-‘an ‘aw yazlim nafsahoe summa yastagh-firillaaha yadjidillaaha Ghafoe-rar-Rahiemaa.

110 En wie kwaad doet of zijn ziel onrecht aandoet, en dan vraagt om vergiffenis van Allāh, die zal merken dat Allāh Vergevensgezind is Barmhartig.

 

111 Wa manyyaksib ‘ismanfa-‘innamaa yak-sibuhoe ‘alaa nafsih: wa kaanallaahu Alieman Hakiemaa.

111 En wie een zonde begaat, begaat deze slechts tegen zichzelf. En Allāh is immer Wetend, Wijs.

 

112 Wa many-yaksib gatie-‘atan ‘aw ‘isman-summa yarmi bihie barie-‘an-faqadih-tamalabuh-taa- nanw-wa ‘ismam-mubienaa.

112 En wie een fout begaat of een zonde, en dan een onschuldig iemand hiervan beschuldigt, neemt zonder meer de last op zich van kwaadsprekerij en een duidelijke zonde.


105a. De commentatoren zijn het er, op enige details na, over eens dat de aanleiding tot de openbaring van deze verzen een discussie was tussen een moeslim en een jood, waarbij de Profeet (s.a.w.) een oordeel velde in het nadeel van de moeslim. Ta‘mah ibn Oebairaq had een maliënkolder gestolen, en nadat hij die bij een jood verstopt had beschuldigde hij de jood van diefstal, waarbij zijn stam achter hem stond. De Profeet (s.a.w.) zuiverde de jood van de aanklacht, ondanks de openlijke vijandigheid van de joden. Dit gebeurde in een tijd waarin iedere moeslim hard nodig was voor de verdediging van de Islām, en een uitspraak tegen een persoon die door zijn hele stam gesteund werd, betekende het verlies van die hele stam. Maar zulke overwegingen telden voor de Profeet (s.a.w.) niet mee. Deze verzen leggen daarom het brede grondbeginsel vast dat oneerlijkheid gestraft moet worden. De belans van rechtvaardigheid dient altijd in evenwicht te worden gehouden tussen moeslims en niet-moeslims en tussen vrienden en vijanden.

106a. Het bevel in dit vers alsook dat in het voorgaande vers, is bedoeld voor iedere moeslim die gevraagd wordt als rechter op te treden. Hij moet volkomen rechtvaardig zijn, zowel voor zijn eigen volk als voor vreemelingen. Verder moet hij Allāh om bescherming vragen, opdat hij zich niet schuldig zal maken aan onrechtvaardig optreden, zelfs niet onbewust. Slechts door middel van Goddelijke bescherming kan een mens in deze positie partijdigheid vermijden.

108a. Hier wordt gesproken over degenen die de schuldige steunden. Deze mensen worden allemaal veroordeeld als hypocrieten. Hetzelfde onderwerp wordt voortgezet in de verzen die volgen.

 

PARAGRAAF 17: Geheim beraad van de hypocrieten

 

113 Wa law laa fadlullaahi ‘alayka wa Rahmatuhoe lahammat-taaa-‘ifatum-minhum ‘any-yuzil-loek. Wa maa yuzilloena ‘illaaa ‘anfu-sahum wa maa yazurroenaka min-sjay’- Wa ‘anzalallaahu ‘alay-kal-Kitaaba wal-Hikmata wa ‘allamaka maa lam takun ta’-lam: wa kaana fazlullaahi ‘alayka ‘aziemaa.

113 En ware Allāh’s goedgunstigheid en Zijn genade er niet voor jou, dan had een deel van hen zeker beraamd om jou te ruïneren. En zij ruïneren slechts zichzelf,a en zij kunnen je op geen enkele manier deren. En Allāh heeft aan jou het Boek geopenbaard en de Wijsheid, en je geleerd wat je niet wist, en Allāh’s goedgunstigheid over jou is zeer groot.

 

114 Laa gayra fie kasierimmin-nadj-waahum ‘illaa man ‘amara bi-sadaqatin ‘aw ma’-roefin ‘aw ‘is-laahim-baynannaas. Wa many-yaf-‘al zaalikab-tighaaa-‘a marzaa-tillaahi fa-sawfa nu’-tiehi ‘adjran ‘aziemaa.

114 Er schuilt geen goed in het grootste deel van hun geheime beraad, behalve (in) degene die liefdadigheid, of goedheid, of verzoening tussen de mensen opdraagt. En wie dit doet om Allāh’s welbehagen te zoeken, zal van Ons een geweldige beloning krijgen.

 

115 Wa many-yusjzaqi-gir-Rasoela mim-ba’-di maa tabayyana lahul-hudaa wa yatta-bi’ ghayra sabie-lil-Mu’-miniena nu-wallihie maa ta-wallaa wa nuslihie Djahannam: wa saaa-‘at masieraa!

115 En wie zich vijandig gedraagt tegenover de Boodschapper nadat de leiding hem duidelijk is geworden en een andere dan de weg van de gelovigen volgt, die keren Wij naar waar (hijzelf) naartoe keert en Wij laten hem de hel betreden; en het is een slecht oord. a


113a. Adalla-hoe is het equivalent van ahlaka-hoe, hij vernietigde hem of ruïneerde hem (LL).

115a. Dit vers gaat duidelijk over de hypocrieten, die een andere weg dan de weg van de gelovigen volgden. Slechts een verdraaiing van de woorden zou hen de betekenis mee kunnen geven dat het een zonde zou zijn van mening te verschillen met de meerderheid van de moeslims over enig religieus vraagstuk.

 

PARAGRAAF 18: Afgoderij veroordeeld

 

116 ‘Innallaaha laa yagh-firu ‘any-yusjraka bihie wa yagh-firu maa doena zaalika limany-yasjaaa’. Wa many-yusjrik billaahi faqad zalla zalaalamba-‘iedaa.

116 Allāh vergeeft het zeker niet dat men gelijken naast Hem opricht, en Hij vergeeft alles aan wie het Hem behaagt, behalve dat. En wie een gelijke opricht naast Allāh dwaalt inderdaad zeer ver af.

 

117 ‘Iny-yad-‘oena min-doenihie ‘illaaa ‘inaasaa: wa ‘iny-yad-‘oena ‘illaa Sjaytaanam-mariezaa.

117 Naast Hem roepen zij niets anders aan dan vrouwelijke godhedena en zij roepen niets anders aan dan een opstandige duivel,b

 

118 La-‘ana-hullaah. Wa qaala la-‘atta-gizanna min-‘ibaadika nasiebam-maf-roedaa;

118 Die Allāh heeft vervloekt. En hij zei: Ik zal van Uw dienaren zeker een bepaald deel af nemen;

 

119 Wa la-‘udillannahum wa la-‘umanni-yannahum wa la-‘aamu-rannahum fala-yubattikunna ‘aa- zaanal-‘an-‘aami wa la-‘aamu-rannahum fala-yu-ghayyi-runna galqallaah. Wa many-yatta-gizisj- Sjay-taana waliyyam-min-doenillaahi faqad gasira gusraanam-mubienaa.

119 En ik zal hen zeker doen afdwalen en ijdele verlangens in hen opwekken, en hen gelasten zodat zij de oren van het vee snijden,a en hen gelasten zodat zij Allāh’s schepping veranderen.b En wie de duivel tot vried neemt, en Allāh verloochent, die lijdt zeker een duidelijk verlies.

 

120 Ya-‘iduhum wa yumanniehim; wa maa ya-‘iduhumusj-Sjay-taanu ‘illaa ghuroeraa.

120 Hij doet hun beloftes en wekt ijdele verlangens in hen op. En de duivel doet hun slechts beloften om te misleiden.

 

121 ‘Ulaaa-‘ika ma’-waahum Djahannamu wa laa yadjidoena ‘anhaa mahiesaa.

121 Dezen – hun toevluchtsoord is de hel, en zij zullen geen manier vinden om eruit te ontsnappen.

 

122 Wallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati sanud-giluhum Yannaatin-tadjri min-tahtihal-‘anhaaru gaalidiena fiehaaa ‘abadaa. Wa’-dallaahi haqqaa: wa man ‘asdaqu minallaahi qielaa?

122 En degenen die geloven en goede daden doen, die zullen Wij Tuinen doen binnentreden waardoor rivieren stromen, om voor altijd in te verblijven. Het is waarlijk Allāh’s belofte. En wiens woord is meer waarheidgetrouw dan dat van Allāh?

 

123 Laysa bi-‘amaa-niyyikum wa laa ‘amaa-niyyi ‘Ahlil-Kitaab. Many-ya’-mal soe-‘any-yudjza bihie Wa laa yadid lahoe min-doenillaahi waliy-yanw-wa laa nasieraa.

123 Het zal niet in overeenstemming zijn met jullie ijdele verlangens van de Mensen van het Boek. Wie kwaad doet, zal hierom worden vergolden en zal buiten Allāh voor zichzelf geen vriend of helper vinden.

 

124 Wa many-ya’-mal minassaalihaati min-zakarin ‘aw ‘unsaa wa huwa Mu’-minunfa-‘ulaaa-‘ika yadgu-loenal-Djannata wa laa yuz-lamoena naqieraa.

124 En wie goede daden doet, of het een man is of een vrouw, en hij (of zij) is een gelovig – zij zullen de Tuin betreden, en zij zullen niet in het minst onrechtvaardig worden behandeld.

 

125 Wa man ‘ahsanu dienammimman ‘aslama wadj-hahoe lillaahi wa huwa Muhsinunw-wataba-‘a Millata ‘Ibraahiema Haniefaa? Wattagazallaahu ‘Ibrahiema galielaa.

125 En wie is beter in (zijn) religie dan degene die zichzelf volledig onderwerpt aan Allāh, terwijl hij goeddoet (aan anderen) en het geloof volgt van Abraham, de oprechte? En Allāh nam Abraham tot vriend.

 

126 Wa lillaahi maa fissamaawaati wa maa fil-‘ard: wa kaanallaahu bi-kulli sjay-‘im-Muhietaa.

126 En aan Allāh behoort al wat in de hemelen is en al wat op aarde is. En Allāh omvat immer alle dingen.


117a. Ināth heeft twee betekenissen, die beide gebruikt kunnen worden. (1) Het betekent levenloze dingen, zoals bomen, stenen en hout. (2) Het betekent ook afgoden, daar zij afgoden naar vrouwen noemden, bijvoorbeeld Lāt, ‘Oezzā, Manāt (LL). Hasan zegt dat iedere Arabische stam een afgod had die zij de oenthā (lett. vrouw) van die stam noemden (Rz). Vandaar dat het woord ook met vrouwelijke godheden vertaald kan worden.

117b. Marid en mārid hebben beide dezelfde betekenis, namelijk iemand verstoken van al het goede (R). Volgens LL is de betekenis van marid onbeschaamd of opstandig.

119a. De gewoonte van het afscheuren of afsnijden van het oor van bepaalde dieren, was een gangbare vorm van polytheïsme in Arabië. Dergelijke dieren zag men namelijk als gewijd aan bepaalde afgoden. Zie verder 5:103a.

119b. Een vergelijking met 30:30 zal duidelijk aantonen dat met Allāh’s schepping hier religie van Allāh bedoeld wordt, omdat de ware religie de natuurlijke religie van de mens is. In 30:30 lezen we: "Dus richt jouw aangezicht oprecht tot religie, de natuur die door Allāh is gemaakt, waarin Hij de mensen heeft geschapen. Allāh’s schepping is niet te veranderen. Dat is de juiste religie – maar de meeste mensen weten (het) niet." Met de verandering van Allāh’s schepping door de duivel, wordt daarom de verandering van de natuurlijke religie van de mens bedoeld, die gehoorzaamheid aan Allāh en Zijn wetten vereist. Sommige commentatoren vatten de verandering van de schepping van Allāh anders op. Zij zien het als het gebruik van Zijn scheppingen voor een ander doel dan dat waarvoor ze geschapen zijn. Dit uit zich in de aanbidding van voorwerpen zoals de zon, enz., die in werkelijkheid geschapen waren om de mens te dienen.

123a. De ijdele verlangens van de afgodsdienaren bestonden eruit dat zij niet na de dood gewekt zouden worden: "En zij zeggen: Er is niets naast ons leven in deze wereld en wij zullen niet opnieuw worden opgewekt"(6:29). Wat betreft de Mensen van het Boek: "De joden en de christenen zeggen: Wij zijn de zonen van Allāh en Zijn beminden" (5:18). De ware wet – de wet van de natuur – dat kwaad en goed hun eigen beloning hebben, wordt beschreven in wat volgt.

 

PARAGRAAF 19: Rechtvaardige behandeling van wezen en vrouwen

 

127 Wa yastaf-toenaka fin-Nisaaa’. Qulillaahu yuftiekum fie-hinna wa maa yutfaa ‘alay-kum fil- Kitaabi fie yataa-man-nisaaa-‘illaatie laa tu’-toenahunna maa kutiba lahunna wa targhaboena ‘an-tankihoehunna wal-mustaz-‘afiena minal-wildaani wa ‘an-taqoemoe lil-yataamaa bil-qist. Wa maa taf-‘aloe min gayrin-fa-‘innal-laaha kaana bihie ‘Aliemaa.

127 En zij vragen jou naar een uitspraak over vrouwen. Zeg: Allāh maakt Zijn uitspraak omtrent hen aan jullie wordt voorgedragen in het Boek gaat over weduwen, aan wie jullie niet geven wat aan hen is toegekend terwijl jullie niet geneigd zijn hen te trouwen, noch aan de zwakkeren onder de kinderen, en (het gaat erover) dat jullie wezen rechtvaardig moeten behandelen. En welk goed jullie ook doen, Allāh is waarlijk immer de Kenner hiervan.a

 

128 Wa ‘inimra-‘atun gaafat mim-ba’-lihaa nushoezan ‘aw ‘i’-raadan falaa djunaaha ‘alayhimaaa ‘any-yus-lihaa baynahumaa sulhaa; was-Sulhu gayr; wa ‘uh-ziratil-‘anfu-susj-sjuhh. Wa ‘in tuhsinoe wa tattaqoe fa-‘innal-laaha kaana bimaa ta’-maloena Gabieraa.

128 En wanneer een vrouw een slechte behandeling vreest van haar echtgenoot, of dat hij haar verlaat,a hen geen blaam wanneer zij een hen verzoening tussen hen beiden bewerkstelligen. En verzoening is beter. En hebzucht komt voor in de geest (van mensen), en als jullie goeddoen (aan anderen) en aan jullie plicht voldoen, dan is Allāh Zich waarlijk immer Bewust van wat jullie doen.

 

129 Wa lan-tastatie-‘oe ‘anta-diloe baynan-nisaaa-‘i wa law harastum falaa tamieloe kullal-mayli fataza-roehaa kalmu-‘allaqah. Wa ‘in-tuslihoe wa tattaqoe fa-‘innallaaha kaana Ghafoerar-Rahiemaa.

129 En jullie kunnen echtgenotes niet gelijk behandelen, ook al zouden jullie (dat) willen, maar wees niet afkerig (tegenover een van hen) met totale ongenegenheid, zodat jullie haar in onzekerheid laten. En als jullie verzoend zijn en aan jullie plicht voldoen, dan is Allāh waarlijk immer Vergevensgezind, Barmhartig.

 

130 Wa ‘iny-yata-farraqaa yugh-nillaahu kullam-min-sa-‘atih: wa kaanallaahu Waasi-‘an Hakiemaa.

130 En als zij scheiden, zal Allāh hen beiden vrij houden van gebrek uit Zijn overvloed. En Allāh is immer Reimgevend Wijs.

 

131 Wa lillaahi maa fissamaawaati wa maa fil-‘ard. Wa laqad wassay-nallaziena ‘oetul-Kitaaba min-qablikum wa ‘iyyaakum ‘anitta-qullaah. Wa ‘in-tak-furoe fa-‘inna lillaahi maa fissamaawaati wa maa fil-‘ard; kaanallaahu Ghaniy-yan Hamiedaa.

131 En aan Allāh behoort al wat in de hemelen is en al wat op aarde is. En zeker bevolen Wij degenen aan wie vóór jullie het Boek werd gegeven en (Wij bevelen) jullie om jullie plicht aan Allāh te voldoen. En als jullie niet geloven, behoort zeker al wat in de hemelen is en al op aarde is aan Allāh. En Allāh is immer Zelfgenoegzaam, Prijzenswaardig.

 

132 Wa lillaahi maa fis-samaawaati wa maa fil-‘ard: wa kafaa billaahi Wakielaa.

132 En aan Allāh behoort al wat in de hemelen is en al wat op aarde is. En het is afdoende wanneer Allāh de macht heeft over gebeurtenissen.

 

133 ‘Iny-yasja yuz-hibkum ‘ayyu-hannaasu wa ya’-ti bi-‘aagarien; wa kaanallaahu ‘alaa zaalika Qadie- raa.

133 Als het Hem behaagt, zal Hij jullie wegnemen, o mensen, en anderen brengen. En Allāh heeft immer de Macht om dat te doen.

 

134 Man kaana yuriedu sawaa-baddunyaa fa-‘indallaahi sawaa-buddunyaa wal-‘Aagirah: wa kaanal- laahu Samie-‘am-Basieraa.

134 Wie de beloning verlangt van deze wereld – dan is de beloning van deze wereld en van het Hiernamaals bij Allāh. En Allāh is immer Horend, Ziend.


127a. Met de woorden, dat wat aan jullie wordt voorgedragen in het Boek, wordt verwezen naar v. 3, zie 3a. Bijna iedereen is het hierover eens. Jatāma-l-nisā’i betekent wezen van vrouwen; en ook vrouwen die geen echtgenoot hebben of weduwen (LA). In de Heilige Qoer-ān wordt keer op keer de nadruk gelegd op het weldoen aan vrouwen en wezen. Wat hier gezegd wordt is dat een uitspraak met betrekking tot het weldoen aan vrouwen, zwakke kinderen en wezen al is gedaan. De woorden en dat wat aan jullie wordt voorgedragen in het Boek gaat over weduwen aan wie jullie niet geven wat aan hen is toegekend, terwijl jullie niet geneigd zijn hen te trouwen zijn verklarend en zijn een verwijzing naar v. 3. Welke betekenis van de woorden jatāma-l-nisā’i we ook aannemen, de betekenis van de verklarende passage is dat het in v. 3 gegeven bevel wanneer jullie bang zijn dat jullie de wezen geen recht kunnen doen, trouw dan vrouwen die jullie goeddunken, verwijst naar de wezen van de vrouwen (of weduwen) wier aandeel in de erfenis hen was ontzegd, zowel hun aandeel als het aandeel van hun weeskinderen. Noch waren mensen geneigd hen te trouwen vanwege de last die zij met zich meebrachten in de vorm van hun kinderen. Dus werd de toestemming gegeven dat zij dergelijke vrouwen mochten trouwen, tot zelfs vier aan toe. Het is een vaststaande feit dat weduwen en hun weeskinderen geen aandeel kregen van de erfenis. De Qoer-ān bracht een grote verandering teweeg: hij vereiste dat de erfenis zowel aan weduwen als aan hun weeskinderen werd gegeven, en hij gaf ook te kennen dat zulke vrouwen gehuwd moesten worden. De verwijzing naar v. 3 wordt verder duidelijk in v. 129, wat gaat over rechtvaardigheid tussen de echtgenotes.

128a. Er worden hier twee woorden gebruikt, noesjoez en i‘rād. Het eerste betekent letterlijk in opstand komen, en noesjoez van de kant van de echtgenote is al uitgelegd in 34e. noesjoez van de kant van de echtgenoot betekent haar onheus behandelen, onaardig tegen haar zijn, of haar niet aardig vinden en haar haten (LL). Vandaar dat het hier vertaald wordt als slechte behandeling of wreedheid. I’rād is letterlijk afkeren, vermijden, mijden of een ding verlaten. Vandaar dat ik het vertaal met verlaten.

 

PARAGRAAF 20: Hypocrisie veroordeeld

 

135 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe koenoe qawwaamiena bil-qisti sjuhadaaa-‘a lillaahi wa law ‘alaa ‘anfu-sikum ‘awil-waali-dayni wal-‘aqra-bien, ‘iny-yakun ghaniyyan ‘aw faqieran fallaahu ‘awlaa bihi- maa. Falaa tattabi-‘ul-hawaaa ‘an ta’-diloe, wa ‘in tal-woe ‘aw tu’-rizoe fa-‘innallaaha kaana bimaa ta’-maloena Gabieraa.

135 O jullie die geloven, wees handvavers van het recht, getuigen voor Allāh, zelfs als het tegen julliezelf is of (jullie) ouders of naaste verwanten – of hij nu rijk is of arm, Allāh bezit een beter recht over hen beiden.a Dus volgt niet (jullie) lage verlangens, opdat jullie niet afdwalen. En als jullie ervan afkeren, dan is Allāh Zich waarlijk immer Bewust van wat jullie doen.

 

136 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘aaminoe billaahi wa Rasoelihie wal-Kitaa-billazie nazza-la ‘alaa Rasoelihie wal-Kitaa-billazie ‘anzala min-qabl. Wa many-yakfur billaahi wa malaaa-‘ikatihie wa Kutubihie wa Rusulihie wal-Yawmil-‘Aagiri faqad zalla zalaalam-ba-‘iedaa.

136 O jullie die geloven, geloof in Allāh en Zijn Boodschapper en in het Boek dat Hij aan Zijn Boodschapper heeft geopenbaard en in het Boek dat Hij daarvóór openbaarde. En wie niet gelooft in Allāh en Zijn Engelen en Zijn Boeken en Zijn boodschappers en de Laatste Dag, die dwaalt inderdaad ver af.

 

137 ‘Innal-laziena ‘aamanoe summa kafaroe summa ‘aamanoe summa kafaroe summazdaadoe kufral -lam yakunillaahu li-yaghfira lahum yakunillaahu li-yaghfira lahum wa laa liyahdi-yahum Sabielaa.

137 Degenen die geloven en dan niet geloven, dan weer geloven en weer niet geloven, en dan hun ongeloof vergroten,a dezen zal Allāh nooit vergeven, noch zal Hij hen op de (rechte) weg leiden.b

 

138 Basj-sjiril-Munaa-fiqiena bi-‘anna lahum ‘azaaban ‘aliemaa;-

138 Breng het nieuws aan de hypocrieten dat hen een pijnlijke straf wacht a

 

139 ‘Allaziena yattagi-zoenalkaafiriena ‘aw-liyaaa-‘a mindoenil-Mu’-minien: ‘a-yabtagoena ‘inda-humul–‘izzata lillaahi djamie-‘aa?

139 Degenen die liever ongelovigen tot vriend nemen dan gelovigen. Zoeken zij bij hen naar macht? Macht behoort waarlijk geheel aan Allāh.

 

140 Wa qad nazzala ‘alaykum fil-Kitaabi ‘an ‘izaa sami’-tum ‘Aayaa-tillaahi yukfaru bihaa wa yustah-za-‘u bihaa falaa taq-‘udoe ma-‘ahum hattaa yagoezoe fie hadiesin ghayrih. ‘Innakum ‘izam-mislu- hum. ‘Innallaaha djaami-‘ul-Munaa-fiqiena wal-kaafiriena fie Djahannama djamie-‘aa;-

140 En waarlijk heeft Hij in het Boek aan jullie geopenbaard dat, wanneer jullie horen dat men niet gelooft in Allāh’s boodschap en deze hoort bespotten, jullie niet bij hen blijven zitten tot zij een ander onderwerp aansnijden, want dan zouden jullie inderdaad zijn als zij. Allāh zal zeker de hypocrieten en de ongelovigen allemaal vezamelen in de hel a

 

141 ‘Allaziena yatarab-basoena bikum: fa-‘in-kaana lakum fat-hum-minallaahi qaaloe ‘alam nakum-ma-‘akum? Wa ‘in-kaana lil-kaafiriena nasiebun-qaaloe ‘alam nastah-wiz-‘alaykym wa namna’-kum minal-Mu’-minien? Fallaahu yahkumu baynakum Yawmal-Qiyaamah. Wa lany-yadl-‘alallaahu lil-kaafiriena ‘alal-Mu’-miniena sabielaa.

141 Degenen die wachten (op tegenspoed) voor jullie. En als jullie een overwinning krijgen van Allāh zeggen zij: Waren wij niet bij jullie? En als de ongelovigen een kans hebben, zeggen zij: Hebben wij jullie niet overwonnen en beschermd tegen de gelovigen? Dus zal Allāh een oordeel tussen jullie vellen op de dag van de Opstaning. En Allāh zal voor de ongelovigen waarlijk geen weg openen tegen de gelovigen.


135a. De betekenis is, dat je niet de kant van een rijke man moet kiezen vanwege een of andere gunst die je van hem kunt verwachten, of omdat je bang bent voor een of andere schade die hij je kan berokkenen. Noch moet je iets anders dan de waarheid spreken, wanneer de persoon tegen wie je getuigt een arme is, omdat je medelijden met hem hebt. Allāh bezit een beter recht over hen betekent dat zij rechtvaardig behandeld moeten worden. Dus noch familiebanden en liefde, noch overwegingen van angst, voordeel of medeleven, zouden iemand ook maar een haarbreed mogen doen afwijken van de waarheid.

137a. Er waren een paar weifelaars die keer op keer overgingen naar ongeloof. Dat in v. 136 het Boek "dat Hij daarvóór openbaarde" genoemd wordt, geeft duidelijk aan dat hier de joden bedoeld worden, onder wie zich vele hupocrieten bevonden.

137b. Dat Allāh hen niet van leiding voorziet, is het gevolg van hun eigen daden. In eerste instantie wefelden zij, maar later hielden ze vast aan hun ongeloof.

138a. Tabsjir (verwant aan boesjrah, d.w.z. gelaatskleur) verwijst oorsprokelijk naar de aankondiging van een gebeurtenis, die een verandering in de gelaatskleur veroorzaakt. Het wordt over het algemeen gebruikt met betrekking tot nieuws dat iemand verheugt, maar het wordt soms gebruikt voor de aankondiging van een gebeurtenis die iemand verdriet doet (LL).

140a. Zie 6:68, wat in Makkah werd geopenbaard. De moeslims krijgen de opdracht een bijeenkomst te verlaten waar de waarheid bespot wordt. Kritiek is iets heel anders, en een moeslim moet altijd bereid zijn om iedere vorm van kritiek op zijn religie aan te horen.

 

PARAGRAAF 21: Einde de hypocrieten

 

142 ‘Innal-Munaa-fiqiena yugaadi-‘oenallaaha wa Huwa gaadi-‘uhum. Wa ‘izaa qaamoe ‘ilas-Salaati qaamoe kusaalaa yuraaa-‘oenan-naasa wa laa yazkuroe-nallaaha ‘illaa qalielaa;

142 De hypocrieten proberen Allāh te misleiden, en Hij zal hen hun bedrog vergelden.a En wanneer zij opstaan voor het gebed, komen zij traag overeind – zij doen het slechts om door de mensen gezien te worden en gedenken Allāh slechts weinig,

 

143 Muzab-zabiena bayna zaalik,-Laaa ‘ilaa haaa-‘u-laaa-‘i wa laaa ‘ilaa haaa-‘ulaaa’. Wa manj-yuzli-lillaahu falan-tadjida lahoe Sabielaa.

143 Weifelend tussen dat (en dit) – noch (behorend) tot dezen, noch tot die.a En jullie zullen geen wegen vinden voor degene die door Allāh in dwaling wordt gelaten.

 

144 Yaaa-‘ayyu-hallaziena aamanoe laa tattagizul-kaafiriena ‘awli-yaaa-‘a min-doenil-Mu’-minien. ‘Aturiedoena ‘an tadj-‘aloe lil-laahi ‘alaykum sul-taanam-mubienaa?

144 O jullie die geloven neem niet liever de ongelovigen tot vriend dan de gelovigen. Wensen jullie Allāh een duidelijk bewijs te geven tegen julliezelf?

 

145 ‘Innal-Munaa-fiqiena fiddarkil-‘asfali minan-naar : wa lan tadjida lahum nasieraa;-

145 De hypocrieten bevinden zich zeker in de diepste diepten van het Vuur,a en jullie zullen geen helper voor hen vinden,

 

146 ‘Illal-laaziena taaboe wa ‘as-lahoe wa-tasamoe billaahi wa ‘ag-lasoe dienahum lillaahi fa-‘ulaaa-‘ika ma-‘al-Mu’-minien. Wa sawfa yu’-tillaahul-Mu’-miniena ‘adjran ‘aziemaa.

146 Behalve degenen die berouw tonen en zich verbeteren en vasthouden aan Allāh en die oprecht zijn in hun gehoorzaamheid aan Allāh – zij bevinden zich bij de gelovigen. En Allāh zal de gelovigen spoedig een geweldige beloning schenken.

 

147 Maa yaf-‘alullaahu bi-‘azaabikum ‘in-sjakartum wa ‘aamantum? Wa kaanal-laahu Sjaakiran ‘Aliemaa.

147 Waarom zou Allāh jullie straffen als jullie dankbaar zijn en geloven? En Allāh is immer de Vermenigvuldiger van beloningen,a Wetend.

 

148 LAA YUHIBBUL-LAAHUL- djahra bissoe-‘i minal-qawli ‘illaa man-zulim; wa kaanal-laahu Samie-‘an ‘Aliemaa.

148 Allāh houdt niet van het openlijk naar voren brengen van kwetsende uitspraken, behalve door iemand, die onrecht is aangedaan.a En Allāh is immer Horend, Wetend.

 

149 ‘In-tubdoe gayran ‘aw tug-foehu ‘aw ta’-foe ‘ansoe-‘in-fa-‘innal-laaha kaana ‘Afuwwan- Qadieraa.

149 Of jullie openlijk goeddoen, of het geheim houden of een zonde vergeven, Allāh is immers immer Begenadigend, Machtig.a

 

150 ‘Innal-laziena yakfuroena billaahi wa Rusulihie wa yuriedoena ‘any-yufarriqoe baynallaahi wa Rusulihie wa yaqoeloena nu’-minu biba’-zinw-wa yuriedoena ‘any-yattagizoe bayna zaalika sabielaa,-

150 Degenen die niet geloven in Allāh en Zijn boodschappers en die verschil wensen te maken tussen Allāh en Zijn boodschappers en zeggen: Wij geloven in sommigen en geloven niet in anderen; en die een tussenweg wensen te nemen –

 

151 ‘Ulaaa-‘ika humul-kaafiroena haqqaa; wa ‘a’-tadnaa lil-kaafiriena ‘azaabam-muhienaa.

151 Dit zijn waarlijk ongelovigen; en Wij hebben de ongelovigen een vernederende straf bereid.

 

152 Wallaziena ‘aamanoe billaahi wa Rusulihie wa lam yufarriqoe bayna ‘ahadimminhum ‘ulaaa-‘ika sawfa yutie-him ‘udjoe-rahum : wa kaanal-laahu Ghafoerar-Rahiemaa.

152 En degenen die geloven in Allāh en Zijn boodschappers en geen onderscheid maken tussen wie ook van hen, aan hen zal Hij hun beloningen schenken. En Allāh is immer Vergevensgezind, Barmhartig.a


142a. Zie 2:9a voor de betekenis van chada‘a en chāda‘a. chādi‘oe-hoem betekent hier hij die hen hun bedrog vergeldt (LL). Een vergelijking van deze passage met de gelijke passage die voorkomt in 2:9 maakt de betekenis volkomen duidelijk.

143a. Moedzabdzab, lett., veel wegejaagd, heeft dezelfde betekenis als moedzabdzib, d.w.z. weifelend of aarzelend tussen twee dingen of zaken (LL). Dat en dit verwijzen naar geloof en ongeloof, wat duidelijk gemaakt wordt in de woorden die volgen – noch (behorend) tot dezen, noch tot die. Dit verwijst naar de gelovigen en de ongelovigen, waarover in de slotwoorden van v. 141 gesproken wordt.

145a. Onoprechtheid in religie is de ergst mogelijke zonde. Vandaar dat er van de hypocrieten gezegd wordt dat zij zich in de diepste diepte van het Vuur bevinden. De belangrijkste vraag voor iedere gelovige is: Zijn zijn daden in overeenstemming met zijn beleden overtuigingen? Doet hij wat hij zegt? En zo niet, dan schuilt er een zweem van hypocrisie in hem. Elders wordt gezegd: "O jullie die geloven, waarom zeggen jullie wat jullie niet doen? Allāh vindt het zeer verfoeilijk dat jullie zeggen wat jullie niet doen" (61:2, 3). Het volgende vers verwijst hier specifiek naar – Allāh zal de moeslims niet straffen als zij trouw blijven aan hun overtuigingen.

147a. Wanneer het woord sjākir gebruikt wordt als een eigenschap van het Goddelijke Wezen, betekent het Iemand Die een grote beloning geeft voor kleine daden, of in Wiens achting de kleine daden die door Zijn dienaren worden verricht, toenemen, en Die Zijn beloningen aan hen vermenigvuldigt (T, LL).

148a. Het gebruik van schandelijke taal van welke soort dan ook die betrekking heeft op anderen, is streng verboden, maar rechtvaardiging ervan is mogelijk in het geval van iemand die op een of andere wijze onrecht is aangedaan.

149a. Als je het kwaad vergeeft dat iemand je heeft aangedaan, zal Allāh jouw zonden vergeven, en je zelfs een flinke beloning geven. Hij is niet alleen Begenadigend, maar heeft ook de Macht om een goede beloning te schenken.

152a. Onderscheid maken tussen Allāh en Zijn boodschappers betekent dat men in de één gelooft en niet in de ander. De Islām vereist de aanvaarding van alle profeten die zijn opgestaan voor de wedergeboorte van de mensheid. Vandaar dat de ontkenning van één van de profeten die in de Heilige Qoer-ān genoemd worden, een mens uit de groep gelovigen haalt en hem tussen de ongelovigen plaatst.

 

PARAGRAAF 22: Overtredingen van de joden

 

153 Yas-‘aluka ‘Ahlul-Kitaabi ‘an-tunazzila ‘alaykim Kitaabam-minas-samaaa-‘i faqad sa-‘aloe Moe- saaa ‘akbara mizaalika faqaaloe ‘arinallaaha djah-ratan-fa-‘agazat-humussaa-‘iqatu bi-zulihim. Sum- matta-gazul-‘idjla mim-ba’-di maa djaaa-‘at-humul-Bayyinaatu fa-‘afawnaa ‘an-zaalik: wa ‘aataynaa Moesaa sul-taanammubienaa.

153 De Mensen van het Boek vragen jou om hun een Boek uit de hemel te doen brengen; en van Mozes eisten zij zelfs iets groters dan dat, want zij zeiden: Laat ons Allāh duidelijk zien. Dus overviel hen een vernietigende straf vanwege hun kwade daden. Toen namen zij het kalf (tot een god), nadat er duidelijke tekenen tot hen waren gekomen, maar Wij vergaven hen dit. En Wij gaven Mozes duidelijke gezag.

 

154 Wa rafa’-naa fawqahumut-Toera bi-miesaa-qihim wa qulnaa lahumud-gulul-baaba sudjdja-danw-wa qulnaa lahum laa ta’-doe fis-Sabti wa ‘a-gaznaa minhum-Miesaaqan ghaliezaa.

154 En wij verhieven de berg boven hen bij hun verbond. En Wij zeiden tegen hen: Ga de deur buigend binnen. En Wij zeiden tegen hen: Schenk de Sabbat niet; en Wij sloten een krachtig verbond met hen.

 

155 Fa-bimaa naq-zihim-Miesaaqahum wa kufrihim-bi-‘Aayaatillaahi wa qatli-himul-‘ambi-yaaa-‘a bi-ghayri haqqinw-wa qawlihim quloebunaa ghulf;-bal taba-‘allaahu ‘alayhaa bikufrihim falaa yu’-minoena ‘illaa qalielaa;-

155 En omdat zij hun verbond verbraken, en hun ongeloof in de boodschap van Allāh en omdat zij de profeten onterecht doodden en omdat zij zeggen, Onze harten zijn bedekt; nee, Allāh heeft ze verzegeld vanwege hun ongeloof, dus geloven zij slechts weinig:a

 

156 Wa bi-kufrihim wa qawlihim ‘alaa Maryama buh-taanan ‘aziemaa;

156 En vanwege hun ongeloof en vanwege het uiten van vreselijke lasterpraat tegen Maria:a

 

157 Wa qawlihim ‘innaa qatalnal-Masieha ‘Isabna-Maryama Rasoelallaah;–wa maa qataloehu wa maa salaboehu wa laakin-sjubbiha lahum; wa ‘innal-lazienag-talafoe fiehi lafie sjakkim-minh: maa lahumbihie min ‘il-min ‘illat-tibaa-‘azzann; wa maa qataloehu yaqienaa;-

157 En omdat zij zeggen: Wij hebben de Messias, Jezus, zoon van Maria, de boodschapper van Allāh gedood, en zij doodden hem niet, noch veroorzaakten zij zijn dood aan het kruis,a echter, als zodanig kwam hij hen voor.b En zeker degenen die hierover (van mening) verschillen, twijfelen hieraan. Zij hebben geen kennis hierover, maar volgen slechts een vermoeden, en zij doodden hem zeker niet:

 

158 Bar-rafa-‘a-hullaahu ‘ilayh; wa kaanallaahu Aziezan Hakiemaa;-

158 Nee, Allāh heeft hem in Zijn tegenwoordigheid verheven. En Allāh is immer Machtig, Wijs.a

 

159 Wa ‘immin ‘Ahlil-Kitaabi ‘illaa la-yu’-minanna bihie qabla maw-tih; wa Yawmal- Qiyaamati yakoe- nu ‘alayhim sjahiedaa;-

159. Er is niemand onder de Mensen van het Boek, of hij zal hierin geloven vóór zijn dood; en op de Dag van de Opstanding zal hij een getuige tegen hen zijn.a

 

160 Fabi-zulmim-minallaziena haadoe harramnaa ‘alayhim tayyi-baatin ‘u-hillat lahum wa bi-saddihim ‘an Sabie-lillaahi kasieraa;-

160 Dus vanwege de onrechtvaardigheid van de joden verboden Wij hen de goede dingen die voor hen wettig waren gemaakt, en vanwege het feit dat zij vele (mensen) verhinderden om Allāh’s weg te gaan.

 

161 Wa ‘ag-zihimur-Ribaa wa qad nuhoe ‘anhu wa ‘aklihim ‘amwaa-lannaasi bil-baatil;–wa ‘a’-tadnaa lil-kaafiriena minhum ‘azaaban ‘alimaa.

161 En omdat zij woeker accepteerden – terwijl dit hen zeker was verboden – en omdat zij op onrechtmatige wijze de bezittingen van andere mensen verteerden. En Wij hebben de ongelovigen uit hun midden een pijnlijke straf bereid.

 

162 Laakinir-Raasi-goena fil-‘ilmi minhum wal-Mu’-minoena yu’-minoena bimaaa ‘unzila ‘ilayka wa maaa ‘unzila min-qablika walmuqiemienas-Salaata wal mu’-toenza Zakaata wal-Mu’-minoena billaahi wal-Yawmil-‘Aagir: ‘ulaaa-‘ika sanu’-tiehim ‘adjran ‘aziemaa.

162 Maar degenen uit hun midden met diepgaande kennis en de gelovigen, geloven in wat aan jou is geopenbaard en in wat er vóór jou is geopenbaard, en degenen die het gebed onderhouden en de armenbelasting geven en de mensen die geloven in Allāh en de Laatste Dag – dezen zijn het aan wie Wij een geweldige beloning zullen schenken.


155a. De incidenten waaraan in vv. 153–155 gerefereerd wordt, worden tot in detail behandeld in de paragrafen 6–8 van hoofdstuk 2; zie de voetnoten aldaar.

156a. De laster waarnaar hier verwezen wordt, was dat Maria schuldig zou zijn geweest aan overspel (Rz). De joodse traditie noemt in dit verband Panther (Jewish Life of Jezus).

157a. De woorden mā salaboe-hoe ontkennen niet dat Jezus aan het kruis genageld werd. Wat zij ontkennen is dat hij aan het kruis stierf als gevolg van het feit dat hij eraan vastgenageld was. Salb is een bekende manier van doden (T, LA). Salaba-hoe betekent hij doodde hem op een bepaalde welbekende manier (LL). Dat Jezus een natuurlijke dood stierf, wordt duidelijk gesteld in 5:117: "en ik was een getuige onder hen zolang als ik in hun midden verkeerde, maar toen U mij deed sterven, was U de Waker over hen." Zie 5:117a. De Evangeliën getuigen er duidelijk van dat Jezus Christus ontsnapte aan de dood aan het kruis. De volgende punten zijn van belang: (1) Jezus bleef slechts enkele uren aan het kruis (Mar. 15:25; Joh. 19:14), maar dood door kruisiging was altijd traag. (2) Dat twee mannen die gelijktijdig met Jezus werden gekruisigd, leefden nog toen zij van het kruis werden gehaald. We kunnen dan aannemen dat ook Jezus nog leefde. (3) Men ging over tot het breken van de benen van de twee misdadigers, maar in het geval van Jezus zag men daarvan af (Joh. 19:32, 33). (4) De zij van Jezus was doorboord en er stroomde bloed uit. Dit was duidelijk een teken van leven. (5) Zelfs Pilatus geloofde niet dat Jezus binnen zo’n korte tijd werkelijk gestorven was (Mar. 15:44). (6) Jezus werd niet zoals de twee misdadigers begraven, maar werd overgedragen aan de zorg van een rijke discipel van hem. Deze omringde hem met vlijtige zorg en legde hem in een ruimte tombe gehouwen uit de zijkant van een rots (Mar. 15:46). (7) Toen de tombe op de derde dag bezocht werd, zag men dat de steen uit de opening verwijderd was (Mar. 16:4). Dit zou niet het geval zijn geweest als er een bovennatuurlijke opstijging had plaatsgevonden. (8) Toen Maria hem zag, dacht ze dat het de tuinman was (Joh. 20:15), wat aantoont dat Jezus zich vermomd had als tuinman. (9) Zo’n vermomming zou niet nodig zijn geweest als Jezus uit de dood was opgestaan. (10) De discipelen zagen Jezus in hetzelfde vleselijke lichaam en de wonden waren nog diep genoeg voor een man om er zijn hand in te steken (Joh. 20:25–28). (11) Hij had nog steeds honger en at zoals zijn discipelen aten (Luc. 24:39–43). (12) Jezus Christus ondernam een reis naar Galilea met twee van zijn discipelen lopend aan zijn zijde (Matt. 28:10), wat aangeeft dat hij op de vlucht was naar een schuilplaats. Een reis naar Galilea was niet noodzakelijk om naar de hemel op te stijgen. (13) In alle verschijningen na de kruisiging, zien we dat Jezus zich verbergt, alsof hij bang is ontdekt te worden (14) Jezus Christus bad de hele nacht voor zijn arrestatie om gered te worden van de vervloekte dood aan het kruis, en hij vroeg ook zijn discipelen om voor hem te bidden. De gebeden van een rechtschapen man gekweld door het noodlot worden altijd verhoord. Hij zou zelfs een belofte van Allāh hebben gekregen dat hij gered zou worden, en aan die belofte refereerde hij toen hij aan het kruis uitriep: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?" Heb. 5:7 maakt de zaak nog duidelijker, want daar wordt eenvoudig gesteld dat het gebed van Jezus was verhoord: "… heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst."

De stellingen die in de Qoer-ān worden gegeven, ondersteunen bovenstaande stellingen die geciteerd zijn uit de Evangeliën. Jezus stierf niet aan het kruis, noch werd hij gedood zoals de twee dieven, maar voor de joden leek het alsof hij dood was.

157b. De woorden sjoebbiha la-hoem kunnen twee betekenissen in zich dragen: hij werd gemaakt te zijn als (het) of om (erop) te lijken; of de zaak werd twijfelachtig gemaakt of onduidelijk (LL). De Roeh al-Ma‘āni zegt dat de betekenis kan zijn dat de zaak voor hen twijfelachtig werd. Het verhaal dat iemand anders zo gemaakt werd dat hij op Jezus leek, komt niet naar voren uit de woorden van de Qoer-ān. Deze woorden zouden, als er een lijdend voorwerp vermeld zou staan, slechts kunnen betekenen dat, Jezus gemaakt werd op iemand te lijken, en niet dat iemand gemaakt werd op Jezus te lijken.

158a. Zie 3:55b voor de betekenis van raf’. Verheven worden in de Goddelijke tegenwoordigheid is tegenovergesteld aan gedood worden aan het kruis. Deut. 21:23 verklaart dit, want daar lezen we, een gehangene is door God vervloekt. Als Jezus aan het kruis gestorven was, dan zou hij vervloekt zijn geweest. Vandaar dat hier wordt gesteld – hij is niet aan het kruis gedood en vervloekt, maar verheven in de Goddelijke tegenwoordigheid.

159a. Zowel de joden als de christenen geloven noodzakelijkerwijs in de dood van Jezus aan het kruis, terwijl zij daar in werkelijkheid volgens de Heilige Qoer-ān geen zekerheid over hebben. De joden wijzen zijn aanspraak dat hij de Messias zou zijn af op basis van Deut. 21:23: "Een gehangene is door God vervloekt." Hun geloof is dat, aangezien Jezus aan het kruis was gestorven, hij vervloekt was en niemand die door God is vervloekt kan een profeet zijn. Volgens een geheel andere gedachtelijn gelooft een christen ook dat Jezus aan het kruis stierf en werd vervloekt. Hij erkent de waarheid van Deut. 21:23, maar hij zegt dat Jezus alleen als hij vervloekt was, de zonden van degenen die in hem geloofden kon wegnemen. Zoals in Gal. 3:13: "Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven, Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt." Vandaar dat het fundamentele grondbeginsel van het geloof van zowel de joden als de christenen is, dat Jezus aan het kruis stierf. De betekenis van het vers is duidelijk, namelijk, dat elke jood en christen, hoewel hij over helemaal geen enkele zekerheid beschikt, vóór zijn dood moet geloven dat Jezus aan het kruis stierf.

 

PARAGRAAF 23: Eerdere openbaring bevestigt stellingen uit de Qoer-ān

 

163 ‘Innaaa ‘aw-haynaaa ‘ilayka kamaaa ‘aw-haynaaa ‘ilaa Noehinw-wanna-biyyina mimba’-dih; wa ‘aw-haynaaa ‘ilaaa ‘Ibrahiema wa ‘Ismaa-‘iela wa ‘Is-haaqa wa Ya’-qoeba wal-‘asbaati wa ‘Iesaa wa ‘Ayyoeba wa Yoenusa wa Haaroena wa Sulaymaan : wa ‘aataynaa Daawoeda Zaboeraa.

163 Waarlijk hebben Wij aan jou geopenbaard zoals Wij openbaarden aan Noach en de profeten na hem, en Wij openbaarden aan Abraham en Ismaël en Isaak en Jakob en de stammen, en Jezus en Job en Jona en Aäron en Salomo, en Wij gaven aan David een geschrift.

 

164 Wa rusulan-qad qasasnaahum ‘alayka min-qablu wa rusulal-lam naqsus-hum ‘alayk; wa kalla-mallaahu Moesaa tak-liemaa;

164 En (Wij stuurden) boodschappers die Wij eerder aan jou hebben genoemd en boodschappers die Wij jou niet hebben genoemd. En tot Mozes richtte Allāh Zijn woord, sprekend (tegen hem)a

 

165 Rusulam-mubasjsjiriena wa munziriena li-‘allaa yakoena linnaasi ‘alallaahi hudjdjatumba’-dar-rusul : wa kaanal-laahu ‘Aziezan Hakiemaa.

165 Boodschappers, brengers van goed nieuws en waarschuwers, zodat de mensen geen argumenten tegen Allāh hebben na (de komst van) de boodschappers. En Allāh is immer Machtig, Wijs.

 

166 Laaki-nillaahu yasj-hadu bimaaa ‘anzala ‘ilayka ‘anzalahoe bi-‘ilmihie wal-malaaa-‘ikatu yasj-hadun: wa kafaa billaahi Sjahiedaa.

166 Maar Allāh getuigt door middel van wat Hij aan jou geopenbaard heeft, dat Hij het geopenbaard heeft met Zijn kennis, en de engelen getuigen (ook). En als getuige is Allāh afdoende.

 

167 ‘Innal-laziena kafaroe wa saddoe ‘an-Sabie-lillaahi qad zalloe zalaalam-ba-‘iedaa.

167 Degenen die niet geloven en (anderen) verhinderen Allāh’s weg te gaan, die zijn inderdaad afgedwaald, en gaan ver op het verkeerde pad.

 

168 ‘Innal-laziena kafaroe wa zalamoe lam yakunillaahu liyaghfira lahum wa laa li-yahdiyahum tarie- qaa-

168 Degenen die niet geloven en onrechtvaardig handelen, Allāh zal hen nooit vergeven, noch zal Hij hen leiden naar een pad,

 

169 ‘Illaa tarieqa Djahannama gaalidiena fiehaaa ‘abadaa. Wa kaana zaalika ‘alal-laahi yasieraa.

169 Behalve het pad van de hel, om daar voor lange tijd te verblijven. En dat is eenvoudig voor Allāh.

 

170 Yaaa-‘ayyoe-hannaasu qad djaaa-‘akumur-Rasoelu bil-haqqi mir-Rabbikum fa-‘aaminoe gayralla- kum. Wa ‘in takfuroe fa-‘inna lillaahi maa fis-samaawaati wal-‘ard: wa kaanallaahu Alieman Hakie- maa.

 

170 O mensheid, de Boodschapper is inderdaad tot jullie gekomen met de waarheid van jullie Heer, dus geloof, het is beter voor jullie. En als jullie niet geloven, dan behoort al wat in de hemelen en op aarde is waarlijk aan Allāh . En Allāh is immer Wetend, Wijs.

171 Yaaa-‘ahlal-Kitaabie laa taghloe fie dienikum wa laa taqoeloe ‘alallaahi ‘illal-haqq. ‘Innamal- Masiehu ‘Ie-sabnu-Maryama Rasoelullaahi wa Kalimatuh, alqaa-haaa ‘ilaa Maryama wa roehum-minh. Fa-‘aaminoe billaahi wa Rusulih. Wa laa raqoeloe Salaasah: ‘intahoe gay-rallakum: ‘innamal-laahu ‘Ilaahunw-Waahid: Sub-haanahoe ‘any-yakoena lahoe walad. Lahoe maa fis-samaawaati wa maa fil-‘ard. Wa kafaa billaahi Wakielaa.

171 O mensen van het Boek, overschijd niet de grenzen van jullie religie en spreek nooit iets anders dan de waarheid over Allāh. De Messias, Jezus, zoon van Maria, is slechts een boodschapper van Allāh en Zijn woorda dat Hij overbracht aan Maria en een genade van Hem.b Dus geeloof in Allāh en Zijn boodschappers. En zeg niet, Drie.c Houd hiermee op, het is beter voor jullie. Allāh is maar één God. Het is ver beneden Zijn glorie om een zoon te hebben. Aan Hem behoort al wat in de hemelen is en al wat op aarde is. En het is afdoende wanneer Allāh de macht heeft over de gebeurtenissen.


164a. De profeten over wie hier gesproken wordt behoren tot het Israëlitische ras. Abraham en zijn directe afstammelingen worden eerst genoemd. Dan volgen de drie profeten van Israël die grote beproevingen moesten doorstaan, nl. Jezus, Job en Jona. De volgende groep is een groep van vier profeten die ook heersers waren nl. Mozes, Aäron, David en Salomo. Maar aangezien David en Mozes een bijzondere relatie hebben met de Heilige Profeet (s.a.w.) – de eerst zong zijn lof in al zijn Psalmen en de tweede voorspelde zijn komst in zeer heldere bewoordingen – worden zij aan het einde apart besproken. Het goede nieuws dat zij brachten verwijst zowel naar de vrede en het geluk die aan de rechtschapenen zal worden geschonken, als naar de komst van iemand die, als laatste in de rij, de eigenschapen van alle profeten zou moeten verenigen in zijn eigen persoon, om op gelijke wijze de volkeren van de wereld te verenigen tot één volk.

171a. Kalimah ofwel woord staat hier gelijk aan profetie, een betekenis die dit woord in de Heilige Qoer-ān regelmatig aanneemt. Jezus wordt een profetie genoemd, omdat hij in overeenstemming met een profetie van Allāh werd geboren. Op gelijke wijze, noemt de Heilige Profeet (s.a.w.) zichzelf in een uitspraak "het gebed van mijn vader Abraham". Dit betekent dat hij verscheen als vervulling van Abrahams gebed. Zie 3:45a voor een uitgebreide uitleg. De betekenis van ilqā verschilt naar gelang het onderwerp. Wanneer het onderwerp tastbaar is, impliceert het de daad van gooien of werpen. Maar je kunt zeggen alqaitoe ilai-hi chair-an, d.w.z. ik heb hem goed gedaan, en alqaitoe ilai-hi-l-mawaddata, d.w.z. ik bood hem liefde aan (T, LL), en alqā ilajja sirra-hoe, d.w.z. hij openbaarde mij zijn geheid (T in art. sirr), en alqaitoe ialai-hi-l-qaula wat overeenkomt met wat hier gezegd wordt. Het lijdend voorwerp bij het werkwoord is hier kalimah in plaats van qaul, die beide dezelfde betekenis hebben, en moet vertaald worden met ik bracht wat er gezegd werd aan hem over. Sale’s en rodwells conveying into Mary (bracht tot Maria) en Palmers casting into Mary (wierp naar Maria), die het onderwerp behandelen alsof het tastbaar is, kloppen niet met de ware betekenis van het woord.

171b. Volgens Az (LL onder rauh), betekenen rauh en roeh beide genade van Allāh, en in de passage waarover het hier gaat, is het de juiste betekenis van het woord. Roeh betekent ook inspiratie of Goddelijke openbaring (T, LL). Wanneer deze betekenis wordt aangehouden, zou het een verklaring zijn voor wat in de voorgaande woorden wordt gezegd, d.w.z. Zijn profetie die Hij overbracht aan Maria. De passage zou dus betekenen dat de komst van Jezus in overeenstemming was met een profetie en een inspiratie van het Goddelijke Wezen. Zelfs wanneer we het woord roeh vertalen als geest, brengt het Jezus geen stap voorbij de grenzen van sterfelijkheid. Immers, ook van Adam werd gezegd Ik blies Mijn geest in hem (15:29). Volgens de Heilige Qoer-ān is het zo dat de Goddelijke geest iedere mens is ingeblazen: "Toen vervolmaakte Hij hem en blies hem van Zijn geest in, en gaf jullie oren en ogen en harten" (32:9). Verder kunnen we een uitspraak waaraan door LL wordt gerefereerd onder rauh, ahja al-nāsa bi-roehi-hi, waar de juiste lezing is roeh, en niet rauh, wat Hij (Allāh) heeft alle mensen doen leven door middel van Zijn geest betekent. En roeh-oen min-hoe, wat slechts de geest van Hem kan betekenen, is er verder bewijs van dat zelfs in deze betekenis het woord niet exclusief van toepassing is op Jezus, want hij is niet het woord van Allāh of de geest van Hem, maar slechts een woord of een geest.

171c. De leer van de Drieëenheid wordt hier duidelijk afgewezen. Allāh bestaat niet uit drie personen, maar slechts uit één: Allāh is maar één Allāh. De Heilige Qoer-ān zegt nergens dat de christelijke Drieëenheid gevormd wordt door Jezus. Maria en Allāh, hoewel hij in 5:116 zonder twijfel verwijst naar de rooms-katholieke leer van de verering van Maria, waarvoor we kunnen verwijzen naar 5:116a.

 

PARAGRAAF 24: Profeetschap va Jezus

 

172 Lany-yas-tankifal Masiehu ‘any-yakoena ‘Abdal-lil-laahi wa lal-malaaa-‘ikatul-muqarra-boen. Wa many-yas-tankif ‘an ‘ibaa-daatihie wa yastakbir fasa-yah-sjruuhum ‘ilayhi djamie-‘aa.

172 De Messias minacht het niet om een dienaar van Allāh te zijn, noch doen de engelen dit, die dicht bij Hem staan. En wie het minacht Hem te dienen en trots is, Hij zal hen allen tot Zich verzamelen.

 

173 Fa-‘ammal-laziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saali-haati fayu-waffiehim ‘udjoerahum wa yazie-duhum-min fadlih; wa ‘ammal-lazienas-tankafoe wastakbaroe fayu-‘azzi-buhum azaaban aliemaa; Wa laa yadj-doena lahummin-doenil-laahi waliy-yanw-wa laa nasieraa.

173 En wat betreft degegen die geloven en goeddoen, Hij zal ze hun beloning volledig betalen en hen nog meer geven uit Zijn goedgunstigheid. En wat betreft degenen die minachten en trots zijn, Hij zal ze straffen met een pijnlijke straf, en zij zullen buiten Allāh voor henzelf geen vriend of helper vinden.

 

174 Yaaa-‘ayyu-hannaasu qad djaaa-‘akum Bur-haanum-mir-Rabbikum wa ‘anzalnaaa ‘ilaykum Noeram-mubienaa.

174 O mensen, er is inderdaad duidelijk bewijs gekomen van jullie Heer, en Wij hebben een helder licht naar jullie toegestuurd.

 

175 Fa ‘ammal-laziena ‘aamanoe bil-laahi wa’-tasamoe bihie fasa-yud-giluhum fie Rahmatim-minhu wa Fazlinw-wa yah-diehim ‘ilayhi Siraatam-Musta-qiemaa.

175 Dan wat betreft degenen die geloven in Allāh en aan Hem vasthouden, Hij zal hen toelaten tot Zijn genade en goedgunstigheid, en hen op een recht pad naar Hemzelf leiden.

 

176 Yas-taf-toenak. Qulillaahu yuf-tiekum fil-Kalaalah. ‘Inimru-‘un halaka lay-sa lahoe waladunw-wa lahoe ‘ug-tun-falahaa nisfu maa tarak : wa huwa yarisuhaaa ‘illam yakul-lahaa walad. Fa-‘in-kaana- tasna-tayni fala humas-sulusaani mimmaa tarak : wa ‘in kaanoe ‘igwatar-ridjaalanw-wa nisaaa-‘an fa-liz-zakari mislu hazzil-‘unsa-yayn. Yubayyi-nullaahu lakum ‘an-tazilloe. Wallaahu bi-kulli sjay-‘in Aliem.

176 Zij vragen jou om een uitspraak. Zeg: Allāh geeft jullie een uitspraak betreffende de persoon zonder ouders of kinderen. Als een man sterft (en) hij heeft geen zoon en hij heeft een zuster, is de helft van wat hij nalaat voor haar, en hij zal haar erfgenaam zijn als zij geen zoon heeft. Maar als er twee (zusters) zijn, dan is tweederde van wat hij nalaat van hen. En als er broeders zijn, mannen en vrouwen, dan is het aandeel voor de man gelijk aan het aandeel van twee vrouwen. Allāh maakt dit aan jullie duidelijk, opdat jullie je niet zullen vergissen. En Allāh is de Weter van alle dingen.a


176a. De regel die hier wordt gegeven is een aanvulling op de wet omtrent erfrecht, zoals die wordt gegeven aan het begin van dit hoofdstuk. Er wordt van deze regel gezegd dat zij erg laat geopenbaard is. Zoals uitgelegd wordt in 12b, is de kalālah die hier genoemd wordt anders dan de kalālah die in v. 12 wordt genoemd. Hier zijn er geen kinderen of ouders en daarom gaat de gehele erfenis naar de broers en zusters.

De terugkeer naar de wet op erfrecht, vlak nadat de Qoer-ān over Jezus Christus heeft gesproken, kent misschien een diepere betekenis. Het is een feit dat er na Jezus Christus geen profeet meer verscheen onder de Israëlieten, en zijn dood liet Israël in werkelijkheid achter zonder geestelijk leider die tot het profeetschap zou worden verheven. Het geestelijk koninkrijk dat beloofd was aan Abraham en wat tot dan toe berustte bij het huis van Israël, werd nu van de Israëlieten afgenomen en onvergedragen aan de broedernatie, de Ismaëlieten. Dit zou ook de woorden verklaren, die tot Mozes werden gericht: "Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God u verwekken" (Deut. 18:15). Hier beland de geestelijke erfenis duidelijk bij de broeders van de Israëlieten, d.w.z. de Ismaëlieten. De zinsnede uit uw midden moet dus duidelijk worden uitgelegd als uit het midden van uw broederen. Mozes zag helder dat de Israëlieten hun aanspraak op de erfenis van het geestelijk koninkrijk zouden verliezen, vóór de komst van de Profeet (s.a.w.) die zijn gelijkenis zou zijn. Jezus maakte hetzelfde duidelijk, maar met andere woorden, toen hij tegen de Israëlieten zei: "Ik zeg u dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt" (Matt. 21:43).