35- Al-Faatir (De Schepper)

HOOFDSTUK 35 Al-Fātir De Voortbrenger

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 5 paragrafen; 45 verzen

De titel van dit hoofdstuk, Al-Fātir, is genomen van de Goddelijke eigenschap die in het openingsvers genoemd wordt. De Voortbrenger van de hemelen en de aarde vaagt de oude orde weg en brengt een nieuwe voort, omdat, als de waarheid moet floreren, er een nieuwe generatie moet opstaan om die waarheid te propageren. Dit hoofdstuk staat ook bekend als Al-Malā’ikah ofwel De Engelen, vanwege het feit dat in het openingsvers de engelen worden genoemd die de mensen in staat stellen de nabijheid van Allāh te bereiken. Zie voor het tijdstip van openbaring en het verband met het voorgaande hoofdstuk de openingsnoot bij het vorige hoofdstuk.

De eerste paragraaf gaat over Goddelijke gunsten aan de mens, en de tweede verzekert nogmaals de belofte dat de waarheid zal overheersen. De derde paragraaf verwijst naar de opkomst van een nieuwe generatie, die de plaats in zal nemen van de oude generatie die niet in staat blijkt te zijn de zaak van de waarheid en rechtvaardigheid in de wereld te kunnen bevorderen. De paragraaf die volgt, belooft de gelovigen vrede, veiligheid, succes en overvloed, terwijl de laatste paragraaf de wet herhaalt dat straf te wijten is aan kwade daden.


PARAGRAAF 1: Goddelijke gunsten

 Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 ‘Al–Hamdu lillaahi Faatiris–Samaawaati wal-‘ardi djaa-‘ililmalaaa-‘ikati rusulan ulie-‘adjnihatim-mas- naa wa sulaasa wa rubaa’: yaziedu fil-khalqi maa yasjaaa’: ‘innallaaha alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

1 Geprezen zij Allāh, de Voortbreger van de hemelen en de aarde, de Maker van de engelen, boodschappers zwevend op vleugels, twee, en drie, en vier.a Hij vermeerdert wat Hem behaagt in de schepping.b Waarlijk is Allāh de Bezitter van macht over alle dingen.

 

2 Maa yaftahillaahu linnaasi mir–Rahmatin falaa mumsika lahaa: wa maa yumsik falaa mursila lahoe mim-ba’-dih: wa Huwal–Aziezul–Hakiem.

2 Wat Allāh de mens ook schenkt uit (Zijn) genade, er is niemand die het kan weerhouden, en wat Hij weerhoudt, kan niemand daarna nog schenken. En Hij is de Machtige, de Wijze.

 

3 Yaaa ‘ayyuhan-naasuz-kuroe ni-‘ma-tallaahi alaykum! Hal min Gaaliqin gayrullaahi yarzuqukum-minas-samaaa-‘i wal-‘ard? Laa ‘ilaaha ‘illaa Hoe! Fa-‘annaa tu’-fakoen?

3 O mensen, herinner jullie de gunsten van Alh aan jullie. Is er buiten Allāh enige Schepper die jullie voorziet uit de hemel en de aarde? Er is geen God behalve Hij. Hoe zijn jullie dan afgewend?

 

4 Wa iiny-yukazziboeka faqad kuzzibat rusulum-min qablik: wa ‘ilallaahi turdja-‘ul-‘umoer.

4 En wanneer zij jou afwijzen – waarlijk werden er boodschappers vóór jou afgewezen. En tot Allāh worden alle zaken teruggebracht.

 

5 Yaaa-‘ayyuhan-naasu ‘inna wa’-dallaahi haqqun-falaa tagurrannakumul-hayaatud-dunyaa: wa laa yaurrannakum-billaahi–Ghafoer.

5 O mensen, waarlijk is de belofte van Allāh waar, dus laat dit wereldse leven jullie niet misleiden. En laat de aartsbedrieger jullie niet misleiden omtrent Allāh.

 

6 ‘Innasj–Sjaytaana lakum aduwwun fattagizoehu ‘aduwwaa. ‘Innamaa yad-‘oe hizbahoe liyakoenoe min ‘Asjaabis–Sa-‘ier.

6 De duivel is immers jullie vijand, dus houd hem voor een vijand. Hij nodigt zijn groep slechts uit om gezellen van het brandend Vuur te worden.

 

7 ‘Allaziena kafaroe lahum ‘Azaabun-sjadied! Wallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati lahum-magh -firatunw-wa ‘Adjrun kabier.

7 Voor degenen die niet geloven is er een vreselijke straf. En voor degenen die geloven en goeddoen is er vergeving en een grootse beloning.


1a. Allāh wordt hier genoemd bij zijn naam Fātir, van fatara, wat hij kliefde of hij spleet betekent, en ook hij bracht voort of deed iets nieuws ontstaan of voor de eerste keer, iets wat niet eerder bestond (LL). Het is mogelijk dat het verwijst naar de schepping van oorspronkelijke materie, in de eigenlijke betekenis van klieven ofsplijten. Afgeleid van dezelfde stam is fitrah, wat natuur betekent, of samenstelling, of natuurlijke of oorspronkelijke hoedanigheid waarin alle mensen zouden zijn gemaakt – de natuur die door Allāh is gemaakt, waarin Hij de mensen heeft geschapen (30:30). Fitrah wordt daarom vertaald als de gave Allāh te kennen waarmee Hij de mensheid geschapen heeft (LL). Het is dus mogelijk dat er met het woord Fātir wordt verwezen naar fitrah, omdat de fitrah of aard van de mensheid nauw is verbonden met de Fātir, of de Maker van die fitrah.

De voorstelling van engelen met vleugels komt men met regelmaat tegen in de heilige geschiedenis. De djanāh, of vleugels van een engel, komt echter in geen geval overeen met de voorste ledematen van een vogel die haar doen vliegen. Het is een machtssymbool dat deze onstoffelijke wezens in staat slelt hun functies uit te oefenen. In het Arabisch staat het woord djanāh dan ook voor macht, zoals wanneer men zegt hoewa maqsoes al-djanāh (lett., zijn vleugel wordt gekortwiekt), wat betekent: hij is iemand die kracht mist of macht of kundigheid, of hij is impotent (T, LL). Van engelen wordt hier gezegd dat zij twee, drie of vier vleugels hebben. Wellicht wordt hier verwezen naar de rak’ahs van het gebed, waar er twee, drie of vier van zijn. Het ocht6endgebed bestaat uit twee rak‘ahs, de maghrib uit drie, en de twee middaggebeden en de ‘Isjā’ uit vier rak‘ahs. Tijdens het gebed verkeert de mens in gemeenzaamheid met Allāh en wordt hij gebracht tot geestelijke verhevenheid. De mens vliegt, als het ware, naar Allāh, gebruikt zijn vleugels, en de engelen zijn de tussenpersonen die hem naar Allāh doen vliegen. Hun vleugels staan dan voor ede rak‘ahs van het gebed.

1b. De vermeerdering van de schepping kan in het algemeen verwijzen naar de nieuwe schepping die op dit moment plaatsvindt in het universum. Het kan ook zijn, dat er wordt verwezen naar de toename van het aantal uitverkorenen, een toename die tot stand gebracht moest worden door middel van de Profeet (s.a.w.). Weer anders is het mogelijk dat het betekent dat de macht van de engelen niet beperkt is of twee, drie of vier vleugels. Er zijn immers engelen met geweldige macht, zoals Gabriël, van wie gezegd wordt dat hij zeshonderd vleugels heeft.

 

 

PARAGRAAF 2: De Waarheid zal zegevieren

 

8 ‘Afaman zoeyyina lahoe soe-‘u amalihie fara-‘aahu hasanaa? Fa-‘innallaaha yuzillu many-yasjaaa-‘u wa yhdie many-yasjaaa’. Falaa tazhab nafsoeka ‘alayhim hasaraat. ‘Innallaaha ‘Aliemum-bimaa yas- na-‘oen!

8 Is degene wiens kwade daad hem fraai wordt voorgespiegeld zodat hij hem beschouwt als goed? – Nu laat Allāh waarlijk wie het Hem behaagt in dwaling, en Hij leidt in de juiste richting wie het Hem behaagt, dus laat jouw ziel niet wegkwijnen in verdriet om hen. Waarlijk is Allāh Weter van wat zij doen.

 

9 Wallaahullazie arsalar-riyaaha fatusieru sahaaban-fasuqnaahu ‘ilaa baladim-mayyitin-fa-‘ahyaynaa bihil-‘arda ba’-da mawtihaa. Kazaalikan–Nusjoer!

9 En Allāh is Hij Die de winden stuurt, dus verheffen zij een wolk, dan brengen Wij deze naar een dood land, en geven daarmee leven aan de aarde na haar dood. Net zo is de opwekking.a

 

10 Man kaana yuriedul-‘izzata fa-lillaahil-‘ izzatu djamie-‘aa. Ilayhi yas-‘adul–Kalimut–Tayyibu wal–‘Amalus–Saalihu yarfa-‘uh. Wallaziena yamkuroenas-sayyi-‘aati lahum ‘Azaabun-sjadied; wa makru ‘ulaaa-‘ika huwa yaboer.

10 Wie er verlangt naar macht, dan behoort macht geheel toe aan Allāh. Naar Hem stijgen de goede woorden op en de goede daad – Hij verheft het. En degenen die kwaad in de zin hebben – voor hen is er een vreselijke straf. En hun plan zal ten onder gaan.a

 

11 Wallaahu galaqakummin-turaabin summa min-nutfatin summa dja-‘alakum ‘azwaa-djaa. Wa maa tahmilu min ‘unsaa wa laa taza-‘u ‘illaa bi-‘ilmih. Wa maa yu-‘ammaru mim-mu-‘ammarinw-wa laa junqasu min ‘umurihie ‘illaa fie Kitaab. ‘Inna zaalika ‘alallaahi yasier.

11 En Allāh schiep jullie uit stof, daarna uit een levenskiem, daarna maakte Hij jullie tot paren. En geen vrouw draagt of baart zonder Zijn kennis. En niemand die lang leeft wordt een lang leven geschonken, noch wordt er ook maar iets van iemands leven afgehaald, of het staat allemaal in een boek. Waarlijk is dat eenvouidig voor Allāh.a

 

12 Wa maa yastawil-bahraani haazaa ‘azbun-furaatun-saa-‘igun-sjaraabuhoe wa haazaa milhun ‘udjaadj. Wa min kullin ta’-kuloena lahman tariyyanwwa tastagridjoena hilyatan talbasoenahaa; wa taral-fulka fiehi mawaagira li-tahtagoe min Fazlihie wa la-‘allakum tasj-kuroen.

12 En de twee zeeën zijn niet aan elkaar gelijk: de een zoet, zeer zoet, plezierig om te drinken; en de ander zout, bitter. Toch eten jullie vers vlees uit beiden en halen jullie er sieraden uit die jullie dragen. En jij ziet hoe de schepen hen doorklieven, opdat jullie kunnen zoeken naar Zijn weldaad, en opdat jullie dank kunnen zeggen.

 

13 Yoelidjul-layla finnahaari wa yoelidjun-nahaara fil-layli wa saggarasj-sjamsa walqamar: Kulluny-yadjrie li-adjalim-musammaa. Zaalikkumullaahu Rabbukum lahul–Mulk. Wallaziena tad-‘oena min doenihie maa yamloekoena min-qitmier.

13 Hij maakt dat de nacht de dag binnengaat, en maakt dat de dag de nacht binnengaat, en Hij heeft de zon en de maan dienstbaar gemaakt, en ieder beweegt zich tot een vastgestelde tijd. Dit is Allāh, jullie Heer; van Hem is het koninkrijk. En degenen die jullie aanroepen buiten Hem, bezitten nog geen strohalm.a

 

14 ‘In tad-‘oehum laa yasma-‘oe du-‘aaa-‘akum. Wa law sami-‘oe mastadjaaboe lakum. Wa Yawmal–Qiyaamati yakfuroena bi-sjirkikum. Wa laa yunabbi-‘uka mislu Gabier.

14 Wanneer jullie hen aanroepen, horen zij jullie roep niet; en als zij het hoorden, dan konden zij jullie niet antwoorden. En op de dag van de Opstanding zullen zij ontkennen dat jullie hen gelijkstelden (aan Allāh). En niemand kan jou inlichten als de Albewuste.


9a. De opwekking is hier duidelijk de opwekking tot het geestelijke leven.

10a. De uiteindelijke triomf van de waarheid en de vernietiging van onwaarheid, kon niet duidelijker worden uitgedrukt. Goede woorden stijgen op naar Allāh, d.w.z. bloeien en dragen vruchten, en goede daden worden verheven, terwijl de kwade plannen om de Waarheid te vernietigen zullen vergaan.

11a. Er wordt hier gezinspeeld op het feit dat het zaad van de waarheid is gezaaid, en dat het zich ook als zaad zal voortplanten.

13a. Het Arabische woord qitmir staat voor de witte punt in de achterkant van een dadelpit.

 

 

PARAGRAAF 3: Er zal een nieuwe generatie opstaan

 

15 Yaaa-‘ayyuhan-naasu ‘antumul-fuqaraaa-‘u ‘ilallaah: wallaahu Huwal–Ghanniyyul–Hamied.

15 O mensen, jullie zijn het die Allāh nodig hebben, en Allāh is de Zelfgenoegzame, de Geprezene.

 

16 ‘Inyyasja’ yuzhibkum wa ya’-ti bi–Galqin–Djadied.

16 Wanneer het Hem behaagt, zal Hij jullie verwijderen en een nieuwe schepping brengen.

 

17 Wa maa zaalika ‘alallaahi bi-‘aziez.

17 En dit is niet moeilijk voor Allāh.

 

18 Wa laa taziru waaziratunw-wizra ‘ugraa. Wa ‘in tad-‘u musqalatun ‘ilaa himlihaa laa yuhmal minhu sjay-‘unwwa law kaana zaa-qurbaa. ‘Innamaa tunzirullaziena yakhsjawna Rabbahum-bilghaybi wa ‘aqaamus–Salaah. Wa man tazakkaa fa-‘innamaa yatazakkaa linafsih: wa ‘ilallaahil-masier.

18 En geen belaste ziel kan de lasten van een ander dragen. En wanneer iemand die gebukt gaat onder een last aan iemand anders vraagt om zijn last te dragen, dan zal er niets ervan worden grdragen, zelfs niet als hij een naaste verwant is. Jij waarschuwt slechts degenen die hun Heer in het verborgene vrezen en het gebed onderhouden. En wie zichzelf zuivert, zuivert zichzelf slechts voor zijn eigen goed. En tot Allāh is de uiteindelijke komst.

 

19 Wa maa yastawil-‘a’-maa wal-basier;

19 En de blinde en de ziende zijn niet aan elkaar gelijk,

 

20 Wa laz-zulumaatu wa lannoer;

20 Noch de duister en het licht,

 

21 Wa laz-zillu wa lal-haroer:

21 Noch de schaduw en de hitte.

 

22 Wa maa yastawil-‘ahyaaa-‘u wa lal-‘amwaat. ‘Innallaaha yusmi-‘u many-yasjaaa’; wa maaa ‘anta bi-musmi-‘im-manfil-quboer.

22 Noch zijn de levenden en de doden aan elkaar gelijk. Waarlijk laat Allāh horen wie het Hem behaagt, en jij kan degenen die in de graven zijn niet laten horen.a

 

23 ‘In ‘anta ‘illaa nazier.

23 Jij bent slechts een waarschuwer.

 

24 ‘Innaaa ‘arsalnaaka bil-haqqi basjieranw-wa nazieraa: wa ‘immin ‘ummatin ‘illaa galaa fiehaa nazier.

24 Waarlijk hebben Wij jou gestuurd met de Waarheid als een brenger van goed nieuws en als een waarschuwer. En er is geen volk, of er is een waarschuwer in hun midden verschenen.a

 

25 Wa ‘inyyukazzayboeka faqad kazzaballaziena min-qablihim: djaaa-‘at-hum rusuluhumbil–Bayyi- naati wa biz–Zuburi wa bil–Kitaabil–Munier.

25 En als zij jou afwijzen, degenen vóór hen wezen ook af – hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke argumenten, en met geschriften, en met het verlichtendfe Boek.a

 

26 Summa ‘agaztullaziena kafaroe fakayfa kaana nakier.

26 En toen greep Ik degenen die niet geloofden, en hoe (vreselijk) was Mijn afkeuring!


22a. Merk op hoe geestelijke waarheden worden overgebracht in bewoordingen die relateren aan het fysieke leven. Degenen die in de graven zijn zijn dezelfde mensen die actief betrokken waren bij het tegenwerken van de Profeet (s.a.w.). De zienden zijn degenen die hun ogen geestelijk hebben geopend, het licht is het geestelijke licht, de levenden zijn degenen die geestelijk in leven zijn, en zo verder.

24a. Deze brede doctrine die stelt dat er een profeet werd verheven onder iedere natie, wordt herhaaldelijk in de Qoer-ān geleerd. Opmerkelijk genoeg is deze doctrine zowel te vinden in de vroege openbaring van Makkah, als in de latere openbaring van Madinah. Deze grootse waarheid, die duizenden jaren verborgen bleef voor de meest geleerde mensen ter wereld, verlichtte de geest van een ongeleerde Arabier die niet eens wist welke naties er toen bestonden en welke geschriften zij bezaten. Alleen deze brede doctrine kon de basis vormen van de universaliteit van een Goddelijke boodschap aan de gehele mensheid. Alleen iemand die de ruimte van geest had om waarheid te herkennen in allen, kon alle mensen verenigen.

25a. Zie 3:184a.

 

 

PARAGRAAF 4: De verkozenen

 

27 ‘Alam tara ‘annallaaha ‘anzala minas-samaaa-‘i maaa-‘aa? Fa-‘agradjnaa bihie samaraatim- mugtalifan, ‘alwaanuhaa. Wa minal-djibaali djudadum biezunwwa humrum-mugtalifun ‘alwaanuhaa wa garaabiebu soed.

27 Ziet jij niet dat Allāh water uit de wolken naar beneden stuurt, en dat Wij daar dan vruchten mee voortbregen, verschillend van kleur? En in de bergen zitten vegen, wit en rood, in verschillende tinten en (andere) diep zwart.

 

28 Wa minannaasi wad-dawaabbi wal-‘an-‘aami mugtalifun ‘alwaanuhoe kazaalik. ‘Innamaa yag-sjal- laaha min ‘Ibaabihil-‘ulamaaa’: ‘innallaaha Aziezun Ghafoer.

28 En zo ook bestaan er mensen, beesten en vee, in verschillende kleuren. Slechts Zijn dienaren die in het bezit zijn van kennis vrezen Allāh. Waarlijk is Allāh Machtig, Vergevensgezind.

 

29 ‘Innallaziena yatloena Kitabal-laahi wa ‘aqaamus–Salaata wa ‘anfaqoe mimmaa razaqnaahum sirranwwa ‘alaaniyyatany-yardjoena Tidjaaratallan-taboer.

29 Degenen die het Boek van Alh voordragen, het gebed onderhouden en uitgeven van wat Wij hen hebben gegeven, in het geheim en openlijk, hopen waarlijk op voordeel dat niet verlorten gaata –

 

30 Li-yuwaffi-yahum ‘udjoerahum wa yaziedahum-min–Fadlih: ‘innahoe Ghafoerun–Sjakoer.

30 Dat Hij hen hun beloning volledig terug mag betalen en nog meer mag geven uit Zijn goedgunstigheid. Waarlijk is Hij Vergevensgezind, Vermenigvuldiger van beloningen.

 

31 Wallazie ‘awhaynaaa ‘ilayka minal–Kitaabi huwal–Haqqu musaddiqal-limaa bayna yadayh: ‘innallaaha bi–‘Ibaadihie la–Gabierum–Basier.

31 En wat Wij van het Boek aan jou hebben geopenbaard, dat is de waarheid die bevestigt wat ervoor is.a Waarlijk is Allāh Bewust, Degene Die Zijn dienaren ziet.

 

32 Summa ‘aw-rasnal–Kitaaballazie-nastafaynaa min ‘ibaadinaa: fa-minhum zaalimullinafsih; wa min- hum-muqtasid wa minhum saabigum-bil-gayraati bi-‘iznil-laah; zaalika huwal–Fadlul–Kabier.

32 Toen hebben Wij het Boek als erfenis gegeven aan degenen die Wij hebben verkozen uit het midden van Onzer dienaren: dus onder hen is degene die zichzelf onrecht aandoet, en onder hen is degene die de middelweg bewandelt, en onder hen is degene die, met de toestemming van Allāh, voorvarend is met goede daden.a Dat is de grote goedgunstigheid,

 

33 Djannaatu ‘Adniny-yadguloenahaa yuhallawna fihaa min ‘asaawira min-zahabinw-wa lu’-lu’-aa; wa libaasuhum fiehaa harier.

33 Eeuwige tuinen, die zij binnengaan – en daar krijgen zij armbanden van goud en parels om te dragen, en hun kleren zijn daarin van zijde.a

 

34 Wa qaalul–Hamdu lillaahillazie ‘azhaba ‘annal-hazan: ‘inna Rabbanaa la–Ghafoerun–Sjakoer:

34 En zij zeggen: Geprezen zij Allāh, Die droefheid van ons heeft weggenomen! Waarlijk is onze Heer Vergevensgezind, Vermenigvuldiger van beloning,a

 

35 Allazie ‘ahallanaa Daaralmuqaamati min Fadlih: laa yamassunaa fiehaa nasabunwwa laa yamas-sunaa fiehaa lugoeb.

35 Die ons uit Zijn goedgunstigheid heeft doen afdalen in een huis dat altijd blijft; hierin raakt arbeid ons niet, noch worden wij hier gekweld door vermoeidheid.a

 

36 Wallaziena kafaroe lahum Naaru Djahannam; laa yuqzaa ‘alayhim fayamoetoe wa laa yugaffafu ‘anhum-min ‘Azaabihaa. Kazaalika nadjzie kulla kafoer!

36 En degenen die niet geloven, voor hen is het Vuur van de hel; voor hen is het nooit volbracht zodat zij sterven, noch wordt de straf ervan verlicht. Zo delen Wij vergelding uit aan iedere ondankbare.

 

37 Wa hum yastarikhoena fiehaa: Rabbanaaa ‘agridjnaa na’-mal saalihan ghayrallazie kunna na’-mal! ‘Awalam nu-‘ammirkum-maa yatazakkaru fiehi man tazakkara wa djaaa-‘akumun-nazier. Fazoeqoe famaa liz-zaalimiena min-nasier.

37 En daarin roepen zij om hulp: Onze Heer, haal ons hieruit! Wij zullen goede daden doen, anders dan wat wij gewoon waren te doen! Hebben Wij jullie niet een lang genoeg leven gegeven, zodat wie zich in acht zou willen nemen, zich in acht kon nemen? En de waarschuwer is tot jullie gekomen. Dus proef; want voor de onrechtvaardigen is er geen helper.


29a. Tidjārah betekent letterlijk kopen en verkopen voor winst, vandaar dat ik het woord hier vertaal met voordeel.

31a. Merk op dat, aangezien de Heilige Qoer-ān erkent dat er binnen elke natie profeten zijn opgestaan, hij dus ook verkondigt dat voorgaande openbaringen profetieën bevatten die werden vervuld door de komst van de Heilige Profeet (s.a.w.). Dit is een vroege Makkah-openbaring.

32a. Nadat er is gesproken over de openbaring van de Qoer-ān aan de Profeet (s.a.w.), wordt ons verteld dat het Heilige Boek nu als erfenis werd gegeven aan een uitverkoren volk, d.w.z. de moeslimgemeenschap. Deze gemeenschap werd uitverkoren om de grote boodschap aan de hele wereld bekend te maken. De uitverkoren mensen zijn echter niet allemaal gelijk. Onder de uitverkorenen is er een aantal dat zichzelf tekort doet – zij houden zich niet aan het Goddelijke geboden. Er zijn anderen onder hen, die een middenkoers varen; zij zijn geen kwaaddoeners maar zij zijn niet erg actief betrokken bij het doen van goed. Er zijn nog anderen, die vooraan lopen bij het doen van goed en die elders moeqarraboen (56:11) worden genoemd. Zij hebben nabijheid tot Allāh verworven. Zo wordt duidelijk gemaakt dat, als er van een gemeenschap wordt gezegd dat het een uitverkoren gemeenschap is, niet alle leden ervan gelijk zijn. De gemeenschap wordt uitverkoren vanwege diegenen die voortvarend zijn met hun goede daden, wier voorbeeld de anderen zouden moeten proberen te volgen.

34a. Hier wordt een waar beeld geschetst van het paradijs: Die droefheid van ons heeft weggenomen. Dit toont aan dat de verlossing van droefheid en bezorgdheid, de ware zegen is van het paradijs. De belofte die de rechtschapenen herhaaldelijk wordt gedaan, dat zij angst noch zorgen zullen kennen, geeft uitdrukking aan dezelfde waarheid en laat zien dat het paradijs in dit leven begint.

35a. Let op deze verdere beschrijving van een geestelijk paradijs: waar arbeid en vermoeidheid een mens niet langer raken. Alles is vrede, tevredenheid en de gelukzaligheid.

 

 

PARAGRAAF 5: De straf die zondige daden toekomt

 

38 ‘Innallaaha ‘Aalimu ghaybis-samaawaati wal-‘ard. ‘Innahoe ‘Alimum-bi-zatis-sudoer.

38 Waarlijk is Allāh de Kenner van het ongeziene in de hemelen en op aarde. Waarlijk is Hij de Weter van wat er in de harten schuilt.

 

39 Huwallazie dja-‘alakum galaaa-‘ifa fil-‘ard: faman kafara fa-‘alayhi kufruh: wa laa yazidul-kaafiriena kufruhum ‘inda Rabbihiem ‘illaa maqtaa: wa laa yaziedul-kaafiriena kufruhum ‘illaa gasaaraa.

39 Hij is het Die jullie maakte tot opvolgers op aarde. Dus wie er niet gelooft, zijn ongeloof keert zich tegen hem. En hun ongeloof vergroot voor de ongelovigen bij hun Heer niets dan haat; en hun ongeloof vergroot voor de ongelovigen niets dan verlies.

 

40 Qul ‘ara-‘aytum sjurakaaa-‘akumullaziena tad-‘oena min doenillaah? ‘Aroenie maazaa galaqoe minal-‘ardi ‘am lahum sjirkun-fis-samaawaat? ‘Am ‘aataynaahum Kitaaban fahum ‘alaa Bayyinatim- minh? – Bal ‘inyya-‘iduz-zaalimoena ba’-duhum ba’-dan ‘illaa guroeraa.

40 Zeg: Hebben jullie jullie afgoden gezien, die jullie aanroepen buiten Allāh? Laat mij zien wat zij van de aarde hebben geschapen! Of hebben zij enig aandeel in de hemelen? Of, hebben Wij hen een Boek gegeven, zodat zij een duidelijk argument hieruit volgen? Nee, de kwaaddoeners houden elkaar slechts beloften voor om te misleiden.

 

41 ‘Innallaaha yumsikus-samaawaati wal-‘arda ‘an-tazoelaa: wa la-‘in zaalataa ‘in ‘amsakahumaa min ‘ahadimmim-ba’-dih: ‘innahoe kaana Haliman Ghafoeraa!

41 Waarlijk steunt Allāh de hemelen en de aarde, opdat zij niet tot niets vergaan. En als zij tot niets vergaan, dan kan niemand na Hem hen ondersteunen. Waarlijk is Hij immer Verdraagzaam, Vergevensgezind.

 

42 Wa ‘aqsamoe billaahi djahda aymaanihim la-‘in djaaa-‘ahum nazierul-layakoenunna ‘ahdaa min ‘ihdal–‘Umami falammaa djaa-‘ahum nazirum-maa zaadahum ‘illaa nufoeraa,-

42 En zij zwoeren bij Allāh met hun sterkste geloften dat, wanneer er een waarschuwer tot hen zou komen, zij beter geleid zouden zijn dan al de andere naties. Maar toen er een waarschuwer tot hen kwam, verhoogde het slechts hun aversie,a

 

43 ‘Istikbaaran-fil-‘ardi wa makras–Sayyi’. Wa laa yahiequl-makrus–Sayyi-‘u ‘ illaa bi-‘ahlih. Fahal yanzuroena ‘illaa sunnatal–‘awwalien? Falan tadjida li–Sunnatillaahi tabdielaa: wa lan tadjida li– Sunnatillaahi tahwielaa.

43 Terwijl zij zich trots gedroegen in het land en kwaad in de zin hadden. En het kwade plan belegert niemand, behalve degenen die het bedachten. Dus wachten zij op niets anders dan op de gebruiken van de ouden. Maar jij zal geen wijziging vinden in de handelwijze vanAllāh; en jij zult geen verandering vinden in de handelwijze van Allāh.

 

44 ‘Awalam yasieroe fil-‘ardi fayanzuroe kayfa kaana ‘Aaqibatul-laziena min qablihim wa kaanoe ‘asjadda minhum quwwah? Wa maa kaanallaahu liyu’-djizahoe min sjay-‘in fissamaawaati wa laa fil-‘ard: ‘innahoe kaana ‘Aliman–Qadieraa.

44 Hebben zij niet door het land gereisd en gezien wat het einde was van degenen vóór hen – en zij waren krachtiger dan hen in macht? En Alh is niet zo, dat iets in de hemelen of op aarde aan Hem kan ontsnappen. Waarlijk is Hij immer Wetend, Machtig.

 

45 Wa law yu-‘aagizullaa-hunnaasa bimaa kasaboe maa taraka ‘alaa zahrihaa min daabbatinwwa laakinyyu-‘ag-giruhum ‘ilaaa ‘adjalim-musammaa: Fa-‘izaa djaaa-‘a ‘Adjaluhum fa-‘innallaaha kaana bi-‘ibaadihie Basieraa.

45 En als Allāh de mensen zou straffen naar wat zij verdienen, dan zou Hij op geen enkel schepsel op haar oppervlak laten,a maar Hij verleent hen uitstel voor een bepaalde termijn; dus wanneer hun noodlot komt, dan is Allāh waarlijk immer Degene Die Zijn dienaren ziet.


42a. Er waren joden en christenen in Arabië, die net zo corrupt waren als de Arabische afgodsdienaren. De Arabieren zeiden daarom dat, wanneer er een profeet tot hen zou komen zoals er profeten tot andere volkeren kwamen, zij hem zouden volgen om zo tot een voorbeeld van goedheid te dienen.

45a. Gelijke woorden komen voor in 16:61: "En als Allāh mensen zou vernietigen vanwege hun onrechtvaardigheid, zou Hij daarbij geen schepsel achterlaten." Kennelijk wordt hier met dābbah of schepsel bedoeld mensen die een sterke hang hebben naar het aardse; mensen die geen weet hebben van de hogere of geestelijke waarden van het leven, ofwel de onrechtvaardigen; zie 27:82a en 34:14a.