28- Al-Qasas (Het Verhaal)

HOOFDSTUK 28 Al-Qasas: De Vertelling

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 9 paragrafen; 88 verzen

Dit hoofdstuk, dat bekendstaat als De Vertelling, is hoofdzakelijk gewijd aan de geschiedenis van Mozes en vestigt de aandacht op de voorspelling van Mozes die betrekking heeft op de komst van de Profeet (s.a.w.). Sommigen beweren dat dit hoofdstuk aan de Heilige Profeet (s.a.w.) werd geopenbaard in de plaats Djahfah, gedurende de reis naar Madinah na zijn vlucht uit Makkah (I‘Ab-AH). Volgens anderen werd echter alleen v. 85, dat een triomfantelijke terugkeer van de Heilige Profeet (s.a.w.) naar Makkah voorspelde, daar geopenbaard (AH). Die laatste lijkt de juiste zienswijze. Zie de inleiding van het 26e hoofdstuk.

De gelijkenis van de Profeet (s.a.w.) met Mozes is het hoofdthema van dit hoofdstuk, en de openbaring van Mozes wordt hier genoemd als duidelijk bewijs van de waarheid van de openbaring van de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.). De eerste vier paragrafen worden in beslag genomen door een opsomming van de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van Mozes, van zijn geboorte tot het moment dat hij de Israëlieten met succes uit Egypte leidde. Ook wordt er melding gemaakt van de verdrinking van de Egyptische legers. Hier vinden we wel details uit die periode die nergens anders gegeven worden. De vertelling van Mozes wordt gevolgd door de vijfde paragraaf, die aangeeft dat er nu een profeet zoals Mozes was opgestaan, voor wiens waarheid de openbaring van Mozes een duidelijke getuigenis vormde. De zesde paragraaf bevestigt de waarheid van de openbaring van de Qoer-ān, terwijl de zevende laat zien dat zijn tegenstanders verslagen zullen worden. De achtste paragraaf noemt het voorbeeld van Korach, wiens rijkdom hem tot zijn ondergang leidde, en vormt een waarschuwing voor de tegenstanders dat zij niet teveel vertrouwen moeten hebben in aardse bezittingen. Het zou ook een waarschuwing kunnen zijn voor de moeslims, die betrekking heeft op de tijd dat zij rijk en machtig zullen zijn. Het hoofdstuk eindigt met een aankondiging van de uiteindelijke overwinning van de Heilige Profeet (s.a.w.), en van zijn triomfantelijke binnenkomst in dezelfdse stad waaruit hij nu verdreven werd.


PARAGRAAF 1: De geschiedenis van Mozes

 Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 Taa–Siem–Miem.

1 Welwillende, Horende, Wetende Allāh!a

 

2 Tilka ‘Aayaatul–Kitaabilmubien.

2 Dit zijn de verzen van het Boek dat duidelijk maakt.

 

3 Natloe ‘alayka min-naba-‘i Moesaa wa Fir-‘awna bil–Haqqi li-qawminy-yu’-minoen.

3 Wij vertellen jou naar waarheid het verhaal van Mozes en Farao, voor een volk dat gelooft.

 

4 ‘Inna Fir-‘awna ‘alaa fil-‘ardi wa dja-‘ala ‘ahlahaa sjiya-‘any-yastaz-‘ifu taaa-‘ifatam-minhum yazab- bihu ‘abnaaa-‘ahum wa yatahyie niesaaa-‘a-hum: ‘innahoe kaana minalmufsidien.

4 Waarlijk verhief Farao zich in het land, en hij verdeelde het volk in groepen en verzwakte één groep uit hun midden;a hij slachtte hun zonen af en liet hun vrouwen leven. Waarlijk was hij een van de onruststokers.

 

5 Wa nuriedu ‘an-namunna ‘alallazienas-tuz-‘ifoe fil-‘ardi wa nadj-‘alahum ‘a-‘immatanwwa nadj-‘ala-humul-waarisien,

5 En Wij wensten een gunst te verlenen aan degenen die zwak werden geacht in het land, en hen de leiders te maken, en hen de erfgenamen te makena

 

6 Wa namakkina lahum fil-‘ardi wa muriya Fir-‘awna wa Haamaana wa djunoedahumaa minhum-maa kaanoe yahzaroen.

6 En hen macht te schenken in het land, en Farao en Hāmān en hun legers in het te laten zien wat zij vreesden.a

 

7 Wa ‘awhaynaaa ‘ilaaa ‘ummi Moesaaa ‘an ‘ardi-ieh: fa-‘izaa gifti ‘alayhi fa-‘alqiehi fil-yammi wa laa tagaafie wa laa tahzanie: ‘innaa raaddoehu ‘ilayki wa djaa-‘iloehu minal-moersilien.

7 En Wij openbaarden aan de Moeder van Mozes, en zeiden: Zoog hem; dan, wanneer jij voor hem vreest, werp hem in de rivier en vrees niet en treur niet; waarlijk zullen Wij hem tot jou terugbrengen en hem maken tot een van de boodschappers.

 

8 Faltaqatahoe ‘aalu–Fir-‘awna liyakoena lahum ‘aduwwanwwa hazanaa: ‘Inna Fir-‘awna wa Haamaana wa djunoedahumaa kaanoe gaati-‘ien.

8 Zo nam het volk van Farao hem op, opdat hij hun vijand zou kunnen zijn en hen tot verdriet zou zijn.a Waarlijk waren Farao en Hāmān en hun legers kwaaddoeners.

 

9 Wa qaalatimra-‘atu Fir-‘awna qoerratu ‘aynil-lie wa lak: laa taqtuloehu ‘asaaa anyyanfa–‘anaaa ‘aw nattagizahoe waladanwwa hum laa yasj-‘uroen!

9 En de echtgenote van Farao zei: Een verblijding van het oog voor mij en voor jou – dood hem niet; wellicht zal hij ons tot nut zijn, of wij zouden hem tot zoon kunnen nemen. En zij beseften (het) niet.

 

10 Wa ‘asbaha fu-‘aadu ‘ummi Moesaa faarighaa: ‘in-kaadat latubdie bihie law laa ‘arrabatnaa ‘alaa qalbihaa litakoena minal–Mu’-minien.

10 En het hart van Mozes’moeder was vrij (van zorgen).a Zij had het bijna openbaar gemaakt, als Wij haar hart niet hadden gesterkt, zodat zij tot de gelovigen zou behoren.

 

11 Wa qaalat li-‘ukhtihie qussieh. Fabasurat bihie ‘an-djunubinwwa hum laa yasj-‘uroen.

11 En zij zei tot zijn zuster: Volg hem. Dus sloeg zij hem van een afstand gade, terwijl zij (het) niet beseften.

 

12 Wa harramnaa ‘alayhilmaraadi-‘a min qablu faqaalat hal ‘adullukum ‘alaaa ‘ahlibaytiny-yakfuloe-nahoe lakum wa hum lahoe naasihoen?…

12 En hiervóór stonden Wij hem niet toe te zuigen, dus zei zij: Zal ik jullie de mensen aanwijzen van een huis die hem voor jullie zullen grootbrengen, en zij zullen voor hem het beste wensen?

 

13 Faradadnaahu ‘ilaaa ‘ummihie kay taqarra ‘aynuhaa wa laa tahzana wa li-ta’-lama ‘anna wa’-dallaahi haqqunwwa laa-kinna ‘aksarahum laa ya’-lamoen.

13 Dus gaven Wij hem terug aan zijn moeder, opdat haar oog verblijd zou worden, en opdat zij niet zou treuren en opdat zij zou weten dat Allāh Zich aan Zijn beloften houdt. Maar de meesten van hen weten dit niet.a


1a. Zie 26:1a.

4a. De twee groepen waren de Israëlieten en de Egyptenaren, waarbij de laatsten tot opzichters van de eersten werden gemaakt. Dit verwijst zonder twijfel naar de vervolgingen van de moeslims. De Qoeraisj, de sterkere partij, wilde de zwakkere partij van de moeslims verpletteren. 

5a. Dat zij tot erfgenamen werden gemaakt betekent niet dat zij tot erfgenamen van het bezit van Farao werden gemaakt, maar tot erfgenamen van een koninkrijk in het beloofde land van Kanaän. Dit duidt op de vestiging van het koninkrijk van de Islām en de overwinning op zijn vervolgers.

6a. Hāmān zou een minister van Farao geweest zijn. Er wordt weer over hem gesproken in v. 8 en v. 38, en ook in 29:39 en 40:24, 36. De Hāmān waarover in Ester 3:1 gesproken wordt is iemand anders. Farao en zijn raadsmannen vreesden dat de Israëlieten, die vreemdelingen waren in het land van Egypte, op een dag machtig zouden worden en zouden overheersen in het land. Vandaar dat zij hen op verschillende manieren onderdrukten en vervolgden. Het was echter de Goddelijke bedoeling om juist dat tot stand te brengen wat Farao vreesde. Op dezelfde manier was dit de Goddelijke bedoeling met betrekking tot de vervolgde moeslims.

8a. Het was niet het doel van het volk van Farao dat het kind hun vijand zou worden, maar dat is wat uiteindelijk gebeurde. Wanneer lām ("opdat") in deze betekenis wordt gebruikt, wordt het lām al-’āqibah genoemd.

10a. Haar hart werd bevrijd van zorgen door de verzekering die zij via de Goddelijke openbaring had gekregen. De woorden die hierop volgen geven aan dat haar hart werd gestrekt met geduld, dus er kan niet beweerd worden dat het verstoken raakte van geduld. In feite betekent fārigh, in een onvolledige vorm vaak vrij van zorgen ofangst of onrust (LL).

13a. Hier wordt duidelijk verwezen naar de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.), die niet wisten dat de belofte van Allāh, zoals die gegeven werd aan de gelovigen, waar zou blijken te zijn.

 

 

PARAGRAAF 2: De geschiedenis van Mozes

 

14 Wa lammaa balaga ‘asjuddahoe wastawaaa ‘aataynaahu hukmanwwa ‘ilmaaa: wa kazaalika nadjzil–Muhsinien.

14 En toen hij volwassen was en volgroeid, schonken Wij hem wijsheid en kennis. En zo belonen Wij degenen die goeddoen (aan anderen).

 

15 Wa dagalal–Madienata ‘alaa hieni gatlatim-min ‘ahlihaa fawadjada fiehaa radjulayni yaqtatilaani haazaa min sjie-‘atihie wa haazaa min ‘adunwwih. Fastagaa-sahullazie min sjie-‘atihie ‘alallazie min aduwwihie fawakazahoe Moesaa faqazaa ‘alayh. Qaala haazaa min amalisy–Sjaytaan: ‘innahoe ‘aduwwum-muzillum-mubien!

15 En hij ging de stad binnen in een tijd dat haar mensen onverschillig waren geworden, dus liep hij daar twee vechtende mannen tegen het lijf – één hoorde bij zijn groep, en de ander bij zijn vijanden; en degene die tot zijn groep behoorde riep hem te hulp tegen degene die tot zijn vijanden behoorde, dus sloeg Mozes hem met zijn vuist en doodde hem. Hij zei: Dit is vanwege wat de duivel deed; hij is waarlijk een vijand die in alle openheid doet afdwalen.a

 

16 Qaala Rabbi ‘innie zalamtu nafsie faghfir lie fagafara lah: ‘innahoe Huwal–Ghafoerur–Rahiem.

16 Hij zei: Mijn Heer, waarlijk heb ik mijzelf schade berokkend, dus beschermt U mij; dus beschermde Hij hem.a Waarlijk is Hij de Vergevensgezinde, de Barmhartige.

 

17 Qaala Rabbi bimaaa ‘an-‘amta ‘alayya falan ‘akoena zahieral-lil-mudjrimien.

17 Hij zei: Mijn Heer, omdat U mij begunstigd heeft, zal ik nimmer de schuldigen steunen.

 

18 Fa-‘asbaha fil–Madienati gaaa-‘ifany-yataraqqabu fa-‘izallazis-tansarahoe bil-‘amsi yastasriguh. Qaala lahoe Moesaa ‘innaka la-gawiyyummubien!

18 En hij was in de stad, angstig en afwachtende, toen zie, degene die hem de dag daarvoor om hulp had gevraagd riep hem te hulp. Mozes zei tegen hem: Jij bent waarlijk iemand die in duidelijke dwaling verkeert.a

 

19 Falammaaa ‘an ‘araaada ‘any-yabtisja billazie huwa ‘aduwwul-lahumaa qaala yaa–Moesaa ‘aturiedu ‘an taqtulanie kamaa qatalta nafsam-bil-ams? ‘In turiedu ‘illaaa ‘antakoena djabbaaran fil-‘ardi wa maa turiedu ‘an-takoena minal–Muslihien!

19 Dus toen hij degene wilde grijpen die een vijand van hen beiden was, zei deze: O Mozes, ben jij van plan mij te doden zoals jij gisteren iemand doodde? Jij wenst slechts een tiran te zijn in het land, en jij wenst niet bij degenen te horen die op juiste wijze handelen.

 

20 Wa djaaa-‘a radjulum-min ‘aqsal–Madienati yas-‘aa. Qaala yaa–Moesaa ‘innal-mala-‘a ya’-tamiroena bika liyaqtuloeka lagrudj ‘innie laka minan-naasilien.

20 En er kwam een man aanrennen uit het meest verafgelegen deel van de stad. Hij zei: O Mozes, de bevelhebbers voeren gezamenlijk overleg om jou te doden, dus vertrek (onmiddellijk); waarlijk behoor ik tot degenen die het beste met jou voorhebben.

 

21 Fakharadja minhaa gaaa-‘ifany-yataraqqab: Qaala Rabbi nadjdjinie minal-qawmiz-zaalimien.

21 Dus ging hij daar weg, angstig en afwachtend. Hij zei: Mijn Heer, verlos mij van de onrechtvaardige mensen.


15a. Het woord "dit" in de verklaring van Mozes, verwijst naar de straf die hij aan de Egyptenaar gegeven had. De betekenis is, dat de Egyptenaar op grond van zijn duivelse daad op die manier werd gestraft. De rabbijnse uitleg van Exod. 2:12, waar het doden van de Egyptenaar door Mozes wordt vermeld, is dat de Egyptenaar de dood verdiende "omdat hij een Israëlitische vrouw gedwongen had overspel met hem te plegen" (Jewish En., vol. ix, p. 48). De Qoer-ān noemt het vergrijp niet, maar er is geen twijfel over dat hij zijn vergrijp een duivelse daad noemt. Zie 2:286a voor de betekenis van ghafr. Vers 17 laat duidelijk zien dat Mozes zichzelf niet beschouwde als iemand die een onjuiste daad had begaan of die een schuldige had geholpen. Zie ook 26:14a.

16a. Mozes’ gebed is geen bewijs voor zijn schuld, want de woorden zalamtoe nafsi betekent ik heb mijzelf schade berokkend. De eerste betekenis van zoelm is naqs (T), of verlies doen lijden of oorzaak van schade (LL), en dit is de betekenis die in 7:160 en 18:33 wordt aangehouden. Zalamā-hoe betekent ook hij legde hem een last op die boven zijn macht of kunnen ging. De betekenis hier is dat hij zijn eigen leven geriskeerd had bij het verlenen van hulp aan een ander.

18a. Mozes had deze man bij de eerste gelegenheid geholpen, omdat hij onderdrukt werd. Maar nu onderdruktre deze zelfde man een ander. Daarom weigerde hij hem te helpen.

 

 

PARAGRAAF 3: De geschiedenis van Mozes

 

22 Wa lamma tawadjdjaha tilqaaa-‘a Madyana qaala ‘asaa Rabbie ‘any-yahdiyanie sawaaa-‘assabiel.

22 En toen hij zijn gezicht wendde tot Midjan, zei hij: Misschien zal mijn Heer mij op het rechte pad leiden.

 

23 Wa lammaa warada maaa-‘a Madyana wadjada ‘alayhi ‘ummatam-mienan-naasi yasqoena wa wadjada min-doenihimum-ra-‘atayni tazoedaan. Qaala maa khatbykymaa? Qaalataa laa nasqie hattaa yusdirarri-‘aaa-‘u wa ‘aboenaa sjaygun kabier.

23 En toen hij bij het water kwam van Midjan, zag hij daar een groep mannen die (hun kuddes) drenkten, en naast hen zag hij twee vrouwen die (hun kuddes) terughielden. Hij zei: Wat is jullie probleem? Zij zeiden: Wij kunnen niet drenken totdat de herders (hun schapen) weghalen bij het water; en onze vader is een zeer oude man.

 

24 Fasaqaa lahumaa summa tawallaa ‘ilaz-zilie faqaala Rabbi ‘innie liemaaa ‘anzalta ‘ilayya min gayrin-faqier!…

24 Dus drenkte hij (hun schapen) voor hen, en ging toen terug naar de schaduw en zei: Mijn Heer, welk goed U mij ook toestuurt, ik heb het nodig.

 

25 Fadjaaa-‘at-hu ‘ihdaahumaa tamsjie ‘alas-tihyaaa’–Qaalat ‘inna ‘abie yad-‘oeka liyadjzi-yaka ‘adjra maa saqayta lanaa. Falammaa djaaa-‘ahoe wa qassa alayhil-qasasa qaala laa tagaf: nadjawta minalqaw-miz-zaalimien.

25 Toen kwam een van de twee vrouwen bedeesd naar hem toelopen. Zij zei: Mijn vadera nodigt jou uit, opdat hij jou kan belonen voor het drenken dat jij voor ons deed. En toen hij bij hem kwam en hem het verhaal vertelde, zei deze: Vrees niet, jij bent veilig voor de onrechtvaardige mensen.

 

26 Qaalat ‘ihdaahumaa yaaa-‘abatista-djirhu ‘inna gayra manista’-djartal-qawiyyul-‘amien.

26 Een van hen zei: O mijn vader, geef hem werk; waarlijk is de beste van degenen die jij van werk kan voorzien de sterke, de betrouwbare.

 

27 Qaala ‘innie ‘uriedu ‘an ‘unkihaka ‘ihdab-natayya haatayni ‘alaaa ‘an-ta’-djuranie samaaniya hidjadj; fa-‘in ‘atmamta ‘asjran-famin ‘indik. Wa maaa ‘uriedu ‘an ‘asjouqqa ‘alayk: satadjidunie ‘in-sjaaa-‘allaahu minas–Saalihien.

27 Hij zei: Ik wil jou een van mijn twee dochters ten huwelijk geven, op voorwaarde dat jij mij acht jaar dient; maar wanneer jij er tien vol maakt, zal het jouw eigen vrije wil zijn, en ik zal niet te streng voor jou zijn. Als het Allāh behaagt, zal jij zien dat ik tot de rechtschapenen behoor.a

 

28 Qaala zaalika baynie wa baynak: ‘ayyamal-‘adjalayni qadaitu falaa ‘udwaana ‘alayy. Wallaahu ‘alaa maa naqoelu Wakiel.

28 Hij zei: Dat is (afgesproken) tussen jou en mij; welk van de twee termijnen ik ook vervul, mij zal geen onrecht worden aangedaan; en Allāstaat borg voor wat wij zeggen.


25a. Volgens Exod. 2:18 was de oude man Reüel, maar in Exod. 3:1 wordt hij Jetro genoemd en zou hij zeven dochters hebben. De Qoer-ān vermeldt niet hoeveel dochters hij had; hij meldt alleen dat twee van hen de leiding hadden over hun vaders kudde. Vandaar dat de zogenaamde verwarring van dit verhaal met dat van de twee dochters van Laban, op zichzelf te wijten is aan een misverstand. De commentatoren zeggen dat deze man Sjoe‘aib was, en Sjoe‘aib wordt in de Bijbel bij de naam Jetro genoemd.

27a. De christelijke kritische opinie ontdekt hier nog een verwarring. Omdat Jaskob een overeenkomst had gesloten met Laban, om hem zeven jaar te dienen als voorwaarde voor een huwelijk met een van zijn dochters (Gen. 29:18), wordt er beweerd dat dit feit in verwarde staat door het hoofd van de Profeet (s.a.w.) gespeeld moet hebben, en dat dit aanleiding gaf tot het verhaal waarin Mozes gedurende acht of tien jaar Jetro dient. Volgens rabbijnse bronnen woonde Mozes tien jaar bij Jetro, wat het verhaal in de Qoer-ān wat betreft de inhoud ondersteunt (zie Jewish En.). Er is niets onwaarschijnlijks aan de omstandigheid dat hij hem gedurende die periode gediend zou kunnen hebben en met een van zijn dochters getrouwd zou zijn. Maar wat hier gezegd wordt heeft eigenlijk een diepere onderliggende betekenis. In het tienjarig verblijf van Mozes in Midjan, schuilt een profetische verwijzing naar de tien jaar van zijn leven die de Profeet (s.a.w.) doorbracht in Madinah. De acht jaren hebben een andere onderliggende betekenis, want het was na acht jaar dat de Profeet (s.a.w.) als overwinnaar naar Makkah terugkeerde. Hiernaar wordt duidelijk verwezen in v. 85: Hij Die de Qoer-ān voor jou bindend heeft gemaakt, zal jou zeker terugbrengen naar de Plaats van terugkeer. Dit gebeurde precies acht jaar na zijn Vlucht. De werkelijke betekenis van deze vertelling, wordt verderop in v. 45 door de Qoer-ān zelf duidelijk gemaakt. Daar wordt de Profeet (s.a.w.) als volgt aangesproken: En jij leefde niet onder de mensen van Midjan, en droeg hen niet Onze boodschap voor. Dit is, als het ware, om te zeggen dat het Mozes was die temidden van het volk van Midjan leefde, maar dat de vertelling over hem in werkelijkheid nieuws bevat van wat de Profeet (s.a.w.) zal overkomen.

Hier kan aan worden toegevoegd dat Mozes zijn loon kreeg uitbetaald, en dat de voorwaarde om gedurende acht of tien jaar in Midjan te blijven zowel in zijn eigen voordeel was, als in het voordeel van Jetro. Zoals de Bijbelse vertelling laat zien, was Farao gestorven tegen de tijd dat het verblijf van Mozes in Madjan tot een einde was gekomen.

 

 

PARAGRAAF 4: De geschiedenis van Mozes

 

29 Falammaa qazaa Moesal-‘adjala wa saara bi-‘ahlihie ‘aanasa min-djaanibit–Toeri naaraa. Qaala li-‘ ahlihim-kusoe ‘innie aanastu naaral-la-‘allie ‘aatiekum-minhaa bi-gabarin ‘aw djazwatim-minan-naari la-‘allakum tastaloen.

29 En toen Mozes de termijn had vervuld en met zijn familie op reis was, zag hij een vuur op de helling van een berg. Hij zei tegen zijn familie: Wacht, ik zie een vuur; misschien kan ik er nieuws krijgen voor jullie, of een brandende tak, zodat jullie je kunnen warmen.

 

30 Falammaaa ‘ataahaa noediya min sjaati-‘il-waadil-‘aymani fil-huq-‘atil-mubaarakati minasj-sjadjarati ‘any-yaa–Moesaaa ‘innie Anallaahu Rabbul–‘Aalamien.

30 En toen hij het naderde, werd hij geroepen vanuit de rechterzijde van de vallei op de gezegende plek van de struik: O Mozes, waarlijk ben Ik Allāh, de Heer van de werelden:

 

31 Wa ‘an ‘alqi ‘asaak! Falammaa ra-‘aahaa tahtazzu ka-‘annahaa djaaan-nunw-wallaa mud-biranwwa lam yu-‘aqqib: yaa–Moesaaa ‘aqbil wa laa tagaf: ‘innaka minal-‘aaminien.

31 En werp jouw staf neer. Dus toen hij deze zag bewegen als was het een slang, draaide hij zich om en trok zich terug en keek niet om. O Mozes, kom naar voren en vrees niet; waarlijk behoor jij tot degenen die veilig zijn.

 

32 ‘Usluk yadaka fie djaybika takhrudj baizaaa-‘a mien gayrisoe’: wazmum ‘ilayka djanaahaka minar-rahbi fazaanika burhaanaani mir–Rabbika ‘ilaa Fir-‘awna wa mala-‘ih: ‘innahum kaanoe qawman- faasiqien.

32 Stop jouw hand in jouw boezem, hij zal wit tevoorschijn komen, vrij van kwaad en blijf kalm in vrees. Deze twee zijn twee bewijzen van jouw Heer aan Farao en zijn bevelhebbers. Waarlijk zijn zij een volk in overtreding.a

 

33 Qaala Rabbi ‘innie qataltu minhum nafsan-fa-‘agaafu ‘any-yaqtuloen.

33 Hij zei: Mijn Heer, ik doodde een van hen, dus ben ik bang dat zij mij zullen doden.

 

34 Wa ‘agie Haroenu huwa ‘afsahu minnie lisaanan-fa-‘arsilhu ma-‘iya rid-‘any-yusad-diqunie ‘innie ‘agaafu ‘anyyukazziboen.

34 En mijn broeder, Aäron, hij is welbespraakter dan ik; dus stuur hem met mij mee als helper om mij te bekrachtigen. Waarlijk ben ik bang dat zij mij zullen afwijzen.

 

35 Qaala sanasjuddu ‘adudaka bi-‘agieka wa nadj-‘alu lakumaa sultaanan falaa yasiloena ‘ilaykumaa: bi–‘Aayaatinaa ‘antumaa wa manittaba-‘akumal-ghaaliboen.

35 Hij zei: Wij zullen jouw arm sterken met jouw broer en Wij zullen jullie beiden van gezag voorzien, zodat zij jullie niet zullen bereiken.a Met Onze tekenen zullen jullie tweeën en degenen die jullie volgen overwinnen.

 

36 Falammaa djaa-‘ahum–Moesaa bi–‘Aayaatinaa bayyinaatin-qaaloe maa haazaaa ‘illaa sihrum-muftaranwwa maa sami’-naa bihaazaa fie ‘aabaaa-‘inal-‘awwalien!

36 Dus toen Mozes tot hen kwam met Onze duidelijke tekenen, zeiden zij: Dit is niets dan bedrieglijke tovenarij, en wij hebben onze voorvaderen hier nooit over gehoord!

 

37 Wa qaala Moesaa Rabbie ‘a’-lamu biman djaaa-‘a bil–Hudaa min ‘indihie wa man takoenu lahoe ‘Aaqibatud-daar: ‘innahoe laa yuflihuz-zaalimoen.

37 En Mozes zei: Mijn Heer weet het best wie er komt met leiding van Hem, en voor wie het goede uiteinde van het verblijf zal zijn. De kwaaddoeners zullen waarlijk geen succes hebben.

 

38 Wa qaala Fir-‘awnu yaaa-’ayyuhal-mala-‘u maa ‘alimtu lakum-min ‘ilaahin gayrie: fa-‘awqid lie yaa–Haamaanu ‘alattieni fadj-‘al lie sarhal-la-‘allie ‘attali-‘u ‘ilaaa ‘ilaahi Moesaa wa ‘innie la-‘azunnuhoe minalkaazibien!

38 En Farao zei: O bevelhebbers, ik ken geen god voor jullie dan ikzelf; dus steek een vuur voor mij aan, o Hāmān, op (stenen van) klei, en bouw dan voor mij een torenhoog gebouw, zodat ik kennis kan vergaren over de God van Mozes, en waarlijk vind ik hem een leugenaar.a

 

39 Wastakbara huwa wa djunoeduhoe fil-‘ardi bi-gayrilhaqqi wa zannoe ‘annahum ‘ilaynaa laa yurdja-‘oen!

39 En hij was onterecht trots in het land, hij en zijn legers, en zij dachten dat zij niet tot Ons teruggebracht zouden worden.

 

40 Fa-‘agaznaahu wa djunoedahoe fanabaznaahoem fil-yamm: fanzur kayfa kaana ‘Aaqibatuz-zaalimien!

40 Dus namen Wij hem en zijn legers in Onze greep, en wierpen hen in de zee, en zie wat het einde was van de onrechtvaardigen.

 

41 Wa dja-‘alnaahum ‘a-‘immatany-yad-‘oena ‘ilan–Naar; wa Yawmal–Qiyaamati laa yunsaroen.

41 En Wij maakten hen tot leiders die aanmoedigen tot het Vuur, en op de dag van de Opstanding zullen zij niet worden geholpen.a

 

42 Wa ‘atba’-naahum fie haazihid-dunyaa La’-nah; wa Yawmal–Qiyaamati hum-minal-maqboehien.

42 En Wij zorgden ervoor dat een vloek hen achtervolgde in deze wereld, en op de dag van de Opstanding zullen zij afzichtelijk zijn.


32a. Zie 7:108a, 20:20a, 22a.

35a De betekenis is, zodat zij niet in staat zullen zijn jullie te verwonden.

38a. Farao bespot het idee van de Heer van de hemelen en de aarde, en beveelt een van zijn leiders spottrend om stenen te maken – dit is de betekenis van het vuur aansteken op klei – en er een torenhoog bouwwerk mee op te richten. Zo zou hij een kijkje in de hemelen kunnen nemen om de Heer van de hemelen en de aarde te ontdekken.

41a. Fara wordt zo tot een prototype voor het kwade gemaakt. De tegewnstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.) worden ervoor gewaarschuwd dat zij, door in de voertstappen van Farao te treden, een soortgelijk lot zullen ondergaan.

 

 

PARAGRAAF 5: Een Profeet als Mozes

 

43 Wa laqad ‘aataynaa Moesal–Kitaabi mim-ba’-di maaa ahlaknal-quroenal-‘oelaa Basaa-‘ira linnaasi wa Hudanwwa Rahmatal-la-‘allahum yatazakkaroen.

43 En zeker gaven Wij Mozes het Boek, nadat Wij de eerdere generaties hadden vernietigd – duidelijke argumenten voor de mensen en een leidraad en een genade, opdat zij indachtig kunnen zijn.

 

44 Wa maa kunta bidjaanibil–Gharbiyyi ‘iz qazainaaa ‘ilaa Moesal–Amra wa maa kunta minasj-sjaahidien.

44 En jij was niet aan de westkant toen Wij het gebod aan Mozes openbaarden, noch was jij onder de aanwezigen;a

 

45 Wa laakinnaaa ‘ansja’-naa quroenan fatataawala ‘alayhimul-‘umur; wa maa kunta saa-wiyan-fie ‘ahli Madjana tatloe ‘alayhim ‘Aayaatinaa wa laakinnaa kunnaa mursilien.

45 Maar Wij deden generaties opstaan, en het leven werd toen voor hen verlengd. En jij leefde niet onder de mensen van Midjan,a en droeg hen niet Onze boodschap voor, maar Wij zijn de Zender (van boodschappers).

 

46 Wa maa kunta bidjaanibit–Toeri ‘iz naadaynaa wa laakir–Rahmatam-mir–Rabbika litunzira qawmam-maaa ‘ataahummin-nazierim-min qablika la-‘allahum yatazakka-roen.

46 En jij was niet op de helling van de berg toen Wij riepen, maar (het is) een genade van jouw Heer dat jij een volk zou kunnen waarschuwen tot wie vóór jou nog geen waarschuwer was gekomen, opdat zij indachtig kunnen zijn.a

 

47 Wa law laaa ‘an-tusiebahum-musiebatum-bimaa qaddamat ‘aydiehim fayaqoeloe Rabbanaa law laaa ‘arsalta ‘ilaynaa rasoelan-fanattabi-‘a ‘Aayaatika wa nakoena minal–Mu’minien!

47 En opdat zij, mocht een ramp hen overvallen om wat hun handen reeds eerder hebben gestuurd, niet zullen zeggen: Onze Heer, waarom heeft U ons geen boodschapper gestuurd zodat wij Uw boodschap hadden kunnen volgen en tot de gelovigen hadden behoord?

 

48 Falammaa djaaa-‘ahumul–Haqqu min ‘idinaa qaaloe law laa ‘oetiyaa misla maaa ‘oetiya Moesaa? ‘Awalam yakfuroe bimaaa ‘oetiya Moesaa min-qabl ? Qaaloe sihraani tazaaharaa! Wa qaaloe ‘innaa bikullin-kaafiroen!

48 Maar (nu), wanneer de Waarheid van Ons tot hen is gekomen, zeggen zij: Waarom heeft hij niet het gelijke gekregen als wat aan Mozes werd gegeven? Is het niet zo, dat zij niet geloofden in wat eerder aan Mozes was gegeven? Zij zeggen: twee betoveringen die elkaar onder steunen! En zij zeggen: Waarlijk geloven wij in geen van de twee.a

 

49 Qul fa’-toe bi-Kitaabimmin ‘indillaahi huwa ‘ahdaa minhoemaaa ‘attabi’-hoe ‘in-kuntoem saadiqien!

49 Zeg: Breng dan een (ander) Boek van Allāh, dat een betere leidraad is dan deze twee, ik zal het volgen – wanneer jullie de waarheid spreken.a

 

50 Fa-‘illam yastadjieboe laka fa’-lam annamaa yattabi-‘oena ‘ahwaaa-‘ahum: wa man ‘azallu mimma-nittaba-‘a hawaahu bi-gayri hudam-minallaah? ‘Innallaaha laa yahdilqawmaz-zaalimien.

50 Maar wanneer zij jou geen antwoord geven, weet dan dat zij slechts hun lage verlangens volgen. En wie is er in een grotere dwaling dan degene die zijn lage verlangens volgt zonder enige leiding van Allāh? Waarlijk leidt Allāh de onrechtvaardige mensen niet.


44a. Mozes’profetie over de komst van de Profeet (s.a.w.) – van een profeet zoals hij vanuit de Ismaëlieten, de broeders van de Israëlieten – was zo duidelijk dat je zou denken dat de Profeet (s.a.w.) daar op de berghelling was en dat Mozes hem zijn eigen ogen zag. Vandaar de woorden, En jij was niet aan de westkant (van de berg), noch was jij onder de aanwezigen. De beginwoorden van het volgende vers laten zien dat er veel tijd verstreken was tussen de levens van deze twee profeten. De heldere profetie van Mozes omtrent de komst van een profeet gelijk aan hem, werd na ongeveer tweeduizend jaar vervuld. Toch had geen van de profeten die Mozes de een na de ander opvolgden, ooit beweerd dat hij een profeet als Mozes was. Zelfs Jezus Christus niet, de laatste in de lijn van de Israëlische profeten.

45a. Zie 27a voor de reden waarom Midjan in het bijzonder wordt genoemd, hoewel Mozes daar slechts een korte tijd woonde. Mozes leefde tien jaar in Midjan, net zoals de Profeet (s.a.w.) tien jaar van zijn leven in Madinah doorbracht. Wat een hervorming werd echter in die tien jaar tot stand gebracht! Dit feit alleen al, vormt een duidelijk bewijs voor de waarheid van de Profeet (s.a.w.).

46a. Dit vers werpt licht op de betekenis van de voorgaande verzen: Jij was daar niet, maar het was Goddelijke genade die Mozes een profetie over jou in de mond legde. Dit wordt duidelijk gemaakt in de woorden een genade van jouw Heer dat jij een volk zou kunnen waarschuwen… Het volk tot wie niet eerder een waarschuwer was gekomen, waren de Arabieren. Vergelijk 32:3; 36:6.

48a. De ongelovigen namen niet één standvastige positie in tegen de Heilige Profeet (s.a.w.). Steeds wanneer een tegenwerping onjuist bleek te zijn, namen zij hun toevlucht tot een andere. Bij de komst van de Profeet (s.a.w.) zeiden ze dat hij een openbaring als de openbaring van Mozes zou hebben moeten ontvangen. Echter, toen de overeenkomst hen duidelijk werd gemaakt en hen gezegd werd dat hun lot hetzelfde zou zijn als het lot van de tegenstanders van Mozes, zeiden zij dat zowel Mozes als Moehammad (s.a.w.) bedriegers waren, die de mensen betoverden met hun welbespraaktheid, waarbij de een de ander hielp, en dat zij daarom in geen van beiden geloofden.

49a. De betekenis is dat als je de waarheid van geen van beide openbaringen wilt toegeven, je een andere in de wereld bestaande openbaring naar voren zou moeten brengen, die een betere leiding zou moeten bieden. De sterlling vestigt slechts de aandacht op het feit dat de openbaringen die aan Mozes en aan de Heilige Profeet (s.a.w.) werden gegund, beide een hogere positie innemen dan enige andere openbaring. Dit is waar, want onder alle heilige boeken van de wereld neemt de Bijbel de tweede plaats in, achter de Heilige Qoer-ān. De woorden betekenen echter niet dat de Bijbel een positie inneemt die gelijk is aan die van de Heilige Qoer-ān. Zie voor hun relatieve verdiensten 5:44a. Zie ook 2:106a.

 

 

PARAGRAAF 6: De waarheid van de openbaring

 

51 Wa laqad wassalnaa lahumul–Qawla la-‘allahum yatazakkaroen.

51 En zeker hebben Wij ervoor gezorgd dat het Woord voor hen veel raakpunten heeft, opdat zij indachtig kunnen zijn.a

 

52 ‘Allaziena ‘aataynaahumul–Kitaaba min-qablihie hum-bihie yu’-minoen;

52 Degenen aan wie Wij het Boek ervóór gaven, zij geloven erin.a

 

53 Wa ‘izaa yoetlaa ‘alayhim qaaloe ‘aamannaa bihie ‘innahul–Haqqu mir–Rabbinaaa ‘innaa kunnaa min-qablihie Muslimien.

53 En wanneer het hen wordt voorgedragen, zeggen zij: Wij geloven erin; waarlijk, is het de Waarheid van onze Heer; hiervóór waren wij zeker onderworpenen.

 

54 ‘Ulaaa-‘ika yu’-tawna ‘adjrahum-marratayni bimaa sabaroe wa yadra-‘oena bil-hasanatis-sayyi-‘ata wa mimmaa razaqnaahum yunfiqoen.

54 Dezen zal hun beloning tweemaal gegeven worden, omdat zij standvastig zijn, en zij het kwade met het goede afweren en uitgeven van wat Wij hen gegeven hebben.a

 

55 Wa ‘izaa sami-‘ul-lagwa ‘a’-radoe ‘anhu wa qaaloe lanasa ‘a’-maalunaa wa lakum ‘a’-maalukum; Salaamun ‘alaykum: laa nabtaghil-djaahilien.

55 En wanneer zij een ijdel gesprek horen, keren zij zich ervan af en zeggen: Voor ons zijn onze daden en voor jullie jullie daden. Vrede zij met jullie! Wij wensen de onwetenden niet.

 

56 ‘Innaka laa tahdie man ‘ahbabta wa laakinnallaaha yahdie many-yasjaa’; wa Huwa ‘a’-lamu bil-muhtadien.

56 Waarlijk kan jij niet leiden wie jij liuefhebt, maar Allāh leidt wie het Hem behaagt; en Hij weet het beste wie er de juiste richting volgt.a

 

57 Wa qaaloe ‘innattabi-‘il-hudaa ma-‘aka nutakhattaf min-‘ardinaa. Awalam numakkil-lahum Haraman ‘aaminany-yudjbaaa ‘ilayhi samaraatu kulli sjay-‘ir-rizqam-mil-ladunnaa wa laakienna ‘aksarahum laa ya’-lamoen.

57 En zij zeggen: Wanneer wij met jou de leiding volgen, zullen we uit ons land worden gevoerd. Hebben Wij hen niet gehuisvest in een velig, heilig gebied waarnaar vruchten van allerlei soort worden gebracht? Een onderhoud van Ons – maar de meesten van hen weten dit niet.a

 

58 Wa kam ‘ahlaknaa minqarjatim-batirat ma-‘iesjatahaa! Fa-tilka masaakinuhum lam tuskam-mim-ba’-dihim ‘illaa qalielaa! Wa kunnaa Nahnul-waarisien!

58 En hoeveel steden hebben Wij vernietigd, die uitbundig waren over de middelen van hun bestaan! Dus dat zijn hun verblijven: na hen is er nauwelijks in gewoond. En Wij zijn voor altijd de Erfgenamen.a

 

59 Wa maa kaana Rabbuka muhlikal-quraa hattaa yab-‘asa fie ‘ummihaa rasoelany-yatloe ‘alayhim ‘Aayaatinaa ; wa maa kunnaa muhlikil-quraa ‘illaa wa-‘ahluhaa zaalimoen.

59 En uw Heer vernietigde de steden nooit, voordat Hij in hun hoofdstad een boodschapper had doen opstaan, die hun voordroeg uit Onze boodschap, en Wij vernietigden de steden nooit, behalve wanneer hun inwoners onrechtvaardig waren.

 

60 Wa maaa ‘oetietum-min sjay-‘in famataa-‘ul-hayaatid-dunyaa wa zienatuhaa; wa maa ‘indallaahi khayrunwwa ‘abqaa: ‘afalaa ta’-qiloen?

60 En welke dingen jullie ook gegeven zijn, het zijn slechts een voorziening voor dit wereldse leven en zijn verfraaiing, en wat er ook bij Allāh is, het is beter en duurzamer. Begrijpen jullie dit dan niet?


51a. Wassala betekent hij voegde samen of verband veel of hij maakte (een ketting) om vele verbindingen te hebben (T, LL). Wat hier geïmpliceerd wordt is dat ervoor gezorgd is dat het woord van Allāh, zoals het besloten ligt in de Qoer-ān, vele raakpunten heeft met eerdere openbaring, zodat de mensen op deze manier makkelijker herinnerd zouden worden aan zijn waarheid. Zelfs wanneer men niet in een eerdere openbaring gelooft, verschaffen de brede overeenkomsten tussen de principes van twee verschillende profeten, die met zo’n groot tijdsverschil verschenen onder volkomen andere volkeren en onder totaal verschillende omstandigheden, afdoende bewijs voor de waarheid van hen beiden. Daarnaast is het ook zo dat de profetie die de een uitte over de ander, uiteindelijk werd vervuld. Dat er verwezen wordt naar het verband met de voorgaande openbaring wordt ook aangegeven door het vers dat volgt, waar duidelijk gesproken wordt over degenen die het Boek hebben gekregen.

52a. Er wordt niet bedoeld dat iedereen die eerder de Geschriften heeft gekregen, in de Qoer-ān gelooft. Het vers vestigt slechts de aandacht op het feit dat allen in de waarheid van de openbaring van Allāh geloven. Zij kunnen de overeenkomsten tussen de twee openbaringen, de waarheid van de fundamentele principes en de vervulling van de profetieën, niet ontkennen. Maar, zoals het volgende vers aangeeft, slechts diegenen geloven die zichzelf al aan Allāh hebben onderworpen.

54a. De reden voor een dubbele beloning – wat slechts een grotere beloning betekent – wordt in de woorden die volgen gegeven: Omdat zij standvastig zijn en zij het kwade met het goede afweren en uitgeven van wat Wij hen gegeven hebben. Zij werden hevig onderdrukt, maar bleven niet alleen maar standvastig onder deze grote beproevingen. Zij weerden het kwaad van hun onderdrukkers af met goedheid en aanvullend hierop maakten zij grote opofferingen voor de zaak van de Waarheid. Zie ook 33:31a, 57:28a.

56a. Er wordt verhaald dat toen Aboe Tālib op zijn sterfbed lag, de Heilige Profeet (s.a.w.) hem vroeg te geloven in de Goddelijke Eenheid. Aboe Djahl, die op dat moment bij hem was, weerhield hem daarvan door te zeggen dat hij de religie van zijn vaderen niet moest afvallen. Aboe Tālib stierf als ongelovige, en de woorden jij kan niet leiden wie jij liefhebt waren een troost voor de Profeet (s.a.w.) (B. 65: xxvii, 1). Maar de woorden zijn ook waar in meer algemene zin. De Profeet (s.a.w.) wenste dat alle mensen de Waarheid zouden aanvaarden en hun leven zouden beteren. Maar dit alles moest geleidelijk tot stand worden gebracht.

57a. Het vers gaat eerst over de ongegronde angst van degenen die dachten dat de zwakte van de moeslims zou resulteren in de confiscatie, dood of verbanning van degenen die het geloof van de Islām aanvaardden. In antwoord daarop wordt hen verteld dat de profetieën die Makkah uitroepen tot een veilige plaats en een heilig gebied vervuld zullen worden, een plek waarnaar mensen in alle tijden zullen vluchten. Makkah zal uiteindelijk voor degenen zijn voor wie deze profetieën werden uitgesproken.

58a. Dat wil zeggen, zelfs nu zal het koninkrijk van Allāworden gevestigd en de ware gelovigen zullen tot meesters over het land worden gemaakt.

 

 

PARAGRAAF 7: Tegenstanders zullen worden verslagen

 

61 ‘Afamanw-wa-‘adnaahu wa’-dan hasanan fahuwa laaqiehi kamam-matta’-naahu mataa ‘al-hayaa- tid-dunyaa summa huwa Yawmal–Qiyaamati minal-muhzarien?

61 Is degene aan wie Wij een uitnemende belofte hebben gedaan, die hij ingelost zal krijgen, als degene die Wij hebben voorzien met de voorzieningen voor dit wereldse leven en die dan op de dag van de Opstanding zal behoren tot degenen die naar voren worden gebracht (voor de straf)?a

 

62 Wa Yawma yunaadiehim fayaquelu ‘ayna sjurakaaa-‘iyallaziena kuntum taz-‘umoen?

62 En de dag waarop Hij hen zal roepen en zeggen: Waar zijn degenen die jullie Mijn gelijken achten?

 

63 Qaalallaziena haqqa ‘alayhimul-qawlu Rabbanaa haaa-‘ulaaa-‘illaziena ‘aghwaynaa: agwaynaa- hum kamaa gawaynaa: tabarra’-naaa ‘ilayka maa kaanoe ‘iyyaanaa ya’-budoen.

63 Degenen tegen wie het woord bewaarheid werd, zullen zeggen: Onze Heer, dit zijn degenen die wij hebben doen dwalen – wij deden hen afdwalen zoals wij zelf afdwaalden. Voor U verklaren wij onze onschuld. Ons hebben zij nooit aanbeden.a

 

64 Wa qielad-‘oe sjurakaa-‘akum fada-‘awhum falam yastadjieboe lahum wa ra-‘awul-‘azaaba law ‘annahum kaanoe yahtadoen!

64 En er zal gezegd worden: Roep jullie afgoden. Dus zullen zij hen aanroepen, maar zij zullen hen niet antwoorden en zij zullen de straf zien. Hadden zij maar de juiste weg gevolgd!

 

65 Wa Yawma yunaadiehim fayaqoelu maa zaaa ‘adjabtumul-mursalien?

65 En de dag dat Hij hen zal roepen en zeggen: Wat was het antwoord dat jullie de boodschapers gaven?

 

66 Fa-‘amiyat ‘alayhimul-‘ambaaa-‘u Yawma-‘izin fahum laa yatasaaa-‘aloen!

66 Op die dag zullen de excuses voor hen onduidelijk worden, dus zij zullen het elkaar niet vragen.a

 

67 Fa-‘ammaa man taaba wa ‘aamana wa ‘amila saalihanfa-‘asaaa ‘any-yakoena minal–Muflihien.

67 Maar wat betreft degene die berouw toont en gelooft en goeddoet, wellicht zal hij tot de succesvollen behoren.

 

68 Wa Rabbuka yagluqu maa yasjaaa-‘u wa yagtaar: maa kaana lahumul-giyarah: Subhaanallaahi wa ta-‘aalaa ‘ammaa yusjrikoen!

68 En jouw Heer schept en verkiest wie het Hem behaagt. De keuze is niet aan hen. Glorie is aan Allāh en hoog verheven is Hij boven wat zij (aan Hem) gelijkstellen!

 

69 Wa Rabbuka ya’-lamu maa tukinnu sudoeruhum wa maa yu’-linoen.

69 En jouw Heer weet wat hun borsten verbergen en wat zij verkondigen.

 

70 Wa Huwallaahu laaa ‘ilaaha ‘illaa Hoe.Lahul–Hamdu fil-‘ulaa wal-‘aagirah: wa lahul–Hukmu wa ‘ilayhi turdja-‘oen.

70 En Hij is Allāh, er is geen God behalve Hij! Aan Hem is de lof in dit (leven) en het Hiernamaals; en aan Hem is het oordeel, en tot Hem zullen jullie worden reruggebracht.

 

71 Qul ‘ara-‘aytum ‘’in-dja-‘alallaahu ‘alaykumul–Layla sarmadan ‘ilaa Yawmil–Qiyaamati man ‘ilaa- hoen gayrullaahi ya’-tikum-bi-ziyaaa? ‘Afalaa tasma-‘oen?

71 Zeg: Zien jullie, wanneer Allāh de nacht onverbiddelijk zou laten voortduren tot aan de dag van de Opstanding, wie de god buiten Allāh is die jullie licht zou kunnen brengen? Willen jullie dan niet horen?

 

72 Qul ‘ara-‘aytum ‘in-dja-‘alallaahu alaykumun–Nahaara sarmadan ‘ilaa Yawmil–Qiyaamati man ‘ilaahun gayrullaahi ya’-tiekum-bi–Laylin taskunoena fieh? ‘Afalaa tubsiroen?

72 Zeg: Zien jullie, wanneer Allāh de dag onverbiddelijk zou laten voortduren tot aan de dag van dag van de Opstanding, wie de god buiten Allāh zou zijn die jullie de nacht kon brengen waarin jullie rusten? Zien jullie dit dan niet?

 

73 Wa mir–Rahmatihie dja-‘ala lakumul–Layla wan–Nahaara litaskunoe fiehi wa litabtagoe min– Fadlihie wa la-‘allakum tsah-kuroen.

73 En uit Zijn genade heeft Hij voor jullie de nacht en de dag gemaakt, opdat jullie daarin kunnen rusten, en opdat jullie Zijn goedgunstigheid mogen zoeken, en opdat jullie dank kunnen zeggen.

 

74 Wa Yawma yunaadiehim fayaqoelu ‘ayna sjurakaaa-‘i yallaziena kuntum taz-‘umoen?

74 En de dag wanneer Hij hen zal roepen en zeggen: Waar zijn Mijn gelijken die jullie je inbeelden?

 

75 Wa naza’-naa min-kulli ‘ummatin-sjahiedan faqulnaa haatoe burhaanakum fa-‘alimoe ‘annal– Haqqa lillaahi wa zalla ‘anhum-maa kaanoe yaftaroen.

75 En Wij zullen vanuit ieder natie een getuige naar voren brengen en zeggen: Breng jullie bewijs. Dan zullen zij weten dat de Waarheid aan Allāh is, enn dat wat zij verzonnen hen in de steek zal laten.


61a. Er wordt hier over twee groepen gesproken: de Profeet (s.a.w.) en zijn volgelingen die, hoewel zij op dat moment zwak en onderdrukt waren, een aanzienlijke belofte van Allāh hadden gekregen, en de machtige vijand die alle levensvoorzieningen in zijn bezit had, maar die op een dag geroepen zal worden om het oordeel te ontvangen.

63a. Alle commentatoren zijn het erover eens dat met degenen tegen wie het woord bewaarheid werd wordt bedoeld de leiders in ongeloof (JB, Kf). Hun uitspraak Ons heben zij nooit aanbeden laat zien dat het juist deze leiders zijn over wie gesproken wordt als de goden die worden aanbeden door hun volgelingen.

66a. Zij zullen niet in staat zijn hun verontschuldiging aan te bieden, want de ijdelheid van die valse excuses waar zij in dit leven tevreden mee waren, zou hen dan duidelijk worden. Noch zullen zij het elkaar vragen, want elk zal de valsheid in de verontschuldigingen van de anderen herkennen.

 

 

PARAGRAAF 8: Korachs Rijkdom ruïneert hem

 

76 ‘Inna Qaroena kaana min-qawmi Moesaa fabagaa ‘alayhim: wa ‘aataynaahu minal-kunoezi maaa ‘inna mafaatihahoe latanoe-‘u bil-‘usbati ‘ulil-qoewwah. ‘Iz qaala lahoe qawmuhoe laa tafrah ‘innal- laaha laa yuhibbul-farihien.

76 Korach behoorde zeker tot het volk van Mozes, maar hij onderdrukte hen en Wij gaven hem schatten, zoveel zelfs dat een groep sterke mensen gebukt zou gaan onder zijn hopen rijkdom.a Toen zijn volk tegen hem zei: Wees niet uitbundig; Allāh houdt immers niet van de uitbundigen.

 

77 Wabtagi fiemaaa ‘aataakallaahud–Daaral–‘Aagirata wa laa tansa nasiebaka minad-dunyaa wa ‘ahsien kamaa ‘ahsanallaahu ‘ilayka wa laa tabgilfasaada fil-‘ard: ‘innallaaha laa yuhibbul-mufsidien.

77 En zoek het verblijf in het Hiernamaals door middel van wat Allāh jou gegeven heeft, en veronachtzaam jouw deel van de wereld niet, en doe goed (aan anderen) zoals Allāh jou goed heeft gedaan, en streef er niet naar onrust te stoken in het land. Allāh houdt waarlijk niet van de onruststokers.

 

78 Qaala ‘innamaa ‘oetietuhoe ‘alaa ‘ilmin ‘indie. ‘Awalam ya-‘lam ‘annallaaha qad ‘ahlaka min qablihie minalquroeni man huwa ‘asjaddu minhu qawwatanwwa ‘aksaru djam-‘aa? Wa laa yus-alu ‘an zunoebihimul-mudjrimoen.

78 Hij zei: Dit is mij slechts gegeven vanwege de kennis die ik bezit. Wist hij niet dat Allāh vóór hem generaties had vernietigd wier krachten machtiger waren dan de zijne en die meer hadden bijeengebracht? En de schuldigen wordt niet gevraagd naar hun zonden.a

 

79 Fagaradja ‘alaa qawmihie fie zinatih. Qaalallaziena yuriedoenal–Hayaatad–Dunyaa yaalayta lanaa misla maa ‘oetiya Qaaroenu ‘innahoe lazoe-hazzin-‘aziem!

79 Dus gin hij naar zijn volk, in zijn tooisel. Degenen die dit wereldse leven verlangden, zeiden: O, hadden wij maar het gelijkke van wat aan Korach is geschonken! Waarlijk beschilkt hij over bijzonder veel fortuin!

 

80 Wa qaalallaziena ‘oetul-‘ilma waylakum sawaabullaahi gayrul-liman ‘aamana wa ‘amila-saalihaa : wa laa yulaqqaahaa ‘illas–Saabiroen.

80 Maar degenen aan wie de kennis was gegeven, zeiden: Wee jullie! Allāh’s beloning is beter voor degene die gelooft en goeddoet, en niemand zal deze ontvangen behalve de geduldigen.

 

81 Fagasafnaa bihie wa bidaarihil-‘ard; famaa kaana lahoe mien-fi-‘atiny-yansuroenahoe min doenillaahi wa maa kaana minal-muntasirien,

81 Dus zorgden Wij ervoor dat de aarde hem en zijn woning opslokte.Hij had geen leger om hem te beschermen tegen Allāh, noch hoorde hij tot degenen die zichzelf kunnen beschermen.

 

82 Wa ‘asbahallaziena tamannaw makaanahoe bil-‘amsi yaqoeloena wayka-‘annallaaha yabsutur-rizqa limany-yasjaaa-‘u min ‘ibaadihie wa yaqdir! Law laaa ‘am-mannallaahu ‘alaynaa lagasafa binaa! Wayka-‘annahoe laa yoeflihul-kaafiroen?

82 En degenen die de dag daarvoor graag zijn plaats hadden gewild, begonnen te zeggen: Ah! (weet) dat Allāh het levensonderhoud vermeerdert en vermindert voor wie van Zijn dienaren het Hem behaagt; was Allāh niet goedgunstig tegenover ons geweest, dan had Hij ons verlaagd Ah! (weet) dat de ondankbaren nooit succesvol zijn.


76a. Het verhaal van Korach of Qāroen, zijn opstand tegen het leiderschap van Mozes en Aäron en hoe hij verzwolgen werd door de aarde, wordt verteld in Num. 16. Het enige feit van betekenis dat aan het verhaal zoals het in de Qoer-ān wordt verteld is toegevoegd, is de vermelding van zijn rijkdom. Dit feit wordt ook gemeld in de rabbijnse literatuur (Jewish En.), volgens welke de geweldige faam van zijn rijkdom zo groot was, dat de sleutels van zijn schatten een lading vormden voor driehonderd muilezels. Het woord mafātih, zoals het voorkomt in de Qoer-ān, is het meervoud van maftah, wat een voorraad, of schat, of begraven bezit betekent (LL). Het is ook het meervoud van miftāh, wat een sleutel betekent, maar met koenoez (wat schatten betekent, enk. kanz) in het meervoud, verwijst het persoonlijk voornaamwoord in mafātiha-hoe niet naar koenoez maar naar Korach. Daaruit volgt dat mafātih verwijst naar de schatten.

Het feit dat Korachs rijkdom word genoemd, is mogelijk een verwijzing naar de moderne materialistische tendens om het verzamelen van rijkdom tot het grootste doel van het leven te maken en de Waarheid te verwaarlozen. De hang naar rijkdom en de vergaren van goud leidt ongetwijfeld tot ruïnering, waar het de wereld vandaag de dag ook naartoe leidt.

78a. Omdat Allāh alwetend is, zal hen niet gevraagd worden hun zonden te verklaren.

81a. De betekenis die hierin besloten ligt, is dat hij ten onder ging. Chasf betekent ook verlagen, vernederen of fnuiken van een ander, en het werkwoord is in dit geval chasafa (T, Q, LL). Ik neem deze betekenis van chasafa bi-nā (" ons verlaagd") in het volgende vers aan.

 

 

PARAGRAAF 9: De Profeet (s.a.w.) zal terugkeren naar Makkah

 

83 Tilkad–Daarul–‘Aagiratu nadj-‘aluhaa lillaziena laa yuriedoena ‘uluwwan-fil-‘ardi wa laa fasaadaa: wal-‘aaqibatu lil–Muttaqien.

83 Dat verblijf in het Hiernamaals, Wij kennen het toe aan degenen die zich op aarde niet wensen te verheffen noch onrust te stoken. En het goede einde is er voor hen die aan hun plicht voldoen.

 

84 Man-djaaa-‘a bil-hasanati falahoe gayrum-minhaa; wa man djaaa-‘a bis-sayyi-‘ati falaa yudjzalla-ziena ‘amilus-sayyi-‘aati ‘illaa maa kaanoe ya’-maloen.

84 Wie goed brengt, hij zal beter krijgen dan dat; en wie kwaad brengt, degenen die kwaad doen zullen slechts worden vergolden voor wat zij deden.

 

85 ‘Innallazie farada ‘alaykal–Qur-‘aana laraadduka ‘ilaa Ma-‘aad. Qur–Rabbie ‘a’-lamu man djaaa-‘a bil-hudaa wa man huwa fie zalaalim-mubien.

85 Hij Die de Qoer-ān voor jou bindend heeft gemaakt, zal jou zeker terugbrengen naar de Plaats van Terugkeer.a Zeg: Mijn Heer kent hem het best die de leiding heeft gebracht en degene die in duidelijke dwaling verkeert.

 

86 Wa maa kunta tardjoe ‘any-yulqaaa ‘ilaykal–Kitaabu ‘illaa Rahmatam-mir–Rabbika falaa takoenan- na zahieral-lil kaafirien.

86 En jij hab niet verwacht dat het Boek jou ingegeven zou worden, maar het is een genade van jouw Heer, dus wees geen onderschrijver van de ongelovigen.

 

87 Wa laa yasuddunnaka ‘an ‘Aayaatillaahi ba-‘da ‘iz ‘unzilat ‘ilayka wad-‘u ‘ilaa Rabbika wa laa takoe- nanna minalmusjrikien.

87 En laat hen jou niet afkeren van de boodschap van Allāh, nadat deze aan jou is geopenbaard, en roep (mensen) tot jouw Heer en wees niet een van de polytheïsten.

 

88 Wa laa tad-‘u ma-‘allaahi ‘ilaahan ‘aagar. Laaa ‘ilaaha ‘illaa Hoe. Kullu sjay-‘in haalikun ‘illaa Wadj- hah. Lahul–Hukmu wa ‘ilayhi turdja-‘oen.

88 En roep andere god aan naast Allāh. Er is geen God behalve Hij. Alles zal vergaan, behalve Hij. Aan Hem behoort het oordeel, en tot Hem zullen jullie worden teruggebracht.


85a. Het woord ma‘ād betekent de uiteindelijke plaats van iemands terugkeer (van āda, wat hij keerde terug betekent (LL). Volgens een interpretatie die gegeven wordt door I‘Ab, moet het woord ma‘ād hier worden gelezen als Makkah, en T aanvaardt deze interpretatie. Immers, de verovering van deze stad was aan de Profeet (s.a.w.) beloofd, zodat dit de plaats was waarnaar hij terug zou keren. Maar Makkah wordt eigenlijk ma‘ād, oftewel Plaats van Terugkeer genoemd, omdat de bedevaartgangers ernaar terugkeren (LL). Volgens sommigen werd dit vers geopenbaard bij het vertrek van de Profeet (s.a.w.) uit Makkah, d.w.z. op zijn weg naar Madinah. Het bevat een duidelijke belofte omtrent het feit dat de Profeet (s.a.w.) zal worden teruggebracht naar de stad waaruit hij nu verbannen werd.