3- Al-Imraan (De Familie Amram)

HOOFDSTUK 3 Al-Imrān:De Familie Amram

GEOPENBAARD IN

MADINAH: 20 paragrafen; 200 verzen

De naam van dit hoofdstuk komt van ‘Imrān, genoemd in vers 33. ‘imrān is dezelfde als Amram, de vader van Mozes en Aäron. Het is een toepasselijke titel, omdat het hoofdstuk gaat over het aflopen van het profeetschap uit het Mozaïsche stelsel. Het hoofdstuk opent met een stelling die verwijst naar de Goddelijke oorsprong van zowel de Heilige Qoer-ān als de Thora en het Evangelie. Dan volgt een regel aangaande de interpretatie van de tekst, de verwaarlozing waarvan heeft geleid tot talloze vergissingen in religieuze overtuigingen. Deze regel voor interpretatie, die in het achterhoofd gehouden moet worden bij het interpreteren van alle Goddelijke boeken, stelt dat elke allegorische stelling zo geïnterpreteerd moet worden dat zij niet in tegenspraak is met de duidelijke grondbeginselen die zijn vastgelegd door Goddelijke openbaring. Daar het christelijke geloof in werkelijkheid gebaseerd is op de verkeerde interpretatie van bepaalde allegorische stellingen, is de regel hier toepasselijk vastgelegd als een inleiding op de discussie over het christelijk geloof.

De inleidende opmerking van de eerste paragraaf worden in de tweede paragraaf gevolgd door een uitspraak over de Eenheid van Allāh, die geoneerd wordt als de eenduidige basis van alle religies, en haar definitieve zege wordt voorspeld. De derde paragraaf verwijst naar het verscheiden uit het huis van Israėl van het geestelijk koninkrijk, dat nu aan een ander volk werd gegund. De laatstgekozen leden van het Israëlische ras worden in de vierde paragraaf genoemd. Onder hen is Jezus, en verscheidene misverstanden over hem maken een tamelijk lange uitwijding in de twee volgende paragrafen noodzakelijk. De zevende paragraaf zet de discussie met de joden en de christenen voort, terwijl de achtste gaat over hun pogingen om de Islām in diskrediet te brengen. De negende spreekt van de getuigenis van eerdere Boeken en profeten van de waarheid van de Islām, terwijl de tiende de overweldigende getuigenis vermeldt die verschaft werd door de Ka‘bah, het nieuw geestelijk centrum van de wereld. Dit wordt in de volgende paragraaf gevolgd door een vermaning aan de moeslims om verenigd te blijven als ze zege willen behalen. In het zich van de komende conflicten wordt hen in de volgende paragraaf verteld dat ze een omzichtige relatie met de joden moeten onderhouden, die, terwijl ze uiterlijk vriendelijk zijn, in hun hart de moeslims vijandig gezind waren. De voorvallen in de slag bij Oehoed, de oorzaken van de onfortuinlijkheden die daar gebeurden, en hoe de zege behaald kan worden, zijn de punten die in paragraaf dertien tot en met achtien behandeld worden. De negentiende gaat over de kleinzieligheid van de Mensen van het Boek, terwijl de twintigste de uiteindelijk zege van de gelovigen behandelt.

Het belang van het verband van dit hoofdstuk met het voorgaande kan beoordeeld worden aan de hand van het feit dat ze, samengenomen, zahrāwān (wat de twee helderen en schijnenden betekent) genoemd worden. De twee kunnen in feite als één hoofdstuk beschouwd worden, daar ze elkaar aanvullen en uitleggen. Het tweede hoofdstuk begint met een discussie met de joden, en gaat uitgebreid in op hun standpunten, terwijl er slechts kort naar de christenen wordt verwezen. Het derde hoofdstuk opent met een discussie met de christenen, en gaat uitgebreid in op hun standpunten, terwijl er slechts kort naar de joden wordt verwezen. Nogmaals, het tweede hoofdstuk gaat in het bijzonder over de noodzaak te vechten tegen een vijand die gebrand was op de volledige vernietiging van de Islām, terwijl het derde gaat over de gebeurtenissen tijdens een van de gevechten die de vijand begon met als doel de Islām weg te vagen door zijn bolwerk in Madinah te vernietigen.

Dit gehele hoofdstuk is geopenbaard in Madinah en het wordt algemeen gezien als het tweede of derde in de volgorde van de Madinah-openbaring (Itq). Het latere deel, vanaf paragraaf 13 tot bijna aan het einde, verhaalt onmiskenbaar van de gebeurtenissen in de slag bij Oehoed, en daarom kan worden vastgesteld dat het derde jaar van de Hidjrah het jaar van openbaring is. Het eerste deel, vooral de behandeling van de geboorte en het ambt van Jezus, zou volgens sommigen geopenbaard zijn bij gelegenheid van het bezoek van een afvaardiging van de christenen uit Nadjrān, dat plaatsvond in het tiende jaar van de Hidjrah, maar daar is geen bewijs voor. Het hele hoofdstuk behoort tot het derde jaar van de Hidjrah, met een mogelijke uitzondering van v. 60 dat over Moebāhalah gaat, en geopenbaard kan zijn bij de gelegenheid van het bezoek van de afvaardiging uit Nadjrān.

 

PARAGRAAF 1: Regels voor de Interpretatie

Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam vanAllāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

1 ’Alif Laaam Mien.

1 (Ik, Allāh, ben de beste Weter,a

 

2 ‘Allaahu laaa ‘ilaaha ‘illaa Huwal-Hayyul Qayyoem.

2 Allāh, (er is) geen god behalve Hij, de Eeuwiglevende, de Op-Zichzelf-bestaande, Die laat bestaan.a

 

3 Nazzala ‘alaykal-Kitaaba bil-Haqqi musaddiqal-limaa bayna yadayhi wa ‘anzalat-Tawraata wal- ‘Indjiel.

3 Hij heeft aan jou het Boek met waarheid geopenbaard,a dat bevestigt wat ervoor is, en Hij openbaarde de Thora en het Evangelieb

 

4 Min-gablu Hudal-linnaasi wa ‘anzalal-Furqaan. ‘Innallaziena kafaroe bi-‘aayaatil-laahi lahum ‘azaa- bun-sjadied : wallaahu ‘Aziezun-Zuntiqaam.

4 Eertijds, een leidraad voor de mensen,a en Hij stuurde het Onderscheid.b Voor degenen die niet geloven in de boodschap van Allāh is er een zware straf. En Allāh is Machtig, de Heer van vergelding.c

 

5 ‘Innallaaha laa yag-faa ‘alayhi sjay-‘un-fil-‘ardi wa laa fis-samaaa’.

5 Waarlijk niets op aarde of in de hemel is verborgen voor Allāh.

 

6 Huwallazie yusaw-wieroekum fil-ar-haamie kayfa yasjaa. Laa ‘ilaaha ‘illaa Huwal–Aziezul-Hakiem.

6 Hij is het die jullie vormt in de schoot zoals het Hem behaagt. Er is geen god behalve Hij, de Machtige, de Wijze.

 

7 Huwallazie’ anzala ‘alaykal-Kitaaba minhoe ‘aayaatum-Mugamaatun hunna ‘Ummul-Kitaabi wa ‘ugaru Mutasjaabihat. Fa-‘ammal-laziena fie quloebihim zay-ghun-fayattabi-‘oena maa tasjaabaha minhubtighaaa-‘al-fitnati wabtighaaa-‘a ta’-wielih. Wa maa ya’-lamu ta-wielahoe ‘illallaah. War-Raasigoena fil–‘ilmi yaqoeloena ‘aamannaa bihie kullummin ‘indi Rabbinaa: wa maa yazzakkaru ‘illaaa ‘ulul-‘albaab.

7 Hij is het Die het Boek aan jou heeft geopenbaard; sommige van zijn verzen zijn eenduidig – zij vormen de basis van het Boek – en andere zijn allegorisch.a En degenen in wier harten verdorvenheid huist volgen het deel dat allegorisch is, en proberen te misleiden, en proberen om er (hun eigen) interpretatie aan te geven.b En niemand kent er de interpretatie van behalve Allāh, en degenen met een diepgewortelde kennis. Zij zeggen: Wij geloven erin, het komt allemaal van onze Heer.c En niemand neemt het in acht, behalve mensen met verstand.
 

8 Rabbanaa laa tuzigh quloebanaa ba’-da ‘iz hadaytanaa wa hab lanaa milladunka rahmah; ‘innaka ‘Antal-Wahhaab.

8 Onze Heer, maak dat onze harten niet afdwalen nadat U ons heeft geleid en schenk ons Uw genade; Waarlijk bent U de meest vrijgevige Gever.

 

9 Rabbanaa ‘inaka yaami-‘unaasi li-Yawmil-laa rayba fieh: ‘innallaaha laa yug-lifuelmie-‘aad.

9 Onze Heer, waarlijk bent U de Samenbrenger van mensen op een dag waarover geen twijfel bestaat. Allāh zal zeker niet falen in (Zijn) belofte.a


1a. Zie 2:1a voor uitleg.

2a. In overeenstemming met haar karakter, het indruisen tegen de christelijke doctrine – een controverse die tot aan het 83e vers wordt voortgezet – opent het hoofdstuk passend met twee eigenschappen van het Goddelijke Wezen, de Eeuwiglevende en de Op-Zichzelf-Bestaande, die de genadeslag toedienen aan de leer van de goddelijkheid van Jezus Christus. De verklaring dat er geen god behalve Hij is, geeft in vier woorden op ideale wijze uitdrukking aan de religie van de Islām.

3a. Om het eenvoudig te houden vertaal ik haqq met waarheid, maar haqq betekent vooral geschikt voor de vereisten van wijsheid, recht, rechtvaardigheid, waarheid of feit; of voldoet aan de dringende behoe4ften van de situatie (R, LL). Daarom is de ware betekenis van de zinsnede dat de openbaring van de Qoer-ān voldoet aan de eisen van waarheid en rechtvaardigheid, en aan de dringende behoeften van de situatie. Met andere woorden, hij werd geopenbaard op een tijdstip dat de mensheid een openbaring het hardst nodig had. Dit argument voor zijn waarheid kan zelfs door de meest vijandige criticus niet worden weerlegd. Om maar te zwijgen over eerdere godsdiensten; het Christendom, wat toen de nieuwste fase van monotheïsme was, was tot op het bot verdorven. : Het Christendom van de zevende eeuw," zegt Muir, "was zelf vervallen en verdorven. Het werd onbruikbaar gemaakt door wedijverende schisma’s, en had het zuivere expansieve geloof van eerdere tijden vervangen door de kinderachtigheden van bijgeloof" ("Life of Mohamet," intr., p. lxxxiii).

De commentatoren leggen bi-l-haqq uit als het aanwijzen van de juiste weg tussen de verschillen die daarvoor bestonden, of als een juiste weergave van de voorbije geschiedenissen van de profeten, of als eerlijk zijn met betrekking totde beloftes en dreigementen betreffende de toekomst, om zo gelovigen op het juiste pad te houden (Rz). Sommige commentatoren leggen het uit als met argumenten en bewijs (AH).

3b. De Taurāt en de Indjil worden in het gehele voorgaande hoofdstuk niet met nam genoemd, maar er wordt wel regelmatig naar verwezen, vooral naar de eerste, met de woorden hetgeen jullie hebben. Taurāt is de naam die aan de boeken van Mozes, ofwel de Pentateuch, is gegeven en vandaar dat de juiste vertaling het Hebreeuwse woord Thora is. De Taurāt duidt niet op het Oude Testament, want dat is de naam van de gehele verzameling boeken van de Israëlitische profeten. In de Hebreeuwse literatuur staat Thora voor de geopenbaarde wil van Allāh. Het woord Kitāb, Boek, draagt echter een bredere betekenis en betekent soms het Oude Testament en soms de Bijbel.

Het woord Indjil duidt niet op het Nieuwe Testament, zoals verondersteld wordt door Muir en anderen. Volgens de Heilige Qoer-ān is er na Jezus geen profeet meer verschenen aan wie een boek is geopenbaard, en omdat hij de laatste Israëlitische profeet was, werd hem een openbaring geschonken die Indjil wordt genoemd, wat staat voor het Evangelie of de Boodschap, en wat letterlijk goede boodschap betekent. De reden waarom de openbaring aan Jezus Evangelie, of goede boodschap werd genoemd, is dat het blij nieuws bracht over de komst van de laatste der profeten. In de metaforische taal van Jezus wordt dit op verschillende manieren beschreven als de komst van het koninkrijk Gods (Mar. 1:15), de komst van de Heer (Matt. 21:40), de verschijning van de Trooster (Joh. 14:16), of de Geest van de Waarheid (Joh. 14:17), enzovoort. Niet alleen worden de Handelingen, de Brieven en het Boek der Openbaring niet erkend door de Qoer-ān als onderdelen van de Indjil of het Evangelie, maar hij erkent zelfs de Evangeliën volgens Matteüs, enz. niet als de Indjil die geopenbaard werd aan Jezus Christus, hoewel de huidige Evangeliën fragmenten van de orginele leer zouden kunnen bevatten. Deze kijk op het Evangelie zoals de Qoer-ān die aanhoudt wordt nu gezien als de juiste, daar alle kritiek verwijst naar een origineel van de synoptische evengeliën, dat nu volledig verloren is. De Qoer-ān suggereert nergens dat de originele Indjil, de openbaring aan Jezus Christus, bestond ten tijde van de Heilige Profeet (s.a.w.).

4a. De Thora en het Evangelie vormden zonder twijfel een leidraad in de tijd vóór de Qoer-ān. Maar zelfs in hun huidige vorm bieden zij in vele opzichten leiding met een mengeling van fouten, en bevatten zij talloze voorspellingen die vervuld zijn met de komst van de Profeet Moehammad (s.a.w.).

4b. zie 2:53a voor een uitleg van het woord Foerqān. De Heilige Qoer-ān wordt hier genoemd bij de naam Foerqān, of dat wat onderscheid maakt tussen waarheid en leugen. Dit verwijst naar het feit dat de Qoer-ān gezonden werd om de waarheid die gevonden kon worden in eerdere openbaringen te scheiden van de leugen die erin was geslopen. Daar de Foerqān of het Onderscheid in het geval van de Heilige Profeet (s.a.w.) ook door middel van de strijd bij Badr werd verleend, wordt in vers 12 naar dit vooral verwezen als een voorloper op de werkelijke controverse.

4c. Intiqām is afgeleid van niqmah, wat de vergelding van iemand die schuldig is betekent (R, T). Het brengt het idee over van wraak maar niet van wraakzuchtigheid. Intaqamtoe minhoe betekent ik legde hem en ernstige straf op, om wat hij gedaan had, of ik strafte hem (LL). Dzoe-ntiqām, als een eigenschap van het Goddelijke Wezen, betekent de Brenger van vergelding of de Heer van vergelding.

7a. Er wordt hier van de verzen van het Heilige Boek gezegd dat ze deels moehkam (eenduidig) zijn en deels moetasjābih (allegorisch). In 11:1 wordt over heel de Qoer-ān gesproken als een Boek waarvan de verzen duidelijk zijn gemaakt, en in 39:23 wordt het kitāb-an moettasjābih-an, een boek, consistent in zijn bevelen genoemd. Er is geen diepzinnige overpeizing nodig om aan te tonen dat er geen discrepantie bestaat tussen de drie beweringen; ze leggen elkaar eigenlijk uit. Letterlijk betekent moehkam (van) hakama, wat hij voorkomt betekent, vanwaar ahkama, m.a.w. hij maakte iets stevig of stabiel) dat waarvan de betekenis veilig is voor verandering en wijziging. Moestasjābih (van sjibh, wat gelijkenis of overeenkomst betekent) is dat wat gelijksoortig is aan of wat in overeenstemming is met haar verschillende delen, en moetasjābihāt zijn daarom dingen die gelijk aan elkaar zijn of die op elkaar lijken, en dus ontvankelijk voor verschillende interpretaties (LL). Als er dus gesteld wordt dat het hele Boek moehkam is, wordt er bedoeld dat al zijn verzen eenduidig zijn, en als de Qoer-ān moetasjābih (39:23) wordt genoemd, is de betekenis dat het geheel in overeenstemming is met zijn verschillende delen. In het hier besproken vers wordt de belangrijke grondregel vastgelegd die bepaalt hoe verzen die ontvankelijk zijn voor verschillende interpretaties zo geïnterpreteerd kunnen worden dat een eenduidige betekenis aan hen kan worden toegekend. De Qoer-ān, zo wordt ons hier verteld, legt bepaalde grondregels, vast, in heldere bewoordingen. Deze moeten als basis worden genomen, terwijl de interpretatie van stellingen die gedaan worden in allegorische bewoordingen of die ontvankelijk zijn voor verschillende betekenissen, steeds in overeenstemming moet zijn met de andere delen en de geest van het Boek. In feite is dit bij elk geschrift zo. Als een zekere wet wordt vastgelegd in een boek in niet mis te verstane woorden, moet elke stelling die een twijfelachtige betekenis heeft of een die kennelijk tegengesteld is aan de zo vastgelegde wet, geïnterpreteerd worden volgens de geformuleerde grondregel. Het onderwerp wordt hier heel toepasselijk behandeld als een voobode voor een menigsverschil met de christenen, die goddelijkheid toeschrijven aan Jezus en die de leer van boetedoening door bloed aanhangen op basis van bepaalde meerduidige woorden of allegorische stellingen, zonder aandacht te schenken aan de fundamentele grondregels die vastgelegd zijn door eerdere profeten.

7b. De fitnah is het misleiden van de mensen (T, LL), of het zaaien van oneenigheid, of verschil van mening (Q, LL), door aan één deel een interpretatie toe te kennen die door een ander deel wordt weerlegd. Ta‘wil (van aul, terugkeren) is de laatste van een reeks of het einde van iets, of de interpretatie van wat meerduidig of allegorisch is, zoals de interpretatie van dromen, enz. Kf legt ta‘wila-hoe hier uit als de interpretatie die zij verlangen, en dit is volgens AH hier de betekenis; vandaar de toevoeging in de vertaling van de woorden hun eigen tussen haakjes. Ze nemen niet de moeite om naar de juiste interpretatie te zoeken, die alleen gevonden kan worden door te verwijzen naar de grondregels die elders zijn vastgelegd. De woorden kunnen ook betekenen dat zij een interpretatie toekennen aan een meerduidig vers op zich, d.w.z. zonder zijn samenhang met andere vergelijkbare verzen of elders vastgelegde grondregels te overwegen.

7c. Deze woorde verschaffen een aanwijzing voor de juiste wijze van interpreteren. De woorden het komt allemaal van onze Heer betekent dat er geen onenigheid bestaat tussen de verschillende delen van het Heilige Boek. De regel die zij volgen voor een juiste interpretatie is dus dat zij passages, die ontvankelijk zijn voor verschillende interpretaties, vergelijken met die waarvan de betekenis overduidelijk is of met soortgelijke passages, en bepaalde stellingen onderwerpen aan algemene grondprincipes. Door zo diverse pasages met elkaar te vergelijken, ontdekken ze de ware betekenis van meerduidige passages. Vandaar dat van zulke mensen gezegd wordt dat ze de ware interpretatie van allegorische verzen kennen (B. 65:iii, 2).

9a. Dit lijkt een verwijzing te zijn naar de samenkomst van vijandige strijdkrachten tijdens de veldslagen, en naar Allāh’s belofte om de zege te gunnen aan de gelovigen. De verzen die volgen laten hierover geen twijfel bestaan; zie vooral v. 12.

 

PARAGRAAF 2: Eenheid als basis van alle religies

 

10 ‘Innal-laziena kafaroe lantugh-niya ‘anhum ‘amwaaluhum wa laaa ‘awlaaduhum-minallaahi sjay-‘aa : wa ‘ulaaa-‘ika hum waqoedun-Naar.

10 Voor degenen die niet geloven, zullen noch hun rijkdom noch hun kinderen hen tot baat zijn tegenover Allāh. En zij zullen dienen brandstof voor het Vuura

 

11 Kada’-bi ‘aali Fir-‘awna wallaziena min-qablihim. Kazzaboe bi-‘aayaatinaa, fa-‘agazahumullaahu bi-zunoebihim: wallaahu Sjaddiedul-‘iqaab.

11 Zoals het geval was met het volk van Farao, en degenen vóór hen! Zij verwierpen Onze boodschap, en dus vernietigde Allāh hen vanwege hun zonden.a En Allāh is Streng met vergelden (van kwaad).

 

12 Qul-lillaziena kafaroe sa-tughlaboena wa tuhsjaroena ‘ilaa Djahannam; wa bi’-sal-mihaad!

12 Zeg tegen degenen die niet gelovigen: jullie zullen worden overwonnen en worden samengedreven in de hel; en kwaadaardig is de rustplaats.a

 

13 Qad kaana lakum ‘Aayatun-fie fi-‘ataynil-taqataa : fi-‘atun-tuqaa-tilu fie Sabie-lillaahi wa ‘ugraa kaafiratuny-yaraw-nahum-mis-layhim ra’-yal-‘ayn. Wallaahu yu-‘ayyidu bi-nasrihie many-yasjaaa. ‘Inna fie zaalika la-‘ibratal-li-‘ulil-‘absaar.

13 Inderdaad school er en teken voor jullie in de twee legers (die) tegenover elkaar kwamen te staa – de ene groep strijdend langs Allāh’s weg en de andere ongelovig, die zij met eigen ogen zagen als met tweemaal zoveel als zijzelf.a En Allāh strekt met Zijn hulp wie het Hem behaagt. Hierin schuilt een les voor degenen die ogen hebben.

 

14 Zuyyina linnaasi hubbusj-sjahawaatie minan-nisaaa-‘i walbaniena wal-qanaatieril-muqantarati minazzahabi wal-fizzati wal-gay-lil-musawwamati wal-‘an-‘aami wal-hars. Zaalika mataa-‘ul-hayaatid-dunyaa; wallaahu ‘indahoe husnul-ma-‘aab.

14 Schijnbaar mooi gemaakt voor de mensheid is de liefde voor verlangens, voor vrouwen en zonen en verzamelde schatten van goud en zilver en raspaarden en vee en bouwland. Dit is de voorziening voor het leven in deze wereld. En Allāh – bij Hem ligt het goede doel (van het leven).a

 

15 Qul ‘a-‘unabbi-‘ukum-bigayrim-min-zaalikum? Lillazienat-taqaw ‘inda Rabbihim Djannaatun-tadjrie min-tahtihal-‘anhaaru gaalidiena fiehaa wa ‘azwaadjum-mutah-haratunw-wa rizwaanum-minallaah. Wallaahu Basierum-bil-‘ibaad,-

15 Zeg: Zal ik jullie vertellen over wat beters is dan alles? Voor degenen die zich hoeden voor het kwaad zijn er Tuinen bij hun Heer, waardoor rivieren stromen, om in te verblijven, en zuivere metgezellen en Allāh’s aanzienlijk genoegen.a En Allāh is Die de dienaren ziet.

 

16 ‘Allaziena yaqoeloena Rabbanaaa ‘innanaaa ‘aamannaa faghfir lanaa zunoebanaa waqinaa ‘azaa- ban-Naar;-

16 Degenen die zeggen: Onze Heer, wij geloven, dus vergeef ons onze zonden en behoed ons voor de straf van het vuur.

 

17 ‘As-Saabiriena was-Saadiqiena wal-Qaanitiena wal-Munfiqiena wal-Mustagfiriena bil-‘asjaar.

17 De geduldigen en de waarheidlievenden en de gehoorzamen, en degenen die uitgeven en degenen die vragen om Goddelijke bescherming tijdens de ochtend.a

 

18 Sjahi-dallaahu ‘anna-Hoe laaa ‘ilaaha ‘illaa Huwa walmalaaa-‘ikatu wa ‘ulul-‘ilmi qaaa-‘imam-bil-qist. Laaa ‘ilaaha ‘illaa Huwal–‘Aziezul-Hakiem.

18 Allāh getuigt dat er geen god bestaat behalve Hij, en (dit doen ook) de engelen en degenen in het bezit van kennis,a (zij) handhaven gerechtigheid.b Er is geen god behalve Hij, de Machtige, de Wijze.

 

19 ‘Innad-Diena ‘indallaahil-‘Islaam. Wa magtalafal-laziena ‘oetul-Kitaaba ‘illaa mimba’-di maa djaaa-‘ahumul-‘ilmu baghyam-baynahum. Wa many-yakfur bi-‘Aayaatillaahi fa-‘innallaaha Sarie-‘ul-hisaab.

19 De (ware) religie bij Allāh is waarlijk de Ism.a En degenen aan wie het Boek werd gegeven verschilden pas van mening nadat er kennis tot hen was gekomen, ontstaan uit onderlinge jaloezie. En voor wie niet gelooft in de boodschapper van AllāhAllāh is zeker Snel met afrekenen.

 

20 Fa-‘in haaadjdjoeka faqul ‘aslamtu wadjhiya lillaahi wa manittaba-‘an. Wa qul lillaziena ‘oetul- Kitaaba wal-‘ummiyyiena ‘a-‘aslamtum? Fa-‘in ‘as-lamoe faqadih-tadaw. Wa ‘in-tawal-law fa-‘innamaa ‘alaykal-balaagh: wallaahu Basierumbil-‘ibaad.

20 Maar wanneer zij met jou redetwisten, zeg dan: Ik onderwerp mij volledig aan Allāh en (zo ook) wie mij volgt. En zeg tegen degenen aan wie het Boek werd gegeven en tegen de Ongeletterde (mensen): Onderwerpen jullie je?a Wanneer zij zich onderwerpen volgen zij zeker de juiste weg; en wanneer zij terugkeren is jouw taak slechts het brengen van de boodschap. En Allāh is Degene Die de dienaren ziet.


10a. Vv. 10–12 bevatten een duidelijke voorspelling omtrent de overwinning op de tegenstanders van de Profeet (s.a.w.). Hoewel de Qoeraisj een verpletterende nederlaag hadden geleden in de slag bij Badr, konden ze nog steeds een sterke krijgsmacht bijeenroepen tegen de moeslims, die met zeer weinigen waren. De moeslims waren nog te zwak en liepen het gevaar te worden vernietigd door hun tegenstanders. Ze werden nog tweemaal werkelijk aangevallen, eenmaal in de slag bij Oehoed en nogmaals in de slag van de Bondgenoten, door sterke krijgsmachten die de moeslims verpletterd zouden hebben als die geen Goddelijke hulp hadden gekregen.

11a. Dzanb betekent oorspronkelijk de staart van iets afhalen, en het is van toepassen op elke daad waarvan het gevolg onaanvaardbaar is of verderfelijk (R). Volgens LL betekent dzanb een zonde, een misdaad, een fout, een overtreding of een daad van ongehoorzaamheid. Het zou verschillen van ithm omdat het ofwel opzettelijk ofwel door onoplettendheid wordt begaan, terwijl ithm vooral opzettelijk is (LL). Men kan dus zien dat dzanb een woord is met een brede betekenis, en dat het toepasbaar is op alle tekortkomingen die voortkomen uit onachtzaamheid onkunde of perversiteit, en zelfs op gebreken of onvolmaaktheden waarvan de gevolgen onaanvaardbaar zijn. Het dekt iedere vorm van tekortkomingen, van de grofste overtredingen van de zondaars tot die gebreken en onvolmaaktheden waarvan zelfs de rechtschapenen niet vrij zijn.

12a. Dit is een van de passages waarin de straf in dit leven, vernietiging, in één adem genoemd wordt met de straf in het Hiernamaals, de hel.

13a. Er wordt hier verwezen naar de slag bij Badr. De betekenis is dat in de ogen van de moeslims de ongelovigen met tww keer zoveel waren als zijzelf. De stelling spreekt die uit 8:44 niet tegen: "En toen Hij hen, toen jullie elkaar ontmoetten, in jullie ogen deed voorkomen als met weinigen, en Hij jullie in hun ogen deed voorkomen als met weinigen." De werkelijke omvang van de partijen was: Qoeraisj ongeveer 1000, moeslims 313. De verklaring die in dit vers gegeven wordt, is dat in de ogen van de moeslims de ongelovigen met twwe maal zoveel waren als zijzelf. Daardoor waren zij in de ogen van de moeslims, nog steeds met minder dan hun werkelijke omvang, en dit is wat er in 8:44 gezegd wordt. Vers 8:66 helpt ons te begrijpen waarom zij aan de moeslims werden getoond als zijnde met twee maal zoveel als zijzelf: "Dus als er onder jullie honderd standvastigen zijn, zullen zij er tweehonderd overwinnen; en als er duizend van jullie zijn, zullen zij er, met Allāh’s toestemming, tweeduizend overwinnen." Het deel van de vijand dat niet werd gezien door de moeslims bevond zich achter een heuvel.

De slag bij badr wordt hier vermeld als een bewijs voor de waarheidsgetrouwheid van de Profeet (s.a.w.), niet alleen vanwege de voorspellingen omtrent de overwinning in de Qoer-ān, maar ook vanwege de duidelijke voorspelling in Jesaja, waar, nadat hij had gesproken over een toekomstige gebeurtenis in het land van Arabië (Jes. 21:13) de Profeet verder zegt: "Brengt de dorstige water tegemoet, inwoners van het land Tema; gaat de vluchteling tegen met brood. Want voor de zwaarden zij zij gevlucht, voor het getrokken zwaard, en voor de gespannen boog en voor de druk van de oorlog. Want aldus heeft de Here tot mij gezegd: Binnen nog een jaar, naar de jaren van een dagloner, zal het gedaan zijn met al de heerlijkheid van Kedar; en gering zal het aantal bogen van de helden der Kedarieten zijn, dt overblijft" (Jes. 21:14–17 ). Kedar was de zoon van Ismaël (Gen. 25:13). En het woord wordt vrijelijk gebruikt in de Bijbel voor de Arabische stam die uit hem voortkwam (Ps. 120:5; Jes. 42:11; 60:7, enz.). Er is slechts één persoon in de geschiedenis wiens vlucht tot een gedenkwaardige gebeurtenis is geworden als he begin van een Tijdperk. Het was Moehammad (s.a.w.) die, vergezeld van één trouwe metgezel, vluchtte voor de getrokken, zwaarden van de garde die zijn huis omsingelde, en het was een jaar na zijn Vlucht dat de glorie van Kedar verdween in de slag bij Badr, die plaatsvond in het tweede jaar van de Vlucht. De slag bij Badr was dus een teken voor de joden en ook voor de christenen vanwege de vervulling van de voorspellingen in de Bijbel. Het tweede jaar na de Vlucht was nog niet geëindigd toen de macht van Kedar gebroken werd bij Badr.

14a. Dit vers zet de verlangens van wereldse mensen af tegen die van de gelovigen. Er wordt ons hier verteld dat, hoewel de pleziertjes van dit leven hun aantrekkingskracht hebben, het verlangen om bij Allāh te zijn het doel is dat de echte gelovige zichzelf stelt. Het is door "verzamelde schatten van goud en zilver" dat de christelijke naties weggeleid zijn van Allāh.

15a. Zie 2:25b voor de metgezellen in het paradijs, Allāh’s aanzienlijk genoegen is een van de zegeningen van het paradijs, en elders wordt het de grootste zegening van het paradijs genoemd (9:72). De toevoeging van dit woord hier toont dat de zegeningen van het paradijs geestelijk zijn.

17a. Zie 2:286a voor de betekenis van istighfār. Zoals daar wordt aangetoond is istaghfār in werkelijkheid een gebed om zondeloosheid te bereiken. Dat dit de juiste betekenis is wordt hier bewezen. Van de rechtschapen dienaren van Allāh wordt hier gezegd dat zij over de volgende grootste kwaliteiten beschikken: standvastigheid, oprechtheid en gehoorzaamheid aan Allāh, zij geven uit langs Allāh’s weg en, als laatste, zij zijn moestaghfirien, of zij nemen hun toevlucht tot istighfār, wat bewijst dat dat een van de hoogste stadia is die de geestelijke bedevaartganger beoogt.

18a. Allāh getuigt van Zijn Eenheid door middel van de natuur, wat Zijn hanwerk is, en ook door middel van Zijn woord, dat door openbaring bekendgemaakt is. De engelen getuigen door hun uitwerking in de mens, wiens aard getuigt van de Goddelijke Eeinheid. Diegenen die over ware kennis beschikken van de heilige geschriften van welke religie dan ook, getuigen ook van de grote waarheid van de Eenheid van Allāh. De Eenheid van Allāh is, in feite, het algemene grondbeginsel dat door alle religies wordt erkend. De gehele schepping, de aard van de mens, en de brede en algemene grondbeginselen van alle religies zijn unaniem in het uitroepen van de Goddelijke Eenheid, terwijl de Drieëenheid van het christelijke geloof slechts een leerstelling op zichzelf is, die geen enkele steun vindt in de fysieke natuur, in de aard van de mens of in de religie van de mensheid.

18b. De woorden handhaven gerechtigheid kunnen Allāh kwalificeren als de ware Handhaver van gerechtigheid. Maar in overweging genomen wat in het volgende vers gezegd wordt over de onrechtvaardigheid van diegenen aan wie kennis was geschonken, is het logischer dat de woorden degenen in het bezit van kennis omschrijven. Dit betekent dan dat iedereen die in het bezit is van kennis, tot welke godsdienst hij ook behoort, getuigt van de grootse waarheid van Goddelijke Eenheid wanneer hij gerechtigheid handhaaft door hiervan te getuigen.

19a. Een uitleg van wat de Islām is, is al gegeven in 2:112a. Volgens de Heilige Qoer-ān was de Islām de religie van alle profeten. Hij wordt met name verschillende malen genoemd als de godsdienst van Abraham, en bij één gelegenheid wordt er over de Israëlitische profeten die Mozes opvolgden gesproken als de profeten die zichzelf onderwierpen (aan Allāh), alladzina aslamoe (5:44). De Islām is niet alleen de religie van alle profeten, maar volgens de Heilige Qoer-ān is hij ook de natuurlijke religie van de mens, aangezien het in 30:30 beschreven wordt als "de natuur die door Allāh is gemaakt, waarin Hij de mensen heeft geschapen”. Dit wordt ondersteund door een uitspraak van de Profeet (s.a.w.): “Elk kind wordt geboren in de Islām: het zijn zijn ouders die hem tot een jood of een christen maken" *B. 23:79).

Het woord Islām betekent niet alleen onderwerping, maar ook het binnentreden van vrede, van aslama, wat hij trad vrede binnen betekent. In feite is het idee van vrede het overheersende idee in de Islām, en het doel warnaar de Islām leidt wordt de woonplaats van vrede genoemd (10:25).

20a. Met de Ongeletterde mensen worden de Arabieren bedoeld; zie 2:78a.

 

PARAGRAAF 3: Het koninkrijk wordt geschonken aan een ander volk

 

21 ‘Innallaziena yakfuroena bi-‘Aayaatiellaahi wa yaqtuloenan-nabiyyiena bi-ghayri haqqinw-wa yaqtuloenal-laziena ya’-muroena bil-qisti minannaasi fa-basj-sjirhum-bi-‘azaabin ‘aliem.

21 Degenen die niet geloven in de boodschap van Allāh en die profeten ten onterecht zouden doden en die degenen onder de mensen doden die rechtvaardigheid eisen, verkondig hen een pijnlijke straf.a

 

22 ‘Ulaaa-‘ikallaziena habitat ‘a’-maaluhum fid-dunyaa wal-‘aagirati wa maa lahum- minnaasirien.

22 Zij zijn het wier daden geen nut zullen hebben in deze wereld en in het Hiernamaals, en zij zullen geen hulpers hebben.a

 

23 ‘Alam tara ‘ilal-laziena ‘oetoe nasiebam-minal-Kitaabi yud-‘awna ‘ilaa Kitaabillaahi li-yah-kuma baynahum summa yata-wallaa fariequm-minhum wa hum-mu’-rizoen.

23 Heb je degenen niet gezien aan wie een deel van het Boek werd gegeven?a Zij worden uitgenodigd tot het Boek van Allāh opdat het tussen hen mag beslissen, dan draait een deel van hen zich om, en zij trekken zich terug.b

 

24 Zaalika bi-‘annahum qaaloe lan-tamassa-nan-Naaru ‘illaaa ayyaamam-ma’-doedaat: wa garrahum fie dienihim-maa kaanoe yaftaroen.

24 Dit komt, omdat zij zeggen: Het Vuur zal ons niet langer deren dan een paar dagen; en wat zij verzinnen misleidt hen in hun religie.

 

25 Fa-kayfa ‘izaa djama’-naahum li-Yawmil-laa rayba fieh, wa wuffi-yat kullu nafsim-maa kasabat wa hum laa yuzlamoen?

25 Hoe zal het dan zijn wanneer Wij hen samenbrengen op de dag waarover geen twijfel bestaat. En iedere ziel volledig zal krijgen betaald wat zij heeft verdiend, en hen geen onrecht zal worden aangedaan?

 

26 Qoelillaa-humma Maalikal-Muki tu’-til Mulka man-tasjaaa-‘u wa tanzi-‘ul-Mulka mimman-tasjaaa’. Wa tu-‘izzu man-tasjaaa-‘u wa tuzillu man-tasjaaa’: bi-yadikal-Gayr. ‘Innaka ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

26 Zeg: O Allāh, Eigenaar van het Koninkrijk, U geeft het koninkrijk aan wie het U behaagt, en neemt het koninkrijk af van wie het U behaagt, en U verheft wie het U behaagt en verlaagt wie het U behaagt. In Uw hand ligt het goede. Waarlijk bent U de Bezitter van macht over alle dingen.

 

27 Toelidjul-layla fin-nahaari wa toelidjun-nahaara fil-layl: wa tugridjul-hayya minalmayyiti wa tugridjul -mayyita minal-hayyi wa tarzuqu mantasjaaa-‘u bi-ghayri hisaab.

27 U maakt dat de nacht overgaat in de dag en U maakt dat de dag overgaat in de nacht; en U brengt het levende voort uit het dode en U brengt het dode voort uit de levende; en U geeft mateloos onderhoud aan wie het U behaagt.a

 

28 Laa yattagizil-Mu’-minoenal-kaafiriena ‘awliyaaa-‘a min-doenil–Mu’-minien. Wa many-yaf-‘al zaalika fa-laysa minallaahi fie sjay-‘in ‘illaaa ‘an-tattaqoe minhum tuqaah. Wa yuhazziru- kumullaahu Nafsah; wa ‘ilallaahil-masier.

28 Laat de gelovigen niet liever ongelovigen tot vriend nemen dan gelovigen.a En wie dit doet heeft geen band met Allāh – hoed je echter voor hen,b wees zeer op je hoede. En Allāh waarschuwt jullie voor Zijn vergelding.c En naar Allāh is de uiteindelijk komst.

 

29 Qul ‘in-tugfoe maa fie sudoerikum ‘aw tubdoehu ya’-lam-hullaah. Wa ya’-lamu maa fis-samaawaa- ti wa maa fil-‘ard. Wallaahu ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

29 Zeg: Of jullie verbergen wat zich in jullie afspeelt, of het naar buiten brengen, Allāh weet het. En Allāh is op de hoogte van alles wat er in de hemelen is en van alles wat er op aarde is. En Allāh is de Bezitter van macht over alle dingen.

 

30 Yawma tadjidu kullu nafsimmaa ‘amilat min gayrim-muhzaranw-wa maa ‘amilat minsoe. Ta-waddu law ‘anna baynahaa wa baynahoe ‘amadam-ba-‘iedaa. Wa yuhazzirukumullaahu Nafsah. Wallaahu Ra-‘oefum-bil-‘ibaad.

30 Op de dag dat iedere ziel in de aanwezigheid zal zijn van wat zij aan goed heeft gedaan; en van wat zij aan kwaad heeft gedaan – dan zal zij wensen dat er tussen haarzelf en dat (kwaad) een grote afstand bestond. En Allāh waarschuwt jullie voor Zijn vergelding. En Allāh is Mededogend voor de dienaren.


21a. Zie voor basjsjir 4:138a. De joden worden in het bijzonder vermeld als een volk dat schuldig was aan het proberen te doden van profeten (2:51), maar dit lijkt een verwijzing naar hun plannen om de Heilige Profeet (s.a.w.) te vermoorden, die echter allemaal werden verijdeld.

22a. De betekenis is dat al hun pogingen gericht tegen de Profeet (s.a.w.) vruchteloos zullen zijn, en dat zij zelf teruggebracht zullen worden tot een toestand van hulpeloosheid.

23a. Van de joden wordt gezegd dat zij slechts een deel van het Boek kregen, omdat veel ervan al verloren was gegaan. Bovendien was de Thora geen complete wet.

23b. Sommige commentatoren denken dat deze beslissing werd gegeven in een geval van overspel. Er is echter niet in de Qoer-ān dat een dergelijke waarborgt. Het is natuurlijk opmerkelijk dat, zoals Sale heeft opgemerkt, terwijl de leer van Mozes zoals nu vastgelegd in Lev. 20:10 eenvoudig het ter dood stellen noemt als de straf voor overspel, Joh. 8:5 ons doet begrijpen dat steniging tot de dood erop volgt de werkelijke straf was. Ook van de Profeet (s.a.w.) is bekend dat hij heeft gezegd dat steniging de door de joodse wet voorgeschreven straf voor overspel is, hoewel de rabbijnen het oordeel van hun eigen wet weigerden te aanvaarden. Het lijkt een duidelijk geval van wijziging.

De verwijzing hier is echter naar de brede grondbeginselen van religie waarover de joden, of de joden en de christenen, van mening verschilden. Het Boek van Allāh is de Heilige Qoer-ān die een beslissing bracht aangaande de meningsverschillen tussen de joden en de christenen.

27a. Vv. 26 en 27 verwijzen kennelijk naar het feit dat koninkrijk en eer nu aan een andere natie zullen worden gegeven, waarvan de nacht tot een dag van triomf zal worden gemaakt. Omdat hij er niet in geslaagd is hun ware betekenis te doorgronden, denkt Rodwell dat deze verzen hier misplaatst zijn, "omdat ze de verbinding tussen de voorgaande en volgende verzen onderbreken". De verbinding is duidelijk. De joden waren al door Jezus gewaarschuwd dat "het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt" (Matt. 21:43). Een levende natie van moeslims werd voorgebracht uit de dode Arabieren, en de levende natie van Israëlieten werd nu vertegenwoordigd door een volk dat geestelijk dood was. Vergelijk 4:54: "Maar Wij hebben de kinderen van Abraham immers het Boek gegeven, en de Wijsheid, en Wij hebben hen een groots koninkrijk gegeven."

28a. Het was de moeslims, wanneer zij in staat van oorlog verkeerden met de ongelovigen, verboden bij hun vijanden bescherming te zoeken voor hun belangen of hulp van enigerlei aard. Het duidelijke standpunt dat in 60:8, 9 ingenomen wordt, laat over dit punt geen twijfel: "Aangaande degenen die jullie niet om religie bestrijden en die jullie niet uit jullie huizen verdrijven, verbiedt

Allāh jullie niet dat jullie hen vriendelijk en rechtvaardig behandelen … Allāh verbiedt jullie slechts dat jullie degenen tot vriend nemen die jullie bestrijden om jullie religie, en die jullie uit jullie huizen verdrijven en die (anderen) helpen bij jullie verdrijving; en wie hen tot vriend neemt, dat zijn de kwaaddoeners." Aulijā’, wat ik hier met vrienden vertaal, is het meervoud van wali, wat is afgeleid van een stam die hij voerde het commando over of beheerde of hield toezicht op een ding betekent. Hieruit volgt dat het de beheerder van een ding of van de zaken van een ander betekent, en de beschermer of de voogd van een wees, en de beschermer van een vrouw die haar ten huwelijk geeft. Het betekent ook de executeur-testamentait of de erfgenaam van een overlevende (LL). Volgens R wijst het op nabijheid in zake plaats, relatie en religie, en in zake vriendschap en hulp en geloof, enz. Het woord omvat daarom alle relaties van nabijheid. Van een mens kan ook gezegd worden dat hij wali-Allāh is, in de betekenis van nabij Allāh of een vriend van Allāh.

28b. Dit is een nieuwe zin. Het is alsof er gezegd wordt: Wend jullie niet tot hen voor het beschermen van jullie belangen, bescherm jezelf liever tegen hen.

28c. T legt nafs hier uit als oeqoebah, d.w.z. vergelding. In feite is vergelding van kwaad een eis van Goddelijke aard. Of de betekenis is dat Allāh jullie waarschuwt tegen ongehoorzaamheid aan Hemzelf.

 

PARAGRAAF 4: De laatste Leden van een uitverkoren ras

 

31 Qul ‘in-kuntum tuhibbunallaaha fattabi-‘oenie yuhbib-kumullaahu wa yaghfir lakum zunoebakum : wallaahu Ghafoerur-Rahiem.

31 Zeg: Als jullie Allāh liefhebben, volgt mij: Allāh zal van jullie liefhebben,a en jullie bescherming schenken tegen jullie zonden. En Allāh is Vergevensgezind, Barmhartig.

 

32 Qul ‘atie-‘ullaaha war-Rasoel: fa-‘intawwalaw fa-‘innallaaha laa yuhibul– Kaafirien.

32 Zeg: Gehoorzaam Allāh en de Boodschapper; maar als zij zich terugkeren, Allāh houdt zeker niet van de ongelovigen.

 

33 ‘Innal-laahas-tafaaa ‘Aadama wa Noehanw-wa ‘Aala-‘Ibraa-hiema wa ‘Aala-‘Imraana ‘alal-‘aala- mien,-

33 Waarlijk verkoos Allāh Adam en Noach en de afstammelingen van Abraham en de afstammelingen van Amram boven de naties,a

 

34 Zyrriy-yatam-ba’-duhaa mim-ba’-d: wallaahu Samie-‘un ‘Aliem.

34 Nakomelingen, de een van de ander. En Allāh is Horend, Wetend.a

 

35 ‘Iz qaala-timra-‘atu ‘Imraana Rabbi ‘innie nazartu laka maa fie batnie muharraran-fataqabbal minnie: ‘innaka ‘Antas-Samie-‘ul–‘Aliem.

35 Toen een vrouw van Amram zei: Mijn Heer, ik beloof U plechtig dat wat zich in mijn schoot bevindt, gewijd zal zijn (aan Uw dienst), dus neem (het) van mij aan; U, alleen U, bent waarlijk de Horend, de Wetend.

 

36 Falammaa waza-‘at-haa qaalat Rabbi ‘innie waza’-tuhaaa ‘unsaa! Wallaahu ‘A’-lamu bimaa waza-‘at-wa layaazzakaru kal-‘unsaa. Wa ‘innie sammay-tuhaa Maryama wa ‘innie ‘u-‘iezuhaa bika wa zurriyya-tahaa minasj-Sjaytaanir-Radjiem.

36 Dus toen zij het baarde, zei zij: Mijn Heer, ik heb een vrouw gebaard – en Allāh wist het beste wat zij had gebaarda – en de man is anders dan de vrouw, en ik heb haar Maria genoemd, en ik vertrouw haar en haar nakomelingen toe aan Uw bescherming tegen de vervloekte duivel.b

 

37 Fata-qabbalahaa Rabbuhaa bi-qaboelin hasaninw-wa ‘ambatahaa nabaatan hasananw-wa kaffala- haa Zakariyyaa. Kullamaa dagala ‘alayhaa Zakariyyal-Mihraaba wadjada ‘indahaa rizqaa. Qaala yaa-Maryamu ‘annaa laki haazaa? Qaalat huwa min ‘indillaah: ‘innallaaha yarzuqu many-yasjaaa-‘u bi-ghayri hisaab.

37 Dus nam haar Heer haar met grote instemming tot Zich en zorgde ervoor dat ze goed opgroeide, en vertrouwde haar toe aan Zacharias. Iedere keer dat Zacharias het heiligdom betrad om haar (te zien), vond hij voedsel bij haar. Hij zei: O Maria, vanwaar komt dit tot jou? Zij zei: Het komt van Allāh. Allāh geeft waarlijk mateloos aan wie het Hem behaagt.a

 

38 Hunaalika da-‘aa Zakariyyaa Rabbah: qaala Rabbi hab lie mil-ladunka zuriyyatan-tayyibah: ‘inaka Samie-‘uddu-‘aaa’.

38 Daar bad Zacharias tot zijn Heer, schenkt U mij goede nakomelingen; waarlijk bent U de Verhoorder van de smeekbede.a

 

39 Fanaadat-hul-malaaa-‘ikatu wa huwa qaaa-‘imuny-yusallie fil-Mihraabi ‘annallaaha yubasjsjiruka bi -Yahyaa musaddiqam-bi-Kalimatim-minallaahi wa sayyi-danw-wa hasoeranw-wa Nabiyyam-minas-saalihien.

39 Dus riepen de engelen hem aan terwijl hij stond te bidden in het heiligdom: Allāh geeft jou het goede nieuws van Johannes,a die een woord van Allāh bevestigt,b en die eerzaam is en kuis, en een profeet uit het midden van de rechtschapenen.

 

40 Qaala Rabbi ‘annaa yakoenu lie ghulaamunw-wa qad balagha-niyal-kibaru wamra-‘atie ‘aaqir? Qaala kazaali-kallaahu yaf-‘alu maa yasjaaa’.

40 Hij zei: Mijn Heer, hoe kan ik een zoon krijgen als de ouderdom mij reeds in zijn greep heeft, en mijn echtgenote onvruchtbaar is? Hij zei: Zelfs dan doet Allāh, wat Hem behaagt.a

 

41 Qaala Rabbidj-‘al-lie ‘Aayah! Qaala ‘Aayatuka ‘allaa tukalliman-naasa salaasata ‘ayyaamin ‘illaa ramzaa. Wazkur-Rabbaka kasieranw-wa sabbih bil-‘asjiyyi wal-‘ibkaar.

41 Hij zei: Mijn Heer, wijs mij een teken. Hijzei: Jouw teken is dat je drie dagen lang niet tegen mensen spreekt behalve door middel van tekens.a En gedenk jouw Heer veel en verheerlijk (Hem) in de avond en vroege morgen.


31a. De liefde voor Allāh is het grote doel van het leven waartoe de Islām leidt. Vergelijk Joh. 14:15, 16: “Als jullie van me houden, houd je dan aan mijn geboden. En ik zal de Vader bidden en Hij zal jullie een andere Trooster geven, zodat hij voor altijd bij jullie zal blijven"; en Jih. 15:10: "Als jullie je aan mijn geboden houden, zullen jullie in mijn liefde blijven." Deze Trooster verscheen in de persoon van de Heilige Profeet (s.a.w.). Elders wordt aan de joden en de christenen gezegd dat zij zichzelf "de zonen van Allāh konden worden door de Profeet (s.a.w.) te volgen.

33a. Met deze paragraaf begint het verhaal van Jezus Christus, de centrale figuur in de christelijke religie, en als inleiding wordt ons verteld dat als Jezus door Allāh was uitverkoren, zijn grootse voorouders, Adam en Noach, dat ook waren. Van de afstammelingen van Abraham en Amram wordt dan gezegd dat zij verkozen zijn boven de naties. Zie 2:124a voor de keuze van de afstammemelingen van Abraham. Zij zijn gescheiden in twee takken, de Israëlieten en de Ismaëlieten. De eerste worden hier genoemd als de afstammelingen van ‘Imrān. ‘Imrān uit de Heilige Qoer-ān is dezelfde als Amram uit de Bijbel. De afstammelingen van Amram zijn Mozes en Aäron; Mozes werd de grondlegger van de Israëlitische wet en Aäron werd hoofd van het Israëlitische priesterschap. De laatsten van deze klasse waren Johannes en Jezus. Hun ouders worden hier voor het eerst genoemd, nl. Zacharias en Maria.

34a. Noach was een afstammeling van Adam, Abraham een afstammeling van Noach, en Amram en zijn nakomelingen waren het nageslacht van Abraham, geen apart volk. De reden om ze apart te vermelden is tweeledig: (1) de onmiddelijke afstammelingen van Amram werden de stichters van een grote leer in Israël, en de Israëlische natie werd in feite herboren door hen, en (2) het was met de afstammelingen van Amram dat de Mozaïsche bloeitijd tot een eind kwam.

35a. Imra‘at betekent een vrouw en ook een echtgenote. Ik vat imra‘at ‘Imrān op als een vrouw van de familie van Amram, omdat de naam van een grootse voorouder dikwijls wordt gebruikt om de natie aan te duiden die uit hem is voortgekomen. Zo staat Kedar voor de Ismaëlieten en Israël voor de Israëlieten. Deze interpretatie is volkomen in harmonie met wat gezegd wordt in het voorgaande vers over de verkiezing van de afstammelingen van Amram. Deze algemene uitlating wordt gevolgd door een uitlating die meer toegespitst is. Het tweede geval verwijst ook maar één van de afstammelingen van Amram. Nl. Johannes de Doper, die ook "van priesterlijke afstamming van de kant van beide ouders" was (Bib. Dic., Cambrige University Press). Hoewel we heel weinig weten over de ouders van Maria, geeft het feit dat ze, volgens de enige overlevering die we over haar hebben, van drie- tot twaalfjarige leeftijd gewijd was aan de Tempel, duidelijk aan dat zij tot de priesterklasse behoorde. Ze wordt elders de zuster van Aäron genoemd (19:28) en niet de zuster van Mozes, want het priesterschap was een voorrecht voorbehouden aan de afstammelingen van Aäron. In de Semitische talen worden de woorden ab (vader), oemm (moeder), achi (broer) en oecht (zuster) in een brede betekenis gebruikt, en ze inpliceren niet noodzakelijkerwijs de zeer nauw verwante relaties tussen een echte moeder, vader, broer of zuster. Zo kennen we een uitspraak van de Profeet (s.a.w.) waarin hij over zichzelf spreekt als het gebed van mijn vader Abraham. Jezus werd ook aangesproken als "zoon van David". Volgens de traditie echter, was "Imran de naam van Maria’s vader, en daarom kunnen de woorden imra‘t ‘Imrān de echtgenote van ‘Imrān betekenen.

36a. De woorden en Allāh wist het beste wat zij had gebaard zijn verklarend. Zij had gezworen dat zij het kind zou wijden aan de Tempel, maar een vrouw kon geen priesterwerk doen.

36b. Radjim is afgeleid van de stam radjm, wat het gooien of werpen van stenen betekent, en ook schelden, vloeken,wegsturen, verbannen, afsnijden van vriendelijke omgang (LL). Het betekent daarom vervloekt of weggestuurd uit de Goddelijke aanwezigheid. Dit is wat hier wordt gesuggereerd, en dit wordt duidelijk uit 38:78, waar Satan als volgt wordt aangesproken: "En waarlijk rust Mijn vloek op jou tot aan de dag van het Oordeel." De andere betekenis van radjim, nl. iemand bekogeld met stenen, is hier niet van toepassing. Het is opmerkelijk dat Maria’s moeder tijdens het bidden voor Maria ook bidt voor haar nageslacht, wat aangeeft dat toen zij haar dochter aan de Tempel wijdde, ze nooit het idee had dat zij de rest van haar leven een maagd zou blijven. Aan de andere kant koesterde ze de hoop dat Maria een echtgenote en moeder zou worden.

37a. Er is niets bijzonders aan Maria’s antwoord op de vraag van Zacharias. Het antwoord dat zij voeding van Allāh ontving is het antwoord van iedere devote persoon die gelooft dat Allāh de onderhouder van allen is, en dat daarom alle voorzieningen of onderhoud van Hem afkomstig zijn. Zoals elders: "En er bestaat geen ding, of de rijkdom ervan bevindt zich bij Ons, en Wij zenden het niet neer of de hoeveelheid is bekend" (15:21). Daar Maria verbonden was aan de Tempel, zouden tempelgangers natuurlijk geschenken aan haar brengen, en daar het aan Goddelijke gunst te danken was dat zij deze geschenken ontving, zei zij dat het Allāh was die haar die dingen gaf.

38a. De toewijding van Maria deed in Zacharias een verlangen opwellen naar zulk deugdzaam nageslacht. Elders wordt hij beschreven als biddend voor een zoon die de grootste kwaliteiten van Jakob zou erven, en met wie  Allāh ingenomen zou zijn (19:6).

39a. Het Arabische woord is Jahjā (van de stam hajāt, d.w.z. leven), wat hij zal leven betekent. De Qoer-ān stelt elders dat Zacharias tot Allāh bad, zeggende Ik vrees voor mijn verwanten na mij (19:5), waarbij de angst zonder twijfel te wijten was aan het feit dat zij zondige levens leidden. Vandaar dat de onderliggende betekenis van de naam Jahjā was dat hij niet in zonde zou sterven zoals zijn andere familieleden. R geeft dezelfde uitleg: Hij gaf hem deze naam (Jahjā), omdat zonde niet de oorzaak van zijn dood zou zijn.

39b. De belofte die aan Zacharias werd gedaan was een woord van Allāh, en Johannes was de bevestiging van dat woord, want zijn geboorte bracht de vervulling van de voorspelling. Een woord van Allāh staat daarom voor een Goddelijke voorspelling; zie ook 6:34; 10:64. Enigszins gelijk aan deze uitleg is de uitleg die gegeven wordt door Aboe ‘Oebaidah die kalimat-in min-Allāh interpreteert als een Boek van Allāh (Rz). In 66:12 wordt er over Maria, gezegd: "En zij aanvaardde de waarheid (saddaqat) van de woorden van haar Heer en Zijn boeken, en zij behoorde tot de gehoorzamen." Net als Johannes de bevestiging van een woord van Allāh is, is Maria de bevestiging van de woorden van haar Heer, wat duidelijk de profetische woorden van haar Heer betekent.

Een andere betekenis van het woord kalimah zoals gebruikt in de Heilige Qoer-ān is de schepping van Allāh. Zo zien we in 18:109: "Als de zee als inkt diende voor de woorden van mijn Heer, dan zou de zee zeker zijn uitgeput voordat de woorden van mijn Heer waren uitgeput, zelfs als Wij nog eens zo’n hoeveelheid daaraan hadden toegevoegd." Een soortgelijke uitspraak wordt gedaan in 31:27, en op beide plaatsen is het duidelijk dat de woorden van de Heer Zijn schepping betekenen.

40a. Er is geen ongeloof aan de kant van Zacharias. Het is eenvoudigweg een uitdrukking van verbazing over hoe er een zoon van hem geboren kon worden, daar hij al een zeer hoge leeftijd bereikt had.

41a. De Qoer-ān zegt niet dat Zacharias stom werd. Hem werd alleen bevolen drie dagen niet tegen mensen te spreken en Allāh tijdens deze dagen veel te degenken.

 

PARAGRAAF 5: De geboorte van Jezus en zijn ambt

 

42 Wa ‘iz qaalatil-maalaaa-‘ikatu yaa-Maryamu ‘innallaahas-tafaaki wa tahharaki wastafaaki ‘alaa nisaaa-‘il-‘aalamien.

42 En toen De engelen zeiden: O Maria, Allāh heeft jou zeker verkozen en jou gezuiverd en jou verkozen boven de vrouwen van de wereld.

 

43 Yaa-Maryamuqnutie li-Rabbiki wasdjudie warka-‘ie ma-‘ar-raaki-‘ien.

43 O Maria, wees gehoorzaam aan jouw Heer en demoedig jezelf en buig met degenen die buigen.a

 

44 Zaalika min ‘ambaaa-‘ilghaybi noehiehi ‘ilayk. Wa maa kunta ladayhim ‘iz yulqoena ‘aqlaamahum ‘ayyuhum yakfulu Maryam : wa maa kunta ladayhim ‘iz yag-tasimoen.

44 Dit behoort tot het nieuws over ongeziene zaken die Wij aan jou openbaren. En jij was niet bij hen toen zij hun pennen gooiden (om te beslissen) wie van hen Maria onder zijn hoede zou nemen, en jij was niet bij hen toen zij met elkaar twistten.a

 

45 ‘Iz qaalatil-malaaa-‘ikatu yaa-Maryamu ‘innallaaha yu-basjsjiruki bi-Kalimatim-minhus-muhul- Masiehu ‘Iesabnu-Maryama wadjiehan-fid-dunyaa wal–Aagirati wa minal-Muqarrabien.

45 Toen de engelen zeiden: O Maria, Allāh brengt jou zeker blijde nieuws met een woord van Hema (over iemand) wiens naam luidt de Messias, Jezus, zoon van Maria,b achtenswaardig in deze wereld en in het Hiernamaals, en onder degenen die dicht (rond Allāh) worden verzameld,c

 

46 Wa yukalli-munnaasa filmahdi wa kalanw-wa minassaalihien.

46 En hij zal tot de mensen spreken in de wieg en op hoge leeftijd, en hij zal een van de goeden zijn.a

 

47 Qaalar Rabbi ‘annaa yakkoenu lie waladunw-wa lam yamsaanie basjar. Qaala kazaali-killaahu yagluqu maa yasjaaa’: ‘izaa qazaaa ‘amran-fa ‘innamaa yaqoelu lahoe ‘KOEN’ -fa-yakoen!

47 Zij zei: Mijn Heer, hoe zal kan ik een zoon krijgen terwijl geen man mij nog heeft aangeraakt?a Hij zei: Niettemin; Allāh, schept wat Hem behaagt. Wanneer Hij een zaak verondonneert, zegt Hij daartoe slechts, Wees, en het wordt.

 

48 Wa yu-‘allimuhul-Kitaaba wal-Hikmata wat-Tawraata wal–’Indjiel.

48 En (hem) een Boek leren en de Wijsheid en de Thora en het Evangelie:

 

49 Wa Rasoelan ‘ilaa Banie-‘Israaa-‘iel: ‘annie qad dji’-tukum-bi-‘Aayatim-mir-Rabbikum ‘annie ‘aglu- qu lakumminat-tieni ka-hay-‘atit-tayri fa-‘anfugu fiehi fa-yakoenu tayram-bi-‘iznillaah. Wa ‘ubri-‘ul- ‘akmaha wal-‘abrasa wa ‘uh-yil-mawtaa bi-‘iznillaah. Wa ‘unabbi-‘ukum-bimaa ta’-kuloena wa maa tadda-giroena fie buyoetikum. ‘Inna fie zaalika la-‘aayatal-lakum ‘in-kuntum–Mu’-minien;

49 En (hem) een boodschapper (maken) voor de kinderen Israël, (die zegt): Ik ben tot jullie gekomen met een teken van jullie Heer, dat ik voor jullie uit stof de vorm van een vogel bepaal, dan blaas ik erin en, met Allāh’s gedkeuring, wordt het een vogel,a en ik genees de blindenb en de melaatsen, en breng de doden tot levenc met Allāh’s goedkeuring; en ik laat jullie weten wat jullie zouden moeten eten en wat jullie in je huizen zouden moeten opslaan.d Waarlijk schuilt hierin een teken voor jullie, als jullie gelovigen zijn.

 

50 Wa Musaddiqal-limaa bayna yadayya minat-Tawraati wa li-‘uhilla lakum-ba’-dallazie hurrima ‘alaykum wa dji’-tukum-bi-‘Aayatim-mir-Rabbikum, fattaqullaaha wa ‘atie-‘oen.

50 En (ik ben) een bevestiger van wat er voor mij is van Thora, en ik sta jullie een deel toe van wat voor jullie verboden was;a en ik ben tot jullie gekomen met een teken van jullie

Heer, dus voldoe jullie plicht aan Allāh en gehoorzaam mij.

 

51 ‘Innallaaha Rabbie wa Rabbukum fa’-budoeh. Haazaa Siraatum-mustagiem.

51 Waarlijk is Allāh mijn Heer en jullie Heer, dus dien Hem. Dit is het rechte pad.

 

52 Falammaaa ‘ahassa ‘Iesaa min-humul-Kufra qaala man ‘Ansaarie ‘ilallaah? Qaalal-Hawaa-riyyoe- na nahnu ‘Ansaarullaah: ‘aamannaa billaahie wash-had bi-‘annaa Muslimoen.

52 Maar toen Jezus ongeloof waarnam aan hun kant, zei hij: Wie zullen mijn helpers zijn langs Allāh’s weg? De discipelena zeiden: Wij zijn helpers van Allāh: wij geloven in Allāh, en getuig dat wij ons onderwerpen.

 

53 Rabbanaa ‘aamannaa bimaaa ‘anzalta wattaba’-nar-Rasoela fak-tubnaa ma-‘asj-Sjaahidien.

53 Onze Heer, wij geloven in wat U heeft geopenbaard en wij volgen de boodschapper, dus schrijf ons neer bij degenen die getuigen.

 

54 Wa makaroe wa makarallaah: wallaahu Gayrul-maakirien.

54 En (de joden) beraamden en Allāh beraamde (ook).a En Allāh is de beste onder de beramers.b


43a. Na gesproken te hebben over de geboorte van Maria (v. 36) en hoe zij in rechtschapenheid opgroeide in de tempel onder de hoede van Zacharias (v. 37), beschrijft de Heilige Qoer-ān nu hoe zij wordt uitverkoren, net zoals de rechtschapenen vóór haar werden uitverkoren. Dit verwijst klaarblijkelijk naar een tijd waarin ze de puberteit had bereikt en de tempel had verlaten.

44a. De commentatoren denken dat dit verwijst naar v. 37, toen Maria als kind gewijd werd aan de tempel en dat er werd geloot, met als resultaat dat Maria aan de zorg van Zacharias werd toevertrouwd. Maar dat is totaal misplaatst. De Heilige Qoer-ān heeft haar geschiedenis in de juiste volgorde beschreven. Haar moeder ontvangt haar (v. 35); ze wordt geboren en krijgt een naam (v. 36); ze wordt gewijd aan de tempel en verblijft daar onder de toezicht van Zacharias (v. 37). Hierop volgt de vertelling van Zacharias die bidt voor een rechtschapen zoon wanneer hij de toewijding van Maria ziet. Vv. 38–41 zijn dus als het ware verklarend. Het verhaal van Maria wordt weer opgepakt in v. 42 waar over haar uitverkiezing wordt gesproken, wat ongetwijfeld plaatsvond in de tijd dat zij de jaren des onderscheids had bereikt (vv. 42, 43). V. 44 kan daarom niet teruggrijpen op haar verleden als een kind in de tempel. In de natuurlijke volgorde verwijst het naar een veel latere periode. Er moet worden opgemaakt dat, toen Maria’s moeder voor haar bad bij haar geboorte (v. 36), zij ook bad voor haar nageslacht en dus duidelijk een tijd in gedachten had wanneer Maria getrouwd zou zijn en moeder zou zijn geworden. V 45 geeft Maria in heldere bewoordingen het nieuws van de geboorte van een kind en daarom moet de scpeciale gebeurtenis waarnaar in v. 44 verwezen wordt haar huwelijk zijn. Het loten en het dispunt omtrent wie haar onder zijn hoede zou krijgen kan naar niets anders verwijzen dan naar de verantwoordelijkheid voor haar als echtgenote. Luc. 1:26, 27 maakt duidelijk dat Maria de boodschap van de geboorte van Jezus ontving na haar huwelijk met Jozef. Met het oog op al deze overwegingen, kan v. 44 niet anders worden opgevat dan als een verwijzing naar het huwelijk van Maria. Er was duidelijk geloot, want als een kind was ze gewijd aan de tempel en nu kon slechts het lot beschikken aan wie zij uitgehuwelijkt zou worden. De geschiedenis van Maria zoals verteld in het Evangelie werpt geen licht op deze omstandigheden en vandaar dat het vers begint met de opmerking dat dit een aankondiging was met betrekking tot het ongeziene. In feite was de gehele geschiedenis van Maria en Jezus verhuld in duister, totdat de Heilige Qoer-ān hen hun juiste plaats gaf als twee rechtschapen dienaren van Allāh en zo beide uiterste zienswijzen afwees, de joodse zienswijze dat Jezus in zonde was ontvangen en onwettig was, en de christelijke zienswijze dat bij Allāh was, of de Zoon van God Die Maria’s schoot was binnengegaan. Hij was slechts zoals de Profeet (s.a.w.) hem beschreef tijdens zijn discussie met de afgevaardigden uit Nadjrān, toen hij tegen hen zei: “Weten jullie niet dat Jezus door een vrouw ontvangen is zoals alle vrouwen ontvangen? En dat ze daarna van hem beviel zoals alle vrouwen van hun kinderen bevallen? Daarna werd hij gevoed zoals alle kinderen worden gevoed. En dat hij toen voedsel at en water dronk en beantwoordde aan de roep van de natuur (zoals alle stervelingen doen)?" De afvaardiging anwoordde op alle vragen bevestigend, waarop de Profeet (s.a.w.) zei: "Hoe kan dan jullie bewering (dat hij God was of Zoon van God) waar zijn?" (IJ). Het heldere argument van de Profeet (s.a.w.) dat zelfs de christelijke afvaardiging niet in twijfel kon trekken, beslist de zaak dat Jezus op de normale manier ontvangen werd en dat Maria op de normale manier een echtgenote en moeder werd.

45a. De woorden bi-kalimat-in kunnen ofwel met een woord van Hem of van een woord van Hem betekent, maar aangezien kalimah woord of voorspelling betekent, en aangezien het persoonlijk voornaamwoord in ismoe-hoe staat voor het mannelijke geschagt, terwijl kalimah vrouwelijk is en het persoonlijke voornaamwoord vereist, is de eerste betekenis hier aangehouden. Het goede nieuws werd gebracht door middel van een profetisch woord van het Goddelijk Wezen. Vergelijk 15:54, 55, waar Abrahams vraag als volgt wordt beantwoord: "Zij zeiden, Wij brengen jou het blijde nieuws naar waarheid", waar het onderwerp impliciet is, net als in de hier besproken woorden, namelijk, we bregen jou het nieuws (van een zoon) met waarheid. Zie 39b en 66:12a voor een verdere uitleg over wat bedoeld wordt met kalimah.

Rz merkt op in zijn commentaar bij v. 39: "De aankondiging (van de komst van Jezus) werd gedaan in de boeken van de profeten voor hem, dus toen hij kwam werd er gezegd Dit is dat profetische woord, en daarom werd hij een woord genoemd." Om dit te ondersteunen citeert hij voorbeelden van zinsneden als djā’a qauli en djā’a kalāmi, d.w.z. "mijn woorden kwamen" of "mijn spraak kwam", wanneer een gebeurtenis die door iemand is voorspeld ook werkelijk plaatsvindt. De ware betekenis van deze zinsneden is dan dat wat ik zei of dat waarover ik gesproken heb is uitgekomen. Deze uitleg toont aan dat kalimah werkelijk op de profetie slaat.

45b. Er worden drie namen gegeven aan het kind – Al-Masih, ‘Isā en Ibn Marjam. De eerste hiervan is meer een titel dan een naam, omdat het wordt voorafgegaan door al. De letterlijke betekenis van Masih is ofwel iemand die veel reist of iemand die is ingewreven met iets als olie (LL). Het is hetzelfde woord als het Aramese Messiah, wat de gezalfde zou betekenen. Jezus Christus zou zo zijn genoemd omdat hij gewoon was veel te reizen (Rz, R), of omdat hij gezalfd was met een zuivere gezegende zalf waarmee de profeten werden gezalfd (Rz). Het is echter de eerste betekenis (iemand die veel reist), die als eerste wordt aanvaard door de commentatoren en ook door lexicologen. Dit ondersteunt het onlangs ontdekt bewijs dat Jezus door het Oosten reisde na zijn onfortuinlijke ervaring in de handen van de Syrische joden, en predikte aan de tien verloren stammen van de Israëlieten die zich gevestigd hadden in het Oosten, in Afganistan en Kasmir.

Isā is de Arabische vorm van het Hebreeuwse Joshua, waarvan Jezus de Griekse vorm is; en Ibn Marjam, of zoon van Maria, is een bijnaam. Het is opmerkelijk dat de Qoer-ān geen enkele melding van Maria’s echtgenoot maakt, en in dit opzicht lijken de omstandigheden sterk op die welke verbonden zijn met de geboorte van Mozes, want ook daar wordt geen enkele melding gemaakt van Mozes’vader. Het feit alleen dat er geen melding wordt gemaakt van Jezus’vader, is echter niet voldoende om aan te tonen dat Jezus geen vader had. Bovendien was van zijn twee ouders Jozef en Maria, Maria ongetwijfeld bekender dan Jozef.

45c. Degenen die nabij Allāh worden verzameld zijn niet noodzakelijkerwijs de engelen, zoals sommigen gedacht hebben. Vergelijk 56:7–11, waar mensen in drie klassen worden ingedeeld, en een van die klassen is degenen die nabij worden verzameld, waarbij hetzelfde woord moeqarrabin in beide gevallen wordt gebruikt. Jezius wordt hier dus slechts in de voorste lijn van rechtschapen dienaren van Allāh geplaatst.

46a. Door de gehele Heilige Qoer-ān heen wordt er over Jezus gesproken als "een van hen die nabij worden verzameld", "een van de rechtschapenen", om zo aan te geven dat hij beschouwd wordt als een van de profeten. Het praten in de wieg en op hoge leeftijd kunnen geen van beide als een wonder worden beschouwd. Elk gezond kind dat niet stom is begint in de wieg te praten, en spreken op hoge leeftijd geeft ook aan dat deze spraak een normale ervaring is van elk menselijk wezen dat gezond is en dat een hoge leeftijd bereikt. Het goede nieuws schuilt in het feit dat het aangekondigde kind een gezond kind zal zijn, en niet zal sterven in zijn jeugd. Volgens Rz is de reden waarom van Jezus wordt vermeld dat hij zowel in zijn jeugd als op hoge leeftijd spreekt, dat zo de verandering van de gesteldheid van Jezus van jeugd tot ouderdom wordt aangegeven, terwijl verandering in het Goddelijke Wezen onmogelijk is.

Kahl is, volgens R, hij door wiens haar wit of grijs gemengd is. LL heeft gezegd, op gezag van Msb, T, en Mgh, dat een man kahl is als hij de grens heeft bereikt van het zijn van een sjābb, wat afwisselend wordt vastgelegd op 32, 40 en 51 jaar. Hetzelfde gezag geeft de betekenis van kahl als van middelbare leeftijd, of tussen die leeftijd en de periode waarin zijn haar gemengd wordt met grijs. Zo zou volgens de Heilige Qoer-ān blijken dat Jezus niet stierf op het leeftijd van drieëndertig jaar, maar tot een behoorlijke hoge leeftijd leefde.

47a. Haar verloving was nog maar net vastgelegd, en misschien was haar dit nog niet verteld toen haar het goede nieuws werd gegeven dat zij een zoon zou krijgen. Vandaar dat zij zegt dat nog geen man haar had aangeraakt. En haar wordt in weerwoord gezegd "Niettemin", nl. het kind zal geboren worden doordat Allāh de omstandigheden die resulteren in de geboorte van een kind teweeg zal brengen. De woorden geven niet aan dat zij op een andere dat natuurlijke wijze zou ontvangen, want er is geen twijfel aan dat Maria andere kinderen had, waarvan niemand veronderstelt dat zij op buitennatuurlijke wijze zijn ontvangen. Ook bewijzen de woorden die volgen niet meer dan het eenvoudige feit dat Maria overeenkomstig de voorspelling van een zoon moest bevallen. De hele schepping is veroorzaakt, zo wordt ons keer op keer verteld, door het Goddelijke woord Koen, en toch veronderstelt niemand dat de schepping niet volgens de natuurwetten is verlopen.

49a. Om de betekenis van deze passage te begrijpen is het noodzakelijk te onthouden dat het belangrijkste kenmerk van Jezus’ toespraken is, dat hij in parabels sprak en er de voorkeur aan gaf zijn ideeën in te kleden in allegorisch taalgebruik. Als men dit onthoudt, is het niet moeilijk deze passage te interpreteren. De eerste stelling in deze passage spreekt over het maken van vogels en over het erin blazen. Dit is volkomen begrijpelijk als het gezien wordt als een parabel, maar geheel onbegrijpelijk als feitelijke verklaring. Aan de ene kant stijgt de waardigheid van een profeet ver uit boven zaken als het maken van speelgoedvogels, maar aan de andere kant kan het scheppen aan niemand anders worden toegeschreven dan aan het Goddelijke Wezen. Echter, om deze parabel te begrijpen, moeten eerst de verschillende woorden worden uitgelegd. In de passage waar het hier om gaat vragen vier woorden om uitleg: chalq, tin, nafch, en tair. De hoofd-betekenis van chalq is meten, proportioneren, synoniem aan taqdir (LL); vandaar dat chalq meestal slechts verwijst naar de handeling van het vaststellen van een ding. In deze betekenis werd het woord gebruikt in preïslamitische poëzie. De handeling van chalq in de betekenis van scheppen kan aan niemand anders worden toegeschreven dan aan Allāh. De Qoer-ān legt op dit punt de grootste nadruk. Hij spreekt keer op keer over het Goddelijke Wezen als de Schepper van alles, zodat er niets is waarvan iemand anders de schepper genoemd kan worden. En over degenen die door enig volk worden gehouden voor goden, zegt hij in het bijzonder dat zij niets scheppen, terwijl zijzelf geschapen zijn (16:20; 25:3).

Dan zijn er de twee woorden tin en nafch. Van de mens wordt gezegd dat hij geschapen is uit tin of stof, wat staat voor zijn nederige afkomst, maar de nafch of het inblazen maakt dat hij het respect van de engelen verdient. Dit schemert bij verschillende gelegenheden door, maar wordt echt duidelijk gesteld in 38:71, 72: "Toen jouw Heer tegen de engelen zei: Waarlijk ga Ik een sterveling scheppen uit stof. Dus wanneer Ik hem compleet heb gemaakt, en hem van Mijn geest heb ingeblazen, val dan neer en onderwerp jullie aan hem." Het is dus door het inblazen van de Goddelijke Geest dat de mens is vervolmaakt.

Het woord tair of tā’ir betekent een vogel, maar zoals het woord asad (lett., een leeuw) metaforisch gebruikt wordt voor een moedige man, is het in een parabel volkomen aanvaardbaar om het woord tair te gebruiken voor iemand die opstijgt naar hogere geestelijke regionen en die zich niet buigt naar de aarde of naar aardse dingen. In 6:38 wordt gezegd: "Er is geen dier op aarde, noch een vogel die vliegt met zijn twee vleugens, of (zij vormen) een gemeenschap zoals jullie zelf", waarvan de betekenis kennelijk is dat er mensen zijn die slechts op de aarde lopen en die niet boven hun aardse beslommeringen uitstijgen, terwijl anderen opstijgen naar hogere geestelijke regionen. Elders (7:179; 25:44) worden diegenen die harten hebben maar niet begrijpen, en die oren hebben maar niet horen, vergeleken met vee. Wat hier dus wordt bedoeld is dat Jezus stervelingen doet uitstijgen boven degenen die zich diep buigen over de aarde, door hen de geest in te blazen. De apostelen van Jezus, die allen mannen van nederige komaf waren (waarnaar in de parabel verwezen wordt met het woord stof), wier gedachten nooit verder dan hun eigen nederige zorgen waren gekomen, lieten alles achter voor hun meester en trokken de wereld op bevel van de meester om de waarheid te verkondigen. Hier was zonder twijfel sprake van slechts stof in de vorm van een vogel, stof dat door de boodschapper van Allāh werd veranderd in vogels die hoog opstegen, door hen de waarheid in te blazen. Het feit dat een verhaal over Jezus die vogels maakt wordt verteld in een Kindheidsevangelie, vormt op geen enkele wijze een belemmering voor deze uitleg. Het is zeer aannemelijk dat een parabel verkeerd begrepen werd door de schrijver van dat Evangelie, en dat de Qoer-ān er slechts naar heeft verwezen om licht te werpen op de waarheid.

49b. Het wonder van de genezing van de zieken door Jezus wordt rationeel uitgelegd in de Enc. Bib. door Ds. T.K. Cheyne, die heeft aangetoond dat alle verhalen over de genezing van zieken voortgekomen zijn uit de geestelijke genezing van de zieken, zoals in Matt. 9:12: "Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn"; en zoals in de boodschap van Jezus aan Johannes de Doper: "blinden worden ziende lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het Evangelie" (Matt. 11:5). De slotwoorden geven duidelijk aan dat de zieken en de lammen en de blinden tot dezelfde categorie behoren als de armen aan wie het Evangelie wordt gepredikt, namelijk de armen van hart. Vergelijk ook matt. 13:15: "want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen." Hier kan de genezing naar niets anders verwijzen dan naar het genezen van geestelijke ziektes. De Heilige

Qoer-ān geeft een soortgelijke uitleg van de genezing van de zieken als hij, sprekend over zichzelf, zegt dat het "een genezing voor wat er in de borsten is" is (10:57), d.w.z. voor de geestelijke ziektes. Genezing door de Profeet (s.a.w.) is geestelijk, geen genezing van fysieke ziektes. De Qoer-ān heeft het vaak over de blinden en de doven, maar verwijst nooit naar diegenen die de zintuigen zicht of gehoor hebben verloren.

49c. als laatste komen diegenen die dood zijn. De Qoer-ān zegt simpelweg dat diegenen die dood zijn niet worden teruggestuurd naar deze wereld: "Allāh neemt zielen (van de mens) op het moment van hun dood, en (van) degenen die niet sterven, gedurende hun slaap. Dan houdt Hij degenen achter over wie Hij het oordeel van de dood heeft uitgesproken en stuurt de anderen terug tot een vastgestelde termijn" (39:42). En nogmaals sprekend over de doden: "En voor hen staat een barrière, tot de dag waarop zij worden opgewekt" (23:100). Maar het woord mautā, d.w.z. de doden, en hun opwekking tot leven, wordt regelmatig op een geestelijke manier gebruikt in de Heilige Qoer-ān: "Is degene die dood was, en die Wij dan tot leven wekten … gelijk aan degene wiens gelijkenis is als iemand in duisternis waaruit hij niet kan ontsnappen?" (6:122). En nogmaals: "O jullie die geloven, reageer op Allāh en Zijn Boodschapper wanneer hij jullie roept tot hetgeen jullie leven geeft" (8:24). Op gelijke wijze zien we: "Noch zijn de levenden en de doden aan elkaar gelijk. Waarlijk laat Allāh horen wie het Hem behaagt, en jij kan degenen die in de graven zijn niet laten horen" (35:22). De profeten zijn slechts opgestaan om diegenen tot leven te wekken, die geestelijk dood zijn, en het is aan deze geestelijke opwekking door Jezus Christus waarvan de Heilige Qoer-ān hier refereert.

49d. De prediker van Jezus legde speciale nadruk op het feit dat er geen aandacht geschonken moest worden "aan morgen", en zijn advies aan rijke mensen die hij hem kwamen was om alles wat ze bezaten te verkopen. Hij zou hen schatten doen opslaan in de hemel. Aan dit aspect van zijn leer refereert dit vers. Zij mochten hen leven niet wijden aan het vergaren van rijkdommen.

50a. De wet die door Mozes werd gegeven, werd door alle Israëlitische profeten aangehouden, maar de gebreken werden verwijderd en andere veranderingen werden van tijd tot tijd aangebracht om de wet aan de eisen van de nieuwe tijden aan te passen. Deze veranderingen zijn vooral uitgemeten in de leer van Jezus, zoals iedereen die welk van de Evangeliën dan ook, maar vooral de Bergrede, leest, makkelijk kan zien.

52a. Het Arabische woord Hawārijjoen is meervoud van hawāri, wat als volgt uitgelegd wordt door LL: "Iemand die kleren wit maakt door ze te wassen en te slaan. Vandaar dat het meervoud, hawārijjoen, van toepassing is op de metgezellen van Jezus, omdat het hun beroep was te wassen (M, Msb)." Sommige commentatoren suggereren echter dat zij zo genoemd kunnen zijn vanwege de zuiverheid van hun harten.

54a. Makr wordt door R uitgelegd als het met vernuft of kennis van zaken iemand afwenden van het doel waarop hij zich richt, en hij gaat ervan uit dat er twee soorten makr zijn, een goede en een slechte. Daarom is de beste interpretatie van het woord makara (dat beide soorten omvat) die aangenomen door T. nl. hij oefende vakmanschap, waardigheid, kunde of handigheid uit, bij het beheren of ordenen van zaken door dit te doen met bijzondere aandacht of afweging, en het vermogen te handelen uit uigen vrije wil (LL). Het idee dat het plan heimelijk werd beraamd of voor een slecht doel, wat in de betekenis van het woord besloten ligt, heeft velen ertoe gebracht dat als enige betekenis te accepteren, maar dit is niet het geval.

Makara-llāhoe kan ook betekenen dat Allāh hen voor hun makr vergoedde of vergold (T- LL). Volgens sommigen is de oorspronkelijke betekenis het bijeenbrengen van een zaak en de versterking daarvan (Rz). Al deze verklaringen laten zien dat het een equivalent is van het woord plan, waarvan de goede of slechte aard afhangt van het doel of van de intensie van de maker. Allāh wordt hier Chair al-mākirin of de beste onder de beramers genoemd, waarbij het kwalificerende woord chair niet toepasbaar is op een slecht doel.

54b. De joden beraamden een plan om Jezus ter dood te brengen door kruisiging, en Allāh maakte een plan om hun plannen te verstoren; en Allāh’s plan was succesvol, m.a.w. hij werd gered van de dood aan het kruis, zie hiervoor 55a en 4:157a.

 

PARAGRAAF 6: Jezus vrijgesproken van valse aantijgingen

 

55 ‘Iz qaalallaahu yaa-‘Iesaaa ‘innie muta-waffieka wa ‘uka ‘i-layya wa mutahhi-ruka minallaziena kafaroe wa djaa-‘ilullazie-nattaba-‘oeka faw-qallaziena kafaroe ‘ilaa Yawmil Qiyaamah. Summa ‘ilayya mardji-‘ukum fa-‘agumu baynakum fie-maa kuntum fiehi tag-talifoen.

55 Toen Allāh zei: O Jezus, Ik zal je doen stervena en je verheffen in Mijn aanwezigheidb en je zuiveren van degenen die niet gelovenc en (Ik zal) degenen die jou volgen, plaatsen boven degenen die niet geloven tot aan de dag van de Opstanding.d Naar Mij keren jullie dan terug, dus Ik zal tussen jullie een oordeel vellen over hetgeen waarin jullie (van mening) verschillen.e

 

56 Fa-‘ammallaziena kafaroe fa-‘u-‘azzibuhum ‘azaabansjadie-dan fiddunyaa wal-‘Aagirati, wa maa lahum-minnaa-sirien.

56 Dan wat betreft degenen die niet geloven, Ik zal hen straffen met zware straffen in deze wereld en in het Hiernamaals, en zij zullen geen helpers hebben.a

 

57 Wa ‘ammallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saalihaati fayuwaffiehim ‘udjoerahum: wallaahu laa yuhib- buz-zaalimien.

57 En wat betreft degenen die geloven en goede daden doen, Hij zal hen hun beloning volledig betalen. En Allāh houdt niet van de onrechtvaardigen.a

 

58 Zaalika nat-loehu ‘alayka minal-‘Aayaati waz-Zikril-Hakiem.

58 Dit dragen Wij aan jou voor uit de boodschap en de Herinnering vol wijsheid.

 

59 ‘Inna masala ‘Iesaa ‘indallaahi ka-masali ‘Aadam; galaqahoe min-turaabin-summa qaala lahoe ‘KOEN’ fayakoen.

59 De gelijkenis van Jezus is bij Allāh waarlijk als de gelijkenis van Adam. Hij schiep hem uit stof, en zei toen tegen hem, Wees, en hij werd.a

 

60 ‘Al-Haqqu mir-Rabbika falaa takum-minal-mumtarien.

60 (Dit is) de waarheid van jouw Heer, dus behoor niet tot de aanvechters.

 

61 Faman haadjdjaka fiehi mimba’-di maa djaaa-‘aka minal-‘ilmi faqul ta-‘aalaw nad-‘u ‘ab-naaa-‘anaa wa ‘ab-naaa-‘akum wa nisaaa-‘anaa wa nisaaa-‘akum wa ‘anfusanaa wa ‘anfusakum summa nabta-hil fanadj-‘alla’ natallaahi ‘alal-kaazibien.

61 Wie hierover dan met jou redetwist na de kennis die tot jou is gekomen, zeg: Kom! Laten wij onze zonen roepen en jullie zonen en onze vrouwen en jullie vrouwen en onze mensen en jullie mensen, en laat ons dan in oprecht gebed verzinken,a en de vloek van Allāh uitroepen over de leugenaars.b

 

62 ‘Inna haazaa lahuwal-qasasul-haqq: wa maa min ‘ilaahin ‘illal-laah: wa ‘inallaaha la-Huwal-‘Aziezul -Hakiem.

62 Dit is zeker het ware verhaal en er is geen god behalve Allāh. En Allāh! Waarlijk is Hij de Machtige, de Wijze.

 

63 Fa-‘in ta-wal-law fa-‘innallaaha ‘Aliemum-bil-mufsidien.

63 Maar als zij zich afkeren, dan kent Allāh zeker de onruststokers.


55a. I‘Ab zegt dat de betekenis van moetawaffi-ka moemtoe-ka is, d.w.z. Ik zal je of liet hem sterven (B. 65:12). Volgens LA "Je zegt tawaffā-hoe-llāhoe als je Allāh nam zijn ziel of liet hem sterven bedoelt." En volgens LL betekent het "Allāh nam zijn ziel (S, Q) (ofwel in de dood of in de slaap, zie de Qoer-ān, 6:60); of deed hem sterven (Msb)". Aan de woorden kan geen andere betekenis worden toegekend als ze zo gebruikt worden. Sommige commentatoren zeggen dat Jezus gedurende drie uur dood bleef; anderen zeggen gedurende zeven uur, en zo verder (Rz). Maar het woord wordt hier in werkelijkheid gebruikt om aan te geven dat de joodse plannen om de dood van Jezus aan het kruis te bewerkstelligen, verhinderd zouden worden en dat hij naderhand een natuurlijke dood zou sterven; zie 4:157a. Pickthalls vertaling is, O Jezus A am gathering thee, (O Jezus, Ik kom u halen), en dit is het Bijbelse idioom voor het veroorzaken van de dood. Yūsuf ‘Ali vertaalde in zijn eerste editie de woorden als I wil cause thee to die (Ik zal u doen sterven), maar in de tweede editie veranderde hij dat in I wil take thee (Ik zal u opnemen).

55b. Raf‘ betekent optillen of opheffen, en ook verheffen of eerzaam maken (T, LL). Maar waar in de Heilige Qoerān of in de religieuze literatuur van de Islām gesproken wordt van de raf‘ van een mens tot Allāh, is het altijd in de laatste betekenis, want het lichamelijk optillen van een mens tot Hemzelf impliceert dat het Goddelijke Wezen gebonden zou zijn aan een plaats. Dit wordt duidelijk gemaakt door het gebed dat elke moeslim verschillende keren per dag herhaalt in zijn gebeden in zittende positie tussen de twee teraardewerpingen: wa-rfa‘-ni wat en verhef mij betekent. Natuurlijk ziet niemand dit gebed als een verzoek om het lichaam tot de hemelen op te tillen. Vandaar dat zelfs die commentatoren die bevoordeeld zijn, zonder twijfel misleid door de christelijke traditie om van Jezus Christus aan te nemen dat hij levend tot de hemel is verheven, gedwongen zijn toe te geven dat het woord raf‘ hier niet gebruikt is voor hemelwaarts optillen, maar voor verheffen en eren. En Rz zegt, terwijl hij de woorden die volgen becommentarieert: Dit geeft aan dat raf‘ hier het verheffen in graad en in eer is, en niet in plaats en richting. De verheerlijking van Jezus wordt hier genoemd als een antwoord op de joden, wier doel het was hem een vervloekte en schandelijke dood te doen sterven aan het kruis.

55c. Je zuiveren van degenen die niet geloven betekent dat Jezus gezuiverd zou worden van de valse aanklachten met betrekking tot de zogenaamde onwettigheid van zijn geboorte, enzovoort, aanklachten waarvan Jezus door de Heilige Qoer-ān gezuiverd werd; zie 4:156a.

55d. Dit vers bevat vier beloften met betrekking tot de overwinning van Jezus op zijn vijanden en hun plaanen, waarvan er drie al genoemd zijn, nl.: (1) zijn redding van de dood aan het kruis en het veroorzaken van zijn natuurlijke dood; (2) het feit dat hij eerzaam werd gemaakt in de Goddelijke aanwezigheid, waar het het doel van de joden was aan te geven dat hij een vervloekte persoon was; (3) zijn zuivering van alle valse aanklachten. De vierde belofte is dat diegenen die Jezus volgen zullen overheersen over zijn afwijzers tot op de dag des Oordeels. De waarheid van deze vierde voorspelling wordt tot op de dag van vandaag bewezen door de overheersing van de christenen over de joden.

55e. Verschillen in geloof worden afgehandeld in het leven na de dood, terwijl overtredingen in daden, wanneer zij op grote schaal plaatsvinden, al in dit leven bestraft worden.

57a. Met de onrechtvaardigen worden de christenen bedoeld omdat zij de grenzen van rechtvaardigheid hebben overschreden door Jezus te verafgoden.

59a. Adam staat voor de mens in het algemeen, omdat alle mensen uit stof zijn geschapen. Zo zegt in 18:37 de gelovige tegen zijn niet-gelovige metgezel: "Geloof jij niet in Hem, Die jou uit stof heeft geschapen?" En in 22:5 en 30:20, en elders, wordt van alle mensen gezegd dat zij uit stof geschapen zijn. Alles wat hiermee bedoeld wordt is dat Jezus niet meer is dan een gewone sterveling, en dat het een vergissing is om hem als God te zien, zoals de christenen doen. De woorden koen fa-jakoenoe verlenen steun aan deze betekenis daar met deze woorden door de hele Qoer-ān gesproken over de algemene en terugkerende scheppingsleer.

Als Adam wordt gelezen als een eigennaam, zou de betekenis zijn dat, net zoals Adam door Allāh werd geschapen uit stof en vervolgens werd uitverkoren en gezuiverd, Jezus ook uit stof werd geschapen dat zijn verkiezing gelijk was aan de verkiezing van Adam, waarbij het bevel dat opgenomen is in koen in dit geval verwijst naar de verkiezing van een rechtschapen dienaar van Allāh. In beide gevallen is er geen verwijzing naar, dat Jezus werd verwerkt zonder tussenkomst van een mannelijke ouder. De discussie wordt hier met de christenen voortgezet, en het is hun verkeerde geloof in de goddelijkheid van Jezus dat hier veroordeeld wordt. Zie voor de afkomst van Jezus 44a en 47a.

61a. Ibtahala betekent hij vernederde of verlaagde zichzelf of sprak zichzelf aan met een eerlijke of energieke smeekbede (LL). Sommigen leggen nabtahil uit als natabahil, in welk geval de betekenis zou zijn laat ons een vloek afroepen over diegene van ons die de leugenaar is.

61b. Dit hoofdstuk begint met een bespreking van de christelijke leerstellingen in het bijzonder. De personen die in dit vers in het bijzonder worden aangesproken zijn de leden van de christelijke afvaardiging uit Nadjrān die in 10 A.H. kwam. Deze afvaardiging, bestaande uit zestig man, werd geleid door ‘Abd al-Masih, het hoofd van de Nadjrān-christenen (AH), en de leden van de afvaardiging werden gehuisvest in de moskee van de Profeet (s.a.w.). Zo gaf de Profeet (s.a.w.) een voorbeeld van vrijheid van godsdienst dat tot op de dag van vandaag zijn gelijke niet kent. De Profeet (s.a.w.) voorzag hen van argumenten die aantoonden dat Jezus Christus niet God was, maar een mens en een profeet (zie het afsluitende stukje van 44a). Na de vraagstelling volledige te hebben besproken, merkte hij dat zij nog steeds vasthielden aan hun verkeerde geloof in de goddelijkheid van Jezus, en nodigde hij hen als laatste toevlucht uit in alle ernst te bidden dat de vloek van Allāh die groep mocht overvallen die vasthield aan onwaarheid. Eerst toonden zij bereidheid om deze strijd aan te gaan, maar na enig overleg besloten zij het niet te doen en vertelden zij de Profeet (s.a.w.) dat zij besloten hadden niet tegen hem te bidden zoals hij had voorgrsteld (B. 64:74). Daarop werd hen een belofte gedaan die hen vrij liet hun religie uit te oefenen: "Hun gezag en rechten zullen ongemoeid worden gelaten, zo ook al hun gewoonten, zolang als zij zich vredelievend en rechtvaardig gedragen "Muir).

Het is vreemd te zien dat christelijke schrijvers hiernaar verwijzen als "een vreemde manier om een discussie te beslechten". Maar kennelijk dachten hun Arabische mede-gelovigen er 1300 jaar geleden niet zo over. Zij geloofden in de werking van het gebed, want zo was de leer van Jezus. Zij zagen de oprechtheid van de Profeet (s.a.w.) in, en waren overtuigd van hun eigen foute overtuigingen en durfden geen vloek over zich af te roepen met hun eigen tong, terwijl ze wisten dat de Profeet (s.a.w.) te edelmoedig was om hen te vervloeken. Daarom namen zij de verstandigste weg en besloten geen vernietiging over zichzelf af te roepen. Als zij de Profeet (s.a.w.) als oplichter en antiechrist hadden beschouwd, zoals hun afstammelingen heden ten dage doen, dan zouden ze niet de minste angst gehad hebben om de uitdaging aan te nemen.

 

PARAGRAAF 7: Onenigheid met de joden en de christenen

 

64 Qul yaaa-‘Ahlal-Kitaabi ta-‘aalaw ‘ilaa Kalimatin sawaaa-‘im-baynanaa wa baynakum ‘allaa na’-buda ‘illallaaha wa laa nusjrika bihie sjay-‘anw-wa laa yattagiza ba’-zunaa ba’-zan ‘arbaabammin- doenillaah. Fa-‘in-ta-wallaw faqoelusj-hadoe bi-‘annaa Msulimoen.

64 Zeg: O mensen van het Boek, komt tot eenn rechtvaardig woord tussen ons en jullie, dat wij niemand zullen dienen behalve Allāh, en dat wij niets aan Hem gelijk zullen stellen, en dat sommigen van ons niet anderen buiten Allāh. Tot heer zullen nemen. Maar, als zij zich afwenden, zegt dan: Getuig, wij zijn moeslims.a

 

65 Yaaa-‘Ahlal-Kitaabi lima tuhaaadj-djoena fie ‘Ibraa-hiema wa maaa ‘unzilatit-Tawraatu wal ‘Indjielu ‘illaa mim-ba’-dih? Afalaa ta’-qiloen.

65 O mensen van het Boek, waarom redetwisten jullie over Abraham, terwijl de Thora en het Evangelie pas na hem werden geopenbaard? Begrijpen jullie het niet?

 

66 Haaa-‘antum haaa-‘ulaaa-‘i haadjadjtum fiemaa lakum-bihie ‘ilmun-falima tuhaaadjdjoena fiemaa laysa lakum-bihie ‘ilm? Wallaahu ya’-lamu wa ‘antum laa ta’-lamoen!

66 Ziedaar! Jullie zijn degenen die redetwistten over dat waar jullie kennis van hadden; waarom dan, redetwisten jullie over dat waar jullie geen kennis van hebben? En

Allāh weet terwijl jullie niet weten.a

 

67 Maa kaana ‘Ibraahiemu Yahoe-diyyanw-wa laa Nasraaniyyanw-wa laakin kaana Haniefam- Musli- maa: wa maa kaana minal-musjrikien.

67 Abraham was geen jood noch een christen, maar hij was een oprecht (man) een moeslim; en hij behoorde niet tot de polytheïsten.

 

68 ‘Inna ‘aw-lannaasi bi-‘Ibraahiema lallazienat-taba-‘oehu wa haazan-Nabiyyu wallaziena ‘aamanoe: wallaahu Waliyyul-Mu’-minien.

68 De mensen die het dichts bij Abraham staan zijn zeker degenen die hem volgen en deze Profeet (s.a.w.) en degenen die geloven. En Allāh is de Vriend de gelovigen.

 

69 Waddat-taaa-‘ifatum-min ‘Ahlil-Kitaabi law yuzil-loenakum. Wa maa yuzil-loena ‘illaaa ‘anfusahum wa maa yasj-‘uroen.

69 Een deel de Mensen van het Boek wenst jullie op een dwaalspoor te brengen; en zij brengen niemand op een dwaalspoor behalve zichzelf, en zij beseffen (het) niet.a

 

70 Yaa-‘Ahlal-Kitaabi lima takfuroena bi-‘Aayaatillaahi wa ‘antum tasj-hadoen.

70 O Mensen van het Boek, waarom geloven jullie niet in de boodschap van Allāh terwijl jullie getuigen zijn (van de waarheid ervan)?

 

71 Yaaa-‘Ahlal-Kitaabie lima tal-biesoenal-haqqa bil-baatili wa taktumoenal-haqqa wa ‘antum ta’-lamoen?

71 O Mensen van het Boek, waarom verwarren jullie waarheid met leugen, en verbergen (jullie) de waarheid terwijl jullie weten?


64a. Dit zijn dezelfde woorden die voorkomen in een brief die de Profeet (s.a.w.) schreef aan Heraclius in het jaar 6 A.H. (B. 1:1). Soorgelijke brieven werden aan verschillende andere potentaten geschreven, waaronder Moeqauqis, de koning van Egypte. De ontdekking van de brief die aan hem was geschreven levert het bewijs voor de betrouwbaarheid van de geschriften aangaande de Profeet (s.a.w.) in het algemeen, want de manuscriptbrief bevat dezelfde woorden als die in de Hadies gegeven zijn. In dit vers worden de joden en de christenen gevraagd de brede grondbeginselen van het geloof van Abraham te aanvaarden, die ook de basisprincipes vormden van de Islām. De zinsnede sommigen van ons zullen niet anderen tot heer nemen verwijst naar de gewoonte die toen bij zowel joden als christenen voorkwam – en op dit moment ook bij moeslims – om religieuze leiders te zien als behept met goddelijke krachten, wat duidelijker wordt gemaakt in 9:31: "Zij hebben hun schriftgeleerden en hun monniken tot heren genomen naast Allāh." Het hier besproken vers vestigt de basis voor de studie van vergelijkende theologie. Eenieder die religieuze literatuur bestudeert op een brede basis, zal inzien dat de grondleerstellingen van de Islām de grootste gemene deler vormen van de waarheid die is opgenomen in de verschillende religies van de wereld. De leer van Eenheid, zoals door de Islām onderwezen, is een voorbeeld. Alle hogere religies gaan uit van een basis van Goddelijke Eenheid, die zij allen dus gemeen hebben, maar vervolgens kent ieder religieus systeem zijn eigen eigenaardigheden, onbekend bij alle anderen. Alleen de Islām is vrij van al deze toevoegingen aan de grondleerstelling. Het spreekt Eenheid in haar eenvoudigste vorm en verwerpt alle toevoegingen die hier in drie soorten zijn ingedeeld: 1. Anderen dan Allāh aanbidden tot hen richten; 2. Iets aan Hem gelijk stellen, wat neerkomt op het toeschrijven van Goddelijke eigenschappen aan anderen; 3. Anderen tot Heer nemen naast Allāh, wat neerkomt op een onderwerping aan anderen in een volmaakte gehoorzaamheid die slechts aan Allāh verschuldigd is. Er zijn geen afgoden, geen goden, geen incarnaties van het Goddelijke Wezen, geen zonen van Allāh, en als laatste geen pirs en priesters die blind gevolgd moeten worden.

66a. De christenen hadden een meningsverschil met de Profeet (s.a.w.) aangaande Jezus Christus, over wie zij enige kennis hadden, maar van Abraham hadden zij geen gedetailleerde kennis. De joden nodigden mensen uit tot een geloof in de Thora en de christenen tot een geloof in het Evangelie, maar deze hadden beide de zuiverheid van het geloof van Abraham verloren. Dat was zuiver monotheïstisch, niet gemengd met ofwel joods priesterschap ofwel de christelijke leer van het zoonschap. Dit wordt duidelijk gemaakt in het volgende vers.

69a. Hun intriges worden beschreven in het laatste vers van deze paragraaf en de openingsverzen van de volgende paragraaf.

 

PARAGRAAF 8:

Samenzweringen om de Islām in diskrediet te brengen

 

72 Wa qaalat-taaa-‘ifatummin ‘Ahlil-Kitaabi ‘aaminoe billazie ‘unzila ‘alallaziena ‘aamanoe wadjhan-nahaari wakfuroe ‘aagirahoe la-‘allahum yardji-‘oen;

72 En een deel van de Mensen van het Boek zegt: Belijd geloof in wat geopenbaard is aan degenen die geloven, in het eerste deel van de dag, en geloof niet in het laatste deel ervan, misschien dat zij terugkeren.a

 

73 Wa laa tu’-minoe ‘illaa liman-tabi-‘a Dienakum. Qul ‘innal-hudaa hudallaahi ‘any-yu’-taaa ‘ahadum-misla maaa ‘oetietum ‘aw yuhaaadj-djoekum ‘inda Rabbihum. Qul ‘innalfazla bi-yadillaah: yu’-tiehi many-yasjaaa’: wallaahu Waasi-‘un ‘Aliem.

73 En gelooft niet, behalve in degene die jullie religie volgt.a Zeg: Ware leiding – Allāh’s leiding – is dat men het gelijke mag ontvangen wat aan jullie werd gegeven; of zij zouden de overhand hebben over jullie in de discussie voor Jullie Heer.b Zeg: Goedgunstigheid ligt in Allāh’s hand. Hij schenkt het aan wie het Hem behaagt. En Allāh is Ruimgevend, Wetend.c

 

74 Yag-tassu bi-rahmatihie many-yasjaaa’. Wallaahu Zulfadlil-‘Aziem.

74 Hij verkiest voor Zijn genade speciaal wie het Hem behaagt. En Allāh is de Heer van geweldige goedgunstigheid.a

 

75 Wa min ‘Ahlil-Kitaabi man ‘in-ta’-manhu bi-qintaariny-yu-‘addihie ‘ilayk. Wa minhum-man ‘in-ta’-manhu bidienaaril-laa yu’-addihie ‘ilayka ‘illaa maa dumta ‘alayhi qaaa-‘imaa. Zaalika bi-‘annahum qaaloe laysa ‘alaynaa fil-‘ummiyyiena sabiel. Wa yaqoeloena ‘alallaahil-kaziba wa hum ya’-lamoen.

75 En onder de Mensen van het Boek bevindt zich degene die, wanneer je hem een stapel rijkdom zou toevertrouwen, het jou terug zou betalen; en onder hen bevindt zich degene die, wanneer je hem een dināra zou toevertrouwen, het niet aan jou terug zou betalen, tenzij je erom zou blijven vragen. Dit komt omdat zij zeggen: ons treft geen blaam in zaken die de ongeletterde mensen betreffen, en zij verzinnen een leugen tegen Allāh. terwijl zij weten.b

 

76 Balaa man ‘awfaa bi-‘ahdihie wattaqaa fa-‘innallaaha yuhibbul-Muttaqien.

76 Ja, wie zijn belofte nakomt en aan zijn plicht voldoet – dan houdt Allāh zeker van de plichtsgetrouwen.

 

77 ‘Innallaziena yasjta-roena bi-‘ahdillaahi wa ‘aymaanihim samanan-qalielan ‘ulaaa-‘ika laa galaaqa lahum fil-‘Aagirati wa laa yukallimu-humullaahu wa laa yanzura ‘ilayhim Yawmal-Qiyaamati wa laa yuzakkiehien: wa lahum ‘azaabun-‘aliem.

77 Degenen die weinig waarde hechten aan het verbond met Allāh en aan hun eigen geloften – zij bezitten geen aandeel in het Hiernamaals, en Allāh zal niet tot hen spreken, noch zal Hij naar hen kijken op de dag van de Opstanding, noch zal Hij hen zuiveren, en voor hen is er een pijnlijke straf.

 

78 Wa ‘inna minhum lafarieqany-yal-woena ‘alsi-natahumbil-Kitaabi li-tahsaboehu minal-Kitaabi wa maa huwa minal Kitaab. Wa yaqoeloena ‘huwa min ‘indillaahi wa maa huwa min ‘indillaah: wa yagoe- loena ‘alallaahil-kaziba wa hum ya-‘lamoen.

78 En er is waarlijk een deel van hen dat liegt over het Boek,a opdat jullie zullen denken dat het (een deel) van het Boek is terwijl het geen (deel) van het Boek is; en zij zeggen, Het komt van Allāh, terwijl het niet van Allāh komt; en zij verzinnen een leugen tegen Allāh, terwijl zij weten.

 

79 Maa kaana li-basjarin ‘any-yu’-ti-ya-hullaahul-Kitaaba wal-Hukma wan-Nubuw-wata summa yaqoe- la linnaasi koenoe ‘ibaadallie min-doenillaahi wa laakin-koenoe Rabbaa-niyyiena bimaa kuntum tu-‘allimoenal-Kitaaba wa bimaa kuntum tadrusoen.

79 Het past een sterveling niet, wanneer Allāh hem het Boek geeft en de oordeelskracht en het profeetschap, dat hij dan zegt tegen de mensen: Wees mijn dienaren naast die van Allāh; maar (hij zou moeten zeggen): Wees aanbidders van de Heer, omdat jullie het Boek onderwijzen en omdat jullie (het) bestuderen;a

 

80 Wa laa ya’-murakum ‘antattagizul-malaaa-‘ikata wannabiyyiena ‘arbaabaa. ‘Aya’-murukum-bil-kufri ba’-da ‘iz-‘antum-Muslimoen?

80 Noch zou hij jullie bevelen om de engelen en de profeten tot heren te nemen. Zou hij jullie bevelen ongelovig te zijn nadat jullie je hebben onderworpen?a


72a. De woorden zouden twee betekenissen kunnen dragen, afhankelijk van waar het persoonlijk voornaamwoord in āchira-hoe naar verwijst, want het kan ofwel verwijzen naar dat wat geopenbaard is of naar de dag. De betekenis in het eerste geval is dat geloof beleden kan worden in het eerste deel van de openbaring, terwijl het latere deel ontkend wordt, met het doel twijfel te zaaien omtrent de oprechtheid van de Profeet (s.a.w.). Zij zouden bijvoorbeeld zeggen, dat de eerdere openbaring zonder twijfel waar was, maar dat de Profeet (s.a.w.) streefde naar persoonlijke verheerlijking in de latere openbaring, een standpunt dat tot op de dag van vandaag door sommige christelijke schrijvers wordt ingenomen. Als we de andere betekenis aannemen, zou het betekenen dat zij ’s morgens een geloof in de waarheid van de Islām hadden aanvaard te verwaren en de indruk te wekken dat de religie van de Islām een verkeerde religie was. Het was een onderscheidende karaktertrek van de Islām, dat mensen die hem eenmaal hadden aangenomen zelfs onder de zwaarste beproevingen niet bezweken voor enige verleiding. Toen Heraclius aan Aboe Soefjān, de leider van de Qoeraisj, vroeg of diegenen die de Islām aangenomen hadden dat herriepen, was het antwoord: “Nee” (B. 1:1). De joden wilden daarom deze sterke positie van de waarheid van de Islām aan het wankelen brengen door hypocriete belijdenissen af te leggen, en vervolgens in grote getale het geloof weer af te vallen. Het gebruik van deze strategie vormt een duidelijk bewijs voorhet feit dat afvalligen niet ter dood werden gesteld.

73a. De betekenis is dat de joden niet in enige profeet zouden moeten geloven die niet hun leer volgde, nl. de Mozaïsche leer.

73b. Het standpunt van de joden in geen enkele profeet te geloven die de Mozaïsche wet niet volgde, wordt weerlegd door het antwoord dat er eenzelfde openbaring aan een andere profeet zou worden gegeven als ook aan Mozes werd gegeven, want de Goddelijk belofte aan Mozes was: "Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal Mijn woorden in Zijn mond leggen" (Deut. 18:18). Deze belofte moest vervuld worden, en de Profeet die zo opstond, en was "zoals" Mozes, zou een ware leider zijn. Maar als het Profeetschap beperkt moest blijven tot de lijn van Israël en er geen profeet mocht opstaan onder de kinderen van Ismaël, die ook het "zaad" van Abraham waren, dan zou het moeslimargument betreffende het onvervuld blijven van de belofte die gegeven was aan Abraham en betreffende de voorspelling aan Mozes zoals opgenomen in Deut. 18:18, onbeantwoordbaar zijn. Zoals de context aangeeft, betekent Joehādjdjoe-koem hier dat de moeslims over hun tegenstanderds heersten door middel van argumenten. Vandaar dat zowel de joden als de christenen de Islām op grote schaal omarmden ondanks de zware tegenstand van hun wereldlijke en geestelijke leiders.

73c. Goedgunstigheid duidt hier op profeetschap. Vergelijk het gebruik van goed in 2:105.

74a. De verkiezing van Allāh voor Zijn genade staat hier voor Zijn keuze van een profeet, zoals in 2:105.

75a. Dinār is een Arabische gouden munt met een waarde van ongeveer 10 shilling.

75b. Zij beschouwden zichzelf vrij van alle verantwoordelijkheid ten opzichte van de niet-joden, ondanks mogelijke afspraken die ze met hen gemaakt zouden kunnen hebben. Vandaar dat zij het als wettig beschouwden om de moeslims op allerlei manieren te bedriegen. Er wordt hen echter gezegd dat Allāh nooit oneerlijkheid toestond, tegen welke mensen dan ook.

78a. Lawwā lisāna-hoe bi-kadzā, lett. hij verdraaide zijn tong met iets impliceert hij loog over en verdraaide een verhaal (R). En alwā bi-l-kalām betekent hij leidde het (d.w.z. een uitspraak of gezegde) weg van zijn koers of veranderde of wijzigde het volledig (LA, T). Rz citeert het volgende commentaar van I’Ab op de woorden van dit vers: Wat bedoeld wordt is het lezen van het verkeerde boek. En hij zegt dat je in het Arabisch verschillende woorden voor een handeling gebruikt, afhankelijk van de vraag of de goede of de slechte bedoeling van de handeling tot uitdrukking wordt gebracht. Dan citeert hij 2:79, wat aantoont dat het boek wat zij lazen niet het door Allāh geopenbaarde boek was, maar één dat zij eigenhandig geschreven hadden. Ook de slotwoorden van dit vers wijzen naar dezelfde conclusie: "Zij verzinnen een leugen tegen Allāh."

79a. Rabbāni, wat hetzelfde is als ribbi (van Rabb, ofwel Heer), betekent iemand die kennis heeft over de Heer, of iemand die een aanbidder is van de Heer. Volgens een uitspraak van de Profeet (s.a.w.) is een ribbi een geleerd man, een leraar van anderen, die de mensen voedt met kennis aangaande kleine zaken, vóór grote zaken (LL).

80a. Volgens de Heilige Qoer-ān leerde dus geen enkele profeet – inclusief Jezus – ooit aan zijn volgelingen om hem als God te zien. Met andere woorden, iemand dir dit daadwerkelijk onderwees, kon geen profeet van Allāh zijn. Zelfs de huidige Evangeliën schrijven zo’n leer niet aan Jezus toe. De engelen worden genoemd omdat de heidense Arabieren de engelen aanbaden.

 

PARAGRAAF 9: Verbod van de profeten

 

81 Wa-‘iz ‘agazal-laahu Miesaaqan-Nabiyyiena lamaaa ‘aataytukum-min-Kitaabinw-wa Hik-matin-summa djaaa-‘akum Rasoelum-Musaddiqul-limaa ma-‘akum latu’-minunna bihie wa la-tansu-roenah. Qaala ‘a-‘aqrartum wa ‘agaztum ‘alaa zaalikum ‘Isrie? Qaaloe ‘aqrarnaa. Qaala fasj-hadoe wa ‘ana ma-‘akum-minasj-Sjaahidien.

81 En toen Allāh een verbond sloot door middel van de profeten: Zeer zeker wat Ik jullie gegeven heb van het Boek en de Wijsheid – dan komt er een boodschapper tot die bevestigt wat in jullie midden is, jullie zullen in hem geloven, en jullie zullen hem helpen, Hij zei: Bevestigen en aanvaarden jullie Mijn overeenkomst betreffende deze (zaak)? Zij zeiden: Wij bevestigen (dit). Hij zei: Getuig dan, en ook Ik behoor met jullie tot degenen die getuigen.a

 

82 Faman-ta-wallaa ba’-da zaalika fa-‘ulaaa-‘ika humulfaasiqoen.

82 Wie er hierna nog terugkeert, dat zijn de overtreders.

 

83 ‘Afa-ghayra Dienillaahi yabghoena wa lahoe ‘aslama manfis-samaawaati wal-‘ardi taw-‘anw-wa karhanw-wa ‘ilayhi yurdja-‘oen?

83 Zoeken zij dan een andere dan Allāh’s, religie? En aan hem onderwerpt zich wie er dan ook in de hemelen en op aarde is, vrijwillig of onvrijwillig, en tot Hem zullen zij worden teruggebracht.a

 

84 Qul ‘aamannaa billaahi wa maaa ‘unzila ‘alaaa ‘Ibraahiema wa ‘Ismaa-‘iela wa ‘Is-haaqa wa Ya-qoeba wal-‘Asbaati wa maaa ‘oetiya Moesaa wa ‘Isaa wan-nabiyyoena mir-Rabbihim. Laa nufarriqu bayna ‘ahadim-minhum, wa nahnu lahoe Muslimien.

84 Zeg: Wij geloven in Allāh en in wat aan ons werd geopenbaard, en in dat wat werd geopenbaard aan Abraham en Ismaël en Isaak en Jakob en de stammen, en in dat wat door hun Heer werd gegeven aan Mozes en Jezus en aan de profeten; wij maken geen onderscheid tussen wie van hen dan ook, en aan Hem onderwerpen wij ons.

 

85 Wa many-yabtaghi ghayral-‘Islaami Dienan-falany-yuqbala minh; wa huwa fil-‘Aagirati minal-gaasirien.

85 En wie zoekt naar een andere religie dan de Islām, het zal niet van hem aanvaard worden, en in het Hiernamaals zal hij tot de verliezers behoren.a

 

86 Kayfa yahdillaahu qawman-kafaroe ba’-da ‘iemaanihim wa sjahidoe ‘annar-Rasoela haqqunw-wa djaaa-‘ahumul-Bayyinaat? Wallaahu laa yahdil-qawmaz-zaalimien.

86 Hoe moet Allāh een volk leiden dat niet meer gelooft, na hun geloof, en (nadat) zij ervan getuigd hadden dat hij waarlijk de boodschapper was, en er duidelijke bewijzen tot hen gekomen waren? En Allāh leidt de onrechtvaardige mensen niet.a

 

87 ‘Ulaaa-‘ika djazaaa-‘uhum ‘anna ‘alayhim la’-natallaahi wal-malaaa-‘ikati wannaasi ‘adjma-‘ien;-

87 Wat betreft dezen, hun beloning is dat op hen de vloek rust van Allāh, en van de engelen en van de mensen, allen tezamen –

 

88 Gaalidiena fiehaa: laa yugaffafu ‘anhumul-‘azaabu wa laa hum yunzaroen;–

88 Daarin verblijvend. Hun straf zal niet worden verlicht, noch zal hun uitstel worden verleenda

 

89 ‘Illal-laziena taaboe mimba’-di zaalika wa ‘aslahoe; fa-‘innallaaha Ghafoerur-Rahiem.

89 Behalve degenen die daarna berouw tonen en zich verbeteren, want Allāh is waarlijk Vergevensgezind, Barmhartig.

 

90 ‘Innal-laziena kafaroe ba’-da ‘iemaanihim summaz-daadoe kufral-lan tuqbala taw-batuhum; wa ‘ulaaa-‘ika humud-daaal-loen.

90 Het berouw van degenen die niet geloven na hun geloof, en van wie dan het ongeloof toeneemt, wordt niet aanvaard, en zij zijn het die afdwalen.a

 

91 ‘Innal-laziena kafaroe wa maatoe wa hum kuffaarunfalany-yuqbala min ‘ahadihim mil-‘ul-‘ardi zahabanw-wa lawiftadaa bih. ‘Ulaaa-‘ika lahum ‘azaabun ‘aliemunw-wa maa lahum-min-naasirien.

91 Van degenen die niet geloven en ongelovig sterven, van niet één van hen zal de aarde vol goud worden aanvaard, zelfs als hij deze zou aanbieden als afkoopsom. Zij zijn het wie een pijnlijke straf wacht, en zij zullen geen helpers hebben.


81a. Mithāq al-nabijjin betekent letterlijk het verbond van de profeten, en kan daarom ofwel het verbond van de profeten met Allāh betekent of het verbond van de profeten met hun volkeren. Daar de woorden die volgen duidelijk tot de volkeren zijn gericht, waarbij in de laatste twee verzen in het bijzonder de joden en de christenen worden aangesproken, houd ik de laatste interpretatie aanm, en vertaal daarom de woorden als een verbond door middel van de profeten. Volgens Kf: Toen Allāh het verbond sloot dat de profeten bevestigen bij hun volkeren. Mozes en vooral Jezus legden hun volk een verplichting op om de profeet waarover zij voorslellingen deden te aanvaarden. Dus door Mozes, had de Almachtige Allāh de Israëlieten gewaarschuwd, na hen "een profeet uit het midden hunner broederen, als u" beloofde te hebben, dat "de man die niet zal horen naar Mijn woorden, hij in Mijn naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken" (Deut. 18:19). En Jezus benadrukte dit op dezelfde manier toen hij aan zijn voorspelling aangaande de komst van de Trooster toevoegde: "Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van zichzelven niet spreken, maar zowat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken" (Joh. 16:13). De komst van de Profeet (s.a.w.) werd in feite door alle profeten van de wereld aangekondigd. Het nieuwe Testament getuigt hiervan: "Wie de hemel moet ontvangen tot de tijd van vergelding van alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al zijn heilige profeten sinds het begin van de wereld. Want Mozes zei werkelijk tot de vaders, De heer Uw God zal een profeet doen opstaan vanuit jullie broeders, zoals aan mij: jullie zullen hem horen in alle dingen die hij tot jullie zal zeggen" (Hand. 3:21, 22). Het verbond waarnaar verwezen wordt is door iedere profeet apart gesloten toen hij in de wereld verscheen. Net zoals alle profeten de komst van de Profeet Moehammad (s.a.w.) voorspelden en hun volkeren verplichtten om hem te aanvaarden, zo leerde Moehammad (s.a.w.) zijn volgelingen om te geloven in alle profeten die onder verschillende volkeren verschenen waren in verschillende tijden, en dit is vastgelegd in wat volgt. De waarheid van de eerste stelling, dat alle profeten de komst van de Profeet Moehammad (s.a.w.) voorspelden, wordt uitgedragen door de tweede stelling dat die Profeet (s.a.w.) zou getuigen van de waarheid van alle profeten van de wereld.

83a. Vergelijk 13:15, 22:18, enz., waar gezegd wordt dat allen die in de hemelen en op de aarde zijn zich onderwerpen aan Allāh. Het vers toont in feite aan dat de Islām, of de regel van onderwerping aan Goddelijke wet, een wet is die men door de hele natuur heen in werking kan zien, en dit is een argument voor de waarheid van de religie van de Islām.

85a. Nadat de kosmopolitische aard van de religie van de Islām duidelijk uiteen gezet is in het voorgaande vers, wordt nu vastgesteld dat iedereen die weigert zo’n religie te aanvaarden, uiteindelijk zeker zal verliezen. Een moeslim aanvaardt de hele waarheid; de waarheid zoals geopenbaard aan elke profeet waar ook ter wereld. De volgelingen van andere religies aanvaarden slechts een gedeeltelijke waarheid, alleen de waarheid die aan hen geopenbaard is, niet de waarheid die aan de gehele mensheid geopenbaard is.

86a. De personen die hier bedoeld worden zijn diegenen die in vroegere profeten geloofden en niet in de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.). Terwijl ze over duidelijke tekenen beschikten die de waarheid van de Profeet (s.a.w.) aantoonden en terwijl ze een geloof beoefenden in de profeten die de komst van de laatste der profeten hadden voorspeld, geloofden ze nog steeds niet in hem. Hoe zou Allāh een volk moeten leiden dat aldus leiding afwees?

88a. In plaats van de hel is het hier de vloek – verwijdering van Allāh – waarin de schuldigen zullen verblijven, en zo wordt er licht geworpen op de aard van de hel.

90a. De personen waarover hier gesproken wordt zijn dezelfde als die waarover in v. 86 gesproken wordt. Zij geloofden in voorgaande profeten, maar wezen de Profeet Moehammad (s.a.w.) af. Hun berouw wordt niet aanvaard omdat zij geen tekenen van echt berouw vertonen. Zij gingen voort met zich te verzetten, en trachtten de Waarheid te vernietigen.

 

PARAGRAAF 10: Eeuwigbestaande getuigenis van de Waarheid van de

Islām

 

92 LAN-TANAALUL-BIRRA hattaa tunfiqoe mimmaa tuhibboen. Wa maa tunfiqoe minsjay-‘in-fa-‘innallaaha bihie ‘Aliem.

92 Jullie zullen geen rechtschapenheid bereiken, tenzij jullie uitgeven van wat jullie liefhebben. En Allāh weet waarlijk wat jullie uitgeven.a

 

93 Kullut-ta-‘aami kaana hillalli-Banie-‘Israaa-‘iela ‘illaa maa harrama ‘Israaa-‘ielu ‘alaa nafsihie min-qabli ‘an-tunazzalat-Tawraah. Qul fa’-toe bit tawraati fatloehaaa ‘in -kuntum saadiqien.

93 Al het voedsel was wettig voor de Kinderen van Israëls,a vóór de Thora werd geopenbaard, behalve dat wat Israël zichzelf verbood. Zeg: Breng de Thora en lees hem als jullie de waarheid spreken.b

 

94 Fa-manif-taraa ‘alal-laahilkaziba mim-ba’-di zaalika fa-‘ulaaa-‘ika humuz-zaalimoen.

94 Dus wie er na dit alles een leugen verzint tegen Allāh, dat zijn de kwaaddoeners.

 

95 Qul sadaqallaah: fattabi-‘oe Millata ‘Ibraahiema haniefaa; wa maa kaana minal-musjrikien.

95 Zeg: Allāh spreekt de waarheid; dus volg de religie van Abraham, de oprechte. En hij behoorde niet tot de polytheïsten.

 

96 ‘Inna ‘Awwala Bay-tinw-wuzi-‘a linaasi lallazie bi-Bakkata mubaarakanw-wa hudallil-‘aalamien:

96 Het eerste huis toegewezen aan de mensen is zeker (het huis) in Bakkah,a gezegend en een leidraad voor de naties.b

 

97 Fiehi ‘Aayaatum-Bayyinaatum-Maqaamu ‘Ibraahiem; wa man-dagalahoe kaana ‘aaminaa. Wa lillaahi ‘alannaasi Hidjdjoel-Bayti manistataa-‘a ‘alayhi sabielaa. Wa man-kafara fa-‘innallaaha Ghaniy -yun ‘anil-‘aalamien.

97 Daarin bevinden zich duidelijke tekenen: (Het is) Plaats van Abraham; en wie er binnengaat is velig; en de bedevaart naar het Huis is een plicht die de mensen Allāh schuldig zijn – wie een weg er naartoe kan vinden.a En voor wie niet gelooft, waarlijk staat Allāh boven de wereldse behoeften.

 

98 Qul yaaa-‘Ahlal-Kitaabi lima takfuroena bi-‘Aayaatillaahi wallaahu Sjahiedun ‘alaa maa ta-maloen?

98 Zeg: O Mensen van het Boek, waarom geloven jullie niet in de boodschap van Allāh? En Allāh is getuige van wat jullie doen.

 

99 Qul yaaa-‘Ahlal-Kitaabi lima tasuddoena ‘an-Sabielillaahi man ‘aamana tab-ghoenahaa ‘iwadjanw-wa ‘antum sjuhadaaa? Wa mallaahu bi-ghaafilien ‘ammaa ta’-maloen.

99 Zeg: O Mensen van het Boek, waarom verhinderen jullie degenen de geloven de weg van Allāh te betreden, door deze af (te laten) buigen, terwijl jullie getuigen zijn? En Allāh is niet onachtzaam van wat jullie doen.a

 

100 Yaaa-‘ayyuhal-laziena ‘aamannoe ‘in-tutie-‘oe farieqamminallaziena ‘oetul-Kitaaba ya-ruddukum-ba’-da ‘iemaanikum kaafirien.

100 O jullie die geloven, wanneer jullie gehoorzamen aan een groep van degenen aan wie het Boek werd gegeven, zullen zij jullie laten terugkeren tot ongeloof, na jullie geloof.

 

101 Wa kayfa takfuroena wa ‘antum tutlaa ‘alaykum ‘Aayaatullaahi wa fiekum Rasoeluh? Wa many-ya’-tasim-billaahi faqad hudiya ‘ilaa Siraatim-Mustaqiem.

101 En hoe kunnen jullie niet geloven terwijl aan jullie de boodschap van Allāh wordt voorgedragen en Zijn Boodschapper zich in jullie midden bevindt? En wie er trouw blijft aan Allāh wordt zeker naar een recht pad geleid.


92a. Het verband met het vorige vers is duidelijk. Met rijkdom kan een mens geen verlossing kopen als hij hier zijn kans heeft verspeeld, en om het beste van die kans te maken moet een mens hier hetgeen besteden waarvan hij het meest houdt. Er wordt zo aandacht gevraagd voor de opofferingen die de moeslims zich noodzakelijkrwijs moesten getroosten.

93a. De joden maakten bezwaar tegen het gebruik van bepaalde voedselsoorten door de moeslims die de wet van Mozes niet toestond. Het antwoord dat hier wordt gegeven is dat deze voedselsoorten voor Abraham en zijn volgelingen wettig waren, en de Islām stemde in principe in met de religie van Abraham. Met al het voedsel wordt al het voedsel wettig verklaard voor moeslims bedoeld.

93b. Wat was het dat Israël zichzel verbood? De commentatoren zeggen dat het kamelenvlees was. Kamelenvlees was zonder twijfel verboden aan de Israëlieten (Lev. 11:4), zoals ook verschillende andere dingen dat waren die voor moeslims gewettigd waren. Elders wordt, nadat het voedsel dat in het bijzonder verboden was aan de Israëlieten wordt genoemd, toegevoegd: "Dit was een straf die Wij hen gaven vanwege hun opstand" (6:146). Dus dat wat Israël zichzelf verbood was in feite dat wat onwettig verklaard was voor de Israëlieten vanwege hun opstandige houding tegen Mozes. Israël staat hier dus voor de Israëlische natie. Zie voor hun opstandige houding 5:21–26, waar uitlgelegd wordt dat toen zij weigerden Mozes te volgen naar de Heilige Land zij gedwongen werden veertig jaar door de wildernis te zwerven. De kameel was hier voor hen van levensbelang, omdat deze hen en hun vracht van plaats naar plaats droeg.

96a. Bakkah is hetzelfde als Makkah (R.) van tabākk wat het samendrommen van mensen betekent (Rz). Anderen zeggen dat het van een stam komt die het breken van de nek betekent, en dat de naam eraan gegeven is omdat steeds wanneer een tiran probeerde het binnen te dringen, zijn nek gebroken werd (Rz). Sommigen denken dat Bakkah de naam van de moskee of het Huis zelf is, dat in Makkah staat. De joden en de christenen wordt verteld dat de Tempel in Jeruzalem lang na Abraham werd opgetrokken, terwijl het Heilige Huis in Makkah er zelfs al vóór Abraham was, en dat dit in feite het eerste Huis op aarde was voor het aanbidden van het Goddelijke Wezen. Het onderwerp wordt volledig behandeld in 2:125a.

96b. Als aan de ene kant wordt verklaard dat Makkah het eerste Huis op aarde was, opgericht voor het aanbidden van het Goddelijke Wezen, wordt aan de andere kant gezegd dat het moebārak is, welk woord, hoewel normaal gesproken gebruikt als gezegend, duidt op de eeuwige voortzetting van de zegeningen die een ding bezit of dat van waaruit overvloedig goed stroomt (LA).

Zo is Makkah het eerste geestelijk middelpunt dat de mens werd aangewezen, en het is het definitieve geestelijk middelpunt voor de gehele mensheid.

97a. Er zijn drie duidelijke tekenen in Makkah, zoals hier opgesomd, en deze vormen in feire drie voorspellingen met betrekking tot de toekomst van Makkah. Het eerste teken is dat het de Plaats van Abraham is, die al tot het middelpunt voor moeslims is verklaard (2:125b). Vandaar dat de eerste voorspelling luidt, dat de leer van de Eenheid van het Goddelijke Wezen vanuit dit middelpunt aan de hele wereld verkondigd zal worden. Het tweede teken is dat Makkah altijd veilig zal zijn, d.w.z. dat het niet in de handen van een vijand zal vallen die het zou vernietigen. Er is een uitspraak van de Profeet (s.a.w.) die er op neerkomt dat de Antichrist en de pest Makkah en Madinah niet zullen binnendringen (B. 29:9). Zo wordt haar veiligheid zowel fysiek als geestelijk verzekerd. De derde voorspelling is dat een bedevaart naar het Heilige Huis altijd gemaakt zal worden, en dat geen macht ter wereld is staat zal zijn daar een halt aan toe te roepen. Het meest opvallende aan deze voorspellingen is, dat ze alle verkondigd werden toen de Profeet (s.a.w.) en zijn volgelingen voor altijd van de Heilige Plaats verdreven leken te zijn, toen die plaats in het exclisieve bezit was van een vijand die de moeslims niet toestond de plaats te bezoeken, zelfs niet gedurende de heilige maanden, en toen de kleine moeslimgemeenschap het gevaar liep elk moment volkomen vernietigd te kunnen worden door die machtige vijand. Er kan hier aan worden toegevoegd dat de bedevaart naar het Heilige Huis geen onvoorwaardelijke verplichting is; het is slechts de plicht van degenen die in staat zijn de reis er naartoe te maken.

99a. De joden en de christenen spanden in het geheim samen met de afgodsdienaren van Arabië om de Islām te verpletteren.

PARAGRAAF 11: Moeslims aangespoord om verenigd te blijven

 

102 Yaaa-‘ayyuhal-laziena ‘aamanut-taqullaaha haqqa tuqaatihie wa laa tamoetunna ‘illaa wa ‘antum -Muslimoen.

102 O jullie die geloven, voldoe jullie plicht aan Allāh, zoals deze voldaan moet worden, en sterf niet zonder dat jullie moeslims zijn.a

 

103 Wa-tasimoe bi-Hablillaahi djamie-‘anw-wa laa tafarraqoe. Waz-kuroe ni’-matallaahi ‘alaykum ‘iz koutum ‘a’-daaa-‘an-fa-‘allafa bayna quloebikum fa-‘asjbahtum-bini’-matihie ‘igwaanaa; wa kuntum ‘alaa sjafaa hufratimminannaari fa-‘anqazakkumminhaa. Kazaalika yubayyinullaahu lakum ‘Aayaatihie la-‘allakum tahtadoen.

103 En houd allen tezamen vast aan het verbond met Allāha en wees niet verdeeld. En herinner je Allāh’s gunst aan jullie toen jullie vijanden waren, toen verenigde Hij jullie harten zodat jullie door Zijn gunst broeders werden. En jullie stonden aan de rand van een afgrond van vuur, en toen behoedde Hij jullie hiervoor.b Zo maakt Allāh Zijn boodschap aan jullie duidelijk opdat jullie geleid mogen worden.

 

104 Wal-takum-minkum ‘Ummatuny-yad-‘oena ‘ilal-gayri wa ya’-muroena bil-ma’-roenfi wa yanhawna ‘anil-munkar : wa ‘ulaaa-‘ika humul-muflihoen.

104 En in jullie midden moet er een groep zijn die uitnodigt tot het goede, het juiste beveelt en het foute verbiedt. En dit zijn degenen die succesvol zijn.a

 

105 Wa laa takoenoe kallaziena tafarraqoe wagtalafoe mim-ba’-di maa djaaa-‘ahumul Bayyi-naat: wa ‘ulaaa-‘ika lahum ‘azaabun ‘aziem,-

105 En wees niet als degenen die verdeeld raakten en het oneens werden nadat er duidelijke bewijzen tot hen gekomen waren. En voor hen is er een verschrikkelijke straf.

 

106 Yawma tab-yazzu wudjoehunw-wa taswaddu wudjoeh: fa-‘ammallazie-naswaddat wudjoe-huhum: ‘akafartum-ba’-da iemaanikum fazoequl-‘azaaba bimaa kuntum tagfuroen?

106 Op de dag dat (sommige) gezichten wit worden en (sommige) gezichten zwart. Dan wat betreft diegenen van wie de gezichten zwart zijn: Werden jullie ongelovig na jullie geloof? Proef dan de straf omdat jullie ongelovig waren.a

 

107 Wa ‘ammal-lazienab-yazzat wudjoehuhum fafie rahmatillaah: hum fiehaa gaalidoen.

107 En wat betreft degenen van wie de gezichten wit zijn, zij zullen in Allāh’s genade zijn, Daarin zullen zij verblijven.

 

108 Tilka ‘Aayaa-tullaahi natloehaa ‘alayka bil-Haqq. Wa mallaahu yuriedu zul-mal-lil-‘aalamien.

108 Dit is de boodschap van Allāh die Wij naar waarheid aan jullie voordragen. En Allāh wenst geen onrechtvaardigheid voor (zijn) schepselen.

 

109 Wa lillaahie maa fis-samaawaati wa maa fil-‘ard: wa ‘ilallaahi turdja-‘ul-‘umoer.

109 En aan Allāh behoort alles toe wat in de hemelen is en alles wat op aarde is. En tot Allāh zullen alle zaken worden teruggebracht.


102a. Na de polemiek met de Mensen van het Boek tot een einde is gekomen, en de waarheid van de Islām is vastgesteld, worden de moeslims vermaand om zich ten eerste individueel bewust te zijn van de plicht die zij hebben ten opzichte van Allāh (v. 102), en ten tweede om verenigd te blijven bij het uitdagen van de boodschap van de Islām aan de hele wereld (v. 103). Elke moeslim moet een leven leiden van ware onderwerping aan Allāh, zodat wanneer zijn dood komt, deze hem als moeslim zal vinden. Zoals v. 104 aantoont, wordt hier aandacht gevraagd voor de belangrijke plicht van de moeslim de boodschap van de Islām aan anderen uit te dragen.

103a. Het Arabische woord voor verbond is habl, wat voornamelijk een touw of een koord betekent en vandaar een band, een doel tot eenheid, een band van liefde of vriendschap, een verbond of een verdrag waarbij men verantwoordelijk wordt voor de veilegheid van een persoon of een ding (LL). Met habl-Allāh of het verbond van Allāh wordt de Qoer-ān bedoeld, een betekenis die ondersteund wordt door twee uitspraken van de Profeet (s.a.w.). Volgens een daarvan is het Boek van Allāh het verbond (of touw) van Allāh, en volgens de andere is de Qoer-ān het stevige verbond (of touw) van Allāh (AH). Alle moeslims, zo wordt ons hier verteld, zouden zich moeten verenigen in hun vasthoudendheid aan de Qoer-ān en in het uitdragen van zijn boodschap aan andere mensen.

103b. Voor de komst van de Heilige Profeet (s.a.w.) verkeerden de Arabieren in een staat van voortdurende, vernietigende oorlogen, die het hele land dreigden te verwoesten. Zoals een moderne schrijver zegt: "Een meer onverenigd volk zou moeilijk te vinden zijn, tot ploteseling het wonder plaatsvond! Er stond een man op die door zijn persoonlijkheid en zijn aanspraak op directe Goddelijke leiding, werkelijk het onmogelijke voor elkaar kreeg – namelijk de vereniging van al deze strijdende partijen" (Ins and Outs of Mesopotamia, p. 99).

Er moet opgemerkt worden dat in de Arabische literatuur en in de Qoer-ān nar, of vuur, vaak een symbool is voor oorlog. De Arabieren staken vaan een vuur aan als een teken dat er oorlog verwacht werd en dat alle stammen zich dus moesten verzamelen. Vandaar het gebruik van het woord met als implicatie oorlog. In de Qoer-ān zelf lezen we, "Iedere keer dat zij een vuur ontstoken voor oorlog wordt het gedoofd door Allāh" (5:64).

104a. De verhitte verbeelding van een christelijke annotator ziet in deze woorden een flits van "het zwaard". Vergelijk 9:122: "En de gelovigen moeten niet allemaal samen eropuit trekken. Waarom dan, trekt niet een aantal uit iedere groep van hen eropuit, zodat zij zich kunnen wijden aan het verkrijgen van inzicht in religie, en zodat zij hun volk kunnen waarschuwen wanneer zij bij hen terugkeren, opdat zij zich zullen hoeden?" Beide verzen instrueren in feite de moeslims om altijd een missiegroep in hun midden te hebben, waarvan de enige taak het moet zijn de Islām te propageren en hun eigen mensen op de juiste wijze te instrueren. Dit is op dit moment het meest verwaarloosde gebod van de Qoer-ān. Moeslims hebben overal regelingen voor, maar ze hebben geen regeling voor het uitnodigen van mensen tot de grote waarheid die geopenbaard wordt in de Heilige Qoer-ān. Het woord chair betekent goed, en de Qoer-ān wordt in 2:205 chair genoemd.

106a. Met gezichten die wit worden wordt hier bedoeld dat ze uitdrukking geven aan vreugde, en met het zwart worden van de gezichten wordt bedoeld dat ze uitdrukking geven aan verdriet (R, LL). Az zegt dat men zegt dat een mens abjad (wit) is wanneer men bedoelt dat hij vrij is van onzuiverheden en onvolkomenheden (T).

 

PARAGRAAF 12: Betrekkingen tussen joden met de moeslims

 

110 Kuntum gayra ‘ummatin ‘ugridjat linnaasi ta’-muroena bil-ma’-roefi wa tan-hawna-‘anil-munkari wa tu’-minoena billaah. Wa law ‘aamana ‘Ahlul-Kitaabi lakaana gayral-lahum: min-humul-mu’-minoena wa ‘aksaru-humul-faasiqoen.

110 Jullie zijn de beste natie die voor de mensen is gevormd: jullie bevelen het goede en verbieden het kwade en jullie geloven in Allāh.a En wanneer de Mensen van het Boek geloofd hadden, zou het beter zijn geweest voor hen. Sommigen van hen zijn gelovigen maar de meesten van hen zijn overtreders.

 

111 Lany-yazurroekum ‘illaaa ‘azaa; wa ‘iny-yuqaatiloekum yu-walloekumul-‘adbaar-Summa laa yun- saroen.

111 Buiten wat licht letsel zullen zij jullie niet deren. En wanneer zij jullie bestrijden, xullen zij jullie de rug toekeren. Dan zullen zij niet geholpen worden.a

 

112 Zuribat ‘alayhimuz-zillatu ‘ayna maa suqifoe ‘illaa bi-Hablim-minallaahi wa Hablimminannaasi wa baaa-‘oe bighazabim-minallaahi wa zuribat ‘alay-himul-maskanah. Zaalika bi-‘annahum kaanoe yak- furoena bi-‘Aajaatillaahi wa yaqtuloenal-‘ambi-yaaa-‘a bighayri haqq; zaalika bimaa ‘asaw-wa kaanoe ya’-tadoen.

112 Vernedering zal hun lot zijn waar zij ook gevonden worden, behalve binnen een verbond met Allāh over zich afroepen, en ontluistering zal hen achtervolgen. Dit is omdat zij niet geloofden in de boodschap van Allāh en de profeten onterecht doodden. Dit is omdat zij niet gehoorzaamden en de grenzen overtreden.a

 

113 Laysoe sawaaa-‘aa. Min ‘Ahlil-Kitaabi ‘ummatun-qaaa-‘imatuny-yat-loena ‘Aa-yaatillaahi ‘aanaaa-‘al-lay-li wa hum yasdjudoen.

113 Zij zijn niet allemaal gelijk. Onder de Mensen van het Boek is een oprechte groep die Allāh’s boodschap ’s avonds voordraagt en zij aanbidden (Hem).

 

114 Yu’-minoena billaahi wal-Yaw-mil-‘Aagiri wa ya’-muroena bil-ma-roefi wa yanhawna ‘anil-munkari wa yusaari-‘oena fil-gay-raat: wa ‘ulaaa-‘ika minas-Saalihien.

114 Zij geloven in Allāh en de Laatste Dag, en zij bevelen het goede en verbieden het kwade en wedijveren met elkaar om goede daden. En zij behoren tot de rechtschapenen.

 

115 Wa maa yaf-‘aloe min gayrin falany-yukfaroeh: wallaahu ‘Aliemum-bil-Muttaqien.

115 En welk goed zij ook doen, het zal hen niet onthouden worden. En Allāh kent degenen die aan hun plicht voldoen.a

 

116 ‘Innal-laziena kafaroe lantughniya ‘anhum ‘amwaa-luhum wa laaa ‘awlaaduhum-minallaahi sjay-‘aa: wa ‘ulaaa-‘ika ‘As-haabun-Naari hum fiehaa gaalidoen.

116 Voor degenen die niet geloven zullen noch hun rijkdom noch hun kinderen hen baten tegen Allāh. En dit zijn de gezellen van het Vuur; daarin verblijven zij.

 

117 Masalu maa yunfiqoena fie haazihil-hayaatid-dunyaa ka-masali riehin-fiehaa sirrun ‘asaabat harsa qaw-min-zalamoe ‘anfusahum fa-‘ahlakat-h. Maa zalamahumullaahu wa laakin ‘anfusahum yazlimoen.

117 De gelijkenis van wat zij uitgeven tijdens het leven in deze wereld is als de gelijkenis van de wind waarin een intense koude schuilt; deze treft de oogst van een volk dat zichzelf aandoet en vernietigt deze. En Allāh deed hen geen onrecht aan maar zij deden zichzelf onrecht aan.a

 

118 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa tatta-gizoe bitaanatam-min-doenikum laa ya’-loenakum ga-baalaa. Waddoe maa ‘anittum. Qad badatil-baghzaaa-‘u min ‘afwaahihim wa maa tugfie sudoeruhum ‘akbar. Qad bayyannaa lakkumul-‘Aayati ‘in-kuntum ta’-qiloen.

118 O jullie die geloven, neem geen andere dan jullie eigen mensen tot vertrouwelijke vriend:a zij laten niets na om jullie verlies toe te dienen. Zij houden van hetgeen jullie verontrust. Vurige haat is al uit hun mond tevoorschijn gekomen, en wat hun harten verbergen is veel erger. Zeker hebben Wij de boodschap voor jullie duidelijk gemaakt, als jullie begrijpen.

 

119 Haa-‘antum ‘ulaaa-‘i tuhibboenahum wa laa yuhibboenakum wa tu’-minoena bil-Kitaabi kulih. Wa ‘izaa laqoekum qaaloe ‘aamannaa: wa ‘izaa galaw ‘azzoe ‘alay-kumul-‘anaamila minal-ghayz. Qul moetoe bighayzikum : ‘innallaaha ‘Aliemoem-bizaatis-sudoer.

119 Zie! Jullie zijn degenen die hen lief zullen hebben terwijl zij jullie niet liefhebben,a en jullie geloven in het Boek, (in) het geheel ervan. En wanneer zij jullie tegenkomen zeggen zij, Wij geloven, en wanneer zij alleen zijn, bijten zij in (hun) vingertoppen uit woede over jullie. Zeg: Sterf in jullie woede. Waarlijk isAllāh de Weter van wat er in de harten schuilt.

 

120 ‘In-tamsaskum hasanatuntasu-hum wa ‘in tusibkum sayyi-‘atuny-yafrahoe bihaa. Wa ‘in-tas-biroe wa tattaqoe laa yazurrukum kayduhum sjay-‘aa: ‘innallaaha bimaa ya’-maloena Muhiet.

120 Wanneer het jullie goed gaat, doet dit ze verdriet, en wanneer het jullie slecht gaat, verheugt dit hen. En wanneer jullie geduldig zijn en aan jullie plicht voldoen, dan zal hun strijd jullie op geen enkele manier raken. Waarlijk omvat Allāh wat zij doen.


110a. Niet alleen zijn de moeslims het uitverkoren volk van Allāh, van wie nu gevraagd wordt dat zij de vaandeldragers van de Waarheid in de wereld worden, maar op hetzelfde moment worden zij uitgeroepen tot het beste volk dat ooit voor deze taak werd uitverkoren. Dit was zonder twijfel te danken aan de voortreffelijkheid van die Grote Leraar die hen grondig reinigde van de ergste gebreken en die het licht in hen vervolmaakte. Geen profeet trof ooit een volk in een slechtere toestand aan, en geen tilde zijn volk tot zo’n verhevenheid. Merk op dat de voortreffelijkheid van het moeslimvolk wordt aangetroffen in het feit dat zij het goede bevelen en het kwade verbieden, en in hun grote geloof in Allāh. Als zij deze kenmerken verliezen, verliezen zij ook hun voortreffelijkheid.

111a. Ondanks hun verbond met de moeslims, kozen de joden van Arabië de kant van de vijanden van de Islām in hun poging de nieuwe religie uit te roeien. Het lukte hen echter niet de moeslims enige serieuze schade toe te brengen, en steeds wanneer zij openlijk tegenover de moeslims stonden, vluchtten zij. Zoals de slotwoorden aantonen, kwamen de afgodsdienaren die hen in het geheim hulp hadden toegezegd, hen nooit te hulp wanneer ze in de problemen zaten.

112a. Bijna dezelfde woorden, op de uitzondering na, komen voor in 2:61. De joden waren voor de komst van de Profeet (s.a.w.) al onderworpen aan de grootste vernedering en schande, maar met de komst van de Islām zouden zij hun positie kunnen verbeteren. Ofwel door het verbond met Allāh te aanvaarden – waarmee de aanvaarding van de Islām wordt bedoeld – ofwel door een verdrag voor veiligheid te sluiten met die mensen die hen bescherming konden bieden. Dit is tot op de dag van vandaag waar.

115a. Men is de mening toegedaan, en deze is inderdaad zeer aannemelijk, dat vv. 113–115 gaan over de goeden onder de joden en de christenen, en niet over diegenen die zich bekeerd hadden tot de Islām, omdat van de moeslims niet gezegd kan worden dat zij tot een groep van de Mensen van het Boek behoren. Het is een feit dat de Qoer-ān niet ontkent dat er goed steekt in anderen, waarbij zijn eigen verhevenheid over andere schuilt in het feit dat hij de mens doet reiken naar de hoogste graad van volmaaktheid in het goede. Het is om deze reden dat de beschrijving van de oprechte groep onder de volgelingen van het Boek, besluit met de woorden en welk goed zij ook doen, het zal hen niet onthouden worden. Over het algemeen zijn de commentatoren echter van mening dat de beschrijving die hier gegeven wordt naar die joden en christenen verwijst die zich bekeerd hadden tot de Islām.

117a. Er wordt hier gerefereerd aan het falen van de vijanden van de Islām, wat door de hele Qoer-ān heen voorspeld wordt. De parabel is gelijk aan die in 68:17–33.

118a. Zoals de context laat zien, hielpen de joden de vijanden van de Islām met hun oorlog tegen de moeslims, dus werden de moeslims gewaarschuwd voor hechte en intieme relaties met hen; zie 60:8, 9.

119a. Dit vers geeft duidelijk aan welke moeilijkheden de moeslims ondervonden bij het aanknopen van vriendschappelijke en liefdevolle relaties met niet-moeslims. De moeslims zouden graag hun vriendschap aanbieden, maar de andere partij was altijd op zoek naar een mogelijkheid om hen verlies toe te brengen, en de openhartigheid van de moeslims werd met onoprechtheid en verraad terugbetaald.

 

PARAGRAAF 13: De Slag bij Oehoed

 

121 Wa ‘iz gadawta min ‘ahlika tubaw-wi-‘ul-Mu’-miniena maqaa-‘ida lil-qitaal: wallaahu Samie-‘un ‘Aliem.

121 Toen toen je vroeg in de morgen wegtrokt van je familie, om de gelovigen hun plaats in de veldslag toe te wijzen. En Allāh is Horend, Wetend.a

 

122 ‘Iz hammat-taaa-‘ifataani minkum ‘an-tafsjalaa wallaahu Waliyyu-humaa, wa ‘alallaahi fal-yata-wakkalil-Mu’-minoen.

122 Toen twee groepena uit jullie midden erover dachten lafheid te tonen, en Allāh de Beschermer van hen beide was. En op Allāh moeten de gelovigen vertrouwen.b

 

123 Wa laqad nasara-kumullaahu bi-Badrinw-wa ‘antum ‘azillah: fatta-qullaaha la-‘allakum tasj-kuroen.

123 En Allāh kwam jullie zeker te hulp bij Badr, toen jullie zwak waren. Dus voldoe jullie plicht aan Allāh, opdat jullie dank zullen zeggen.

 

124 ‘Iz taqoelu lil-Mu’-miniena ‘alany-yak-fiyakum ‘any-yumiddakum Rabbukum-bisalaasati ‘aalaafim-minal-malaaa-‘ikati munzalien?

124 Toen je tegen de gelovigen zei: Is het niet voldoende voor jullie dat jullie Heer jullie zal helpen met drieduizend nedergezonden engelen?a

 

125 Balaaa ‘in-tasbiroe wa tattaqoe wa ya’-toekum-minfawrihim haazaa yumdidkum Rabukum-bi-gamsati ‘aalaafim-minal-malaaa-‘ikati musaw-wimien.

125 Jazeker, als jullie standvastig zijn en aan jullie plicht voldoen, en zij komen op onstuimige wijze op jullie af, zal jullie Heer jullie helpen met vijfduizend verwoestende engelen.a

 

126 Wa maa ya-‘alahul-laahu ‘illaa busjraa lakum wa litatma-‘inna quloebukum-bih: wa mannasru ‘illaa min ‘indillaahil-‘Aziezil-Hakiem.

126 En Allāh bracht dit slechts als goed nieuws voor jullie, en opdat jullie harten hierdoor gerust zouden zijn. En hulp komt slechts van Allāh, de Machtige, de Wijze.

 

127 Li-yaqta-‘a tarafam-minallaziena kafaroe ‘aw yakbitahum fa-yanqaliboe gaaa-‘ibien.

127 Opdat Hij een deel van degenen die niet geloven zal vellen of hen vernederen, zodat zij terugkeren na gefaald te hebben.a

 

128 Laysaa laka minal-‘amri sjay-‘un aw yatoeba ‘alayhim ‘aw yu-‘azzibahum fa-‘innahum Zaalimoen.

128 Jij hebt geen belang bij de zaak of Hij Zich (barmhartig) tot hen wendt of hen straft; waarlijk zijn zij kwaaddoeners.a

 

129 Wa lillaahi maa fis-samaawaati wa maa fil-‘ard. Yaghfiru limany-yasjaaa-‘u wa yu-‘azzibu many-yasjaaa’: wallaahu Ghafoerur-Rahiem.

129 En aan Allāh behoort alles toe wat in de hemelen is en alles wat op aarde is. Hij vergeeft wie het Hem behaagt en straft wie het Hem behaagt. En Allāh is Vergevensgezind, Barmhartig.


121a. Deze en de volgende paragrafen zijn gewijd aan de gebeurtenissen van de slag bij Oehoed. In het derde jaar van de Hidjrah, trok Aboe

Soefjān op tegen Madinah. Eerst was de Profeet van plan in de stad te blijven, maar later trok hij het open veld in met een duizental mannen, waarvan een derde, onder leiding van ‘Abd Allāh ibn Oebajj, de grote hypocriete leider, hem verliet en naar Madinah terugkeerde. In eerste instantie werd de vijand verpletterd en op de vlucht gejaagd, maar vijftig moeslimboogschutters die in een goede positie verkeerden om de terugtocht van de vijand af te snijden, maakten een fout en verlieten hun positie om aan de achtervolging mee te doen. De vijand viel de moeslims opnieuw aan, maar deze waren nu ongeorganiseerd en zij hadden hun natuurlijk versterkte positie verloren. Na hen wat verliezen toegebracht te hebben, verliet de vijand het veld, zonder achtervolgd te worden door de moeslimtroepen. Het was geen overwinning voor de Qoeraisj, die het veilig achtten om terug te keren toen zij de moeslims op zagen gaan in hun eigen problemen. Ze konden geen enkele krijgsgevangene maken, noch hadden ze de moed om Madinah aan te vallen, wat ze twee jaar later deden met een zeer sterke troepenmacht.

122a. Hier worden de twee stammen van de Banoe Salimah en de Banoe Harithah bedoeld (B. 64:18).

122b. Dit toont aan dat zij niet echt lafheid vertoonden. Het verlaten van de moeslimstrijdkrachten door ‘Abd

Allāh ibn Oebajj met zijn driehonderd mannen, deed sommige moeslims met het idee spelen om het leger te verlaten op grond van een overmacht aan vijandelijke troepen, maar in werkelijkheid deden zij dit niet.

124a. De vijand telde slechts duizend mannen waar gezegd wordt dat er duizend engelen gestuurd werden (8:9). Als de vijand drieduizend man sterk was geweest, zou de moeslims de hulp van drieduizend engelen beloofd zijn. Aan de vervulling van deze belofte wordt in v. 152 gerefereerd. Wat was het doel van de komst van de engelen? De zaak wordt volledig uitgelegd in het 8e hoofdstuk in verband met de belofte van de komst van engelen bij de slag bij Badr. Net als hier, werd er daar eerst gezegd dat de belofte slechts gegeven was "als goed nieuws, opdat jullie harten hierdoor gerustgesteld zouden worden. En de overwinning komt slechts van Allāh "(8:10). Het vers dat volgt maakt het doel duidelijker: "Toen Hij ervoor zorgde dat jullie werden overvallen door sluimer, als beveilinging van Hem, en Hij water uit de wolken op jullie neer deed dalen, opdat Hij jullie daarmee mocht zuiveren en de onreinheid van de duivel van jullie wegnemen, en opdat Hij jullie harten mocht versterken en daardoor jullie voeten vastberaden mocht maken." Het doel was dus de moeslims te sterken door hun positie op het slagveld te verbeteren en door hun harten te versterken. Verderop wordt dit nog duidelijker tot uit drukking gebracht: "Toen jouw Heer aan de engelen openbaarde: Ik ben met jullie, dus maak degenen die geloven vastberaden. Ik zal de harten van degenen die niet geloven vervullen van ontzetting" (8:12). Nu de gelovigen werden gesterkt en er angst werd gezaaid in het hart van de vijand, was het doel van de komst van de engelen bereikt. Zo was de kleine moeslimstrijdkracht in staat een machtige vijand te verslaan, die haar met drie tegen een in aantal overtrof.

125a. Het woord dat in het origineel gebruikt wordt in moesawwin en niet moesawwam, en het komt van sawwama ‘ala al-qaum wat hij joeg zijn paard op tegen de mensen en richtte vernielingen onder hen aan betekent. Dus is moesawwim iemand die vernielingen aanricht. De hulp van de engelen die in dit vers wordt genoemd, verwijst naar een derde gelegenheid, waar de vijand "op onstuimige wijze" optrok en alle stammen zich met de Qoeraisj hadden verenigd om de moeslims de vernietigen. Dit gebeurde in de slag van de Ahzāb, of van de Bondgenoten, toen de Qoeraisj, in aantal waarschijnlijk ongeveer vijfduiden, met de hulp van sterke geallieerde krachten – de totale sterkte was bijna twintigduizend – plotseling Madinah aanvielen. Dat zo’n groot leger uiteen werd gejaagd terwijl de moeslims slechts met ongeveer veertienhonderd man waren, is zonder twijfel te danken aan Goddelijke hulp in de vorm van engelen.

127a. Hoewel het doel van de ongelovigen tijdens hun oorlog tegen de moeslims hun uitroeiing was, wordt de moeslims verteld dat het Goddelijke doel bij het straffen van de ongelovigen door middel van oorlog niet hun vernietiging was, maar het vellen van hun voormannen en leiders. Het woord taraf beduidt een deel of een portie van iets (R), en in deze betekenis wordt het gebruikt voor een groep mensen en ook voor leidinggevende mensen. LL vertaalt

atrāf al-ard als de verheven of de edele en geleerde mensen van de aarde. Als de leiders van het kwaad geveld zouden worden, zou de rest ontmoedigd worden om het doel de Islām uit te roeien nog na te jagen, en de vervolging zou afnemen. De verzen die volgen ondersteunen deze gevolgtrekking. De beschrijving hoe de vijand faalt en terugkeert uit de strijd geeft duidelijk aan dat zij geen succes hadden gehad of zegevierend uit de strijd waren gekomen. Hun grootste generaal, Chālid, bekeerde zich tot de Islām op weg naar Makkah.

128a. "Ibn ‘Oemar zei dat hij de Boodschapper van Allāh hoorde zeggen, toen hij zijn hoofd optilde na roekoe‘ in de laatste rak’ah van het ochtendgebed: "O Allāh, vervloek die en die mensen …’ Dus openbaarde Allāh aan hem, Jij hebt geen belang bij de zaak … waarlijk zijn zij kwaaddoeners" (B. 64:22). Als een sterveling zou de Profeet (s.a.w.) af en toe een zware straf voor zijn vijanden gewenst kunnen hebben, maar er wordt hem verteld dat dat niet zijn zorg was, want Allāh zou hen net zo goed kunnen vergeven, hoewel ze straf verdienden. Het allesomvattende van de Goddelijke genade dat in dit vers wordt uitgedrukt, kent zijn gelijke niet in heilige geschriften.

 

PARAGRAAF 14: Wat succes betekent voor de moeslims

 

130 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa ta’-kulur-Ribaaa ‘az-‘aafam-muzaa-‘afah; wattaqullaaha la-‘allakum tuflihoen.

130 O jullie die geloven, verteer geen woeker, verdubbelended en nogmaals verdubbelend, en voldoe jullie plicht aan rente, Allāh, opdat jullie succes zullen hebben.a

 

131 Wattaqun-Naarallatie ‘u-‘iddat lil-kaafirien.

131 En hoed jullie voor het vuur dat is bereid voor de ongelovigen.

 

132 Wa ‘atie-‘ullaaha Rasoela la-‘allakum turhamoen.

132 En gehoorzaam aan Allāh en de Boodschapper, opdat jullie genade geschonken wordt.a

 

133 Wa saari-‘oe ‘ilaa maghfiratim-mir-Rabbikum wa Yannatin ‘arzuhas-samaawaatu wal-‘arzu ‘u-‘iddat lil-Muttaqien,–

133 En haast jullie naar vergeving van jullie Heer en een Tuin, zo groot als de hemelen en de aarde; het is bereid voor degenen die aan hun plicht voldoen:

 

134 ‘Allaziena yunfiqoena fissarraaa-‘i wazzarraaa-‘i walkaaziminal-ghayza wal-‘aafiena ‘aninnaas: wallaahu yuhibbul-Muhsinien;–

134 Degenen die uitgeven in voorspoed en in tegenspoed en degenen die (hun) boosheid bedwingen en mensen vergeven. En Allāh heeft degenen die goeddoen (aan anderen) lief.a

 

135 Wallaziena ‘izaa fa-‘aloe faahisjatan aw zalamoe ‘anfusahum zakarullaaha fastaghfaroe li-zunoe- bihim. Wa many-yagfiruz-zunoeba ‘illallaah?- wa lam yusirroe ‘alaa maa fa-‘aloe wa hum ya’-lamoen.

135 En degen die, wanneer zij een onzedelijkheid begaan of hun zielen onrecht aandoen, Allāh gedenken en om vergeving vragen voor hun zonden. En wie anders dan Allāh vergeeft er zonden? En zij gaan onwetend door met wat zij doen.

 

136 ‘Ulaaa-‘ika djazaa-‘uhummaghfiratum-mir-Rabbihim wa yannaatun-tadjrie min-tahtihal-‘anhaaru gaalidiena fiehaa: wa ni’-ma ‘adjrul-‘aamilien!

136 Hun beloning is bescherming van hun Heer; en Tuinen waardoor rivieren stromen om in te verblijven. En uitmuntend is de beloning voor de werkers!

 

137 Qad galat min-qablikum Suna-nun-fasieroe fil-‘ardi fanzuroe kayfa kaana ‘aaqibatulmukazzibien.

137 Zeker zijn er vóór jullie voorbeeldena geweest; dus reis over de aarde en aanschouw wat het einde was van de ontkenners.

 

138 Haazaa-ba-yaanul-linnaasi wa hudanw-wa maw-‘izatul-lil-muttaqien.

138 Dit is een duidelijke verklaring voor de mensen, en een leidraad en een vermaning aan degenen die aan hun plicht willen voldoen.

 

139 Wa laa tahinoe wa laa tahzanoe wa ‘antumul-‘a’-lawna ‘in-kuntum-Mu’-minien!

139 En wees niet moedeloos, en treur niet, en jullie zullen de overhand hebben wanneer jullie gelovigen zijn.

 

140 ‘Iny-yamsaskum qarhunfaqad massal-qawma qarhummisluh. Wa tilkal-‘ayyaamu nudaawiluhaa baynan-naas: wa liya’-lamallaa-hullaziena ‘aamanoe wa yattagiza minkum sjuhadaaa. Wallaahu la yu hibbuz-Zaalimien.

140 Wanneer een wond jullie teistert, heeft een dergelijke wond ook de (ongelovige) mensen geteisterd. En Wij brengen de mensen deze dagen om beurten, opdat

Allāh degenen die geloven zal kennena en getuigen uit jullie midden kan nemen. En Allāh houdt niet van de kwaaddoeners,

 

141 Wa li-yumahhisal-laahullaziena ‘aamanoe wa yamhaqalkaafirien.

141 En dat Hij de gelovigen mag zuiveren en de ongelovigen mag onthouden van zegeningen.

 

142 ‘Am hasibtum ‘an-tadgulul-Djannata wa lammaa ya’-lamillaa-hullaziena djaahadoe minkum wa ya’-lamas-Saabirien?

142 Denken jullie dat je de Tuin zult betreden, terwijl Allāh degenen uit jullie midden die zich zeer inspannen nog niet kent, (noch) de standvastigen kent?

 

143 Wa laqad kuntum tamannawnal-mawta min qabli ‘antalqawh: faqad ra-‘aytumoehu wa ‘antum tanzuroen.

143 En jullie verlangden zeker naar de dood vóór jullie hem ontmoetten. Dus hebben jullie hem zeker gezien, nu jullie (hem) aankijken.a


130a. Het werkelijke succes van de moeslims schuilt niet in wereldse grootsheid en de opeenstapeling van rijkdom. Woekeren is dus verboden, omdat het liefde voor rijkdom voortbrengt. Zie 2:275a, waar aangetoond wordt hoe het onderwerp woekerrente verboden is met oorlog. Er kan aan worden toegevoegd dat ook het lenen van geld tegen rente verboden is (Msh. 12:4). Niet alleen individuen maar ook moeslimkoninkrijken zijn ten onder gegaan aan het lenen van grote sommen geld tegen rente, wat leidde tot buitenlandse inmenging in hun zaken.

131a. Het vuur is in dit geval buitensporige liefde voor rijkdom. Zoals elders eenvoudigweg wordt gesteld: "Wee iedere lasteraar, smader, die rijkdom vergaart en het telt; hij denkt dat zijn rijkdom hem zal doen blijven … Het is het Vuur aangestoken door Allāh, dat boven de harten uitstuigt" (104:1–7).

132a. Het verlies dat geleden werd bij Oehoed was te wijten aan ongehoorzaamheid in verband met een zekere positie die, tegen de bevelen van de Profeet (s.a.w.) in, werd verlaten. Het leger uit Makkah, dat zich aan het terugtrekken was, richtte zich tegen de achtervolgers onder wie chaos was ontstaan. Als gevolg werden diverse moeslims gedood en de Profeet (s.a.w.) zelf raakte gewond. Dus werd hen verteld dat zij Allāh en Zijn Boodschapper moesten gehoorzamen als ze Goddelijke genade wilden ontvangen.

134a. Het bedwingen van boosheid, vergeven, en goed doen aan elkaar, zijn grootse morele eigenschappen die daarnaast ook de band van eenheid versterken die zo noodzakelijk is voor succes. Het vers heeft bij vele gelegenheden geïnspireerd tot de edelste gedachten van tolerantie en liefdadigheid. Hasans dienaar, die eens een kokend hete schaal over zijn meester had laten vallen, verwierf zijn vreiheid met daarbij geldelijke steun, door dit vers op te zeggen. Denken dat hij gestraft zou worden voor zijn fout, herhaalde hij de woorden: "Diegenen die hun boosheid bedwingen." Hasan zei dat hij niet boos was. "En mensen vergeven", voegde de dienaar toe. Hasen zei: "Ik vergeef je." "En Allāh houdt van de weldoeners", besloot de dienaar. "Ik geef je vrijheid en vierhonderd zilverstukken", was het antwoord. "Een edel voorbeeld van gematigdheid en goedgeefsheid", is het commentaar van Sale op dit voorval.

137a. Soenan is meervoud van soennah, wat een manier of regel betekent, of manier van doen, of gedrag, of leven, of de gelijke (LL). Vandaar dat hier de betekenis is: manieren of voorbeelden van Allāh’s behandeling van de rechtschapenen en de zondaars.

140a. Dat Allāh op de hoogte is van al het geziene en ongeziene en van alles wat in openbaarheid is of verborgen blijft, wordt op talloze plaatsen in de Heilige Qoerān verklaard. Het kennen hier en het niet kennen in v. 142 verwijzen naar kennis omtrent de gebeurtenis. Allāh wist wie zich zouden bewijzen als echte gelovigen, wie zich zeer zouden inspannen langs Zijn weg, en wie standvastig zouden zijn tijdens beproevingen. Maar wie zich werkelijk bewezen als ware gelovigen, wie zich werkelijk zwaar inspanden en wie werkelijk standvastig waren tijdens hun lijden, kon slechts bekend worden geacht nadat deze dingen hadden plaatsgevonden.

143a. Dit verwijst naar het verlangen van diegenen die erop stonden dat zij de vijand in het open veld tegemoet zouden treden, terwijl het de wens van de Profeet (s.a.w.) zelf was dat de moeslims zich in Madinah zouden verdedigen. Hun verlangen om tegen de vijand te vechten of om voor de zaak van de waarheid gedood te worden, wordt een verlangen naar de dood genoemd.

 

PARAGRAAF 15: Onberingen moeten met volharding tegemoet worden getreden

 

144 Wa maa Muhammadun ‘illaa Rasoel: qad galat minqablihir-rusul. ‘Afa-‘immaata ‘aw qtuilan-qalabtum ‘alaaa ‘a’-qaabikum? Wa many-yanqalib ‘alaa ‘aqibayhi falany-yazurrallaaha sjay-‘aa; wa sa-yadl-zillaahusj-Sjaakirien.

144 En Moehammad (s.a.w.) is slechts een boodschapper – vóór hem zijn er al boodschapper heengegaan.a Wanneer hij dan sterft of wordt gedood, zullen jullie dan op jullie schreden terugkeren? En degene die op zijn schreden terugkeert zal Allāh in het geheel geen kwaad doen. En Allāh zal de dankbaren belonen.b

 

145 Wa maa kaana li-nafsin ‘an-tamoeta ‘illaa bi-‘iznillaahie kitaabam-mu-‘adjdjalaa. Wa many-yurid sa-waabad-dunyaa nu’-tihie minhaa; wa many-yurid sa-waabal-‘Aagirati nu’-tihie minhaa. Wa sanadj-zisj-Sjaakirien.

145 En geen ziel kan sterven zonder Allāh’s toestemming – de termijn staat vast.a En wie de beloning van deze wereld wenst, die geven Wij hiervan, en wie de beloning van het Hiernamaals wenst, die geven Wij hiervan. En Wij zullen de dankbaren belonen.

 

146 Wa ka-‘ayyim-minnabiyyin-qaatala ma-‘ahoe Rib-biyyoena kasier? Famaa wahanoe limaaa ‘asaabahum fie Sabielillaahi wa maa za-‘ufoe wa mastakaanoe. Wallaahu yuhibus-Saabirien.

146 En hoeveel profeten hebben er niet gestreden, samen met veel aanbidders van de Heer.a Dus raakten zij niet ontmoedigd door wat hen overkwam langs Allāh’s weg, noch verzwakten zij, noch verlaagden zij, zichzelf. En Allāh heeft de standvastigen lief.

 

147 Wa maa kaana qawlahum ‘illaaa ‘an-qaaloe Rabbanaghfir lanaa zunoebanaa wa ‘israafanaa fie ‘amrinaa wa sabbit ‘aqdaamanaa wan-surnaa ‘alal qawmil-kaafirien.

147 En hun roep was slechts dat zij zeiden: Onze Heer, schenk ons bescherming tegen onze zonden en onze buitensporigheid in onze zaak, en maak onze voeten standvastig en schenk ons de overwinning op de ongelovige mensen.

 

148 Fa-‘aataa-humullaahu sa-waabad-dunyaa wa husna sa-waabil-‘Aagirah: Wallaahu yuhibbul- Muhsinien.

148 Dus gaf Allāh hen de beloning van deze wereld en een goede beloning van het Hiernamaals. En Allāh heeft degenen die goeddoen (aan anderen) lief.


144a. De Profeet (s.a.w.) liep zware verwondingen op in de slag bij Oehoed. Er ging zelf een gerucht dat hij gedood zou zijn, en hieraan refereert dit vers. Zelfs als de Profeet (s.a.w.) gedood zou zijn, was de Islām zozeer superieur aan alle vormen van geloof dat de moeslims de Islām niet op konden geven. Waarheid was waarheid, zelfs wanneer haar pleitbezorger gedood zou zijn in een gevecht. Zij zouden ook geen leugen en bijgeloof kunnen aanvaarden, hoewel hun pleitbezorger enige tijd de overhand zouden kunnen hebben.

Terwijl dit vers de nadruk legt op de essentiële waarheid van de Islām, diende het een ander belangrijk doel bij de dood van de Profeet (s.a.w.). Sommige metgezellen dachten dat de Profeet (s.a.w.) niet dood was. Aboe Bakr ging naar binnen en toen hij zag dat het leven vervolgen was, besteeg hij de preekstoel en las dit vers. Het had een magische uitwerking op zijn toehoorders, die er allen van overtuigd waren dat de Profeet (s.a.w.) was heengegaan zoals alle profeten vóór hem waren heengegaan. De profeten waren slechts stervelingen, en de tijdspanne van hun sterfelijk leven moest zonder twijfel eindigen, zoals dat van andere stervelingen. Dit vers verschaft het overtuigende bewijs dat Jezus Christus ook dood was; anders zou Aboe Bakr argument degenen die twijfelden aan de dood van de Profeet (s.a.w.) niet tot zwijgen hebben kunnen brengen.

144b. Het kwaad doen aan Allāh staat voor het kwaad doen aan de Goddelijke zaak, d.w.z. de Waarheid, die nu vertegenwoordigd werd door de Islām.

145a. Terwijl de stelling een algemene waarheid bevat die de moeslims de dood met voldoening tegemoet doet treden, lijken de woorden ook te verwijzen naar de dood van de Profeet (s.a.w.) en stellen zij de moeslims gerust dat de tijd van zijn dood nog niet gekomen was.

146a. Zie 79a voor de betekenis van ribbi. Het is een wonderlijk toevan dat Sale, Rodwell en Palmer allen een verkeerde vertaling van dit vers hebben gegeven: "Hoewel profeten hebben diegenen ontmoet die vele ontelbare troepen hadden." Dit is de interpretatie van Sale en de andere zijn gelijksoortig. Ik kan geen commentator die deze betekenis ook maar enigszins ondersteunt, noch kunnen de woorden zelf deze interpretatie waarmaken.

 

PARAGRAAF 16: Redenen voor tegenspoed in de slag bij Oehoed

 

149 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘in-tutie-‘ullaziena kafaroe yaruddoekum ‘alaaa ‘a’-qaabikum fatan-qaliboe gaasirien.

149 O jullie die geloven, wanneer jullie gehoorzamen aan degenen die niet geloven, dan zorgen zij ervoor dat jullie op jullie schreden zullen terugkeren, dus zullen jullie als verliezers terugkeren.a

 

150 Balil-laahu Maw-laakum, wa Huwa Gayrun-naasirien.

150 Nee, Allāh is jullie Beschermheer, en Hij is de Beste van de helpers.

 

151 Sanulqie fie quloe-billaziena kafarur-ru’-ba bimaaa ‘asjrakoe billaahi maa lam yunazzil bihie sultaanaa: wa ma’-waahumun-Naar: wa bi’-sa maswaz-zaalimien!

151 Wij zullen ontzetting opwekken in de harten van de ongelovigena omdat zij iets hebben opgericht naast Allāh waarvoor Hij geen gezag heeft verleend, en hun verblijfplaats is in het Vuur. En kwaadaardig is het verblijf van de kwaaddoeners.

 

152 Wa laqad sadaqakumullaahu wa’-dahoe ‘iz tahussoe-nahum-bi-‘iznih,-hataaa ‘izaa fasjiltum wa tanaaza-tum fil-‘amri wa ‘asaytym-min-ba’-di maaa ‘araakum-maa tuhibboen. Min-kum-many-yuriedud -dunyaa wa minkum-many-yuriedul-‘Aagirah. Summa sarafakum ‘anhum li-yabtali-yakum. Wa laqad ‘afaa ‘ankum: wallaahu Zoefadlin ‘alal-Mu’-minien.

152 En Allāh maakte Zijn belofte aan jullie zeker waara toen jullie ze versloegen met Zijn toestemming, totdat jullie ontmoedigd raakten en redetwistten over de zaak en niet gehoorzaamden nadat Hij jullie had laten zien waar jullie van hielden.b Onder jullie waren er die naar deze wereld verlangden, en onder jullie waren er die naar het Hiernamaals verlangden.c Toen maakte Hij dat jullie hen de rug toekeerden opdat Hij jullie kon beproeven; en Hij heeft jullie inderdaad vergeven.d En Allāh is Goedgunstig voor de gelovigen.

 

153 ‘Iz tus-‘idoena wa laa talwoena ‘alaaa ‘ahadinw-war-Rasoelu yad-‘oekum fie ‘ugraakum fa-‘asaa- bakum gammam-bi-gammil-li-kay-laa tahzanoe ‘alaa maa faatakum wa laa maaa ‘asaabakum. Wallaahu Gabierum-bimaa ta’-maloen.

153 Toen jullie ver weg gingen, en aan niemand aandacht desteedden, en de Boodschapper jullie vanuit jullie achterhoede riep.a Dus gaf Hij jullie (een ander) verdriet in plaats van (jullie) eerste verdriet, opdat jullie niet zouden treuren om wat jullie was ontgaan, noch om wat jullie was overkomen. En Allāh is Zich Bewust van wat jullie doen.

 

154 Summa ‘anzala ‘alaykummim-ba’-dil-gammi ‘amanatannu’-aasany-yaghsjaa taaa-‘ifatam-minkum wa taaa-‘ifatunqad ‘ahammat-hum ‘anfusuhum yazunnoena billaahi ghayralhaqqi zannal-djaahi-liy- yah. Yaqoeloena hal-lanaa minal-‘amri min-sjay’. Qul ‘innal-‘amra kullahoe lillaah. Yugfoena fie ‘anfu- sihim-maa laa yubdoena lak. Yaqoeloena law kaana lanaa minal-‘amri sjay-‘um-maa qutilnaa haa-hunaa. Qul-law kuntum fie buyoetikum labarazal-laziena kutiba ‘alayhimul-qatlu ‘ilaa mazaadji-‘ihim; wa li-yabtali-yallaahu maa fie sudoerikum wa liyumahhisa maa fie quloebikum. Wallaahu ‘Aliemum-bizaatis-sudoer.

154 Dan, na het verdriet, deed Hij veiligheid over jullie neerdalen, zodat een deel van jullie door sluimer werd overvallen,a terwijl (er) een andere groep (was) die door toedoen van hun eigen zielen ongerust waren geworden – zij koesterden zeer onrechte onnozele gedachten over Allāh.b Zij zeiden: Hebben wij iets in te brengen in deze zaak?c Zeg: De zaak is volledig (in handen) van Allāh. Zij verbergen in hun ziel wat zij niet aan jou wilden openbaren. Zij zeggen: Als wij iets in te brengen hadden gehad in deze zaak, dan zouden we hier niet gedood zijn.d Zeg: Als jullie in je huizen zouden zijn gebleven, dan zouden degenen voor wie slachting was verordend naar die plaatsen zijn gegaan waar zij gedood zouden worden.e En (dit is gebeurd) opdat Allāh kon beproeven wat er school in jullie borsten en opdat Hij kon zuiveren wat er school in jullie harten. En Allāh is de Weter van wat er schuilt in de borsten.f

 

155 ‘Innallaziena ta-wallaw minkum Yawmal-taqal-yam’aani ‘innamas-tazallahumusj-Sjaytaanu bi-ba’-di maa kasaboe. Wa laqad ‘afallaahu ‘anhum: ‘innallaaha Ghafoerun Haliem.

155 Degenen van jullie die terugkeerden op de dag dat de twee legers elkaar ontmoetten, alleen de duivel probeerde hen een misstap te laten maken vanwege een aantal van hun daden, en Allāh heeft ze zeker vergeven. Waarlijk is Allāh Vergevensgezind, Verdraagzaam?a


149a. De oorlog werd gevoerd met als enig doel de moeslims hun godsdienst te doen afzweren, en zo konden zij er niet aan denken de ongelovigen te aanvaarden als hun leiders.

151a. Terwijl de moeslims met minder waren dan een kwart van hun tegenstanders en tegelijkertijd niet zo goed waren uitgerust als hun vijanden, en ondanks deze zeer ongelijke aantallen en ondanks de chaos waarin de moeslimtroepen verzeild waren geraakt, moest de vijand vluchten. Zij lieten de moeslims achter in het strijdperk zonder zelfs nog maar voor de wenden Madinah aan te vallen, terwijl dit geheel weerloos was. Dit geeft duidelijk aan dat zij met ontzetting waren vervuld. Zelfs nadat zij enige verliezen hadden toegebracht aan de moeslims en deze nog bezig waren met hun eigen problemen en niet in staat waren hen te achtervolgen, achtten zij het veiliger om terug te keren naar Makkah.

152a. De belofte zit besloten in v. 124: "Toen je tegen de gelovigen zei: Is het niet voldoende voor jullie Heer jullie zal helpen met drieduizend neergezonden engelen?"

152b. Het geeft duidelijk aan dat de moeslims een overwinning hadden behaald bij Oehoed, terwijl latere gebeurtenissen hen de vruchten van die overwinning ontnamen. Hoewel hier kennelijk van alle strijders wordt gezegd dat ze ontmoedigd werden, wordt er slechts verwezen naar die groep boodschutters die de bevelen van de Profeet (s.a.w.) niet opvolgde, zoals de woorden die volgen aangeven: Onder jullie waren er die naar deze wereld verlangden. Noch vertoonden de moeslims enige ontmoediging gedurende de strijd tegen de vijand. De ontmoediging van een deel van de boogschutters, die op een belangrijke plaats stonden opgesteld om de terugtrekking van de vijand af te snijden, bestond uit het feit dat zij niet gehoorzaamden aan de duidelijke bevelen van de Profeet (s.a.w.): "Als jullie zien dat wij de vijand overwinnen, verlaat je plaats dan niet, en als jullie zien dat de vijand ons overwint, verlaat je plaats dan niet", had de Profeet (s.a.w.) tegen de boogschutters gezegd. Maar zij vielen ten prooi aan hun wereldse verlangens en verlieten hun positie om een aandeel in de buit te verkrijgen toen zij de vijand voor de stormloop van de moeslims uit zagen vluchten.

152c. Dit waren de twee groepen uit het onderdeel met boogschutters. Toen de vijand kennelijk verslagen was, werden sommige boogschutters ertoe verleid hun post te verlaten door hun liefde voor buit, terwijl hun leiders, ‘Abd Allāh ibn Djoebair, met slechts ongeveer tien mannen op zijn post bleef. Er werd van moeslims verlangd dat zij langs Allāh’s weg zouden strijden, en als een moeslim streed om de buit, streed hij voor wereldse liefde, en niet langs Allāh’s weg.

152d. De vijand die werd achtervolgd, keerde zich tegen de achtervolgers toen zij zagen dat de belangrijke positie van de boogschutters verlaten was. Het gevolg was dat de moeslims, die nu ongeorganiseerd waren vanwege de achtervolging, zichzelf hulpeloos tegenover een vijand vonden die terugsloeg, en sommigen die afgesneden werden van het hoofdonderdeel sloegen op de vlucht. Er wordt ons hier echter verteld dat Allāh hen vergaf daar hun vlucht een gevolg was van de omstandigheden die buiten hun macht lagen. ‘Oethmān zou een van hen zijn geweest.

153a. Dit verwijst naar de roep van de Profeet (s.a.w.), op wie, zoals de moeslims zagen, de aanval van de vijand nu was gericht. Dus treurden zij niet om het verlies van de gelegenheid de vijand te achtervolgen, maar om de gevaarlijke positie waarin zij zagen dat de Profeet (s.a.w.) verkeerde. Dit wordt in feite duidelijk gesteld in wat volgt: "Opdat jullie niet zouden treuren om wat jullie was ontgaan", d.w.z. de buit die zij gehad zouden hebben na de achtervolging van de vluchtende vijand. "noch om wat jullie was overkomen", d.w.z. het verlies wat zij zelf geleden hadden.

Athāba omvat soms het idee van het geven van het ene ding in plaats van het andere, het geven van een vervangingsmiddel (LL). Zij vergaten hun eigen verdriet toen zij zagen dat het de Profeet (s.a.w.) was waarop de aanval nu gericht was.

154a. Noe‘ās betekent lichte slaap; er wordt gezegd dat noe‘ās hier kalm en rustig impliceert (R). Het moet gebeurt zijn toen de vijand vertrok. De sluimer was een teken van veiligheid, want geen leger had zich te rusten kunnen leggen terwijl het zich nog in het strijdperk bevond, wanneer het zich ook maar enigszins zorgen maakte over zijn veiligheid.

154b. De personen over wie hier gesproken wordt zijn de afwijzenden die niet deelnamen aan de strijd. Zij gaven nu uiting aan hun verborgen wrok tegen de moeslims. De zondige gedachten die de hypocrieten erop nahielden omtrent Allāh, waren dat Allāh de moeslims niet geholpen zou hebben.

154c. De hypoicrieten kozen de kant van de minderheid, waar het advies van was dat de moeslims niet in het open veld tegen de vijand moesten gaan vechten, maar gelegerd moesten blijven in Madinah. De meerderheid was er echter voor om eropuit te trekken en de vijand te ontmoeten waar die haar kamp had opgeslagen. De Profeet (s.a.w.) besliste dat de meerderheidsstem moest worden aanvaard. Vandaar het gemompel van de hypocrieten over waarom hun raad niet opgevolgd werd.

154d. Hun standpunt was dat de ramp de moeslims niet zou zijn overkomen, als hun advies om in de stad te blijven was opgevolgd. Zij namen niet deel aan het gevecht, maar zij spraken over het verlies van de moeslims als hun eigen verlies.

154e. In de huizen blijven betekent hier het tegemoet treden van de vijand terwijl ze in Madinah bleven. Met degenen voor wie slachting was verordend, worden de martelaren van Oehoed bedoeld. Het gemok van de hypocrieten wordt beantwoord met het weerwoord dat zelfs als de moeslims zichzelf verdedigd hadden door in Madinah te blijven, degenen die in het veld bij Oehoed het leven gaven in Madinah ook het leven zouden geven. De dood was bovendien iets wat verordend was.

154f. Dit verklaart het feit dat Allāh kon beproeven wat er in de harten school. Hij is ervan op de hoogte, en Zijn beproeving betekent het openbaar maken aan anderen. De houding van de hypocrieten werd openbaar gemaakt tijdens de slag bij Oehoed. Als de strijd in Madinah gestreden zou zijn, dan zou deze verborgen zijn gebleven.

155a. De personen over wie gesproken wordt zijn diegenen die niet in staat waren bij het hoofdleger van de moeslims te komen en die naar Madinah vluchten, of in een andere richting. Het was niet juist van hen om het slagveld te verlaten, hoezeer ze ook onder druk stonden. Er wordt hier gesproken van een misstap aan hun kant. Het mondde echter niet uit in opzettelijke ongehoorzaamheid en Allāh schonk hen vergiffenis.

 

PARAGRAAF 17: Slag bij Oehoed leidde tot een onderscheid

 

156 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa takoenoe kallaziena kafaroe wa qaaloe li-‘igwaanihim ‘izaa zaraboe fil-‘ardi ‘aw kaanoe ghuzzal-law kaanoe ‘indanaa maa maatoe wa maa qutiloe; li-yadj-‘alal- laahu zaalika hasratan-fie quloebihim. Wallaahu yubjie wa yumiet, wallaahu bimaa ta’-maloena Basier.

156 O jullie die geloven, wees niet als degenen die niet geloven die over hun broeders zeggen, wanneer dezen op verre reizen zijn of betrokken zijn bij de strijd: Als zij bij ons waren geweest, waren ze niet gestorven, of gedood;a dat Allāh het tot spijt in hun harten moge maken. En Allāh geeft leven en veroorzaakt de dood. En Allāh is Degene Die ziet wat jullie doen.

 

157 Wa la-‘in-qutiltum fie Sabielillaahi ‘aw muttum lamaghfiratum-minallaahi wa rahmatun gayrum-mimmaa yadjma-‘oen.

157 En als jullie gedood worden langs Allāh’s weg, dan zijn Allāh’s bescherming en (Zijn) genade waarlijk beter dan wat zij vergaren.

 

158 Wa la-‘im-muttum ‘aw qutiltum la-‘ilallaahi tuhsja-roen.

158 En als jullie sterven of worden gedood, worden jullie tot Allāh samengebracht.

 

159 Fa-bimaa Rahmatim-minallaahi linta lahum. Wa law kunta fazzan ghaliezal-qalbi lan-fazzoe min haw-lik: fa’-fu ‘anhum wastaghfir lahum wa sjaawirhum fil-‘amr. Fa-‘izaa ‘azamta fata-wakkal ‘alallaah. ‘Innallaaha yuhibbul-Mutawakkilien.

159 Dus is het door Allāh’s genade dat jij zachtaardig voor hen bent. En was je hardhandig geweest, hardvochtig, dan hadden zij zich zeker van rondom jou verspreid.a Dus Vergeef hen en vraag bescherming voor hen, en raad in (belangrijke) zaken.b Maar wanneer je besloten hebt, vertrouw dan op Allāh.c Allāh houdt waarlijk van degenen die (in Hem) vertrouwen.

 

160 ‘Iny-yansur-kumullaahu falaa ghaaliba lakum: wa ‘iny-yag-zulkum faman-zallazie yansurukum-mim-ba’-dih? Wa ‘alallaahi falyata-wakkalil-Mu’-minoen.

160 Wanneer Allāh jullie helpt, is er niemand die jullie kan overwinnen; en wanneer Hij jullie in de steek laat, wie is er die jullie dan kan helpen, na Hem? En op Allāh zouden de gelovigen moeten vertrouwen.

 

161 Wa maa kaana li-nabiyyin ‘any-yaghull. Wa many-yaglul ya’-ti bimaa ghalla Yawmal-Qiyaamah; summa tuwaffaa kulu nafsim-maa kasabat wa hum laa yuzlamoen.

161 En het past een profeet niet oneerlijk te handelen.a En wie oneerlijk handelt brengt zijn oneerlijkheid mee naar de dag van de Opstanding. Dan zal iedere ziel volledig betaald krijgen wat zij heeft verdiend, en hen zal geen onrecht worden aangedaan.

 

162 ‘Afa-manittaba-‘a Rizwaanallaahi kamam-baaa-‘a bisagatim-minallaahi wa ma’-waahu Djahan- nam, wa bi’-salmasier?

162 Is dan degenen die het genoegen van Allāh volgt gelijk aan degene die Allāh’s ongenoegen over zich afroept en van wie de verblijfplaats de hel is? En het is een kwaadaardige bestemming.

 

163 Hum daradjaatun ‘idallaah: wallaahu Basierum-bimaa ya’-maloen.

163 Er bestaan gradaties bij Allāh. En Allāh is Degene Die ziet wat zij doen.

 

164 Laqad mannallaahu ‘alal-Mu’-miniena ‘iz ba-‘asa fiehim Rasoelam-min ‘anfusihim yatloe ‘alayhim ‘Aayaatihie wa yuzakkiehim wa yu-‘allimuhumul-Kitaaba wal-Hikmata wa ‘in kaanoe min-qablu lafie zalaalim-mubien.

164 Allāh begunstigde de gelovigen zeker, toen Hij in hun midden een Boodschapper deed opstaan uit hun midden, die Zijn boodschap aan hen voordroeg en hen zuiverde, en die hun het Boek en de Wijsheid onderwees, terwijl zij daarvóór zeker in duidelijke dwaling verkeerden.

 

165 ‘Awa-lammaaa ‘asaabatkum-musiebatun-qad ‘asabtummislayhaa qultum ‘annaa haazaa? Qul huwa min ‘indi ‘anfusikum: ‘innallaaha ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

165 Wat! Als tegenspoed jullie overvalt en jullie hebben zelf tweemaal zoveel teweeggebracht, zeggen jullie: Vanwaar komt dit? Zeg: Het komt van jullie zelf. Waarlijk is

Allāh de Bezitter van macht over alle dingen.a

 

166 Wa maaa ‘asaabakum yawmal-taqal-djam-‘aani fabi-‘iznillaahi wa li-ya’-lamal-Mu’-minien;

166 En wat jullie overkomt op de dag dat de twee legers elkaar ontmoetten, was met Allāh’s toestemming, zodat Hij de gelovigen zou kennen,

 

167 Wa liya’-lamal-laziena naafaqoe wa qiela lahum ta-‘aalaw qaatiloe fie Sabielillaahi ‘a-widfa-‘oe. Qaaloe law na’-lamu qitaalal-lattaba’-naakum. Hum lil-kufri yawma-‘izin ‘aqrabu min-hum lil-‘iemaan. Yaqoeloena bi-‘afwaahi-him-maa laysa fie quloebihim. Wallaahu ‘A’-lamu bimaa yaktumoen.

167 En zodat Hij de hypocrieten zou kennen. En tegen hen werd gezegd: Komt, strijd langs Allāh’s weg, of verdedig jezelf.a Zij zeiden: Als we hadden geweten hoe te strijden,b waren we je gevolgd. Op die dag stonden zij dichter bij ongeloof dan bij geloof; zij belijden met hun mond wat er niet in hun harten schuilt. En Allāh weet het beste wat zij verbergen.

 

168 ‘Allaziena qaaloe li-‘igwaanihim wa qa-‘adoe law ‘ataa-‘oenaa maa qutiloe. Qul fadra-‘oe ‘an ‘anfusikumulmawta ‘in-kuntum saadiqien.

168 Degenen die, terwijl zij zelf op afstand blijven, over hun broeders zeggen: Als zij ons hadden gehoorzaamd waren zij niet gedood. Zeg: Voorkom dan jullie eigen dood, als jullie de waarheid spreken.

 

169 Walaa tah-sabannal-laziena qutiloe fie Sabielillaahi ‘amwaataa. Bal ‘ahyaaa-‘un ‘inda Rabbihim yurzaqoen;

169 En denkt niet over degenen die gedood worden langs Allāh’s weg als waren zij dood. Nee, zij zijn levend en worden van onderhoud voorzien door hun Heer,

 

170 Farihiena bimaaa ‘aataahumullaahu min-fadlihie wa yastab-sjiroena billaziena lam yalhaqoe bihim-min galfihim ‘allaa gawfun ‘alayhim wa laa hum yahzanoen.

170 Zich verheugend in wat Allāh hen gegeven heeft uit Zijn goedgunstigheid, en zij verheugen zich voor degenen die, achter hen (gelaten), zich nog niet bij hen hebben gevoegd, opdat zij geen vrees zullen hebben, noch zullen treuren.

 

171 Yastab-sjiroena bi-ni’-matim-minallaahi wa fadlinw-wa ‘annallaaha laa yuzie-‘u ‘adjral-Mu-minien.

171 Zij verheugen zich over Allāh’s gunst en (Zijn) goedgunstigheid, en dat Allāh de beloning voor de gelovigen niet verloren laat gaan.


156a. Met "hun broeders" worden hun familieleden bedoeld die oprecht waren in hun beoefening van de Islām, en die gestorven waren uit verdediging van hun geloof.

159a. Het is opmerkelijk dat de Heilige Qoer-ān aandacht vraagt voor de zachtaardige wijze waarop de Profeet (s.a.w.) degenen om hem heen behandelde, wanneer hij spreekt over zijn ervaring als generaal in het slagveld. Immers, hij leidde zijn mannen tegen een overweldigende macht, een positie die van hem verlangde dat hij zeer strikt was in de bestraffing van ieder soort misdrijf. Maar hij was niet zomaar een generaal. Zijn kundigheid in het leiden van zijn mannen, in de bezetting van voordeelposities in het slagveld en in het aansporen van zijn mannen wanneer zij drie, vier of soms tien maal zoveel mannen tegemoet traden als zijzelf, bestempelt hem tot de kundigste generaal die de wereld ooit gezien heeft. Zijn welwillende manieren en zijn praktische verdraagzaamheid in relatie tot zowel zijn vrienden als zijn vijanden, staan in een opmerkelijke tegenstelling tot zijn capaciteiten als commandant in het slagveld. Er wordt verhaald dat de Profeet (s.a.w.) na de problemen bij Oehoed zelfs geen hard woord sprak tegen diegenen die schuldig waren aan het niet gehoorzamen aan zijn bevelen (Rz).

De Qoer-ān staat vol met verzwijgingen naar de welwillendheid van de Heilige Profeet (s.a.w.) en de vriendelijke behandeling van zijn medemensen. Het volgende vers geeft ons meer inzicht in deze karaktertrek: "Waarlijk is er een Boodschapper uit jullie midden tot jullie gekomen; smartelijk voor hem is het kwalijke noodlot dat jullie ten deel valt, zeer bezorgd om jullie, voor de gelovigen (is hij) mededogend, barmhartig" (9:128).

159b. De Profeet (s.a.w.) trok eropuit om de vijand te ontmoeten als gevolg van een overleg en tegen zijn eigen voorkeur in, daar hij de mening van de minderheid deelde dat zij de vijand niet in het open veld tegemoet moesten treden. Kennelijk had dat overleg de huidige problemen tot gevolg, maar hij hield zo stellig vast aan de gezonde grondbeginselen dat hij op zo’n krietiek moment niet afweek van het pad om overleg te voeren over belangrijke zeken. Juist in deze situatie zien we dat Goddelijke openbaring duidelijk het grondbeginsel van beraadslaging vastlegt.

159c. Er moet worden opgemaakt dat het vertrouwen op Allāh geen inactiviteit betekent. Al het noodzakelijke moet worden gedaan. Er moet op de juiste manier een weg worden uitgestippeld en dan moet bij het volgen van die weg vertrouwd worden op Allāh, wat duidelijk inhoudt dat een mens zijn uiterste best moet doen en dan de gevolgen aan Allāh moet overlaten. Dat wil zeggen dat hij zich moet neerleggen bij wat volgt, en de gevolgen rustig moet ondergaan.

161a. De woorden kunnen worden gelezen in een meer algemene betekenis, en dan zou er worden aangegeven dat de ramp niet te wijten was aan een verkeerde handeling van de Profeet (s.a.w.), daar een profeet niet verkeerd of oneerlijk kan handelen. Of de woorden kunnen verwijzen naar zo’n soort idee dat op de loer ligt in de gedachten van de hypocrietien of de ongehoorzame boogschutters. Zoals verderop wordt gesteld in v. 164, staan profeten op om anderen te zuiveren en zij zijn daarom vrij van alle onzuiverheden.

165a. De ongelovigen hadden al twee keer geleden in de handen van de moeslims, eenmaal op het slagveld van Badr en opnieuw gedurende de eerste stadia van de slag bij Oehoed. In Badr alleen al hadden ze tweemaal zoveel verliezen toegebracht aan de ongelovigen als ze zelf leden bij Oehoed. Bij die laatste plaats leden ze een verlies van slechts 70 doden, terwijl de ongelovigen bij Badr 140 man verloren, zeventig gedood en zeventig gevangengenomen.

167a. De woorden geven duidelijke aan dat in de taal van de Qoer-ān, strijden langs Allāh’s weg de betekenis draagt van vechten uit zelfverdediging.

167b. Zij deden net alsof ze niet wisten hoe ze moesten vechten. Of de betekenis kan zijn, als wij hadden geweten dat het een gevecht was, waarvan de inplicatie is dat de moeslims eropuit trokken, niet om te vechten, naar om naar alle zekerheid vernietigd te worden door de grote ongelijkheid in aantallen.

 

PARAGRAAF 18: Oehoed geen gewin voor de vijand

 

172 ‘Allazienas-tadjaaboe lillaahie war-Rasoeli mim-ba’-di maaa ‘asaaba-humul-qarhu lillaziena ‘ah-sanoe minhum watta-qaw ‘adjrun ‘aziem.

172 Degenen, die gehoor gaven aan de roep van Allāh en de boodschapper nadat tegenspoed hen had overvallen – voor degenen onder hen die goede daden doen en aan hun plicht voldoen is er een grootse beloning.a

 

173 ‘Allaziena qaala lahumunnaasu ‘innan-naasa qad djama-‘oe lakum fag-sjawhum fazaadahum ‘iemaanaa: wa qaaloe hasbunallaahu wa Ni’-mal-Wakiel.

173 Degenen tegen wie de mensen zeiden: Waarlijk hebben zich mensen tegen jullie gegroepeerd, dus wees bang voor hen; maar dit vergrootte hun geloof, en zij zeiden:

Allāh is afdoende voor ons en Hij is een uitmuntende Beschermer.

 

174 Fan-qalaboe bi-ni’-matimminallaahi wa fazil-lam-yamsas-hum soe-‘unw-wattaba-‘oe Rizwaanal- laah: wallaahu Zoe-fazlin Aziem.

174 Dus keerden zij terug met de gunst van Allāh en (Zijn) goedgunstigheid; geen kwaad raakte hen, en zij volgden het genoegen van Allāh. En Allāh is de Heer van geweldige goedgunstigheid.a

 

175 ‘Innamaa zaalikumusj-Sjay-taanu yugaw-wifu ‘awli-yaaa-‘ah. Falaa tagaafoehum wa gaafoeni‘ien-kuntum-Mu’-minien.

175 Het is de duivel die slechts zijn vrienden angst inboezemt, maar vrees hen niet, en vrees Mij, als jullie gelovigen zijn.a

 

176 Wa laa yah-zunkallaziena yusaari-‘oena fil-kufr: ‘innahum lany-yazurrullaaha shay-‘aa. Yurie-dullaahu ‘allaa yadj-‘ala lahum hazan-fil-‘Aagirati wa lahum ‘azaabun ‘aziem.

176 En laat je niet bedroeft maken door degenen die zich hals over kop in het ongeloof storten; zij kunnen Allāh zeker geen kwaad doen. Allāh is niet van plan hun enig deel van het Hiernamaals toe te wijzen; en voor hen is er een verschrikkelijke straf.

 

177 ‘Innal-lazienasj-tarawulkufra bil-‘imaani lany-yazurrullaaha shay-‘aa; wa lahum ‘azaabun ‘aliem.

177 Degenen die ongeloof kopen met hun geloof als prijs kunnen Allāh niet deren, en voor hen is er een pijnlijke straf.

 

178 Wa laa yah-sabannallaziena kafaroe ‘annamaa numlie lahum gayrul-li-‘anfusihim: ‘innamaa numlie lahum li-yaz-daadoe ‘ismaa : wa lahum ‘azaabum-muhien.

178 En laat degenen die niet geloven niet denken dat het goed voor hen is wanneer Wij hen uitstel verlenen. Wij verlenen hen slechts uitstel opdat zij hun zonden kunnen uitbreiden; en voor hen is er een vernederende straf.

 

179 Maa kaanallaahu liyazaral-Mu’-miniena ‘alaa maaa ‘antum ‘alayhi hattaa yamiezalgabiesa minat-tayyib. Wa maa kaanallaahu li-yutli-‘akum ‘alal-ghaybi wa laa-kinnallaaha yadjtabie mir-rusu-lihie many-yasjaaa. Fa-‘aaminoe billaahi wa rusulih. Wa ‘in-tu’-minoe wa tattaqoe falakum ‘adjrun-‘aziem.

179 Allāh zal de gelovigen niet in de toestand laten waarin jullie je bevinden totdat Hij de kwaden van de goeden scheidt. Noch zal Allāh jullie bekendmaken met het ongeziene, Maar Allāh kiest uit zijn boodschappers wie het Hem behaagt. Dus geloof in Allāh en Zijn boodschappers. En wanneer jullie geloven en aan jullie plicht voldoen, wacht jullie een grootse beloning.

 

180 Wa laa yah-sabannallaziena yab-galoena bimaaa ‘aataa-humullaahu mien-fazlihie huwa gay-rallahum: bal huwa sjarrul-lahum: sayu-tawwaqoena maa bagiloe bihie Yawmal-Qiyaamah. Wa lillaahi mieraasus-samaawaati wal-‘ard: wallaahu bimaa ta’-maloena Gabier.

180 En laat degenen die gierig zijn, in het uitgeven van wat Allāh hen uit Zijn goedgunstigheid heeft geschonken, niet denken dat dit goed voor hen is. Nee, het is slechts voor hen. Zij zullen een ketting van hun gierigheid om hen nekken dragen op de dag van de Opstanding. En de nalatenschap van de hemelen en de aarde behoort aan Allāh. En Allāh is Zich Bewust van wat jullie doen.a


172a. Het leger van Makkah werd de volgende dag achtervolgd tot aan een plaats die bekend staat als Hamrā ‘al-Asad, onder welke naam de expeditie bekend staat. Zo was de geest van onoverwinnelijkheid van het moeslimleger, zelfs na het verlies dat werd geleden bij Oehoed.

174a. De verzen 173–175 verwijzen naar de expeditie die bekend staat als Badr al-Soeghrā, het kleinere Badr. Deze werd het volgende jaar ondernomen omdat Aboe Soefjān, bevelhebber van het leger uit Makkah, toen hij het veld van Oehoed verliet aankondigde dat hij de moeslims volgend jaar bij Badr zou ontmoeten. Maar ondanks deze dreigementen macheerde het leger van Makkah nooit af. De moeslims aan de andere kant verkregen veel voordeel door te handelen op een markt die daar werd gehouden, zoals in v. 174 wordt aangegeven.

175a. Een afgezant, Noe‘aim, was door de inwoners van Makkah ingehuurd om angst te verspreiden onder de moeslims, en hij is de duivel waarover hier gesproken wordt (Rz). Met de vrienden van de duivel worden de hypocrieten bedoeld.

180a. Hetzelfde idee van het om de nek binden van het resultaat van begane daden, wordt in meer algemene bewoordingen uitgedrukt in 17:13: "En Wij hebben de daden van ieder mens om zijn nek gehangen, en Wij zullen hem op de dag van de Opstanding een boek brengen dat hij wijd open zal aantreffen." Zo draagt ieder mens de gevolgen van zijn handelingen met zich mee in dit leven, maar op de dag van het Oordeel worden die gevolgen duidelijk zichtbaar. Zo worden de gevolgen van gierigheid om de nek gehangen van de gierigen.

 

PARAGRAAF 19: Kleinzielige kritiek van de Mensen van het Boek

 

181 Laqad sami-‘allaahu qawlallaziena qaaloe ‘innallaaha faqie-runw-wa nahnu ‘aghniyaaa. Sanak-tubu maa qaaloe wa qatlahumul-‘Ambiyaaa-‘a bi-ghayri haqqinw-wa naqoelu zoeqoe ‘azaabal-harieq!

181 Alh heeft de uitspraken zeker gehoord van degenen, die zeiden: Allāh is arm en wij zijn rijk. Wij zullen optekenen wat zij zeggen, en dat zij de profeten onterecht doodden, en Wij zullen zeggen: Proef de straf van verbranding.a

 

182 Zaalika bimaa qaddamat ‘ay-diekum wa ‘annallaaha laysa bi-zallaamil-lil-‘abied.

182 Dit is voor wat jullie eigen handen eerder hebben gestuurd, en omdat Allāh niet in het minst onrechtvaardig is tegenover de dienaren.

 

183 ‘Allaziena qaaloe ‘innallaaha ‘ahida ‘ilaynaaa ‘allaa nu’-mina li-Rasoelin hattaa ya’-ti-yanaa bi-qurbaanin-ta’-kuluhun-Naar. Qul qad djaaa-‘akum rusulum-min-qablie bil-Bayyinaati wa billazie qul- tum falima qatal-tumoe-hum ‘inkuntum saadiqien?

183 Degenen die zeggen: Allāh heeft van ons geëist dat wij in geen enkele boodschapper zullen geloven totdat hij ons een offerande brengt die wordt verteerd door het vuur.a Zeg: Zeker zijn er vóór mij boodschappers tot jullie gekomen met duidelijke bewijzen en met dat wat jullie eisen. Waarom hebben jullie dan gebrobeerd te doden, als jullie waarheidlievend zijn.b

 

184 Fa-‘in-kazza-boeka faqad kuzziba rusulum-min-qablika djaaa-‘oe bil-Bayyinaati waz-Zuburi wal- Kitaabil Munier.

184 Maar als zij jou afwijzen, dan zijn er zo ook boodschappers vóór jou afgewezen, die kwamen met duidelijke bewijzen en geschriften en het verlichtende Boek.a

 

185 Kullu nafsin-zaaa-‘iqatulmawt. Wa ‘innamaa tu-waffawna ‘udjoerakum Yawmal-Qiyaamah. Faman -zuhziha ‘aninnaari wa ‘ud-gilal-Djannata faqad faaz. Wa mal-hayaa-tuddunyaaa ‘illaa mataa-‘ul-ghuroer.

185 Iedere ziel zal proeven van de dood. En jullie zullen je beloning pas volledig betaald krijgen op de dag van de Opstanding. Dan heeft wie er ver van het Vuur wordt verwijderd en die de Tuin in wordt geleid inderdaad het doel bereikt. En dit wereldse leven is niets dan een voorraad ijdelheden.

 

186 Latubla-wunna fie ‘amwaalikum wa ‘anfusikum; wa latasma-‘unna minallaziena ‘oetul-Kitaaba min-qablikum wa minallaziena ‘asjrakoe ‘azan-kasieraa. Wa ‘in-tasbiroe wa tattaqoe fa-‘inna zaalika min ‘azmil-‘umoer.

186 Jullie zullen zeker worden beproefd in jullie eigendom en jullie persoon. En jullie zullen zeker veel beledigingen te horen krijgen van degenen aan wie vóór jullie het Boek werd gegeven, en van de afgodsdienaren.a En wanneer jullie geduldig zijn en aan jullie plicht voldoen, dan is dit zeker een zaak van grote vastbeslotenheid.

 

187 Wa ‘iz ‘agazallaahu Miesaaqallaziena ‘oetul-Kitaaba latubayyi-nunnahoe linnaasi wa laa taktu- moenah; fanabazoehu waraaa-‘a zuhoerihim wasj-taraw bihie samanan-qallielaa. Fabi’-sa maa yasj-taroen.

187 En toen Allāh een verbond sloot met degenen aan wie het Boek was gegeven: Jullie zullen het aan de mensen uitleggen en het niet verbergen. Maar zij gooiden het achter hun rug en hechtten er weinig waarde aan. Dus slechts is datgene wat zij kopen.

 

188 Laa tahsa-bannallaziena yafrahoena bimaa ‘ataw-wa yuhibboena ‘any-yuhmadoe bimaa lam yaf-‘aloe falaa tahsabannahum-bimafaazatim-minal-‘azaab. Wa lahum ‘azaabun ‘aliem.

188 Denk niet dat degenen die hun daden bejubelen en die graag geprezen worden voor wat zij niet hebben gedaan – denk niet dat zij veilig zijn voor de straf; en voor hen is er een pijnlijke straf.

 

189 Wa lillaahi mulkus-samaawaati wal-‘ard : wallaahu ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

189 En het koninkrijk van de hemelen en de aarde behoort aan Allāh. En Allāh is de Bezitter van macht over alle dingen.


181a. De joden maakten de armoede van de moeslims en het feit dat zij leenden van de joodse geldschieters belachelijk. Zij maakten ook het vergaren van fondsen voor het verdedigen van het geloof door middel van bijdragen belachelijk. Zie 5:64, 64a.

183a. Er wordt verwezen naar de verbrande offerandes uit de Mozaïsche wet, zie daarvoor Lev. 1:9: "En de priester zal alles op het altaar in rook doen opgaan als een brandoffer, een vuuroffer." En Deut. 33:10 waar Mozes zegt, bij het zegenen van Israël: "Zij doen reukwerk in uw neus opstijgen en leggen het brandoffer op uw altaar." Vergelijk ook Lev. 8:18. De eis van de joden dat de Profeet (s.a.w.) hen een offerande zou brengen dat door het vuur verteerd zou worden, is slechts een eis voor het brandoffer uit de Israëlitische wet. In feite hielden zij dus vast aan het idee dat de beloofde profeet een Israëliet moest zijn en dat hij de Israëlitische wet zou doen herleven.

183b. Het wordt de kleinzieligen hier duidelijk gemaakt dat zij zelfs die profeten probeerden te vermoorden die de Mozaïsche wet wel volgden, die "met dat wat jullie eisen" kwamen. Vandaar dat hun afwijzing te wijten was aan de koppigheid in hun harten.

184a. Van de profeten wordt gezegd dat zij met drie dingen kwamen – met argumenten, met de zoeboer en met het verlichtend Boek. Zoeboer is meervoud van zoebrah, wat een groot stuk ijzer betekent, en van zaboer, wat een geschreven ding betrkent. Volgens R wordt ieder boek dat moeilijk te schrijven is een zaboer genoemd. Volgens LL beduidt zaboer een Goddelijk boek waarvan het moeilijk is er bekend mee te raken. Zj zegt, elk boek vol wijsheid is een zaboer (Rz). De commentatoren vatten de zaboer over het algemeen op als de heilige geschriften van de profeten en het verlichtende Boek als het boek dat de Mozaïsche wet bevat, hoewel sommigen de psalmen van David en het Evangelie van Jezus aan de laatste categorie toe zouden voegen. Het kan ook zijn dat met de zaboer hier de profetieën worden bedoeld of slechts voorspellende teksten, en met het verlichtende Boek het boek dat de leidraad bevat die iedere profeet aan zijn volk bracht, zodat zij deze aanwijzingen zouden volgen.

186a. Dit vers gaat over het lijden dat de moeslims nog te wachten stond. Zij werden zeker beproefd met betrekking tot hun bezittingen en hun persoon in Makkah. Zij werden beroofd van hun bezit en uit hun huizen gezet. Ze werden fel vervolgd en zelfs ter dood gebracht voor het beoefenen van de Islām. Maar dit vers, dat zonder twijfel na de strijd bij Oehoed is geopenbaard in het jaar 3 A.H., gaat over het lijden dat nog moest komen. Het spreekt duidelijk en helder over de toekomst, zelfs over de verre toekomst, omdat de Islām nu stevig gevestigd was in Arabië. De opkomst van de Islām zou echter worden gevolgd door een terugslag, waarover aanwijzingen te vinden zijn in de Qoer-ān en in de uitspraken van de Profeet (s.a.w.). Zo wordt ons in een hadies verteld dat de Islām zijn ontwikkeling begon als gharib (als een vreemdeling in een land of als martelaar in de hand van anderen) en dat hij nogmaals (d.w.z. na machtig te zijn geworden) terug zal keren tot de toestand waarin hij begon" (M. 35:15). De beledigingen waarmee de Islām bestookt is in de negentiende en de twintigste eeuw zijn inderdaad zonder vergelijk, niet alleen in de geschiedenis van de Islām maar in de hele geschiedenis van religie. Het schimpende taalgebruik in de christelijke, politieke en propagandistische pers en de hekelingen van hun imitatoren in de hindoe-pers hebben alle grenzen overschreden. Zo werkten de Mensen van het Boek en de afgodsdienaren samen in de productie van de meest vreselijke beschimpingen van de Islām en zijn Stichter. Maar er wordt ons hier verteld dat, bevenop de beschimping van hun religie, de moeslims zullen moeten lijden in hun bezit en hun persoon. Wanneer zij in de vorige eeuw in Europa vaak uit hun huizen zijn gezet, en er in die tijd in vele delen van de wereld moeslimstaten zijn weggevaagd, dan schildert de twintigste eeuw een nog afgrijselijker beeld van hun rampspoed in India. In een land waarin zij meer dan duizend jaar geleefd hebben, en waar hun bevolking niet minder dan honderdmiljoen telde, zijn zij zonder genade uit hun huizen gezet, en zijn de wreedste martelingen bekend in de geschiedenis van de mensheid bij klaarlichte dag op hen uitgeoefend. De beschaafde wereld heeft nog geen vinger uitgestoken tegen de genocide en de wreedheden die werden begaan. Het zijn deze calamiteiten waarover in dit vers gesproken wordt. De slotwoorden van het vers zijn de enige hoop van de Islām in de huidige ellende – om standvastig te zijn en te volharden in hun plicht jegens de Islām.

 

PARAGRAAF 20: Uiteindelijke triomf voor de gelovigen

 

190 ‘Inna fie gal-qis-samaawaati wal-‘ardi wag-tilaafillayli wan-nahaari la-‘Aayaatilli-‘ulil-‘albaab,-

190 In de schepping van de hemelen en der aarde en in de wisseling van de nacht en de dag, daarin schuilen zeker tekens voor mensen met verstand.

 

191 ‘Allaziena yaz-kuroenallaaha qiyaamanw-wa qu-‘oedanw-wa ‘alaa djunoebihim wa yatafakkaroe- na fie gal-qissamaawaati wal-‘ard: Rabbana maa galaqta haazaa baatilaa! Sub-haanaka faqinaa ‘azaaban-Naar!

191 Degenen die Allāh staand gedenken, en zittend en (liggend) op hun zij, en die nadenken over de schepping van de hemelen en de aarde: Onze Heer, U heeft dit niet voor niets geschapen! Glorie aan U! Hoed ons voor de straf van het Vuur.a

 

192 Rabbanaaa ‘innaka mantud-gilin-Naara faqad ‘agzaytah: wa maa lizzaalimiena min ‘ansaar!

192 Onze Heer, wie U het vuur doet binnentreden, hem brengt U zeker tot schande. En er zullen geen helpers zijn voor de kwaaddoeners.

 

193 Rabbanaaa ‘inna-naa sami’-aaa Munaa-diyany-yunaadie lil-‘iemaani ‘an ‘aaminoe bi- Rabbikum fa-‘aamannaa. Rabbanaa faghfir lanaa zunoebanaa wa kaffir ‘annaa sayyi’aatinaa wa ta-waffanaa ma-‘al-‘Abraar.

193 Onze Heer, waarlijk hebben wij een Roeper tot het geloof horen riepen, zeggende: Geloof in jullie Heer. Dus geloven wij. Onze Heer, schenk ons bescherming tegen onze zonden en verwijder onze kwaden en laat ons sterven met de rechtschapenen.

 

194 Rabbanaa wa ‘aatinaa maa wa-‘attanaa ‘alaa rusulika wa laa tug-zinaa Yawmal-Qiyaamah : ‘innaka laa tugliful-mie-‘aad.

194 Onze Heer, schenk ons wat U ons heeft beloofd met Uw boodschappers en maak ons niet te schande op de dag van de Opstanding. U faalt waarlijk nooit in (Uw) belofte!

 

195 Faatadjaaba lahum Rabbuhum ‘annie laaa ‘uzie-‘u-‘amala ‘aamilim-minkum-min-zakarin ‘aw ‘unsaa. Ba’-zukum-mim-ba’z. Fallaziena haadjaroe wa ‘ugridjoe min-diyaari-him wa ‘oezoe fie Sabielie wa qaataloe wa qutiloe la-‘ukaffiranna ‘anhum sayyi-‘aatihim wa la-‘udgi-lannahum Djannaatin-tadjrie min-tahtihal-‘anhaar-sawwwbam-min ‘idillaah: wallaahu ‘indahoe husnussa-waab.

195 Dus aanvaardde hun Heer hun smeekbede (zeggende): Ik zal niet toestaan dat het werk van een van de werkers uit jullie midden verloren gaat, of ze nu mannelijk of vrouwelijk zijn, de een van jullie afkomstig uit de ander. Dus degenen die vluchtten en die uit hun huizen werden verdreven en vervolgd langs Mijn weg en die streden en werden gedood, van diegenen zal Ik waarlijk het kwaad verwijderen en hen Tuinen doen binnengaan waardoor rivieren stromen – een beloning van Allāh. En bij Allāh ligt de beste beloning.a

 

196 Laa yagurrannaka taqallu-bullaziena kafaroe fil-bilaad.

196 Laat de macht in het land, (in handen) van degenen die niet geloven, jou niet misleiden.

 

197 Mataa-‘un-qalil: summa ma-waahum Djahannam: wa bi’-sal-mihaad!

197 En kort genoegen! Dan wordt hun verblijfplaats de hel. En slecht is de rustplaats.

 

198 Laakinillazie-natta-qaw Rabbahum lahum Djannaatun tadjri min tahtihal-‘anhaaru gaalidiena fiehaa nuzulammin-‘indillaah: wa maa ‘indallaahi gayrul-lil-‘Abraar.

198 Maar voor degenen die hun plicht aan hun Heer voldoen, zijn er Tuinen waardoor rivieren stromen, om in te verblijven; een onthaal van hun Heer. En dat wat Allāh klaar heeft liggen voor de rechtschapenen is het beste.

 

199 Wa ‘inna min ‘Ahlil-Kitaabi lamany-yu’-minu billaahi wa maaa ‘unzila ‘ilaykum wa maa ‘unzila ‘ilayhim gaasji-‘ina lillaahi laa yasjtaroena bi-‘Aayaatillaahi samanan-qalilaa. ‘Ulaaa-‘ika lahum ‘adjuhum ‘inda Rabbihim: ‘innallaaha Sarie-‘ul-hisaab.

199 En onder de Mensen van het Boek zijn er die geloven in Allāh en (in) dat wat aan jullie is geopenbaard en (in) dat wat aan hen is geopenbaard, en zij deemoedigen zichzelf voor Allāh – zij hechten niet weinig waarde aan de boodschap van Allāh. Dit zijn degenen die een beloning wacht bij hun Heer. Waarlijk is Allāh Snel met het opmaken van de rekening.

 

200 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aama-nusbiroe wa saabiroe wa raabitoe: wattaqullaaha la-‘allakum tufli- hoen.

200 O jullie die geloven, wees standvastig en probeer uit te blinken in standvastigheid en bescherm (de grenzen). En voldoe jullie plicht aan Allāh opdat jullie succesvol zullen zijn.a


191a. Dit hoofdstuk eindigt, net als dat hiervoor, met een gebed voor de overwinning van Geloof over ongeloof en een voorspelling van haar uiteindelijke zege. De eerste twee verzen van de paragraaf wijzen op twee onderscheidende kenmerken van de gelovigen. Er wordt uitgelegd dat zij noch kluizenaren zijn, die zich in een eenzame hoek terugtrekken voor de verering van Allāh, noch jagen zij de onderwerping van de natuur na, zonder ooit te denken aan de Auteur en Heer van de schepping. Aan de ene kant wordt omschreven hoe zij, staand, zittend en liggend op hun zij, Allāh gedenken te midden van alle wereldse aangelegenheden en wereldse bezigheden, zodat zij zich overal en onder alle omstandigheden volledig bewust zijn van de Goddelijke Aanwezigheid. Aan de andere kant streefden zij de onderwerping van de natuur na in het volle bewustzijn dat niets voor niets geschapen is, en dat er een beloning ten grondslag ligt aan de gehele schepping. Dit is het grootse doel dat de Islām zijn volgelingen voorhoudt, om het eigen ik te overwinnen door Allāh te gedenken, en de natuur te overwinnen door kennis na te streven.

195a. Dit is een belofte die gedaan wordt aan alle metgezellen van de Heilige Profeet (s.a.w.) die wegvluchten uit hun huizen, aan al diegenen die achtervolgd werden, en aan diegenen die in zijn gezelschap vochten. De slotwoorden van het vers laten zien dat de belofte om hen Tuinen te laten binnengaan ook op dit leven van toepassing is, en dat haar vervulling werkelijkheid werd in de wereldse prestaties van de moeslims. De beloning van het Hiernamaals wordt apart besproken in de woorden bij Allāh ligt de beste beloning.

200a. Terwijl de laatste paragraaf de overwinning voorspelt, vereist het van de moeslims dat zij nederig zijn in het uur van de overwinning, zoals in het vorige hoofdstuk. Het slotvers spreekt over drie dingen die dienen als sleutel tot succes. Het eerste is sabr, wat de betekenis draagt van volharding en doorzettingsvermogen tijdens beproevingen, en volharding in het doen van goede daden. Het tweede is moesābarah, hetgeen betekent het met elkaar wedijveren in sabr of in standvastigheid, of een poging de vijand in uithoudingsvermogen te overtreffen. Het derde is ribāt, hetgeen betekent bewaken of het statineren van een leger aan de grenzen om die tegen de vijand te verdedigen. Alle drie de woorden dragen is aan de ene kant het tonen van volharding gedurende oorlogen, het overtreffen van de vijand in uithoudingsvermogen, en het gereed blijven aan de grenzen van het moeslimgebied om de vijand tegemoet te treden. Aan de andere kant hameren de woorden op het standvastig uit de buurt blijven van kwaad, op gehoorzaamheid aan Allāh, en op een poging elkaar te overtreffen in uithoudingsvermogen en waakzaam te blijven tegen het Kwade aan de grenzen. Wat met dat laatste bedoeld wordt, wordt uitgelegd in een hadies van de Profeet (s.a.w.): "Wat wettelijk is, is zichtbaar, en wat niet wettelijk is, is zichtbaar, en tussen deze twee bevinden zich twijfelachtige dingen waar veel mensen niet van op de hoogte zijn. Dus wie zichzelf beschermt tegen de twijfelachtige dingen, houdt zijn religie en zijn eer zuiver. Wie ten prooi valt aan twijfelachtige dingen, is als een herder die zijn kudde aan de grenzen van een reservaat laat grazen – hij zal er waarschijnlijk binnengaan. Weet dat elke koning een reservaat heeft en weet dat het reservaat van Allāh in Zijn land bestaat uit wat Hij heeft verboden" (B. 2:38). De Qoer-ān streeft dus naar de geestelijke volmaaktheid van de mens, waarbij deze zijn wereldse behoeften niet veronachtzaamt.