38- Saad (Saad)

HOOFDSTUK 38 Sād

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 5 paragrafen; 88 verzen

Het hoofdstuk Sād ontleent zijn titel aan zijn beginletter, die staat voor Sādiq of Waarheidlievende Allāh. Het beschrijft hoe profeten in de handen van hun vijanden hebben geleden. Zelfs profeten als David en Salomo die machtige koninkrijken bestuurden, en zoals Job die overvloed geschonken had gekregen, ontkwamen niet aan tegenstand en moesten lijden in de handen van hun vijanden. Maar zoals de naam van het hoofdstuk aangeeft was Allāh een Waarheidlievende Allāh, Die op het hoogtepunt van de tegenstand de nederlaag van de vijand en de uiteindelijke zege van de Waarheid voorspelde.

De datum van de openbaring van dit hoofdstuk kan worden vastgesteld rond dezelfde tijd als het voorgaande. De tegenstand was zonder twijfel zeer sterk geworden, en de eerdere emigratie zou al plaatsgevonden kunnen hebben, of zou hier spoedig op hebben kunnen gevolgd. Het kan ongeveer rond het einde van de vroegeMakkah-periode geplaatst worden. De eerste paragraaf spreekt duidelijk over de vastberaden tegenstand van de vijand en voorspelt diens ondergang. De tweede bevestigt hoe zelfs een koningprofeet als David zijn vijanden had, en hoe hij uit hun handen werd bevrijd. De derde stelt dat zelfs Salomo, met al zijn glorie, niet kon ontkomen aan de tegenstand van vijanden. Toch was het de goedgunstigheid van Allāh en niet de glorie van zijn koninkrijk, die hem redde van zijn vijanden. In de vierde paragraaf wordt het lijden van Job besproken, en de overwinning van de rechtschapenen wordt in duidelijke bewoordingen naar voren gebracht. De karakteristieke tegenstand van de duivel tegen de profeet-mens vormt het onderwerp van de slotparagraaf.


PARAGRAAF 1: De nederlaag van de Vijanden

 Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 SAAAD Wal–Qur-‘aani Ziz–Zikr.

1 Waarheidlievende Allāh!a Bij de Qoer-ān, in het bezit van verhevenheid!b

 

2 Balilaziena kafaroe fie ‘izzatinwwa sjiqaaq.

2 Nee, degenen die niet geloven verheffen zichzelf en bieden tegenstand.

 

3 Kam ‘ahlaknaa min-qablihim-min-qarnin-fanaadaw-wa laataa hiena manaas!

3 Hoeveel generaties hebben Wij vernietigd vóór hen, en dan riepen zij wanneer er geen tijd meer was om te ontsnappen!a

 

4 Wa ‘adjiboe ‘an djaaa-‘ahum–Munzirum-minhum! Wa qaalal–Kaafirunna haazaa saahirun-kazzaab!

4 En zij verbazen zich dat er een waarschuwer uit hun midden tot hen is gekomen, en de ongelovigen zeggen: Dit is een tovenaar, een leugenaar.

 

5 ‘Adja-‘alal-‘aalihata ‘Ilaahanw–Waahidaa? ‘Inna haazaa lahay-‘un ‘udjaab!

5 Maakt hij de goden tot één enkele God? Dat is waarlijk een vreemd iets.

 

6 Wantalaqal-mala-‘u minhum ‘animsjoe wasbiroe ‘alaaa ‘aalihatikum! ‘Innahaazaa lasjay-uny-yuraad!

6 En de leiders onder hen zeggen: Ga en hang standvastig jullie goden aan: deze zaak is waarlijk (zo) bedoeld.a

 

7 Maa sami’-naa bihaazaa filmillatil-aagirah: ‘in haazaaa ‘illag-tilaaq!

7 Wij hebben hier nog nooit van gehoord in het eerdere geloof: dit is niets anders dan een verzinsel.

 

8 ‘A-‘unzila ‘alay-hiz–Zikru mim-bayninaa? Bal hum fie sjak-kim-min–Zikrie! Bal-lammaa yazoeqoe ‘Azaab!

8 Is de Hrinnering geopenbaard aan hem uit ons midden? Nee, zij twijfelen over Mijn Herinnering. Nee, zij hebben nog niet geproefd van Mijn straf.

 

9 ‘Am ‘indahum khazaaa-‘inu Rahmati Rabbikal–‘Aziezil–Wahhaab?

9 Of hebben zij de schatten van de genade van jouw Heer, de Machtige, de Grootse Gever?

 

10 ‘Am lahum-mulkus-samaawaati wal-‘ardi wa maa baynahumaa? Falyartaqoe fil-‘asbaab!

10 Of is het koninkrijk van de hemelen en de aarde en wat daartussen is van hen? Laat hen dan hun middelen vermeerderen.a

 

11 Djundum-maa hunaalika mahzoemum-minal-‘ahzaab.

11 Wat een leger van de bondgenoten wordt hier op de vlucht gejaagd!a

 

12 Kazzabat qablahum Qawmu Noehinw-wa ‘Aadunw-wa Fir-awnu Zul-‘awtaad.

12 Het volk van Noach, en de ‘Ād, en Farao, de heer van legers,verwierpen (profeten) vóór hen,

 

13 Wa Samoedu wa Qawmu Loetinw-wa ‘As-haabul–Aykah;- ‘ulaaa–‘ikal–‘Ahzaab.

13 En Thamoed en het volk van Lot en de bewoners van het struikgewas. Dit waren de partijen (die de Waarheid tegenwerkten).

 

14 ‘Inkullun ‘illaa kazzabarrusula fahaqqa ‘Iqaab.

14 Er was niemand van hen, of zij wezen de boodschappers af, dus rechtvaardig was Mijn vergelding.


1a. Sād staat voor Sādiq, wat Waarheidlievende Allāh betekent (JB); of voor sadaq-Allāh, d.w.z. Allāh spreekt de waarheid.

1b. Dzikr betekent hier verhevenheid, zoals in 2:152 (LL). De oproep van de Qoer-ān die verhevenheid bezit, als getuige, wijst erop dat de waarheid van de Qoer-ān zichtbaar zal worden door de verhevenheid waartoe degenen zullen stijgen die hem volgen.

3a. Dat wil zeggen dat zij geen acht sloegen op de waarschuwing, maar om hulp riepen toen de straf hen werkelijk overviel. Er was echter geen ontsnappen mogelijk.

6a. Met de woorden deze zaak is zo bedoeld, wordt bedoeld dat het iets is wat de Profeet (s.a.w.) van plan is tot stand te brengen, maar dat hij hiertoe niet in staat is, of dat de verschijning van de Profeet (s.a.w.) een van de rampen in die door het lot worden bepaald.

10a. Met asbāb (middelen) worden de middelen bedoeld waarmee zij hun eigen macht kunnen versterken, of de middelen waarmee zij de vernietiging van de Waarheid tot stand kunnen brengen. Het vermeerderen of vehogen van hun middelen, staat voor het toegankelijk maken van alle middelen die ze maar kunnen bedenken. Omdat zij heersen over het land en machtig zijn, zouden zij in staat moeten zijn om de beste manier te vinden om hun macht te behouden, om zo te berwijzen dat de waaschuwing van de Profeet (s.a.w.) onwaar is. Dat zij hiertoe niet in staat zullen zijn, wordt hen in het volgende vers verteld.

11a. Dit is een profetie die betrekking heeft op de nederlaag en de omverwerping van de tegenstanders van de Islām op het moment dat zij alle mogelijke strijdkrachten daartegen hebben verenigd. Zo wordt de Profeet (s.a.w.) niet alleen verteld geduldig te zijn onder zijn huidige lijdensweg, maar ook dat de tegenstand tegen hem zal toenemen tot nog grotere proporties. Hij wordt tegelijkertijd getroost met de wetenschap dat de vereende strijdkrachten van de tegenstanders volkomen ontworteld en omvergeworpen zullen worden. Dit gebeurde in de slag die bekend staat als de slag van de Ahzāb, ofwel de slag tegen de Bondgenoten; zie 33:22a.

12a. Autād is het meervoud van watad, wat letterlijk een wig die stevig in de grond geslagen is betekent. Het wordt echter vaak metaforisch gebruikt. Dus autād al-bilād betekent de leiders van de steden, provincies, of landen (LA, LL). Bd interpreteert dzoe-l-autād als heer van vele legers. Over het algemeen wordt het ook uitgelegd als heer over een machtig domein.

 

 

PARAGRAAF 2: De vijanden van David

 

15 Wa maa yanzuru haaa-‘ulaaa-‘i ‘illaa Sayhatanw-waahidatam-maa lahaa minfawaaq.

15 En zij wachten slechts op één schreeuw, die niet kan worden uitgesteld.

 

16 Wa qaaloe Rabbanaa ‘adjdjillanaa qittanaa qabla Yawmil–Hisaab!

16 En zij zeggen: Onze Heer, bespoedig voor ons ons aandeel vóór de dag van de Afrekening.a

 

17 ‘Isbir ‘alaa maa yaqoeloena wazkur ‘Abdaanaa Daawoeda Zal-‘ayd: ‘innahoe ‘awwaab.

17 Verdraag geduldig wat zij zeggen, en herinner je Onze dienaar David, de bezitter van macht. Hij wendde zich immer (tot Allāh).

 

18 ‘Innaa sag-garnal-djibaala ma-‘ahoe yusabbihna bil-‘asjiyyi wal ‘isjraaqi

18 Waarlijk onderwierpen Wij de bergen aan hem, om (Allāh) te verheerlijken bij het vallen van de nacht en bij zonsopgang,a

 

19 Wattayra mah-sjoerah: kullul-lahoe ‘awwaab.

19 En de vogels kwamen bijeen. Alle gehoorzaamden zij hem.

 

20 Wa sjadadnaa mulkahoe wa ‘aataynaahul-hikmata wa faslalgitaab.

20 En Wij strekten zijn koninkrijk en Wij gaven hem wijsheid en een helder oordeel.

 

21 Wa hal ‘ataaka naba-‘ulgasm? ‘Iz tasawwarul-mihraab;

21 En heeft het verhaal van de tegenstanders jou bereikt? Toen zij het privé-vertrek binnendrongen door over de muur te klimmen –

 

22 ‘Iz dagaloe ‘alaa Daawoeda fafazi-‘a minhum qaaloe laa tagaf: gasmaani bagaa ba-‘zunaa ‘alaa ba’-din-fahkum baynanaa bil-haqqi wa laa tusjtit wahdinaaa ‘ilaa sawaaa-‘issiraat…

22 Toen zij David benaderden en hij bang voor hen was. Zij zeiden: Vrees niet; twee procesvoerders, van wie de een de ander onrecht heeft aangedaan, dus vel een rechtvaardig oordeel tussen ons, en wees niet onrechtvaardig, en leid ons naar de juiste weg.

 

23 ‘Inna haazaaa ‘akhie: lahoe tis-unw-wa tis-‘oena na-‘djatanw-wa liya na-djatunw-waahidah: faqaala ‘akfilniehaa wa ‘azzanie fil-gitaab.

23 Dit is mijn broeder. Hij heeft negenennegentig ooien en ik heb één enkele ooi. Toen zei hij, Geef haar aan mij, en hij heeft het geschil van mij gewonnen.

 

24 Qaala laqad zalamaka bisu-‘aali na’-djatika ‘ilaa ni-‘aadjih: wa ‘inna kasieram-minal-gulataaa-‘i layabgie ba’-duhum ‘alaa ba’-din ‘illallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati wa qalielum-maa hum! Wa zanna Daawoedu ‘annamaa fatannaahu fastagfara Rabbahoe wa kharra raaki-‘anw-wa ‘anaab.(Sadjdah)

24 Hij zei: Hij heeft jou zeker onrecht aangedaan door jouw ooi op te eisen (om toe te voegen) aan zijn eigen ooien. En waarlijk doen vele partners elkaar onrecht aan, behalve degenen die geloven en goeddoen, en zij zijn met zeer weinigen! En David wist dat Wij hem hadden beproefd, dus vroeg hij zijn Heer om bescvherming en viel hij buigend neer, en wendde zich (tot Allāh).a

 

25 Fagafarnaa lahoe zaalik: wa ‘inna lahoe ‘indanaa lazulfaa wa husna ma-‘aab.

25 Dus gaven Wij hem deze bescherming, en waarlijk was hij in Onze nabijheid en een uitmuntende toevlucht.

 

26 Yaa–Daawoedu ‘innaa dja-‘alnaaka Galiefatan-fil-‘ardi fahkum-baynannaasi bil-haqqi wa laa tatta- bi-‘il-hawaa fayuzillaka ‘an Sabielillaah: ‘innallaziena jazilloena ‘an Sabielillaahi lahum ‘azaabun sjadie- dum-bimaa nasoe Yawmal–Hisaab.

26 O David, waarlijk hebben Wij jou gemaakt tot een regeerder in het land; dus vel een rechtvaardig oordeel tussen de mensen en volg niet (de) begeerte, opdat deze jou niet zal doen afdwalen van het pad van Allāh. Voor degenen die afdwalen van het pad van Allāh, is er waarlijk een strenge straf, omdat zij de dag van de Afrekening vergaten.


16a. Dit is duidelijk een eis uit de mond van de ongelovigen om gestraft te worden in dit leven. Keer op keer wordt hen gezegd dat hun noodlot in aantocht was, maar zij wilden dat het direct kwam.

18a. Zie 34:10a voor bergen die Allāh verheerlijken en ook voor de vogels uit het volgende vers.

24a. De Qoer-ān stelt duidelijk dat de mannen die David aanvielen door over de muur te klimmen, zijn vijanden waren. Zij hadden gedacht David op een onbewaakt ogenblik te overvallen om hem ter dood te brengen. Maar David was, hoewel hij doodsbang was, klaar voor de ontmoeting en de twee mannen, die hun plan verijdeld zagen, verzonnen een excuus voor deze vreemde toenadering. De Qoerān zegt nergens dat het engelen waren. Deze suggestie is bevendien niet in overeenstemming met hun beschrijving als vijanden, en met het feit dat zij over de muur moesten klimmen. Het verhaal van David die overspel pleegt en de twee engelen die hem benaderen om hem te herinneren aan zijn zonde is, onafhankelijk van waar het verhaal wordt verteld, een kwaadaardige leugen. Het wordt verworpen door het meest vooraanstaande moeslim gedachtegoed. Rz zegt: "De meeste geleerden en andere mensen die hebben gezocht naar de waarheid, verklaren dat deze aanklacht vals is en veroordelen hem als leugen en een kwetsend verhaal." En kalief ‘Ali zei, toen hij het valse verhaal hoorde: "Wie het verhaal van David vertelt zoals de vertellers het vertellen, zal ik 160 zweepslagen geven, en dit is de straf voor degenen die de profeten valselijk beschuldigen" (Rz). De woorden istaghfara en ghafar-nā, die in dit vers en het volgende voorkomen, betekenen zeker niet dat David een zonde had begaan. Istighfār betekent namelijk het bescherming zoeken tegen de zonde; zie 2:286a. David zocht Goddelijke bescherming toen hij zag dat zijn vijanden zo stoutmoedig tegenover hem stonden. Met ghafar-nā in het volgende vers, wordt de rectificatie van zijn geval bedoeld. De reden die daar gegeven wordt maakt deze betekenis duidelijk: "En waarlijk was hij in Onze nabijheid en een uitmuntende toevlucht." Er kan aan worden toegevoegd dat een groep Israëlieten zelf tegen David en Salomo gekant was. De opstand van de tien stammen tegen Rechabeam, Salomo’s zoon, is een duidelijk bewijs van deze animositeit. Vandaar de vele valse aanklachten tegen deze twee profeet-koningen. Het opzeggen van dit vers wordt gevolgd door een daadwerkelijke teraardewerping; zie 7:206a.

 

 

 

PARAGRAAF 3: Salomo en zijn vijanden

 

27 Wa maa galaqnassamaaa-‘a wal-‘arda wa maa baynahumaa baatilaa! Zaalika zannullaziena kafaroe ! Fawaylul-lillaziena kafaroe minan–Naar!

27 En Wij hebben de hemelen en de aarde en wat daartussen is niet voor niets geschapen. Dat is de mening van degenen die niet geloven.a Dus wee degenen die niet geloven, vanwege het Vuur!

 

28 ‘Am nadj-‘alullaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati kal-mufsidiena fil-‘ard? ‘Am nadj-‘alul-mutta- qiena kal-fudjdjaar?

28 Moeten Wij degenen die geloven en goeddoen net zo behandelen als de onruststokers op aarde? Of moeten Wij de plichtsgetrouwen maken zoals de zondaars?

 

29 Kitaabun ‘anzalnaahu ‘ilayka mubaarakul-liyaddabbaroe ‘Aayaatihie wa liyatazakkara ‘ulul-‘albaab.

29 (Dit is) een Boek dat Wij aan jou hebben geopenbaard dat overstroomt van goed, opdat zij zijn verzen kunnen overpeinzen, en opdat de mensen met verstand zich in acht kunnen nemen.

 

30 Wa wahabnaa li–Daawoeda Sulaymaan: ni’-mal–Abd! ‘Innahoe’awwaab!

30 En aan David gaven Wij Salomo. Zeer uitmuntende dienaar! Waarlijk wendde hij zich immer (tot Allāh).

 

31 ‘Iz ‘urida ‘alayhi bil-‘asjiyyis-saafinaatul-djiyaad;

31 Toen hem in de avond rasechte, snelle (paarden)a werden gebracht –

 

32 Faqaala ‘innie ahbabtu hubbal-gayri ‘an zikri Rabbie, – hattaa rawaaratbil-hidjaab :

32 En zei hij, Ik heb de goede dingen lief, vanwege de gedachtenis aan mijn Heer – totdat zij werden verborgen achter de sluier.

 

33 Ruddoehaa ‘alayy. Fatafiqmas-ham-bissoeqi wal-‘a’-naaq.

33 (Hij zei): Breng ze terug naar mij. En hij aaide (hun) benen en nekken.a

 

34 Wa laqad fatannaa Sulaymaana wa ‘alqaynaa ‘alaa kursiyyihie djasadan summa ‘anaab :

34 En zeker beproefden Wij Salomo, en Wij plaatsten (slechts) een lichaam op zijn troon,a dus wendde hij zich (tot Allāh).

 

35 Qaala Rabbighfir lie wa hablie Mulkal-laa yambagie li-‘ahadim-mim-ba’-die; ‘innaka ‘Antal- Wah- haab.

35 Hij zei: Mijn Heer, vergeef mij en schenk mij een koninkrijk dat niet passend is voor wie dan ook na mij;a

 

36 Fasag-garnaa lahur–Rieha tadjrie bi-‘amrihie roekhaaa-‘an haysu ‘asaab,-

36 Dus maakten Wij de wind dienstbaar aan hem, zich op zijn bevel gedwee voortspoedend waar hij dat wenste,

 

37 Wasj-sjayaatiena kulla bannaaa-‘inwwa qawwaas,-

37 En de duivels, iedere bouwer en duiker,

 

38 Wa ‘aagariena muqarraniena fil-‘asfaad.

38 En anderen in ketenen geslagen.a

 

39 Haazaa ‘Ataaa-‘unaa famnun ‘aw ’amsik bighayri hisaab.

39 Dit is Onze vrije gift, dus geef vrijelijk of onthoud je hiervan, zonder afrekening.

 

40 Wa ‘inna lahoe ‘indanaa lazulfaa wa husna ma-‘aab.

40 En waarlijk was hij nabij tot Ons, en uitmuntende toevlucht.


27a. De gelovige wordt geleid door het principe van de verantwoordelijkheid voor menselijke daden, en door het principe van een diepere betekenis die ten grondslag ligt aan alles wat in de hemel en op aarde bestaat. De ongelovige veroorzaakt echter ellende omdat hij gelooft dat hij er niet slechter van zal worden. Zo negeert hij de wet van oorzaak en gevolg die voorkomt in het universum.

31a. Sāfināt is het meervoud van sāfin. Dit betekent een paard dat op drie benen staat en op het uiteinde van de hoef van het vierde been (LL). Vandaar dat het betekent een paard dat zeer stil staat, of een paard van een goed ras.

33a. Masaha sjai’an betekent hij veegde iets af met zijn hand, of haalde zijn hand eroverheen, en paarden worden na een race altijd over benen en nek geaaid. Deze betekenis van het woord wordt hier door I‘Ab geaccepteerd (IJ). De woorden tawārat bi-l-hidjāb, die zij waren verscholen achter de sluier betekent, verwijzen naar de paarden die zo ver gevorderd waren in de race, dat zij voor Salomo’s oog niet zichtbaar waren. Het verhaal dat Salomo de paarden doodde is ongegrond.

34a. Met slechts een lichaam op de troon van Salomo, kunnen twee mensen worden bedoeld. Of zijn zoon Rechabeam die, op een enkele stam uit Israël na, het vertrouwen van iedereen verspeelde (1 Koningen 12:17). Of Jerobeam, die de opstand tegen het huis van David leidde en die, toen hij koning over tien stammen werd, de aanbidding opzette van de afbeeldingen van Dan en Beth-el, de twee kalveren die de beeltenis van Jehova zouden zijn (1 Koningen 12:28). Zo begon ook de aanbidding van gegoten beelden (1 Koningen 14:9). Dus zowel Rechabeam als Jerobeam beantwoorden aan de bescvhrijving van een lichaam (zonder werkelijk leven) dat op Salomo’s troon werd geworpen. Zie ook 34:14a.

35a. Het voorgaande vers spreekt over de imbeciele rechtmatige erfgenaam van Salomo’s troon. Vandaar dat we hier zien hoe Salomo bidt voor een geestelijk koninkrijk, omdat dit het enige koninkrijk is dat niet gevaar loopt verpest te worden door een erfgenaam. De glorie van Salomo’s tijdelijke koninkrijk bleef niet behouden na zijn dood, noch is er ooit weer een koning als Salomo in Israël opgestaan. Met wie dan ook na mij wordt wie dan ook in Israël bedoeld, niet in de hele wereld.

38a. De beschrijving van de duivels die hier wordt gegeven, laat duidelijk zien dat de naam van toepassing is op mensen van vreemde stammen die onderworpen waren aan Salomo’s heerschappij. Zij waren het immers die door Salomo tot arbeid werden gedwongen. De woorden iedere bouwer en duiker, maken duidelijk dat dedjinn en de duivels, over wie hier wordt gezegd dat zij onderworpen waren aan Salomo, slechts menselijke wezens waren. Dit wordt verder aangetoond met de woorden in ketenen geslagen; ketenen zijn nodig om materiële dingen in bedwang te houden, zoals mensen. Zie ook 34:12c.

 

 

PARAGRAAF 4: Job – Triomf van de Overwinning der rechtschapenen

 

41 Wazkur Abdanaaa ‘Ayyoeb. ‘Iz naadaa Rabbahoe ‘annie massani-yasj–Sjaytaanu bi-nusbinwwa azaab!

41 En herinner je Onzen dienaar Job. Toen deze riep tot zijn Heer: De duivel heeft mij geteisterd met zware arbeid en kwellingen.a

 

42 ‘Urkud biridjlik: haazaa mugtasalum-baaridunwwa sjaraab.

42 Spoor aan met jouw voet; hier is een koele wasplaats en te drinken.a

 

43 Wa wahabnaa lahoe ‘ahlahoe wa mislahum-ma-‘ahum Rahmatam-minnaa wa zikraa li–‘Ulil-‘albaab.

43 En Wij gaven hem zijn mensen, en de gelijken van hen met hen,a een genade van Ons, en een herinnering voor de mensen met verstand.

 

44 Wa guz biyadika zigsan fazrib-bihie wa laa tahnas. ‘Innaa wadjadnaahu saabiraa. Ni’-mal-‘Abd! ‘Innahoe ‘awwaab!

44 En neem wat wereldse bezittingen in jouw hand en verdien hier goedheid mee en neig niet naar onwaarheid.a En Wij vonden hem waarlijk geduldig; een zeer uitmuntende dienaar! Waarlijk wendde hij zich (immer tot Ons).

 

45 Wazkur ‘Ibaadanaaa ‘Ibraahiema wa ‘Is-haaqa wa Ya’-qoeba ‘Ulil-‘Aydie wal–‘Absaar.

45 En verinner je Onze dienaren Abraham en Isaak en Jakob, mensen met macht en inzicht.

 

46 ‘Innaaa ‘aglasnaahum-bi-gaaalisatin Zikrad–Daar.

46 Wij zuiverden hen inderdaad met een zuivere eigenschap, het in gedachten houden van het (uiteindelijke) verblijf.

 

47 Wa ‘innahum ‘indanaa laminal–Mustafaynal-‘agyaar.

47 En waarlijk waren zij met Ons, onder de verkozenen, de besten.

 

48 Wazkur ‘Ismaa-‘iela walyasa-‘a wa Zal-Kifl: wa kullum-minal–‘Agyaar.

48 En herinner je Ismaël en Elisa en Dzoel-l-Kifl; en zij behoorden allen tot de besten.

 

49 Haazaa Zikr: wa ‘inna lil–Mutaqiena la-husna ma-‘aab,

49 Dit is een herinnering. En er is waarlijk een uitmuntende toevlucht voor de plichtsgetrouwen:

 

50 Djannaati ‘Adnim-mufattahatal-lahumul-‘abwaab;

50 Tuinen van eeuwigheid – deuren zijn voor hen geopend.a

 

51 Muttaki-‘iena fiehaa yad-‘oena fiehaa bifaakihatien-kasieratinwwa sjaraab;

51 Daarin rusten zij, en roepen daarin om vele vruchten en dranken.

 

52 Wa ‘indahum qaasiraatuttarfi ’atraab.

52 En bij hen zijn degenen, met een bescheiden blik, leeftijdsgenoten.a

 

53 Haazaa maa toe-‘adoena li–Yawmil–Hisaab!

53 Dit is wat jullie is beloofd voor de dag van de Afrekening.

 

54 ‘Inna haazaa la–Rizqunaa maa lahoe min-nafaad,

54 Dit is immers Ons onderhoud; er zal nooit een einde aan komen –

 

55 Haazaa! Wa ‘inna liettaagiena lasjarra ma-‘aab!-

55 Dit (is voor de goeden)! En waarlijk er is een slecht oord voor de onmatigen –

 

56 Djahannam! Yaslawnahaa, fabi’-sal-mihaad!

56 De hel. Zij zullen er binnengaan. Dus slechts is de rustplaats.

 

57 Haazaa falyazoeqoehu hamiemunwwa gassaaq!

57 Dit – dus laat hen ervan proeven, kokende en intens koude (dranken),a

 

58 Wa aagaru min-sjaklihie ‘azwaadj!

58 En andere gelijksoortige (strafen), in verscheidene soorten.a

 

59 Haazaa fawdjum-muqtahimum-ma-‘akum! Laa marhabam-bihim! ‘Innahum saalun–Naar!

59 Dit is een leger dat zich overijld met jullie voortspoedta – geen welkom voor hen! Waarlijk zullen zij

 

60 Qaaloe bal ‘antum! Laa marhabam-bikum ! ‘Antum qaddamtumoehu’ lanaa! Fabi’sal-qaraar!

randen in vuur.

60 Zij zeggen:a Nee! Jullie – geen welkom voor jullie! Jullie hebben het voor ons bereid, dus slechts is de rustplaats.

 

61 Qaaloe Rabbanaa manqaddama lanaa haazaa fazidhu ‘Azaaban-di-fan-fin–Naar!

61 Zij zeggen: Onze Heer, wie dit ook voor ons heeft bereid, geef hem meer, een dubbele straf in het Vuur.

 

62 Wa qaaloe maa lanaa laa naraa ridjaalan-kunnaa na-‘udduhum-minal-‘asjraar?

62 En zij zeggen: Wat scheelt ons? – wij zien de mensen niet, die wij gewoon waren tot de verdorvenen te rekenen.

 

63 ‘Attagaznaahum sigriyyan ‘am zaagat ‘anhumul–absaar?

63 Hebben wij hen (alleen maar) geminacht, of zien onze ogen hen niet?

 

64 ‘Inna zaalika lahaqquntakhaasumu ‘Ahlin–Naar!

64 Dat is waarlijk de waarheid – de onderlinge twist van de bewoners van het Vuur.


41a. Het verhaal van Job wordt zowel hier als in het 21e hoofdstuk verteld. De verwijzing daar is korter dan hier. Alles wat de Qoer-ān over hem zegt, is dat hij een rechtschapen persoon was die leed onder een of ander probleem, die kalm bleef onder beproevingen en die uiteindelijk werd verlost van zijn kwellingen. Al deze omstandigheden van zijn leven worden in een paar regels vermeld. Het dramatische gedicht van tweeënveertig hoofdstukken dat bekend staat als het Boek van Job, komt in de Heilige Qoer-ān niet voor.

De zware arbeid en de kwellingen waarover Job klaagt lijken gerelateerd te zijn aan een van zijn reizen door de woestijn. Hij bevond zich in een benarde toestand door de vermoeienis van de reis en de dorst die hem kwelde. Er zijn vele omstandigheden die op deze conclusie wijzen. Het gebruik van het woord noesb, wat zware arbeid of vermoeidheid betekent, is daar een van. Een andere is dat hij, als remedie hiervoor, naar een plaats wordt geleid waar hij een koele wasplaats vindt en iets te drinken. Een derde is het noemen van de duivel (sjaitān) in verband met zijn probleem, want sjaitān al-falā, lett. de duivel van de woestijn, betekent dorst (Q, LL). De vermelding van deze ellendige tocht van Job, bevat zonder twijfel een verwijzing naar de lange reis van de Profeet (s.a.w.) van Makkah naar Madinah, die ondernomen moest worden onder bijzonder moeilijke omstandigheden. Het lijdt geen twijfel dat Job deze reis ondernam omdat hij was belast met de taak een boodschap over te brengen, net als in het geval van de Vlucht van de Profeet (s.a.w.) van Makkah naar Madinah.

42a. Oerkoed bi-ridjli-ka betekent letterlijk spoor aan met je voet, en de betekenis hiervan is spoor je paard aan. Het woord rakada wordt speciaal gebruikt in verband met dieren en betekent, zoals LL zegt, hij haalde uit en sloeg ermee zoals men er een dier mee slaat. Deze speciale betekenis wordt in alle lexicons duidelijk gemaakt met behulp van andere voorbeelden van het gebruik van het woord; rakadtoe betekent ik spoorde het paard aan te draven met mijn voet; rakada, hij raakte het dier om het met de voet aan te sporen (LL). De betekenis is dus spoor je paard aan verder te gaan. Het resultaat hiervan is, dat hij een plaats vindt waar hij in staat is zichzelf te verfrissen door iets te drinken en zich te wassen. Hij dacht dat hij in een waterloze woestijn was, en hij klaagde dat hij het moeilijk had door vermoeidheid van de reis en door dorst. In antwoord daarop wordt hem gezegd zijn paard, of het dier waarop hij reed, aan te sporen verder te draven tot waar hij rust zal vinden. Het is een les om niet te waanhopen onder moeilijke omstandigheden.

43a. Ahla-hoe kan ofwel zijn mensen ofwel zijn familie betekenen. Het geven van ahl aan hem betekent dat hij hen nogmaals ontmoette. De toevoeging van de gelijken van hen met hen, toont aan dat hier zijn volgelingen mee worden bedoeld. Zoals ik al gezegd heb, bevat de reis van Job een profetische verwijzing naar de reis van de Profeet (s.a.w.). In Madinah ontmoette de Profeet (s.a.w.) niet alleen weer zijn volgelingen die uit Makkah waren gevlucht, maar ook de gelijken van hen in Madinah, d.w.z. de Ansār van Madinah.

44a. Ik wijk hier af van de gewone vertaling van deze woorden die als volgt worden vertaald: "Neem in jouw hand een tak, en sla daarmee en breek de eed niet." Om deze woorden uit te leggen, wordt het verhaal eraan toegevoegd dat Job een eed had afgelegd om honderd zweepslagen aan zijn echtgenote te geven vanwege haar ongeduld in zijn kwelling, en dat hem geboden werd die eed te houden door haar te slaan met een takkenbos. Dit verhaal heeft geen grond. Zelfs als we deze vertaling zouden overnemen, dan nog zou de betekenis zijn dat Job werd opgedragen zijn vijanden, wanneer hij hen uiteindelijk zou overwinnen, mild te behandelen. Zoals een man die in plaats van het zwaard te gebruiken, een takkenbos gebruikt om zijn vijanden te straffen. Maar het woord dighth betekent een handvol twijgen of struiken maar ook een handvol wereldse bezittingen. De woorden āchidz al-dighth, die voorkomen in een hadies, worden door T uitgelegd als hij die wereldlijke goederen verwerft (LL). Van het woord darb is al gezegd dat het een aantal betekenissen draagt; zie 2:60a. Er zijn redenen om te aan te nemen dat Job een rijk man was, en vandaar dat ik denk dat hem hier gezegd wordt niet teveel betrokken te raken bij de verwerving van wereldse rijkdommen. Die zijn slechts in zoverre noodzakelijk, dat zij een man in staat moeten stellen er goedheid te verdienen.

50a. Dat wil zeggen dat de deuren van deze tuinen voor hen in dit leven al geopend zijn; ofwel dat zij voor hen altijd open staan.

52a. Zie 37:49a voor degenen met een bescheiden blik. In aanvulling daarop, worden zij atrāb oftewel leeftijdsgenoten genoemd. Dit om aan te geven dat hun groei begint met de groei van het geestelijk leven in de mens. Dit zijn dus de vruchten van hun goede daden, en of die nu zijn begaan door mannen of door vrouwen, allen zullen zij er gelijkelijk van proeven.

57a. Het woord ghassāq, wat normaal gesproken vertaald wordt met wondvocht, is eigenlijk een kwalificatie van drank (zoals ook hamim, wat kokend betekent), en betekent intens koud (T). Het betekent ook stinkend (LL), maar als het samen met hamim, oftewel kokend, genoemd wordt past de hier aangehouden betekenis beter samen in de context. Zij zullen gedwongen worden intens hete en intens koude dranken tot zich te nemen, omdat zij tot de twee uitersten gingen en niet de middenweg volgden.

58a. Azwādj is het meervoud van zaudj, wat een paar of één van een paar betekent, of ook soort of ras (LL). Het woord kan de betekenis dragen die het hier meekrijgt, of het kan in paren betekenen, en dit verwijst dan naar de twee uitersten, zoals in het voorgaande vers.

59a. Dit is het leger van de blinde volgelingen van onwaarheid.

60a. De sprekers zijn hier de blinde volgelingen, degenen die worden aangesproken zijn de groepsleiders.

 

 

PARAGRAAF 5: Tegenstand tegen de profeten

 

65 Qul ‘innamaaa ana Munzir: wa maa min ‘ilaahin ‘illallaahul–Waahidul–Qahhaar,-

65 Zeg: Ik ben slechts een waarschuwer; en er is geen God behalve Allāh, de Ene, de Onderwerper (van alles) –

 

66 Rabbussamaawaati wal-‘ardi wa maa baynahumal–Aziezul–Ghaffaar.

66 De Heer van de hemelen en de aarde en wat daartussen is, de Machtige, de Vergevensgezinde.

 

67 Qul huwa Naba-‘un ‘Aziem,

67 Zeg: Het is een belangrijke boodschap,a

 

68 ‘Antum ‘anhu mu’-rizoen!

68 Waar jullie je van afkeren.

 

69 Maa kaana liya min ‘ilmimbil-mala-‘il-‘a’-laa ‘iz yagtasimoen.

69 Ik heb geen kennis van de verheven leiders wanneer zij twisten.a

 

70 ‘Iny-yoehaaa ‘ilayya ‘illaaa ‘annamaa ‘ana Nazierummubien.

70 Aan mij is slechts dit geopenbaard dat ik een duidelijke waarschuwer ben.

 

71 ‘Iz qaala Rabbuka lil-malaaa ‘ikati ‘innie gaaliqumbasjaram-min-tien.

71 Toen jouw Heer tegen de engelen zei: Waarlijk ga Ik een sterveling scheppen uit stof.a

 

72 Fa-‘izaa sawwaytuhoe wa nafagtu fiehi mir–Roehie faqa-‘oe lahoe saadjidien.

72 Dus wanneer Ik hem compleet heb gemaakt, en hem van Mijn geest heb ingeblazen, val dan neer en onderwerp jullie aan hem.

 

73 Fasadjadal-malaaa-‘ikatu kulluhum–‘adjma-‘oen :

73 En de engelen onderwierpen zich, zij allemaal,

 

74 ‘Illaa ‘Iblies; ‘istakbara wa kaana minal-kaafirien.

74 Maar Iblis niet.a Hij was trost, en hij was een van de ongelovigen.

 

75 Qaala Yaaa–‘Ibliesu maa mana-‘aka ‘an-tasdjuda limaa khalaqtu biyadayy? ‘Astakbarta ‘am kunta minal-‘aalien?

75 Hij zei: O Iblis, wat weerhield jou ervan om jou aan degene te onderwerpen die Ik geschapen heb met Mijn beide handen? Ben jij trost, of behoor jij tot de verhevenen?

 

76 Qaala ‘ana gayrum-minh: galaqtanie min-naarinwwa galaqtahoe min-tien.

76 Hij zei: IK ben beter dan hij; U heeft mij geschapen uit vuur, en hem schiep U uit stof.a

 

77 Qaala fagrudj minhaa fa-‘innaka radjiem.

77 Hij zei: Vertrek van hier! Waarlijk word jij verdreven:

 

78 Wa ‘inna ‘alayka la’-natie ‘ilaa Yawmid–Dien.

78 En waarlijk rust Mijn vloek rust op jou tot aan de dag van het Oordeel.

 

79 Qaala Rabbi fa-‘anzirnie ‘ilaa Yawmi yub-‘asoen.

79 Hij zei: Mijn Heer, verleen mij uitstel tot de dag dat zij worden gewekt.a

 

80 Qaala fa-‘innaka minalmunzarien –

80 Hij zei: Waarlijk behoor jij tot degenen aan wie uitstel wordt verleend.

 

81 ‘Ilaa Yawmil–Waqtil–Ma’-loem.

81 Tot aan de dag van de bekendgemaakte tijd.

 

82 Qaala fabi–‘Izzatika la-‘ughwiyannahum ‘adjma-‘ien,-

82 Hij zei: Dan, bij Uw macht! Ik zal hen zeker allen doen afdwalen,

 

83 ‘Illaa ‘Ibaadaka minhumulmuglasien.

83 Behalve Uw dienaren uit hun midden, de gezuiverden.

 

84 Qaala falhaqqu wal-haqqa ‘aqoel –

84 Hij zei: De Waarheid is, en Ik spreek de Waarheid –

 

85 La-‘amla-‘anna Djahannama minka wa mimman tabi-‘aka minhum adjma-‘ien.

85 Dat Ik de hel zal vullen met jou en met al degenen onder hen die jou volgen.

 

86 Qul maaa ‘as-‘alukum alayhi min adjrinwwa maa ‘ana minal-mutakallifien.

86 Zeg: Ik vraag jullie niet om een beloning hiervoor, noch behoor ik tot de bedriegers.

 

87 ‘In ‘huwa ‘illaa Zikrul-lil-‘aalamien.

87 Het is slechts een Herinnering voor de naties.

 

88 Wa lata’-lamunna naba-‘ahoe ba’-da hien.

88 En jullie zullen het na enige tijd zeker te weten komen.


67a. De belangrijke boodschap is de boodschap van de Profeet (s.a.w.) aan de gehele mensheid. De boodschap die het grote geestelijke rijk onthult dat voor het gewone menselijke oog verborgen blijft. Dat degenen die zich hiervan afkeren gedoemd zijn tot de ondergang, is een noodzakelijk gevolg. Vandaar dat de ondergang van de tegenstanders deel uitmaakt van deze boodschap.

69a. De verheven leiders zijn de hemelse wezens die als eerste op de hoogte worden gesteld van het Goddelijke decreet met betrekking tot de bestraffing van de tegenstanders van de Waarheid, waarnaar in v. 68 verwezen wordt. Het zijn de tegenstanders die hier worden omschreven als twistend; zij voerden een woordenstrijd tegen de Waarheid.

71a. De schepping van Adam en de onderwerping van de engelen, typeert het doen opstaan van een profeet en de onderwerping aan hem van de goeden en de rechtschapenen. Vergelijk 2:30, enz.

76a. De schepping uit vuur is een aanwijzing voor opstandigheid en een vurige aard. De schepping uit stof wijst op onderworpenheid en deemoedigheid; zie 7:12a.

79a. Zie 25:36a.