31- Loeqmaan(Loeqmaan)

HOOFDSTUK 31 Loeqmān

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 4 paragrafen; 34 verzen

De naam van dit hoofdstuk komt van de wijze aan wiens geschiedenis het refereert. Loeqmān was een Ethiopiër, en dat hij hier genoemd wordt getuigt van de ruimdenkendheid van de fundamentele principes van de Islām waarop in het vorige hoofdstuk gezinspeeld wordt. Het is het doel van dit hoofdstuk, net als dat van zijn zusterhoofdstukken, om het succes van de gelovigen te waarborgen. Net als haar twee voorgangers, behoort het tot de middelste Makkah-periode.

De eerste paragraaf verzekert in onmiskenbare bewoordingen het succes van de moeslims. De tweede refereert aan het advies van Loeqmān aan zijn zoon, dat nu voor de moeslims bedoeld is. De derde gaat over de grootsheid van Goddelijke macht, die een onmogelijkheid als de triomf van de moeslims over hun vijanden kon laten gebeuren. De vierde paragraaf voorspelt het noodlot van hun machtige tegenstanders.


PARAGRAAF 1: Gelovigen zullen succesvol zijn

 Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

1 Alif–Laaam–Miem.

1 Ik Allāh, ben de Beste Weter.

 

2 Tilka ‘Aayaatul–Kitaabil–Hakiem,-

2 Dit zijn verzen uit het Boek van Wijsheid –

 

3 Hudanwwa Rahmatal-lil–Muhsinien,

3 Een leidraad en een genade voor degenen die goeddoen,

 

4 ‘Allaziena yuqiemoenas–Salaata wa yu’-toenaz–Zakaata wa hum-bil–‘Aagirati hum yoeqinoen.

4 Die het gebed onderhouden en de armenbelasting betalen en die zeker zijn van het Hiernamaals.

 

5 ‘Ulaaa-‘ika ‘alaa Hudammir–Rabbihim wa ‘ulaaa-‘ika humul–Muflihoen.

5 Zij beschikken over leiding van hun Heer, en dit zijn degenen die succesvol zijn.

 

6 Wa minannaasi many-yasjtarie lahwal-hadiesi liyuzilla ‘an Sabielil-laahi bigayri ‘ilminwwa yattagiza- haa huzuwaa: ‘ulaa-‘ika lahum ‘Azaabummubien.

6 En onder de mensen is degene die, in plaats daarvan, lichtzinnig gepraat tot zich neemt om zonder kennis af te doen dwalen van Allāh’s pad, en om het te bespotten. Voor hen is er een vernederende straf.a

 

7 Wa ‘izaa tutlaa ‘alayhi ‘Aayaatunaa wallaa mustakbiranka-allam yasma’-haa ka-‘anna fie ‘uzunayhi waqraa: fabasjsjierhu bi–‘Azaabin ‘aliem.

7 En wanneer Onze boodschap aan hem wordt voorgedragen, draait hij zich trots om, alsof hij het niet gehoord had, alsof er doofheid in zijn oren was; dus verkondig hem een pijnlijke straf.

 

8 ‘Innallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati lahum Djannatun–Na-‘iem,-

8 Degenen die geloven en goeddoen, voor hen zijn er Tuinen van gelukzaligheid,

 

9 Gaalidiena fiehaa. Wa’-dallaahi haqqaa: wa Huwal–‘Aziezul–Hakiem.

9 Om in te verblijven. Een ware belofte van Allāh! En Hij is de Machtige, de Wijze.

 

10 Galaqas-samaawaati bi-ghayri ‘amadin-tarawnahaa wa ‘alqaa fil-‘ardi rawaasiya ‘an tamieda bikum wa bassa fiehaa min kulli daaabbah: Wa ‘anzalnaa minas-samaaa-‘i maaa-‘anfa-ambatnaa fiehaa min-kulli zawdjin-kariem.

10 Hij schiep de hemelen zonder zichtbare pilaren, en wierp bergen op aarde opdat zij niet met jullie in beroering zou geraken,a en Hij heeft verspreidde er allerlei soorten dieren. En Wij sturen water naar beneden uit de wolken, en zorgen er dan voor dat iedere nobele soort daarin groeit.

 

11 Haazaa galqullaahi fa-‘aroenie maa zaa galaqallaziena min-doenih: baliz-zaalimoena fie zalaalim-mubien.

11 Dit is Allāh’s schepping; laat Mij nu zien wat degenen naast Hem hebben geschapen. Nee, de onrechtvaardigen verkeren in duidelijke dwaling.


6a. Het is een vergissing om te denken dat hier een speciaal persoon bedoeld wordt. De slotwoorden van het vers laten duidelijk zien dat de stelling algemeen is en van toepassing is op iedereen die de Qoer-ān bespot.

10a. Zie 16:15a.

 

 

PARAGRAAF 2: Het advies van Loeqmān aan zijn zoon

 

12 Wa laqad ‘aataynaa Luqmaanal–Hikmata ‘anisj-kur lillaah. Wa many-yasjkur fa-‘innamaa yasjkuru linafsih : wa man-kafara fa-‘innallaaha Ghaniyyun Hamied.

12 En zeker gaven Wij Loeqmān wijsheid,a en zeiden: Zeg dank aan Allāh. En wie dankbaar is, is dankbaar voor zijn eigen ziel; en wie ontkent, dan is Allāh waarlijk Zelfgenoegzaam, Geprezen.

 

13 Wa ‘iz qaala Luqmaanu libnihie wa huwa ya-‘izuhoe yaa-bunayya laa tusjrik billaah. ‘Innasj-sjirka la-zulmun ‘aziem.

13 En toen Loeqmān tegen zijn zoon zei, terwijl hij hem vermaande: O mijn zoon, ken Allāh geen gelijke toe. (Aan Hem) gelijken toeschrijven, is waarlijk een ernstige onrechtvaardigheid.

 

14 Wa was-saynal-‘insaana biwaalidayh: hamalat-hu ‘ummuhoe wahnan ‘alaa wahninw-wa fisaaluhoe fie ‘aamayni anisj-kur lie wa li-waalidayk: ‘ilayyal–Masier.

14 En betreffende zijn ouders hebben Wij de mens bevolen – zijn moeder draagt hem met flauwte na flauwte en twee jaar wordt hij gespeend – en gezegd: Zeg dank aan Mij en aan jullie ouders. Tot Mij is de uiteindelijke komst.a

 

15 Wa ‘in-djaahadaaka ‘alaaa ‘an tusjrika bie maa laysa laka bihie ‘ilmun falaa tuti’-humaa wa saahibhumaa fiddunyaa ma’-roefanw-wattabi’ sabiela man ‘anaaba ‘ilayy: summa ilayya mardji-‘ukum fa-‘unabbi-‘ukum-bimaa kuntum ta’-maloen.

15 En als zij zich inspannen om jou iets aan Mij gelijk te laten stellen waar jij geen kennis van hebt, gehoorzaam hen niet en blijf in deze wereld vriendschappelijk met hen omgaan,a en volg de weg van degene die zich tot Mij keert; dan is jullie terugkeer tot Mij, en Ik zal jullie inlichten over wat jullie deden.

 

16 Yaa-bunayya innahaaa ‘in taku misqaala habbatim-min gardalin-fatakoen fie sagratin ‘aw fissa- maawaati ‘aw fil-‘ardi ya’-ti bihallaah: ‘innallaaha Latiefun Gabier.

16 O mijn zoon, zelfs wanneer het het gewicht heeft van een korrel mosterdzaad, zelfs als het in een rots zit, of in de hemel of in de aarde, Allāh zal het onthullen. Waarlijk is Allāh de Kenner van subtiliteiten, Zich Bewust.

 

17 Yaa-bunayya ‘aqimis–Salaata wa’-mur-bil-ma’-roefi wanha ‘anil-munkari wasbir ‘alaa maaa ‘asaa- bak: ‘inna zaalika min ‘azmil-‘umoer.

17 O mijn zoon, onderhoud het gebed en beveel het goede en verbied het kwade, en verdraag geduldig wat jou overkomt. Waarlijk is dit een zaak van grote vastberadenheid.

 

18 Wa laa tusa’-‘ir gaddaka linnaasi wa laa tamsji fil-‘ardi marahaa; innallaaha laa yuhibbu kulla mugtaalin-fagoer.

18 En draai jouw gelaat niet in minachting van de mensen af, en ga niet uitbundig door het land. Waarlijk houdt Allāh van geen enkel verwaande opschepper.

 

19 Waqsid fie masj-yika wagzuz min-sawtik; ‘inna ankaral-‘aswaati la-sawtul-hamier.

19 En volg bij jouw bezigheden de juiste weg en temper jouw stem. Waarlijk is de meest gehate stem het balken van ezels.a


12a. Gebaseerd op wat er over hem gezegd wordt, lijkt Loeqmān en Ethopiër te zijn. Het is erg waarschijnlijk dat het Griekse "Æsop" een verbastering is van "Ethiopiër" en gelijk staat aan Loeqmān. De Qoer-ān aanvaardt vele profeten buiten degenen die in de Bijbel genoemd worden.

14a. Verzen 14 en 15 zijn verklarend, en schrijven de plicht voor gehoorzaam te zijn aan ouders, omdat het hier gaat om een ouder die zijn zoon adviseert.

15a. Ondanks de grote nadruk die de Heilige Qoer-ān hier en elders legt op de plicht gehoorzaam te zijn aan de ouders, waarschuwt hij er ook tegen overmatig belang te hechten aan deze plicht, wanneer zij botst met een nog hogere verplichting, namelijk iemands plicht jegens zijn Schepper. Eigenlijk moet iedere plicht, hoe groot ook, opgeofferd worden voor een hogere plicht, en iemands plicht jegens zijn Schepper is de hoogste van alle plichten.

19a. Nederigheid en deemoed werden door iedere profeet onderwezen. Zelfs een Ethiopiër predikte de deemoed en nederigheid die door Jezus gepredikt werd.

 

 

PARAGRAAF 3: Grootsheid van Goddelijke macht

 

20 Alam taraw annallaaha sag-gara lakum-maa fissamaawaati wa maa fil-‘ardi wa ‘asbaga ‘alaykum ni-‘amahoe zaahiratanwwa baatinah? Wa minannaasi many-yudjaadilu fillaahi bi-gayri ‘ilminwwa laa hudanwwa laa kitaabim-munier!

20 Zien jullie niet dat Allāh aan jullie dienstbaar heeft gemaakt wat er in de hemelen is en wat er op aarde is, en dat Hij jullie al Zijn gunsten heeft geschonken, uitwendig en inwendig? En onder de mensen is degene die Allāh in twijfel trekt, zonder kennis of leidraad of een verlichtend Boek.a

 

21 Wa ‘izaa qiela lahumuttabi-‘oe maaa ‘anzallallaahu qaaloe bal nattabi-‘u maa wadjadnaa ‘alayhi ‘aabaaa-‘anaa. ‘Awalaw kaanasj–Sjaytaanu yad-‘oehum ‘ilaa ‘azaabis–Sa-‘ier?

21 En wanneer er tegen hen gezegd wordt, Volg dat wat Allāh heeft geopenbaard, zeggen zij: Nee, wij volgen wat wij bij onze vaderen zagen. Wat! Terwijl de duivel hen roept naar de straf van het brandende Vuur!

 

22 Wa many-yuslim wadjhahoe ‘ilallaahi wa huwa Muhsinun-faqadis-tamsaka bil-‘urwatil-wusqaa: wa ‘ilallaahi Aaqibatul-‘umoer.

22 En wie zichzelf onderwerpt aan Allāh en goeddoet (aan anderen), heeft zeker het stevigste heft in handen. En aan Allāh behoort het einde van (alle) zaken.

 

23 Wa man-kafara falaa yahzunka kufruh: ‘ilaynaa Mardji-‘uhum fanunabbi-‘uhum-bimaa ‘amiloe: ‘innallaaha Aliemum-bizaatis-sudoer.

23 En wie niet gelooft, laat zijn ongeloof jou niet verdrieten. Tot Ons is hun terugkeer, dan zullen Wij hen inlichten over wat zij deden. Waarlijk is Allāh de Weter van wat zij deden. Waarlijk is Allāh de Weter van wat er in de borsten schuilt.

 

24 Numatti-‘uhum qalielan-summa naztarruhum ‘ilaa azaabin ghaliez.

24 Wij laten hen zich even vermaken, dan zullen Wij hen tot een strenge straf voeren.

 

25 Wa la-‘in-sa-‘altahum-man galaqas-samaawaati wal-‘arda layaqoelunnallaah. Qulil–Hamdu-lillaah! Bal ‘aksaruhum laa ya’-lamoen.

25 En wanneer jij hen vraagt wie de hemelen en de aarde schiep, dan zullen zij zeggen: Allāh. Zeg: Geprezen zij Allāh Nee, de meesten van hen weten dit niet.

 

26 Lillaahi maa fissamaawaati wal-‘ard: ‘innallaaha Huwal–Ghaniyyul–Hamied.

26 Aan Allāh behoort al wat in de hemelen en op aarde is. Waarlijk is Allāh de Zelfgenoegzame, de Geprezene.

 

27 Wa law ‘anna maa fil-‘ardi min-sjadjaratin ‘aqlaamunwwal-bahru yamudduhoe mimba’-dihie sab

‘atu ‘abburimmaa nafidat Kalimaatullaah: ‘innallaaha ‘Aziezun Hakiem.

27 En als alle bomen op aarde pennen waren, en de zee met nog zeven zeeën daaraan toegevoegd (waren van inkt), dan zouden de woorden van Allāh niet uitgeput raken. Allāh is waarlijk Machtig, Wijs.a

 

28 Maa galqukum wa laa ba’-sukum ‘illaa ka-nafsinwwaahidah: ‘innallaaha Samie-‘um–Basier.

28 Jullie schepping of jullie opwekking is slechts als (die) van een enkele ziel. Waarlijk is Allāh Horend, Ziend.

 

29 ‘Alam tara ‘annallaaha yoelidjul-layla fiennahaari wa yoelidjun-nahaara fil-layli wa sag-garasj-sjam- sa wal-qamar: kulluny-yadjrie ‘ilaaa ‘adjalim-musammanwwa ‘annallaaha bimaa ta-‘maloena gabier?

29 Ziet jij niet dat Allāh de nacht de dag doet binnengaan, en (dat) Hij maakt dat de dag de nacht binnengaat, en (dat) Hij de zon en de maan dienstbaar heeft gemaakt (aan jullie) – elk volgt zijn baan tot een vastgesteld tijdstip – en dat Allāh Zich Bewust is van wat jullie doen?

 

30 Zaalika bi-‘annallaaha Huwal–Haqqu wa ‘anna maa yad-‘oena min-doenihil–Baatilu wa ‘annal- laa- ha Huwal–Aliyyul–Kabier.

30 Dit komt doordat Allāh de Waarheid is, en dat wat zij buiten Hem aanroepen is onwaarheid, en omdat Allāh de Hoge is, de Grote.


20a. De woorden zijn ook voor de moeslims bedoeld. Zolang zij het verlichtende Boek aanhangen, zullen zij vooruitgang boeken in de wereld, en zij zullen de wereld weer leiden wanneer zij het verlichtende Boek op de voorgrond plaatsen.

27a. I‘Ab denkt dat dit vers en de twee die volgen tot de Madinah openbaring behoren, maar er is in de tekst geen aanwijzing of enig bewijs te vinden dat ze niet in Makkah zijn geopenbaard. Een soortgelijke stelling zit besloten in een andere vroege Makkah-openbaring; zie 18:109. Het is opmerkelijk dat een man die zelf geen pen kon gebruiken en die in een land leefde waar pen en inkt in ieder geval schaars waren, uitdrukking geeft aan zo’n idee van een overvloed aan pennen en inkt. Terwijl de woorden een profetische zinspeling bevatten op het overvloedige gebruik van pen en inkt in de wereld, drukken ze de onvoorstelbare grootsheid uit van de Schepping van Allāh. Immers, alles is geschapen aan de hand van een Goddelijk bevel, en in dat licht is alles wat geschapen is een woord van Allāh.

 

 

 

PARAGRAAF 4: De ondergang komt

 

31 ‘Alam tara ‘annal-fulka tadjrie fil-bahri bi-ni’-matillaahi liyyuri-yakum-min Aayaatih? ‘Inna fie zaalika la–‘Aayaatiel-likulli sabbaarin-sjakoer.

31 Zie jij niet dat, bij Allāh’s goedgunstigheid, de schepen over de zee glijden, opdat Hij jou Zijn tekenen kan laten zien? Waarlijk schuilen hierin tekenen voor iedere geduldige volharder, dankbare.a

 

32 Wa ‘izaa ghasjiyahum mawdjun-kaz-zulali da-‘a-wullaaha Muglisiena lahud-dien. Falammaa nadj-djaahum ‘ilal-barri faminhum-muqtasid. Wa maa yadjhadu bi–‘Aayaatinaaa illaa kullu gattaarin-kafoer!

32 En wanneer de golven hen bedekken als overkappingen, dan roepen zij Allāh aan terwijl zij Hem oprecht gehoorzaam zijn. Maar wanneer Hij hen veilig aan land brengt, volgen sommigen van hen de middenweg. En niemand ontkent Onze tekenen behalve iedere trouweloze, ondankbare.

 

33 Yaaa-‘ayyuhan-naasuttaqoe Rabbakum wagsjaw yawmal-laa yadjzie waalidun ‘anwwaladihie wa laa mawloedun huwa djaazin anw-waalidihie sjay-‘aa. ‘Inna wa-dallaahi haqqun-falaa tagurranna- kumul-hayaatud-dunyaa: wa laa yagurrannakum-billaahil–Gharoer.

33 O mensen, voldoe jullie plicht aan jullie Heer, en vrees de dag waarop geen vader zijn zoon ook maar ergens in kan bijstaan, noch zal het kind zijn vader kunnen bijstaan. Waarlijk is de belofte van Allāh waar, dus laat dit wereldse leven jullie niet misleiden, en laat de aartsbedrieger jullie niet misleiden omtrent Allāh.a

 

34 ‘Innallaaha ‘indahoe ‘ilmus–Saa-‘ah. Wa yunazzilulgaysa wa ya’-lamu maa fil-‘arhaam. Wa maa tadrie nafsum-man-zaa taksibu gadaa: wa maa tadrie nafsumbi-‘ayyi ‘ardin-tamoet. ‘Innallaaha ‘Aliemun gabier.

34 Waarlijk is Allāh Degene bij Wie de kennis van het Uur is, en Hij stuurt de regen naar beneden, en Hij weet wat er in de baarmoeders is. En niemand weet wat hij de dag van morgen zal verdienen. En niemand weet in welk land hij zal sterven. Waarlijk is Allāh de Wetende, de Bewuste.a


31a. De tekenen voor de geduldige, volharder en de dankbare, bevatten zonder twijfel een verwijzing naar de lijdende maar dankbare moeslims, die uit zouden groeien tot een grootse natie.

33a. Gharoer, wat letterlijk de grote misleider betekent, staat voor de duivel.

34a. Met het Uur wordt het uur van de vervulling van de profetie en van de ondergang van de tegenstanders bedoeld, als ook de Opstasnding. De geweldige openbaring van kennis met betrekking tot de toekomst, kon niet afkomstig zijn van een gewone sterveling die niet eens in staat is de gewone dagelijkse gebeurtenissen te voorspellen, die dag en nacht voor zijn ogen plaatsvinden. Maar dit kan ook een diepere verwijzing zijn naar de hervorming die in Arabië tot stand werd gebracht. Het sturen van de regen betekent de opwekking van de geestelijk doden; de kinderen in de baarmoeders zijn voorbestemd om moeslims te worden en de tegenstanders van vandaag zouden de aanhangers van morgen kunnen zijn. Daarnaast zouden degenen die de moeslims uit hun huizen verjoegen zelf de dood vinden terwijl ze ver van huis waren, zoals toen zij Madinah aanvielen om de moeslims te verpletteren.