32- As-Sadjdah (De Aaanbidding)

HOOFDSTUK 32 Al-Sadjdah: De Aanbidding

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 3 paragrafen; 30 verzen

De naam van dit hoofdstuk, al-Sadjdah, ofwel de Aanbidding, is afgeleid van v. 15 waar verteld wordt hoe de gelovigen in aanbidding neervallen wanneer de Goddelijke boodschap aan hen voorgedragen wordt. Het bevat niet alleen een profetie aangaande de onmiddelijke triomf van de Islām, maar ook een met betrekking tot de verre toekomst (v. 5). De eerste paragraaf voorspelt de vestiging van de Islām. De tweede gaat over een straf voor de tegenstanders in dit leven, en de derde beschrijft het tot leven wekken van de dode aarde.

 


 

PARAGRAAF 1: De Islām zal zich vestigen

 Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 Alif–Laaam–Miem.

1 Ik Allāh, ben de beste Weter.

 

2 Tanzielul–Kitaabi laa rayba fiehi mir–Rabbil–‘Aalamien.

2 De openbaring van het Boek, daaraan is geen twijfel, is van de Heer van de Werelden.

 

3 ‘Am yaqoeloe-naftaraah? Bal huwal–Haqqu mir–Rabbika litunzira qawmam-maaa ‘ataahum-min-nazirim-min-qablika la-‘allahum yahtadoen.

3 Of zeggen zij: Hij heeft het verzonnen? Nee, het is de Warheid van jouw Heer, opdat jij een volk kan waarschuwen tot wie vóór jou geen waarschuwer is, zodat zij de juiste richting kunnen bewandelen.a

 

4 Allaahullazie galaqas-samaawaati wal-‘arda wa maa baynahumaa fie siettati Ayyaamin- summas-tawaa’alal-‘Arsj : maa lakum-min doenihie minwwaliyyinwwa laa sjafie: ‘afalaa tatazakkaroen?

Allāh is Hij Die in zes perioden de hemelen en de aarde schiep, en wat zich daartussen bevindt, en Hij is gevestigt op de Troon van Macht. Buiten Hem hebben jullie geen beschermer of bemiddelaar. Willen jullie je dan niet in acht nemen?

 

5 Yudabbirul-amra minassamaa-‘i ilal-‘ardi summa ya-rudju ‘ilayhi fie yawmin-kaana miqdaaruhoe ‘alfa sanatimmim-maa ta-‘uddoen.

5 Hij verordent de Zaak van de hemel tot de aarde; dan zal deze tot Hem opstijgen in een dag die, gemeten naar jullie maatstaven, duizend jaar duurt.a

 

6 Zaalika ‘Aalimul-ghaybi wasj-sjahaadatil–‘Aziezur–Rahiem;-

6 Dit is de Kenner van het ongeziene en het geziene, de Machtige, de Barmhartige,

 

7 Allazie ahsana kulla sjay-‘in galaqahoe wa bada-‘a galqal-‘insaani min-tien;

7 Die alles wat Hij geschapen heeft prachtig heeft gemaakt, en Hij begon de schepping van de mens uit stof.a

 

8 Summa dja-‘ala naslahoe min-sulaalatim-mim-maaa-‘immahien:

8 Daarna maakte Hij zijn nageslacht uit een extract, van nietwaardig water.

 

9 Summa sawwaahu wa nafaga fiehi mir–Roehihie wa dja-‘ala lakumus-sam-‘a wal-‘absaara wal-‘af-‘idah : qalilammaa tasjkuroen!

9 Toen vervolmaakte Hij hem en blies hem van Zijn geest in,a en gaf jullie oren en ogen en harten; hoe weinig zeggen jullie dank!

 

10 Wa qaaloe ‘a-‘izaa zalalnaa fil-‘ardi ‘a-i’nnaa lafie khalqin-djadid? Bal hoem-bi–Liqaaa-‘i Rabbihim kaafiroen!

10 En zij zeggen: Wanneer wij verloren zijn in de aarde, zullen wij dan in een nieuwe schepping zijn? Nee, zij geloven niet in de ontmoeting met hun Heer.

 

11 Qul yata-waffaakum–Malakul–Mawtillazie wukkila bikum summa ‘ilaa Rabbikum turdja-‘oen.

11 Zeg: De engel des doods, aan wie jullie zijn toevertrouwd, zal jullie laten sterven, dan zullen jullie tot jullie Heer worden teruggebracht.

 


3a. Makkah kende geen profeet voor de komst van de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.), die de enige profeet was die opstond uit het midden van de afstammelingen van Ismaël.

5a. Al-Amr of de Zaak is de Zaak van de Islām, en haar verordening of aansturing vanuit de hemel naar de aarde betekent dat zij uit de hemel komt en stevig op aarde gevestigd zal worden. Daarna wordt er gezegd dat deze in één dag tot Allāh zal opstijgen, die volgens menselijke maatstaven duizend jaar zal duren. Dit betekent dat de Zaak een terugslag te verduren krijgt van duizend jaar. Over de periode van haar stabiliteit wordt ons in een hadies verteld dat zij gedurende drie eeuwen haar zuiverheid zal bewaren: "De beste van de generaties is mijn generatie, dan zij die daarop volgen, dan zij die daarop volgen, en dan, na hen, komen er mensen die zichzelf prijzen vanwege hun overvloedige rijkdom en die houden van gezetheid" (Tr. 31:39). Volgens een andere hadies: "zal er een volk komen waarin geen goed schuilt" (KU. VI, 2068). De woorden van een andere zijn: "Een slechte weg – zij behoren mij niet toe, noch behoor ik hen toe" (KU. VI, 2073). Dat dit een voospelling is wordt aangetoond door het volgende vers waar staat: Dat is de Kenner van het ongeziene en het geziene. We zien hier dus een profetie aangaande de toekomst van de Islām. Deze profetie werd bekendgemaakt op een moment dat er niet de minste aanwijzing bestond dat de Islām op de aarde gevestigd zou worden. Het gebeurde midden in de Makkah-periode, toen de zaak van de Islām volkomen hopeloos was. Op dat moment werd aan de Profeet (s.a.w.) meegedeeld dat de Islām zich in eerste instantie stevig zou vestigen. Dat deze zich gedurende drie eeuwen verder zou ontwikkelen, wordt duidelijk uit de uitspraken van de Profeet (s.a.w.) zou het pad van de Islām wisselend worden, en zou hij zijn tegenslagen krijgen die duizend jaar zouden voortduren. De beperking van de periode met de terugslagen, laat duidelijk zien dat daarna de vooruitgang van de Islām weer net zo onbelemmerd zal zijn als in de vroege periode, in de tijd van de Profeet (s.a.w.) en de generaties na hem.

7a. Zie 23:12–14, waar de verschillende stadia die een mens doorloopt gedurende zijn schepping tot in detail besproken worden, en 23:12a. De prachtige schoonheid van de schepping, van het atoom tot de meest briljante ster in het koninkrijk van de materie en van de kleinste mier tot de meest ontwikkelde vorm van leven in de mens, kon 1300 jaar geleden niet bekend zijn aan een ongeletterde Arabier. Toch ziet hij, zoals hier gezegd wordt, dat alles wat geschapen was prachtig was. Deze schoonheid in de schepping kwam ongetwijfeld voort uit dezelfde Bron, die van de Grote Schepper Die, volgens de Heilige Qoer-ān, de "mooiste namen heeft" (17:110; 20:8; 59:24).

9a. Dit vers laat zien dat de geest van Allāh in iedere mens geblazen werd. Dit wijst op een mystieke band tussen de menselijke aard en de Goddelijke aard. Het woord roeh betekent hier niet de dierlijke ziel, omdat de dierlijke ziel zowel bij de mens voorkomt als in het dierenrlijk. Het is iets wat de mens onderscheidt van de dierenwereld. Het is aan deze Goddelijke geest te danken dat de mens over de schepping heerst, en aan diezelfde Goddelijke geest is het te danken dat hij een nieuw leven krijgt na de dood – een leven waarin hij in Allāh en met Allāh leeft – de ontmoeting met Allāh of liqā Allāh, zoals het in v. 10 genoemd wordt.

 

 

PARAGRAAF 2: Gelovigen en ongelovigen – een vergelijking

 

12 Wa law taraaa ‘izil-mudjrimoena naakisoe ru-‘oesihim ‘inda Rabbihim: Rabbanaaa ‘absarnaa wa sami’-naa fardji-naa na’-mal saalihan ‘innaa moeqinoen.

12 En kon jij het maar zien, wanneer de schuldigen het hoofd laten hangen voor hun Heer: Onze Heer, wij hebben gezien en gehoord, dus stuur ons terug, wij zullen goeddoen; wij weten het (nu) zeker.

 

13 Wa law sji’-naa la-‘aataynaa kulla nafsin hudaahaa wa laakin haqqal–Qawlu minnie la-‘amla-‘anna Djahannama minal-djinnati’ wannaasi ‘adjma-‘ien.

13 En als het Ons had behaagd, dan hadden Wij iedere ziel haar leiding kunnen geven, maar het woord van Mij was waar; Ik zal de hel zeker vullen met de djinn en mensen samen.a

 

14 Fazoeqoe bimaa nasietum Liqaaa-‘a Yawmikum haazaa. Innaa nasienaakum wa zoeqoe ‘Azaabal-guldi bimaa kuntum ta’-maloen!

14 Dus proef, omdat jullie de ontmoeting van deze Dag van jullie vergaten; waarlijk verloochenen Wij jullie; en proef de blijvende straf om wat jullie deden.

 

15 ‘Innamaa yu’-minu bi-‘Aayaatnallaziena ‘izaa zukkiroe bihaa garroe sudjdjadanwwa sabbahoe bi–Hamdi Rabbihim wa hum laa yatakbiroen. (Sadjdah)

15 Slechts zij geloven in Onze boodschap die, wanneer zij eraan worden herinnerd, zich ter aarde werpen en de glorie van hun Heer roemen, en zij zijn niet trots.a

 

16 Tatadjaafaa djunoebuhum ‘anil-mazaadj-‘i yad-‘oena Rabbahum gawfanwwa tama-‘aa: wa mim- maa razaqnaahum yunfiqoen.

16 Zij verlaten (hun) bedden om hun Heer aan te roepen met vrees en met hoop, en geven uit van wat Wij hen hebben gegeven.a

 

17 Falaa-ta’-lamu nafsummaaa ‘ugfiya lahum-min-qurrati ‘a’-yun: djazaaa-‘am-bimaa kaanoe ya’-maloen.

17 Dus geen ziel weet welke verblijding van het oog voor hen verborgen is; een beloning voor wat zij deden.a

 

18 ‘Afaman kaana mu’-minankama-kaana faasiqaa? Laa yastawoen.

18 Is degene die een gelovige is, dan gelijk aan degene die een overtreder is? Zij zijn niet gelijk.

 

19 ‘Ammallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati falahum Djannaatul-ma’-waa, nuzulambimaa kaanoe ya’-maloen.

19 Wat betreft degenen die geloven en goede daden doen, voor hen zijn er Tuinen, een toevluchtsoord – een onthaal voor wat zij deden.

 

20 Wa ‘ammallaziena fasaqoe fama’-waahumun–Naar: kullamaaa ‘araadoe ‘any-yagrudjoe minhaa ‘u-iedoe fihaa wa qiela lahum zoeqoe ‘Azaaban–Naaril-lazie kuntum-bihie tukazziboen.

20 En wat betreft degenen die overtreden, hun toevluchtsoord is het Vuur. Iedere keer dat zij hieruit wensen te vertrekken, worden zij er teruggebracht, en er wordt tegen hen gezegd: Proef de straf van het Vuur die jullie een leugen noemden.

 

21 Wa lanuzieqannahum-minal–‘Azaabil-‘adnaa doenal–‘Azaabil-‘akbari la-‘allahum yardji-‘oen.

21 En zeker zullen Wij hen van de nabije straf laten proeven, vóór de grotere straf, opdat zij wellicht terug zullen keren.a

 

22 Wa man azlamu mimmanzukkira bi–‘Aayaati Rabbihie summa ‘a’-raza ‘anhaa? ‘Innaa minal-mudjrimiena muntaqimoen.

22 En wie is er onrechtvaardiger dan degene die herinnerd wordt aan de boodschap van zijn Heer, en die zich hier dan van afkeert? Waarlijk leggen Wij vergelding aan de schuldigen op.

 


 

13a. Allāh’s woord, zoals zo vaak wordt herhaald in de Heilige Qoer-ān, bestaat eruit dat de mens de juiste weg gewezen wordt, maar dat hij de keuze krijgt om die te kiezen of af te wijzen. Degenen die het woord afwijzen en die de slechte wegen niet links laten liggen, gaan naar de hel. De woorden als het Ons had behaagdverwijzennaar het feit dat de mens niet verplicht is zich te onderwerpen aan de Goddelijke wet. Zijn superioriteit schuilt in het feit dat hij een keuze heeft gekregen. Als hij de juiste keuze maakt, stijgt hij tot verhevenheid. Als hij de verkeerde keuze maakt, moet hij de slechte gevolgen van zijn daden ondervinden.

15a. De voordracht van dit vers wordt gevolgd door een daadwerkelijke teraardewerping; zie 7:206a.

16a. De letterlijke betekenis van de oorspronkelijke woorden voor zij verlaten is hun zijden wijken er vandaan, wat aangeeft dat zij onrustig waren in bed. Dit is de fundering van de cultuur van de Islām: een deel van de nacht doorbrengen in gedenking van Allāh, en de dag doorbrengen met het verdienen van rijkdom om uit te geven langs Allāh’s weg, voor het welzijn van de mensheid.

17a. Dit is een ware beschrijving van waar de zegeningen van het paradijs uit bestaan: geen ziel weet wat voor hen verborgen is. Deze zegeningen zijn niet zichtbaar met het menselijk oog. Daarom is de beschrijving hiervan, in woorden die de geest een idee geven van de zegeningen van dit leven, metaforisch. Woorden kunnen aan ons niet de ware aard van deze zegeningen onthullen. Het commentaar van de Heilige Profeet (s.a.w.) zelf op deze woorden, geeft aan dat deze bewering juist is. Hij zou gezegd hebben: "Allāh zegt, Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren voorbereid wat nog geen oog gezien heeft, en geen oor gehoord heeft, en wat het hart van de mens niet kan bevatten"(B. 59:8).

21a. Met de nabije straf wordt de aardse straf bedoeld die zou kunnen dienen als een waarschuwing tegen de zwaardere straf van het Hiernamaals. De tegenstanders van de Waarheid wordt dus verteld dat zij ook in dit leven een straf moeten ondergaan. De beschrijving van de straf die in het voorgaande vers wordt gegeven – iedere keer dat zij hieruit wensen te vertrekken, worden zij er teruggebracht – is zichtbaar van toepassing op de omstandigheden van de moderne wereld, waarin materialisme de gedachten van mensen heeft overgenomen. De oorlogen die op dit moment in de wereld woeden vormen het vuur in dit leven en hoe de oorlogvoerende naties ook verlangen eraan te ontsnappen, zij worden er steeds in teruggeworpen.

 

 

PARAGRAAF 3: De dode aarde zal leven ontvangen

 

23 Wa laqad ‘aataynaa Moesal–Kitaaba fala takun fie mir-yatim-mil-liqaaa-‘ihie wa dja-‘alnaahu hudal-li–Bani–‘Israaa-‘iel.

23 En inderdaad gaven Wij Mozes het Boek – dus twijfel niet aan de ontmoeting met Hem – en Wij maakten het tot een leidraad voor de Kinderen van Israël.a

 

24 Wa dja-‘alnaa minhum ‘A-‘immatany-yahdoena bi–‘Amri-naa lammaa sabaroe; wa kaanoe bi– ‘Aayaatinaa yoeqinoen.

24 En uit hun midden maakten Wij leiders om te leiders om te leiden aan de hand van Ons bevel toen zij geduldig waren. En zij waren zeker van Onze boodschap.

 

25 ‘Inna Rabbaka Huwa yafsilu baynahum Yawmal-Qiyaamati fiemaa kaanoe fiehi yagtalifoen.

25 Op de dag van de Opstanding zal jouw Heer waarlijk een oordeel tussen hen vellen, over hetgeen waarin zij verschilden.

 

26 ‘Awalam yahdi lahum kam ‘ahlaknaa min-qablihim-minal-quroeni yamsjoena fie masaakinihim? ‘Inna fie zaalika la–‘Aayaat : ‘afalaa yasma-‘oen?

26 Is het hen niet duidelijk hoeveel van de generaties vóór hen Wij vernietigden, in de verblijfplaatsen waarvan zij rondgaan? Waarlijk schuilen hierin tekenen. Willen zij dan niet horen?

 

27 ‘Awalam yaraw ‘annaa nasoequl-maaa-‘a ‘ilal-‘ardil-djuruzi fanugridju bihie zar-‘an ta’-kulu minhu ‘an-‘aamuhum wa ‘anfusuhum? ‘Afalaa yubsiroen?

27 Zien zij niet dat Wij het water naar een land stuwen dat geen begroeiing heeft, en dan brengen Wij daar de gewassen mee voort, waarvan hun vee en zijzelf eten. Willen zij dan niet zien?

 

28 Wa yaqoeloena mataa haazal–Fat-hu ‘in kuntum saadiqien?

28 En zij zeggen: Wanneer zal deze overwinning komen, als jullie de waarheid spreken?a

 

29 Qul Yawmal–Fat-hi laa yanfa–‘ullaziena kafaroe ‘iemaanuhum wa laa hum yunzaroen.

29 Zeg: Op de dag van de overwinning zullen degenen die (nu) niet geloven geen baat hebben bij hun geloof, noch zal hen uitstel worden verleend.

 

30 Fa-‘a’-riz ‘anhum wanta zir ‘innahum-muntaziroen.

30 Dus keer jullie van hen af en wacht, waarlijk wachten zij ook.

 


23a. Het tot stand bregen van de ontmoeting met Allāh – om mensen in Allāh te doen leven – is het werkelijke doel van religie. Deze woorden wijzen erop dat, om de mens dit doel te laten bereiken. Mozes een Boek kreeg voor de Israëlieten, net zoals nu een Boek gegeven wordt voor de hele wereld. Ondanks de tegenstand, zal dit doel worden bereikt. Zoals in v. 26 duidelijk wordt gemaakt, zal de tegenstand tot niets worden teruggebracht. 

28a. De vraag maakt duidelijk dat de bovenstaande verzen op metaforische wijze handelen over de overwinning van de Islām over alle tegenstand, toen en nu. Vandaar dat zij vragen, wanneer zal de overwinning komen? Het brengen van water naar een dood land, een land zonder begroeiing, is een duidelijke aanwijzing dat de dode aarde leven zal ontvangen.