22- Al-Hadj(De Bedevaart)

HOOFDSTUK 22 Al-Hadjdj: De Bedevaart

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 10 paragrafen; 78 verzen

Terwijl het vorige hoofdstuk de uiteindelijke overwinning van de Waarheid in de wereld in het algemeen behandelt, gaat dit vooral over de overwinning van de Waarheid in Makkah, waaruit de Profeet (s.a.w.) nu verbannen werd. Het hoofdstuk heet De Bedevaart omdat de oproep tot de bedevaart, die oorspronkelijk werd gedaan door Abraham, nu door de Heilige Profeet (s.a.w.) herhaald wordt. Ditmaal echter, is de oproep gericht aan de hele wereld, en blijft hij niet beperkt tot de grenzen van Arabië.

Het hoofdstuk begint met de vermelding van een vreselijk onheil, dat als het ware voorafgaat aan de overwinning van de Waarheid in de wereld. De tweede paragraaf bevestigt de zekerheid van Goddelijke hulp aan de Heilige Profeet (s.a.w.). De volgende paragraaf bevestigt de triomf van de gelovigen, die nu getweeën en gedrieën vluchtten om te ontsnappen aan de vervolging van hun wrede onderdrukkers. Hun zege moest echter de verovering van Makkah omvatten, want zonder dat geestelijke middelpunt in hun bezit te hebben kon de overwinning niet volmaakt zijn. De vierde paragraaf verhaalt van het Heilige Huis en de bedevaart er naartoe. Het hieraan verbonden onderwerp van offers wordt in de vijfde paragraaf behandeld. De zesde paragraaf introduceert het onderwerp strijd, en bespreekt de offers die nu van de moeslims zelf werden geëist, nl. het geven van hun leven voor de zaak van de Waarheid. In de zevende paragraaf wordt de tegenstand tegen de Heilige Profeet (s.a.w.) genoemd, en de achtste stelt dat de gelovigen in het land gevestigd zullen worden. Echter, Allāh’s behandeling van zelfs de tegenstanders van de waarheid is barmhartig, en daarom wordt de straf nog enige tijd uitgesteld. Dit wordt ons in de negende paragraaf verteld, die ook aantoont dat enkel verschillen van geloof niet in deze wereld worden bestraft. De tiende vat het geheel samen door te laten zien dat polytheïsme uiteindelijk ontworteld zal worden.

Rodwell heeft het zeker bij het verkeerde eind, wanneer hij dit hoofdstuk onder de laatste Madinah-opernbaringen rangschikt. Maar rangschikt het aan het einde van de Makkah soerahs van de vijfde periode, en zowel extern als intern bewijs lijkt de juistheid van zijn zienswijze aan te tonen. Als we echter vv. 39–41 in aanmerking nemen, kan er aan toegevoegd worden dat, hoewel zij gewag maken van toestemming de strijd aan te gaan, daaruit niet volgt dat zij in Madinah werden geopenbaard. Zie 39a voor een volledige bespreking van dit punt. Het is de moeite waard om op te merken dat de eed van trouw die vóór de vlucht van de Heilige Profeet (s.a.w.) bij ‘Agabah werd afgelegd door de bekeerlingen in Madinah, een belofte bevatte dat zij zouden strijden om de Heilige Profeet (s.a.w.) te verdedigen. Een dergelijke eed zou niet zijn afgelegd, als de Profeet (s.a.w.) geen openbaring had ontvangen die strijd uit zelfverdediging toestond.


PARAGRAAF 1: Het Oordeel

 Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 Yaaa-‘ayyuhan-naasuttaqoe Rabbakum ! ‘Inna zalzalatas–Saa-‘ati sjay-‘un ‘aziem !

1 O mensen, voldoe jullie plicht aan jullie Heer; de schoka van het Uur is waarlijk een afschuwelijk ding.b

 

2 Yawmaa tarawnahaa tazhalu kullu murzi-‘atin ‘ammaaa ‘arda-‘at wa taza-‘u kullu zaati hamlin hamlahaa wa tarannaasa sukaaraa wa maa humbi-sukaaraa wa laakinna ‘azaaballaahi sjadied.

2 Op de dag dat jullie dit zien, zal iedere vrouw die de borst geeft haar zuigeling vergeten en iedere zwangere (vrouw) zal haar last neerleggen, en jij zal zien dat de mensen dronken lijken, en toch zullen zij niet dronken zijn, maar de straf van Allāh zal streng zijn.

 

3 Wa minannaasi many-yudjaadilu fillaahi bi-ghayri ‘ilminwwa yattabi-‘u kulla sjaytaanim-maried !

3 En onder de mensen is degene die zonder kennis over Allāh redetwist, en die iedere opstandige duivel volgta –

 

4 Kutiba ‘alayhi ‘annahoe man-tawallaahu fa-annahoe yuzilluhoe wa yahdiehi ‘ilaa Azaabis–Sa-‘ier.

4 Voor hem staat geschreven dat wie hem ook tot vriend neemt, hij deze zal doen afdwalen en zal leiden tot de straf van het brandende Vuur.

 

5 Yaa-‘ayuhannaasu ‘in kuntum fie raybim-minal–Ba’-si fa-‘innaa galaqnaakummin-turaabin summa minnutfatin summa min ‘alaqatin summa mim-muzgatim-mugallaqatinwwa ghayri mugallaqatilli-nubayyina lakum. Wa nuqirru fil-arhaami maa nasjaaa-‘u ‘ilaaa ‘adjalim-musamman-summa nugridjukum tiflan-summa li-tablugoe ‘asjuddakum; wa minkummany-yutawaffaa wa minkum many-yuraddu ‘ilaaa ‘arzallil-‘umuri li-kaylaa ya’-lama mimba’-di ‘ilmin-sjay-‘aa. Wa taral–‘arda haamidatan– fa-‘izaaa ‘anzalnaa ‘alayhal-maaa-‘ahtazzat wa rabat wa ‘ambatat min-kulli zawdjim-bahiedj.

5 O mensen, wanneer jullie de Opstanding in twijfel trekken,a dan zeker bebben Wij jullie uit stof geschapen,b dan uit een kleine levenskiem, dan uit een klonter, dan uit een klompje vlees volmaakt in bouw en onvolmaakt, opdat Wij (het) jullie duidelijk kunnen maken.c En Wij zorgen ervoor dat wat Ons behaagt in de baarmoeder blijft tot een bepaald tijdstip, dan brengen Wij jullie voort als zuigelingen, zodat jullie dan volwassenheid kunnen bereiken. En onder jullie is degene die wordt gedood, en onder jullie is degene die wordt teruggebracht naar het slechtste deel van het leven,d zodat na kennis hij niets weet. En jij ziet de onvruchtbare aarde, maar wanneer Wij er water op doen neerdalen, komt zij in beweging en zwelt op en brengt een prachtige (begroeiing) voort van iedere soort.e

 

6 Zaalika bi-‘annallaaha Huwal–Haqqu wa ‘annahoe yuhjil-mawtaa wa ‘annahoe ‘alaa kulli sjay-‘in–Qadier.

6 Dat is omdat Allāh, Hij is de Waarheid, en Hij schenkt leven aan de doden, en Hij is de Bezitter van macht over alle dingen,

 

7 Wa ‘annas–Saa-‘ata ‘aatiyatul-laa rayba fiehaa wa ‘annallaaha yab-‘asu man-fil-quboer.

7 En het Uur is in aantocht, daaraan is geen twijfel; en Allāh zal degenen die in hun graven liggen opwekken.a

 

8 Wa minannaasi many-yudjaadilu fillaahi bi-ghayri ‘ilminwwa laa Hudanwwa laa Kitaabim–Munier,-

8 En onder de mensen is degene die zonder kennis over Allāh redetwist, en zonder leiding en zonder een verlichtend Boek.

 

9 Saaniya ‘it fihie li-yuzilla ‘an Sabielillaah: lahoe fiddun-yaa gizyunwwa nuziequhoe Yawmal– Qiyaamati ‘Azaabal–Harieq.

9 Zij keren zich hooghartiga af om mensen van Allāh’s weg te doen afdwalen. Voor hem is er schande in deze wereld, en op de dag van de Opstanding zullen Wij hem laten proeven van de straf van verbranding.

 

10 Zaalika bimaa qaddamat yadaaka wa ‘annallaaha laysa bi-zallaamil-lil-‘abied.

10 Dit is voor hetgeen jouw twee handen eerder hebben gestuurd, en Allāh is niet in het minst onrechtvaardig tegenover de dienaren.


1a. Zalzala betekent oorspronkelijk hij bracht hem in een toestand van opwinding of onrust (LL). Het is opmerkelijk dat het woord speciaal gebruikt wordt in verband met oorlogen, waarbij gesuggereerd wordt dat het onderwerp vrees wordt aangejaagd. Daarom wordt het woord in 33:11, en ook in een gebed van de Profeet (s.a.w.), gebruikt in verband met de verschrikking of kwelling voor oorlog. En zalāzil, wat het meervoud is van zalzalah, betekent moeilijkheden, beproevingen, kwellingen (LL).

1b. In de Heilige Qoer-ān hoeft al-sā‘ah of het Uur niet noodzakelijkerwijs te verwijzen naar de dag van het Oordeel. Het impliceert vaak het tijdstip van het oordeel in dit leven, het tijdstip waarop het dreigende noodlot een volk overvalt, en dit lijkt hier de betekenis te zijn. Sommigen beschouwen een zware beving van de aarde als een teken van de komst van het grote oordeel, maar zelfs in dat geval kan het duiden op iedere vorm van vreselijk onheil, zoals een grote oorlog.

3a. De duivel is hier, zoals heel vaak in de Heilige Qoer-ān, de duivel in menselijke gedaante.

5a. Het woord ba‘th (opheffen) wordt in de Heilige Qoer-ān op drie manieren gebruikt, namelijk (1) het naargelang hun goede of slechte daden tot leven wekken van de doden op de dag van het Oordeel; (2) de profeten die de geestelijk doden tot leven wekken; en (3) Allāh Die profeten doet opstaan om de mensheid te leiden. Zoals het woord hier gebruikt wordt, kan het alle drie de betekenissen omvatten, of het nu de Opstanding is die wordt ontkend, of het doen opstaan van de Profeet (s.a.w.). door Allāh, of hun eigen verheffing tot het geestelijk leven door toedoen van de Profeet (s.a.w.). Het argument wat in dit vers en de volgende besloten ligt, is evenzeer van toepassing op alle drie de betekenissen, maar het verwijst het meest prominent naar de geestelijke opwekking van de doden.

5b. Deze woorden verklaren de schepping van Adam of de mens uit stof, waarnaar in de Heilige Qoer-ān regelmatig verwezen wordt, want er wordt hier gesproken over het feit dat alle mensen geschapen zijn uit stof. De schepping van de mens uit stof impliceert het uiteindelijke onstaan van alle leven uit de aarde.

5c. Er wordt hier gesproken over de diverse stadia die elk mensenkind doorloopt, en het doel is aan te geven hoe nederig zijn oorsprong is. Het is ook mogelijk dat deze woorden verwijzen naar de verschillende stadia die de mens in zijn evolutie heeft doorlopen tot aan zijn huidige staat van volmaaktheid. Zo wordt de aandacht gevestigd op het feit dat de geestelijke groei en ontwikkeling van de mens, net als zijn fysieke evolutie, gradueel verloopt.

5d. Met het slechtte deel van het leven wordt sufheid en gebrekkigheid bedoeld (Rz).

5e. Het bewegen en zwellen van de aarde duidt op de beweging en zwelling veroorzaakt door de groei van planten en kruiden. Vergelijk 41:39, en zie 41:39a. De toelichting vestigt de aandacht op het feit dat de openbaring dode harten tot leven wekt, zoals regen dode aarde tot leven wekt. Het volgende vers maakt dit duidelijk. Hij schenkt leven aan het dode en Hij is de Bezitter van macht over alle dingen.

7a. Om te begrijpen wat bedoeld wordt met degenen die in hun graven liggen, moet men het vergelijken met 35:22: "Waarlijk laat Allāh horen wie het Hem behaagt, en jij kan degenen die in de graven zijn niet laten horen." De betekenis is dat zelfs de onverbeterlijke mensen tot een geestelijk leven verheven zullen worden.

9a. Thānija ‘itfi-hi betekent letterlijk opvouwen, verdraaien, of zijn zij draaien, waarbij ‘itf de zijkant van een mens van hoofd tot heup betekent. De uitdrukking wordt metaforisch gebruikt om trots gedrag of afweden (LL) uit te drukken (R.).

 

 

PARAGRAAF 2: Zekerheid van Goddelijke hulp

 

11 Wa minannaasi many-ya’-budul-laaha ‘alaa harf: fa-‘in ‘asaabahoe gayru-nitma-‘anna bih; wa ‘in ‘asaabat-hu fitnatu-ninqalaba ‘alaa wadjhih; gasirad-dun-yaa wal–‘Aakhirah; zaalika huwal-gusraanul-mubien.

11 En onder de mensen, is degene die Allāh dient, (staande) op de rand,a zodat, als het goede hem overkomt hij daar tevreden mee is, maar als een beproeving hem kwelt, hij regelrecht omkeert. Hij verliest deze wereld en het Hernamaals. Dat is een duidelijk verlies.

 

12 Yad-‘oe min-doenillaahi maa laa yazurruhoe wa maa laa yanfa-‘uh: zaalika huwazzalaalul–ba-‘ied!

12 Hij roept buiten Allāh aan wat hem baat noch schaadt; dat is ver afdwalen.

 

13 Yad-‘oe laman-zarruhoe ‘aqrabu min-naf-‘ih: labi’-sal-mawlaa wa labi’-sal-‘asjier !

13 Hij roept degene aan wiens nadeel dichterbij is dan diens voordeel. Dat is zeker een slechte beschermer en een slechte deelgenoot!

 

14 ‘Innallaaha yudgilullaziena ‘aamanoe wa ‘amilus–Saalihaati Djannaatin tadjrie min tahtihal-‘anhaar: ‘innallaaha yaf-‘alu maa yuried.

14 Waarlijk zorgt Allāh ervoor dat degenen die geloven en goede daden doen de Tuinen zullen binnentreden waardoor rivieren stromen. Allāh doet werkelijk wat Hem behaagt.

 

15 Man kaana yazunnu ‘allany-yansurahullaahu fiddunyaa wal–‘Aakhirati fal-yamdud bi-sababin ‘ilas-samaaa-‘i summal-yaqta’ fal-yanzur hal yuzhibanna kayduhoe maa yagiez !

15 Wie denkt dat Allāh hem niet zal helpen gedurende dit leven en in het Hiernamaals, laat hem zichzelf op een of andere wijze tot de hemel verheffen, en laat hem (het) dan afsnijden, en laat hem dan afwachten of zijn plan weg zal nemen wat zij woede opwekt.a

 

16 Wa kazaalika ‘anzalnaahu ‘Aayaatim–Bayyinaatinw-wa ‘annallaaha jahdie many-yuried !

16 En zo hebben Wij het geopenbaard, duidelijke argumenten, en Allāh leidt wie Hij wil.

 

17 ‘Innallaziena ‘aamanoe wallaziena baadoe was–Saabi-‘iena wan–Nasaaraa wal–Madjoesa wallaziena ‘asjrakoe ‘innallaaha yafsilu baynahum Yawmal–Qiyaamah: ‘innallaaha ‘alaa kulli sjai-‘in Sjahied.

17 Degenen die geloven en degenen die jood zijn en de sabiërs en de christenen en de magiërs en de polytheïsten – waarlijk zal Allāh een oordeel tussen hen vellen op de dag van de Opstanding. Waarlijk is Allāh Getuige van alle dingen.a

 

18 ‘Alam tara ‘annallaaha yasdjudu lahoe man fis-samaawaati wa man fil-‘ardi wasjsjamsu wal-qamru wan-nudjoemu wal-djibaalu wasj-sjadjaru wad-dawaabbu wa kasierum-minannaas ? Wa kasierun haqqa ‘alayhil–‘Azaab. Wa many-yuhinillaahu famaa lahoe mim-mukrim: ‘innallaaha yaf-‘alu maa yasjaaa’. ( Sadjda)

18 Zie jij niet dat iedereen in de hemelen en iedereen op aarde zich aan Alh onderwerpt, en de zon en de maan en de sterren, en de bergen en de bomen en de dieren en velen onder de mensen? En velen zijn er die de straf toekomt. En degene die door Allāh wordt vernederd, kan door niemand eer worden geschonken. Waarlijk doet Allāh wat Hem behaagt.a (Sadjdah)

 

19 Haazaani gasmaanigtasamoe fie Rabbihim : fallaziena kafaroe qutti-‘at lahum siyaabum-min– Naar : yusabbu min-fawqi ru-‘oesihimul–hamiem.

19 Dit zijn twee tegenstandersa die redetwisten over hun Heer. Dus voor degenen die niet geloven is er kleding gesneden uit vuur. Kokend water zal er over hun hoofden worden uitgegoten.

 

20 Yusjaru bihie maa fie butoenihim wal-djuloed.

20 Daarmee wordt gesmolten wat zich in hun magen bevindt, en ook (hun) huid.

 

21 Wa lahum-maqaami-‘u min hadied.

21 En voor hen zijn er zwepen van ijzer.a

 

22 Kullamaaa’araadoe ‘any-yagrudjoe minhaa min ghammin ‘u-‘idoe fiehaa wa zoeqoe ‘azaabal– Harieq !

22 Idere keer dat zij het wensen te verlaten, uit verdriet,worden zij teruggestuurd, en (er wordt gezegd): Proef de straf van verbranding.


11a. ‘Alā harf (lett., op de rand) wordt op verschillende manieren uitgelegd, maar de uiteindelijke betekenis is in alle gevallen hetzelfde. (LL) citeert vele van deze verklaringen. Eén betekenis is een wisselende afstandelijke houding ten opzichte van religie, zoals iemand die zich aan de rand van een leger bevinden en die stand houdt wanneer hij zeker is van de overwinning en de buit, maar anders vlucht. Een andere betekenis is het dienen van Allāh met een zekere twijfel of afwachting, net zo wankel als iemand die op de rand van een afgrond staat, of het dienen van Allāh in één bepaalde omstandigheid, d.w.z. slechts onder gunstige omstandigheden. Al deze verklaringen wijzen op de houding van een man die weifelt, en klaar staat om het geloof onder ieder voorwendsel te verlaten.

15a. Deze passage is verkeerd begrepen op basis van een misvatting aangaande het persoonlijk voornaamwoord hoe in jansoera-hoe ("hem helpen"), wat in werkelijkheid naar de Heilige Profeet (s.a.w.) verwijst. De tweede moelijkheid houdt verband met het onderwerp van jaqta’, d.w.z. snijd (hetaf, wat werkelijk moet worden opgevat als de Goddelijke hulp die, zoals aan de tegenstanders wordt verteld, tot de Heilige Profeet (s.a.w.) zal komen, hoezeer zij deze Goddelijke hulp ook bestrijden. Dit wordt duidelijk aangegeven door de slotwoorden van het vers. Voorspellingen omtrent de uiteindelijke overwinning van de Waarheid en omtrent de Goddelijke hulp die tot de Heilige Profeet (s.a.w.) zou komen, worden herhaaldelijk gedaan in de Heilige Qoer-ān, en zij dreven de ongelovigen tot rezernij. Hem wordt hier gezegd dat Goddelijke hulp er zal komen, en dat zij geen steen op de ander moeten laten in hun strijd hiertegen. Zozeer dat zij, als zij dit konden, naar de hemel zouden moeten opstijgen en alle hemelse of Goddelijke hulp voor de Profeet (s.a.w.) zouden moeten afsnijden. Of de betekenis kan zijn dat zij hun woede tot de grootst mogelijke hoogte kunnen opvoeren en tot uiterste wanhoop gedreven kunnen worden, en toch niet in staat zullen zijn om de komst van Goddelijke hulp te stoppen. De betekenis is in beide gevallen dat de Goddelijke hulp die beloofd werd aan de Profeet (s.a.w.) zeker tot hem zal komen, hoe zwaar de strijd ook is die tegen hem gevoerd wordt, of hoe groot de teleurstelling van de tegenstanders ook zal zijn.

17a. Geïmpliceerd wordt dat de verschillen in religie niet leiden tot bestraffing in dit leven; hier zal over geoordeeld worden op de dag van het Oordeel. Bestraffing in dit leven overkomt hen die onheil aanrichten en die alle grenzen overschrijden met hun kwade daden.

18a. Het voordragen van dit vers wordt gevolgd door een daadwerkelijke teraardewerping; zie 7:206a.

19a. De twee tegenstanders zijn de gelovigen en de ongelovigen. Er moet opgemerkt worden dat de vijandigheid van de twee partijen, tussen wie het oorspronkelijke geschil slechts een meningsverschil over hun Heer is, nu een serieuzer karakter krijgt, en het lot van de twee in de komende conflicten wordt duidelijk voorspeld – dat van de ongelovigen in vv. 19 – 22, en dat van de gelovigen in vv. 23, 24.

21a. De ijzeren zwepen duiden op onderwerping. Qama ‘a-hoe, de stam waarvan maqma’ is afgeleid, wat zweep betekent, betekent hij onderwierp hem en bracht hem tot overgave (T).

22a. Min ghamm-in (uit verdriet) verklaart min-hā (eruit), en verklaart zo de aard van de straf in dit en het voorgaande vers. Het is een verdriet dat constant in hun zielen zal branden, en zij zullen zich voelen alsof zij smelten.

 

 

PARAGRAAF 3: Gelovigen overwinnen

 

23 ‘Innallaaha yudgilul-laziena ‘aamanoe wa ‘amilus–Saalihaati Djannaatin tadjrie min-tahtihal-‘anhaaru yuhallawna fiehaa min ‘asaawira min-zahabinwwa lu’-lu-‘aa : wa libaasuhum fiehaa harier.

23 Waarlijk zal Allāh ervoor zorgen dat degenen die geloven en die goede daden doen Tuinen zullen binnentreden waarin rivieren stromen – hierin zijn zij getooid met armbanden van goud en (met) parels. En daarin is hun kleding van zijde.a

 

24 Wa hudoe ‘ilat–Tayyibi minal–Qawli wa hudoe ‘ilaa Siraatil–Hamied.

24 En zij worden geleid naar zuivere woorden, en zij worden geleid naar het pad van de Geprezene.

 

25 ‘Innallaziena kafaroe wa yasuddoena ‘an–Sabielillaahi wal–Masdjidil–Haraamillazie dja-‘alnaahu linnaasi sawaaa-‘anil-‘aakifu fiehi wal-baad. Wa manyyurid fiehi bi-‘ilhaadimbi-zulmin-nuziqhu min Azaabin ‘aliem.

25 Degenen die niet geloven en die (mensen) verhinderen Allāh’s weg te gaan en naar de Heilige Moskee, die Wij voor alle mensen gelijkelijk hebben gemaakt, (voor) de bewoner ervan en voor de bezoeker.a En wie daarbinnen onterecht naar het kwade neigt, Wij zullen hem laten proeven van een pijnlijke straf.


23a. De volgende gebeurtenis, genoemd door Baihaqi, laat zien dat de metgezellen van de Profeet (s.a.w.) deze voorstellingen ook op een andere manier opvatten: "De armbanden van Kisrā, de Perzische monarch, werden naar ‘Oemar gebracht, en hij zorgde ervoor dat Soerāqah, zoon van Mālik, ze droeg, waarop hij de Almachtige prees.” De reden waarom ‘Oemar er zorg voor droeg dat de armbanden gedragen werden door Soerāqah wordt door dezelfde bron gegeven in een ander verslag, volgens welke de Heilige Profeet (s.a.w.) tegen Soerāqah gezegd had: “Hoe zal jij je voelen wanneer jij de armbanden van Kisrā draagt?” (Chasā’is al-Koebrā,deel ii, p. 113).

25a. Of ‘ākif betekent hij die in Makkah verblijft, en bādhij die in de woestijn verblijft, of de twee kunnen respectievelijk verwijzen naar iemand die er constant verblijft en iemand die er af en toe komt. De ongelovigen, die toen in het bezit waren van de Heilige Moskee, verhinderen de moeslims deze te gebruiken. Hen wordt verteld dat er aan deze toestand een einde zal komen omdat de Heilige Moskee open moet zijn voor alle bezoekers, en dat kon alleen tot stand gebracht worden door de moeslims er meester over te maken.

 

 

PARAGRAAF 4: Bdevaart

 

26 Wa ‘iz bawwa’-naa li-‘Ibraahiema Makaanal–Bayti ‘allaa tusjrik bie sjay-‘anwwa tah-hir Baytiya lit– Taa-‘ifiena wal – Qaaa-‘imiena war–Rukka-‘is – Sudjoed.

26 En toen Wij Abraham de plaats van het Huis aanwezen, en zeiden: Stel niets aan Mij gelijk, en zuiver Mijn Huis voor degenen die rondgaan en die opstaan om te bidden en die buigen en zichzelf ter aarde werpen.

 

27 Wa ‘azzin fiennaasi bil–Hadjdji ya’-toeka ridjaalanwwa ‘alaa kulli zaamiriny-ya tiena min-kulli fadjdjin ‘amieq;

27 En roep de mensen op tot de Bedevaart;a zij zullen te voet tot jou komen en op iedere magere kameel, komende vanuit ieder afgelegen pad;b

 

28 Li-yasj-hadoe manaafi-‘a lahum wa yazkurus-mallaahi fie ‘Ayyaamim–Ma’-loemaatin ‘alaa maa razaqahum-mim-bahiematil–‘an–‘aam : fakuloe minhaa wa ‘at-‘imul-baaa-‘i sal-faqier.

28 Opdat zij kunnen getuigen van de voordelen (voorzien) voor hen, en de naam van Allāh kunnen noemen op toegekende dagen over wat Hij hen gegeven heeft aan viervoetig vee; eet dan daarvan en voed de wanhopige, de behoeftige.a

 

29 Summal-yaqzoe tafasahum wal-yoefoe nuzurahum waljat-tawwafoe bil–Baytil–‘Atieq.

29 Laat hen dan de benodigde handelingen ter zuivering volbrengen, en en laat hen hun geloften vervullen en het Oude Huis rondgaan.a

 

30 Zaalik: wa many-yu-‘azzim Hurumaatillaahi fahuwa gayrul-lahoe ‘inda Rabbih. Wa ‘uhillat lakumul-‘an-‘aamu ‘illaa maa yutlaa ‘alaykum fadjtanibur-ridjsa minal-‘awsaani wadjaniboe qawlaz-zoer,-

30 Dat (zal zo zijn). En wie de heilige verordeningen van Allāh respecteert, voor hem is het goed bij zijn Heer. En het vee is voor jullie wettig gemaakt, behalve dat wat jullie wordt voorgedragen, dus mijd het vuil van de afgoden en mijd onware woorden,

 

31 Hunafaaa-‘a lillaahi ghayra musjrikiena bih: wa manyyusjrik billaahi faka–‘annamaa garra minas-samaaa-‘i fatag-tafuhut-tayru ‘aw tahwie bihir-riehu fie makaaninsahieq.

31 En wees oprecht tegenover Allāh, en stel niets aan Hem gelijk. En wie iets aan Allāh gelijkstelt, het is alsof hij van grote hoogte was gevallen en door de vogels was weggegrist, of door de wind gedragen was naar een ver gelegen plaats.

 

32 Zaalik: wa many-yu-‘azziem Sja-‘aaa-‘irallaahi fa-‘innahaa min-taqwal-quloeb.

32 Dat (zal zo zijn). En wie de verordeningen van Allāh respecteert, dit komt zeker voort uit de vroomheid van harten.

 

33 Lakum fiehaa manaafi-‘u ‘ilaaa ‘adjalim-musamman-summa mahilluhaaa ‘ilal–Baytil–‘Atieq.

33 Daarin zijn voordelen voor jullie voor een vastgestelde tijd, dan is het Oude Huis hun offerplaats.


27a. De woorden zijn gericht tot de Heilige Profeet (s.a.w.), en bevatten een krachtige voorspelling dat Makkah het centrum zal worden waar mensen op bedevaart naartoe zullen komen. Dit werd aangekondigd op het moment dat de Heilige Profeet (s.a.w.) door zijn vijanden, die de alleenheersers waren over Makkah, uit die plaats werd verdereven. Op het moment dat Makkah iedere kans leek te hebben verloren om een moeslimcentrum te worden, en op het moment dat de moeslims zelf het gevaar liepen geheel vernietigd te worden, wordt er in zeer krachtige bewoordingen een voorspelling gedaan dat de Islām zich zal verspreiden naar alle landen van de wereld, en dat Makkah het universele centrum zal worden waar bedevaartgangers uit alle landen zich naartoe zullen begeven.

27b. De magere kameel wordt hier in het bijzonder genoemd om de grote afstanden aan te geven die de bedevaartgangers af zouden leggen. De toevoeging van de woorden vanuit ieder afgelegen pad toon aan dat er mensen zullen komen uit de meest afgelegen delen van de aarde.

28a. Het onderwerp offers wordt speciaal gerelateerd aan de bedevaart, omdat iedere bedevaartganger een dier moet offeren. Zo wordt de les van het offer tijdens de bedevaart geleerd. Er kan aan worden toegevoegd dat de daad van de bedevaartganger in de hele moeslimwereld een weerklank vindt, want iedere moeslim die het zich kan permitteren is verplicht bij deze gelegenheid een dier te offeren, en dit onderwerp wordt in de volgende paragraaf besproken.

29a. De vermelding van de Ka’bah als het Oude Huis, hier en in v. 33, geeft aan dat het zo oud is dat het in heel Arabië bekend werd onder die naam. Het wijst dus op haar zeer ver teruggaande ouderdom; zie 2:125a.

 

 

PARAGRAAF 5: Offers

 

34 Wa li-kulli ‘ummatin-dja-‘alnaa mansakal-liyazkurus-mallaahi ‘alaa maa razaqahum-mim-bahiematil-‘an-‘aam. Fa–‘Ilaahukum ‘Ilaahunw–Waahidun-falahoe ‘aslimoe: wa basj-sjiril– mugbitien,

34 En voor iedere natie stelden Wij godvruchtige handelingen vast, opdat zij de naah van Allāh konden noemen over wat Hij hen aan viervoetig vee heeft gegeven. Dus jullie Allāh is Eén Allāh, daarom moeten jullie je aan Hem onderwerpen. En breng goed nieuws aan de nederigen,a

 

35 ‘Allaziena ‘izaa zukirallaahu wadjilat quloebuhum was–Saabiriena ‘alaa maaa ‘asaabahum wal-muqiemis–Salaati wa mimmaa razaqnaahum yunfiqoen.

35 Van wie de harten beven wanneer Allāh wordt genoemd, en die geduld opbrengen tijdens hun nood, en die het gebed onderhouden, en die uitgeven van wat Wij hen gegeven hebben.a

 

36 Wal-budna dja-‘alnaahaa lakum-min–Sja-‘aaa-‘irillaahi lakum fiehaa gayr: fazkurus-mallaahi ‘alayhaa sawaaff : fa-‘izaa wadjabat yunoebuhaa fakuloe minhaa wa ‘at-‘imul-qaani-‘a wal-mu-‘tarr: kazaalika sag-garnaahaa lakum la-‘allakum tasjkuroen.

36 En de kamelen, Wij hebben hen gemaakt tot de tekenen die jullie door Allāh zijn toegewezena – hierin schuilt veel goeds voor jullie. Dus noem de naam van Allāh over hen wanneer zij in een rij staan. En wanneer zij dan neervallen op hun zij, eet ervan en voed de voldane (mens) en de bedelaar.b Zo hebben Wij hen aan jullie dienstbaar gemaakt, opdat jullie dankbaar zullen zijn.

 

37 Lany-yanaalallaaha luhoemuhaa wa laa dimaaa-‘uhaa wa laakiny-yanaaluhut–Taqwaa minkum; kazaalika sag-garahaa lakum litukabbirullaaha ‘alaa maa hadaakum : wa basjsjiril–Muhsinien.

37 Niet hun vlees, noch hun bloed bereikt Allāh, maar door Hem wordt aanvaard dat jullie aan je plicht voldoen.a Zo heeft Hij hen dienstbaar gemaakt aan jullie, opdat jullie Allāh kunnen verheerlijken omdat Hij jullie in de juiste richting leidt. En geef goed nieuws aan degenen die goeddoen (aan anderen).

 

38 ‘Innallaaha yudaafi-‘u ‘anillaziena ‘aamanoe: ‘innallaaha laa yuhibbu kulla khawwaanin-kafoer.

38 Waarlijk verdedigt Allāh degenen die geloven. Waarlijk heeft Allāh iemand die ontrouw, ondankbaar is, niet lief.a


34a. Het principe van offeren is een principe dat door alle volkeren van de wereld op de een of andere manier wordt nageleefd, maar in de Islām heeft het een diepere betekenis. Die uiterlijke daad bestaat nog steeds, als vanouds, maar deze draagt niet meer de betekenis die er in oude religies aan werd gegeven, namelijk het kalmeren van een beledigde Godheid, of als een boetedoening voor zonden. Het duidt op de opoffetring van de offeraar zelf, en wordt zo een uiterlijk symbool van zijn bereidheid om, mocht dat nodig zijn, het leven te laten en zijn belangen en verlangens op te geven voor de zaak van de Waarheid. Vandaar dat de woorden die het onderwerp van offer introduceren, direct gevolgd worden door een gebod dat stelt dat men zich volledig aan Allāh moet onderwerpen, Die de enige Allāh is, d.w.z. het enige Wezen dat het verdient tot het ware onderwerp van iemands liefde te worden gemaakt.

35a. Een dier wordt geofferd terwijl Allāh’s naam hoerover wordt afgeroepen, en de betekenis die daaraan ten grondslag ligt is dat hun eigen harten zouden moeten beven bij het noemen van die naam. Zo moeten zij, wanneer ze een dier offeren waarover zij de baas zijn, in gedachten houden hoezeer het nodig het is dat ook zij hun leven laten langs Allāh’s weg, Die de baas is over allen. Vandaar dat een vers dat gaat over offerandes direct gevolgd wordt door een vers dat de uitoefening van veel geduld en uithoudingsvermogen onder zware beproevingen vereist van de gelovigen. Het offeren van een dier herinnert zo de mens eraan dat hij bereid moet zijn, zijn eigen leven te offeren voor de zaak van de Waarheid.

36a. De betekenis die hier overgebracht wordt is dezelfde als die van het voorgaande vers. Over de kamelen die door de bedevaartgangers als offerandes naar Makkah worden gebracht, wordt hier gezegd dat zij alleen de uiterlijke tekenen zijn van de ware religie van Allāh, geen andere religie dan de religie van totale onderwerping waarbij men alles wat men heeft, zelfs het leven, langs Allāh’s weg moet opgeven.

36b. Het vlees van de geofferde dieren mag niet verspild worden, maar moet dienen als voedsel voor de armen en behoeftigen. Het begraven van het vlees van de talloze offerandes in Makkah ter gelegenheid van de bedevaart, is niet in overeenstemming met enig bevel uit de Heilige Qoer-ān of enige uitspraak van de Heilige Profeet (s.a.w.). het vlees kan ten goede worden aangewend.

37a. Dit vers bewijst afdoende dat het niet de uiterlijke daad van het offeren is die aanvaardbaar is, maar de diepere betekenis van het offeren die daaraan ten grondslag ligt. Men moet ook niet vergeten dat het idee van boetedoening geheel vreemd is aan het islamitische offer. De Islām vereist van de rechtschapenen dat zij offeren, en hieraan wordt gerefereerd met de woorden, maar door Hem wordt aanvaard dat jullie aan je plicht voldoen.

38a. Met dit vers, dat deze paragraaf beëindigt, wordt een nieuw onderwerp geïntroduceerd, namelijk het onderwerp van het strijden langs Allāh’s weg dat in de volgende paragraaf uitvoerig behandeld wordt. Dit werpt licht op het verband dat er bestaat tussen de twee onderwerpen. Na het onderwerp offerandes theoretisch te hebben behandeld, is de moeslim in feite voorbereid op het in de praktijk brengen van de theorie van het offer. Daarom wordt hem verteld dat het tijdstip nabij is waarop van hem verlangd zal worden dat hij zijn eigen leven geeft voor de verdediging van de Waarheid, die de tegenstanders probeerden uit te roeien. Vandaar dat het onderwerp van strijd voor de zaak van de Waarheid een passend vervolg is op het onderwerp van offerandes. Het werpt immers meer licht op de diepere betekenis van het offer, en ook vereist het dat die leer in praktijk wordt gebracht.

 

 

PARAGRAAF 6: Gelovigen wordt toegestaan te strijden

 

39 ‘Uzina lillaziena yuqaataloena bi-‘annahum zulimoe; wa ‘innallaaha ‘alaa nasrihim la–Qadier;-

39 Toestemming (te strijden) wordt gegeven aan degenen tegen wie oorlog wordt gevoerd, omdat zij worden onderdrukt. En Allāh is waarlijk Bekwaam hen bij te staana –

 

40 ‘Allaziena ‘ugridjoe mindiyaarihim–bi-ghayri haqqin ‘illaaa any-yaqoeloe Rabbunal-laah. Wa law laa daf-‘ullaahinnaasa ba’-dahum-bi-ba’-dil-lahuddimat sawaami-‘u wa biya-‘unwwa salawaatunwwa masaadjidu yuzkaru fiehas-mullaahi kasieraa. Wa la-yansurannallaahu many-yansuruh; ‘innallaaha la –Qawiyyun Aziez.

40 Degenen die uit hun huizen worden verdreven zonder rechtvaardige oorzaak, behalve dat zij zeggen: Onze Heer is Allāh. En als Allāh sommige mensen niet door middel van anderen had teruggedreven, dan zouden er kloosters en kerken en synagogen en moskeeën, waarin aan Allāh’s naam veel wordt, herdacht, zijn neergehaald. En waarlijk zal Allāh degene helpen die Hem helpt. Waarlijk is Allāh Sterk, Machtig.a

 

41 ‘Allaziena ‘im-makkannaahum fil-‘ardi ‘aqaamus–Salaata wa ‘aata-wuz–Zakaata wa ‘amaroe bil-ma’-roefi wa nahaw-‘anil-munkar: wa lillaahi ‘aaqibatul-‘umoer.

41 Degenen die, wanneer Wij hen vestigen in het land, het gebed zullen onderhouden en de armenbelasting betalen en die het goede voorschrijven en het slechte verbieden. En Allāh is het eind van gebeurtenissen.

 

42 Wa ‘iny-yukazziboeka faqad kazzabat qablahum Qawmu Noehinwwa ‘Aadunwwa Samoed;

42 En als zij jou afwijzen, vóór hen wezen het volk van Noach en de ‘Ād en de Thamoed (de profeten) rees af,

 

43 Wa Qawmu ‘Ibrahiema wa Qawmu Loet;

43 En het volk van Abraham en het volk van Lot,

 

44 Wa ‘As-haabu Madyan; wa kuzziba Moesaa fa-‘amlaytu lil-kaafiriena summa ‘agaztuhum: fa-kayfa kaana nakier !

44 En de bewoners van Midjan. En Mozes werd (ook) afgewezen. Maar Ik verleende de ongelovigen uitstel, en greep hen toen; dus hoe (streng) was Mijn afkeuring!

 

45 Faka ‘ayyim-min-qaryatin ‘ahlaknaahaa wa hiya zaalimatun-fahiya gaa-wiyatun ‘alaa ‘uroesjihaa wa bi’-rimmu-‘attalatinwwa qasrim-ma-sjied ?

45 Hoeveel steden vernietigden Wij terwijl zij onrechtvaardig waren, zodat zij vervallen zijn met hun daken ingestort; en (hoeveel) verlaten waterputten en hoog opgetrokken paleizen!

 

46 ‘Afalam yasieroe fil-‘ardi fatakoena lahum quloebunyya-qiloena bihaaa ‘aw ‘aazaanuny-yasma-‘oena bihaa ? Fa-‘innahaa laa ta’-mal-‘absaaru wa laakin ta’-mal-quloebullatie fissudoer.

46 Hebben zij niet gereisd door het land, zodat zij harten zouden moeten hebben om mee te doorgronden, of oren om mee te horen? Want het zijn immers niet de ogen die blind zijn, maar blind zijn de harten die in de borsten zijn.a

 

47 Wa yasta’-djiloenaka bil–‘Azaabi wa lany-yuglifallaahu wa’-dah. Wa ‘inna Yawman ‘inda Rabbika ka-‘alfi sanatimmimmaa ta-‘uddoen.

47 En zij vragen jou de straf te bespoedigen, en Allāh faalt op generlei wijze in Zijn belofte. En waarlijk is een dag bij jouw Heer als duizend jaren in jullie (tijd)rekening.a

 

48 Wa ka-‘ayyim-min-qaryatin ‘amlaytu lahaa wa hiya zaalimatun-summa ‘agaztuhaa. Wa ‘ilayyal masier.

48 En hoeveel steden die Ik uitstel verleende terwijl zij onrechtvaardig waren, die Ik dan greep! En tot Mij is de terugkeer.


39a. Volgens authentieke bronnen is dit de vroegste toestemming die aan de moeslims werd gegeven om te strijden. Er is niets dat aantoont dat dit vers niet in Makkah werd geopenbaard. Aan de andere kant is het dankzij deze openbaring dat de Heilige Profeet (s.a.w.), in de welbekende eed van bondgenootschap die afgelegd werd in ‘Aqabah, van de afgevaardigden uit Madinah een belofte eiste dat zij hem zouden verdedigen tegen zijn vijanden, zoals zij hun eigen kinderen zouden verdedigen. De woorden waarmee de toestemming wordt gegeven, geven ten eerste duidelijk aan dat de tegenstanders oorlog voerden tegen de moeslims, en ten tweede dat de moeslims al zware onderdrukking hadden ondergaan in de handen van hun vervolgers. De woorden van het volgende vers, degenen die uit hun huizen worden verdreven, kunnen verwijzen naar de emigratie naar Abbessinië, of naar de exodus naar Madinah die plaatsvond vlak nadat de gelofte van ‘Aqabah was afgelegd.

40a. De godsdienstvrijheid die dertienhonderd jaar geleden door de Islām werd gevestigd, is nog niet overtroffen door de meest beschaafde en tolerantie naties. Het is de moeite waard op te merken dat de levens van moeslims niet alleen geofferd moeten worden om een einde te maken aan hun eigen vervolging en om hun eigen moskeeën te redden, maar ook om kerken, synagogen en kloosters te redden – in feite, om godsdienstvrijheid te vestigen. De moskeeën komen, hoewel zij de plaatsen zijn waar de naam van Allāh het meest herdacht wordt, zelfs na de kerken en synagogen als het gaat om hun bescherming. Vroege moeslims volgden deze instructies nauwkeurig op, en iedere bevelhebber van een leger had de uitdrukkelijke opdracht om alle huizen van verering te respecteren, zelfs de kloosters van de minniken, tezamen met hun inwoners.

46a. Er moet worden opgemerkt dat de Heilige Qoer-ān vaak spreekt over de blinden, de doven en de doden, waarbij hij de geestelijk blinden, doven en doden bedoelt, zoals hier duidelijk wordt gezegd.

47a. Degenen waarover hier gesproken wordt, zijn zonder twijfel de tegenstanders van de Waarheid die later zouden komen, en aan wie toegestaan werd de voortgang van de Islām gedurende duizend jaar tegen te gaan. Vergelijk 20:103a, 104a. De terugslag die de Islām gedurende duizen jaar zou ondergaan wordt nogmaals genoemd in 32:5; zie 32:5a.

 

 

PARAGRAAF 7: Tegenstand tegen de Profeet (s.a.w.)

 

49 Qul Yaaa-‘ayyuhannaasu ‘innamaa ‘ana lakum nazierum-mubien.

49 Zeg: O mensen, ben ik slechts een duidelijke waarschuwer voor jullie.

 

50 Fallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus–Saalihaati lahum-maghfiratunwwa rizqun-kariem.

50 Dus degenen die geloven en goeddoen, voor hen is er vergeving en een eerzaam onderhoud.

 

51 Wallaziena sa-‘aw fie ‘Aayaatinaa mu-‘aadjiziena ‘ulaaa-‘ika ‘As-haabul–Djahiem.

51 En degenen die trachten Onze boodschap tegen te werken, zij zijn de gevangenen van het vlammende Vuur.

52 Wa maaa ‘arsalnaa minqablika mir–rasoelinwwa laa nabiyyin ‘illaaa ‘izaa tamannaaa ‘alqasj– Sjaytaanu fie ‘umniyyatih: faiansa-gullaahu maa yulqisj–Sjaytaanu summa yuh-kimullaahu ‘Aayaatih: wallaahu ‘Aliemun Hakiem:

52 En nooit stuurden Wij een boodschapper of een profeet vóór jou of, wanneer hij verlangde, deed de duivel een suggestie aangaande zijn verlangen; maar Allāh doet teniet wat de duivel voorstelt, dan vestigt Allāh Zijn boodschap. En Allāh is Wetend, Wijsa –

 

53 Li-yadj-‘ala maa yulqish – Shaytaanu fitnatal-lillaziena fie quloebihim-marazunw-walqaasiyati quloebuhum: wa ‘innaz-zaalimiena lafie sjiqaaqim-ba-‘ied :

53 Zodat Hij wat de duivel voorstelt tot een beproeving kan maken voor degenen in de harten van wie een ziekte schuilt en voor de hardvochtigen.a En waarlijk bieden de kwaaddoeners heftig tegenstand,

 

54 Wa liya’-lamallaziena ‘oetul-‘ilma ‘annahul–Haqqu mir–Rabbika fayu’-minoe bihie fatugbita lahoe quloebuhum : wa ‘innallaaha-la–Haadillaziena ‘aamanoe ‘ilaa Siraatim–Mustaqiem.

54 En zodat degenen aan wie kennis is gegeven kunnen weten dat het de Waarheid is van jouw Heer, dus zouden zij erin moeten geloven opdat hun harten nederig tegenover Hem zullen staan. En waarlijk is Allāh de Gids van degenen die geloven naar een recht pad.

 

55 Wa laa yazaa-lullaziena kafaroe fie miryatim-minhu hattaa ta’-tiyahumus–Saa-‘atu bagtatan ‘aw ya’-tiyahum ‘azaabu Yawmin ‘Aqiem.

55 En degenen die niet geloven zullen niet ophouden hieraan te twijfelen, totdat het Uur hen plotseling overvalt, of de straf van een verwoestende dag tot hen komt.a

 

56 ‘Al–Mulku Yawma-‘izillillaah: yah-kumu baynahum: fallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus–Saalihaati fie Djannaatin–Na-‘iem.

56 Op die dag is het koninkrijk van Allāh. Hij zal tussen hen oordelen. Dus degenen die geloven en goeddoen zullen zich in Tuinen van gelukzaligheid bevinden.

 

57 Wallaziena kafaroe wa kazzaboe bi–‘Aayatinaa fa-‘ulaaa-‘ika lahum ‘Azaabummubien.

57 En degenen die niet geloven en Onze boodschap afwijzen, voor hen is er een vernederende straf.


52a. Enkele onvoorzichtege commentatoren noemen hier de onware geschiedenis met betrekking tot wat de christelijke critici "de Dwaling" van de Profeet (s.a.w.) noemen. De Profeet (s.a.w.), zo zeggen zij, onderkende bij deze gelegenheid dat de afgoden die door de Arabieren werden aanbeden, voor hen bij God konden bemiddelen. Dat iets dergelijks nooit gebeurde, wordt aangetoond in 53:21a. Dit verhaal wordt door alle degelijke en betrouwbare commentatoren afgewezen. Zo zegt Ibn Kathir: "Vele commentatoren vertellen hier het verhaal van de Gharāniq … maar dat komt uit bronnen die niet terug zijn te voeren tot een van de metgezellen." Volgens Rz zeggen commentatoren die streven naar nauwkeurigheid en waarheid dat dit verhaal onwaar is en een vervalsing. Bd maakt soortgelijke opmerkingen.

De woorden betekenen niet, en kunnen niet betekenen, dat, wanneer een profeet een openbaring voordraagt, de duivel zijn eigen woorden aan deze voordracht toevoegt. Dit is op het eerste gezicht al belachelijk, en de Heilige Qoer-ān logenstraft het wanneer hij zegt: "Dus maakt Hij Zijn geheimen aan niemand bekend, behalve aan een boodschapper die Hij verkiest. Hij zorgt er immer voor dat er een hoeder voor hem uitgaat en dat er een achter hem aankomt, opdat Hij zal weten dat zij inderdaad de boodschap van hun Heer hebben afgeleverd" (72:26–28). Bovendien is het absoluut ondenkbaar dat een dergelijke belangrijke gebeurtenis als de aanvaarding van de Profeet (s.a.w.) van de bemiddeling van afgoden, acht jaar nadat dit plaatsvond in de Qoer-ān zou worden genoemd. Het 53e hoofdstuk, waarin de verandering plaats zou hebben gevonden, werd voor het vijfde jaar van de roeping van de Profeet (s.a.w.) uit Makkah. Dat meer dan de helft van de Qoer-āngedurende deze periode zou worden geopenbaard zonder een enkele verwijzing naar het zogenaamde verhaal, en dat er dan tamelijk onnodig naar verwezen zou worden in een hoofdstuk waar het volkomen misplaatst is, is op zich al voldoende om de onwaarheid van het verhaal aan te tonen.

Bekijk nu de woorden. Tammannā betekent volgens alle lexicologen hij verlangde, en volgens T betekent tamanni het verlangen dat te bereiken wat iemand behaagt. Wat iedere profeet verlangt, is de vestiging van de Waarheid die aan hem geopenbaard is, en de duivel bemoeit zich met dit verlangen door mensen op te hitsen, te zinspelen op hun verlangens, zoals hier gesteld wordt, om de Waarheid tegen te gaan. Dat dit de ware betekenis is wordt ook door de context aangegeven, die gaat over de vestiging van de Waarheid en het verlangen van de tegenstanders van de Waarheid om haar te vernietigen. Zie het voorgaande vers, dat degenen veroordeelt die vechten en wedijveren met de Profeet (s.a.w.) om hem te verhinderen de Waarheid in de wereld te vestigen. Hier wordt ons verteld dat de plannen van de vijanden door de Waarheid gedwarsboomd zullen worden en dat de Waarheid in de wereld gevestigd zal worden.

53a. De pogingen van de duivel tegen de Profeet (s.a.w.), vormen een beproeving voor de zwakken die niet in staat zijn de zware vervolgingen van hun vijanden te verdragen.

55a. ‘Aqim, wanneer van toepassing op een baarmoeder, betekent onvruchtbaar; van toepassing op de wind betekent het een wind die niet bevrucht (LL); vandaar dat al-rih al-‘aqim in 51:41 een verwoestende wind betekent, en jaum ‘aqim hier een verwoestende dag, d.w.z. een dag die niets goeds brengt. Dit vers, als ook de twee volgende, voorspelt de vestiging van de Waarheid – want dat is het koninkrijk van Allāh – en de nederlaag van de macht van het kwaad.

 

 

PARAGRAAF 8: De gelovigen zullen worden gevestigd

 

58 Walaziena haadjaroe fie Sabielillaahi summa qutiloe ‘aw maatoe layarzu-qanna-humullaahu Rizqan hasanaa: wa ‘innallaaha la–Huwa Gayrur-raaziqien.

58 En degenen die vluchten langs Allāh’s wega en dan worden gedood of sterven, Allāh zal hen zeker een uitnemend onderhoud schenken. En waarlijk is Allāh de Beste onder de voorzieners.

 

59 Layud-gilannahum-mud-galany-yardawnah: wa ‘innallaaha la–‘Aliemun Haliem.

59 Hij zal er zeker voor zorgen dat zij een plaats binnentreden die hen behaagt. En waarlijk is Allāh Wetend, Verdraagzaam.

 

60 Zaalik. Wa man ‘aaqaba bi–misli maa ‘oeqiba bihie summa bughiyja ‘alayhi layansurannahullaah : ‘innallaaha la–‘Afuw-wun Ghafoer.

60 Dat (is zo). En wie er vergeldt met het gelijke als waar hij mee wordt gekweld en hij wordt onderdrukt, Allāh zal hem zeker helpen. Allāh is waarlijk Begenadigend, Vergevensgezind.a

 

61 Zaalika bi-‘annallaaha yoelidjul-layla finnahaari wa yoelidjun-nahaara fil-layli wa annallaaha Samie-‘um–Basier.

61 Dat is omdat Allāh de nacht laat overgaan in de dag en de dag laat overgaan in de nacht, en omdat Allāh Horende is, Ziend.a

 

62 Zaalika bi-‘annallaaha Huwal–Haqqu wa ‘anna maa yad-‘oena min-doenihie huwal–Baatilu wa ‘annallaaha Huwal–Aliyyul–Kabier.

62 Dat is omdat Allāh de Waarheid is, en dat wat zij buiten Hem aanroepen – dat is de onwaarheid, en omdat Allāh – Hij is de Hoge, de Grootse.

 

63 ‘Alam tara ‘annallaaha ‘anzala minas-samaaa-‘i maaa-‘an-fatusbihul–‘ardu mugzarrah? ‘Innallaaha Latiefun Gabier.

63 Zie jij niet dat Allāh water uit de wolken naar beneden stuurt, en dat dan de aarde groen wordt? Waarlijk is Allāh de Kenner van subtiliteiten, Bewust.

 

64 Lahoe maa fissamaa-waati wa maa fil-‘ard: wa ‘innallaaha la–Huwal–Ghaniyul–Hamied.

64 Aan Hem behoort alles wat er in de hemelen is en alles wat er op aarde is. En waarlijk Allāh – Hij is de Zelfgenoegzame, de Geprzene.


58a. De aanwezigheid van het woord hādjaroe (zij vluchten) in dit vers, geeft nog niet aan dat het niet in Makkah werd geopenbaard. De vlucht van de gelovigen naar Abessinië vond immers al plaats in het vijfde jaar van de Roeping. Bovendien moet worden opgemerkt dat de Heilige Profeet (s.a.w.), met Aboe Bakr en ‘Ali, de laatste man was die uit Makkah zou vertrekken ten tijde van de tweede vlucht. Als een ware en genereuze leider van mensen, wachtte hij het vertrek van zijn trouwe volgelingen af voor hij zelf vertrok, zodat hun veiligheid gewaarborgd was. Het lijdt geen twijfel dat, als hij zijn volgelingen achter zich had gelaten, hen een heel hard lot te wachten had gestaan in de handen van een getergde vijand. De verwijzing naar het doden van enkelen na hun vlucht is duidelijk profetisch.

60a. Dit vers geeft de moeslims, die lang vervolgd en onderdrukt waren, toestemming om hun vervolgers te straffen. Tegelijkertijd beveelt het genade en vergeving door in de slotwoorden van het vers te refereren aan deze twee eigenschappen van het Godelijk Wezen.

61a. Kennelijk verwijst de opvolging van de dag en de nacht hier naar het keren van het lot waarnaar in het voorgaande vers werd verwezen. Een onderdrukte gemeenschap kan haar vervolgers immers niet straffen, tenzij zij de macht over hen heeft verworven. Hetzelfde wordt geïmpliceerd in de twee eigenschappen van het Goddelijk Wezen waarmee het vers wordt besloten. De verzen die volgen bevatten verwijzingen met hetzelfee effect.

 

 

PARAGRAAF 9: Goddelijke Genade in de behandeling van de mens

 

65 ‘Alam tara ‘annallaaha sag-gara lakum-maa fil-‘ardi wal-fulka tadjrie filbahri bi-‘amrih? Wa yumsikus -samaaa-‘a ‘an-taqa-‘a ‘alal-‘ardi ‘illaa bi-‘idnih : ‘innallaaha binnaasi la–Ra-‘oefur–Rahiem.

65 Zie jij niet dat Allāh alles wat op aarde is aan jullie dienstbaar heeft gemaakt, en de schepen die op Zijn bevel over de zee glijden? En Hij weerhoudt de hemel ervan op aarde neer te vallen, behalve met Zijn toestemming. Waarlijk is Allāh Mededogend, Barmhartig tegenover de mens.a

 

66 Wa Huwallazie ‘ahyaakum summa yumietukum summa yuhjiekum : ‘innal-‘iensaana lakafoer !

66 En Hij is het Die jullie lot leven wekt, dan laat Hij jullie sterven, dan wekt Hij jullie tot leven. De menbs is waarlijk ondankbaar.

 

67 Li-kulli ‘ummatin-dja-‘alnaa mansakan hum naasikoehu falaa yunaazi-‘unnaka fil-‘amri wad-‘u ‘ilaa Rabbik; ‘innaka la-‘alaa Hudam–Mustaqiem.

67 Aan iedere natie kenden Wij godvruchtige handelingen toe, die zij in acht nemen,a dus laat hen niet met jou over de zaak redetwisten, en roep jouw Heer aan. Waarlijk volg jij de rechte leidraad.

 

68 Wa ‘in-djaadaloeka faqulillaahu ‘A’-lamu bimaa ta’-maloen.

68 En wanneer zij met jou wedijveren, zeg: Allāh weet het best wat jullie doen.

 

69 Allahu yah-kumu baynakum Yawmal–Qiyaamati fiemaa kuntum fiehi tagtalifoen.

69 Op de dag van de Opstanding zal Allāh een oordeel vellen tussen jullie, aangaande hetgeen waarin jullie verschillen.

 

70 ‘Alam ta’-lam ‘annallaaha ya-lamu maa fissamaa-‘i wal-‘ard ? ‘Inna zaalika fie Kitaab: ‘inna zaalika ‘alallaahi yasier.

70 Weet jij niet dat Allāh weet wat er in de hemelen is en wat op aarde? Dit staat immers in een boek. Waarlijk is dat makkelijk voor Allāh.

 

71 Wa ya’-budoena min-doenillaahi maa lam yunazzil bihie sultaananwwa maa laysa lahum-bihie ‘ilm: wa maa lizzaalimiena min-nasier.

71 En buiten Allāh dienen zij dat waarvoor Hij gezag heeft verleend, en waarover zij geen wetenschap hebben. En voor de onrechtvaardigen is er geen helper.

 

72 Wa ‘izaa tutlaa ‘alayhim ‘Aayaatonaa Bayyinaatin-ta’-rifu fie wudjoe-hillaziena kafarul-munkar ! Yakaadoena yastoena billaziena yatloena ‘alayhim ‘Aayaatinaa. Qul ‘afa-‘u-nabbi-‘ukum-bi-sjarrim-minzaalikum ? ‘An–Naar ! Wa-‘ada-hallaa-hullaziena kafaroe ! Wa-bi’-sal-masier.

72 En wanneer Onze duidelijke boodschap aan hen wordt voorgedragen, zal jij ontkennen opmerken in de gezichten van degenen die niet geloven – zij vallen degenen die Onze boodschap aan hen voordragen bijna aan. Zeg: Zal ik jullie vertellen over wat nog erger is dat dit? Het Vuur. Allāh heeft het beloofd aan degenen die niet geloven. En slecht is het oord.


65a. Het eerster deel van het vers belooft de moeslims de overwinning, terwijl het latere deel de tegenstanders waarschuwt dat Allāh hun straft enige tijd had uitgesteld omdat Hij Meelevend en Genadig is voor mensen. Het weerhouden van de hemel betekent het weerhouden van de straf die, zoals aan de tegenstanders werd verteld, uit de hemel op hen neer zou dalen.

67a. Het principe dat alle mensen geestelijk licht hebben gekregen wordt in de hele Heilige Qoer-ān herhaald.

 

 

PARAGRAAF 10: Polytheïsme zal worden ontworteld

 

73 Yaaa-‘ayyuhannaasu zuriba masalun-fastami-‘u lah ! ‘Innallaziena tad-‘oena min-doenillaahi lany-yakhluqoe zubaabanwwa lawidjtama-‘oe lah ! Wa ‘iny-yaslub-humuz-zubaabu sjay-‘al-laa yastan-qizoehu minh. Za-‘ufat-taalibu walmat-loeb !

73 O mensen, er wordt een gelijkenis naar voren gebracht, dus luister ernaar. Waarlijk kunnen degenen die jullie aanroepen buiten Allāh nog geen vlieg scheppen, al kwamen zij er allen voor samen. En wanneer de vlieg iets van hen weg zou nemen, kunnen zij het niet terugnemen. Zwak zijn (zowel) de aanroepers als de aangeroepenen.a

 

74 Maa qadarullaaha haqqa qadrih: ‘innallaaha la–Qawiy-yun ‘Aziez !

74 Zij schatten Allāh niet op Zijn juiste waarde. Waarlijk is Allāh Sterk, Machtig.

 

75 ‘Allaahu yastafie minalmalaaa-‘ikati Rusulanwwa minannaas: ‘innallaaha Samie ‘um–Basier.

75 Allāh kiest boodschappers uit de engelen en uit de mensen. Waarlijk is Allāh Horend, Ziend.

 

76 Ya’-lamu maa bayna ‘aydiehim wa maa galfahum: wa ‘ilallaahi turdja-‘ul-‘umoer.

76 Hij weet wat er voor hen is en wat achter hen. En tot Allāh worden alle zaken teruggebracht.

 

77 Yaaa-‘ayuhallaziena ‘aamanur-ka-‘oe wasdjudoe wa’-budoe Rabbakum waf-‘alulgayra la-‘allakum tuflihoen. (Sadjdah)

77 O jullie die geloven, buig neer en werp julliezelf ter aarde en dien jullie Heer, en doe goed opdat jullie zullen slagen.a

 

78 Wa djaahidoe fillaahi haqqa djihaadih. Huwadj-tabaakum wa maa dja-‘ala ‘alaykum fiddieni min haradj; Millata ‘abiekum ‘Ibrahiem. Huwa sammaakumul–Muslimien. Minqablu wa fie haazaa li-yakunar–Rasoelu sjahiedan ‘alaykum wa takoenoe sjudadaaa-‘a ‘alannaas ! Fa-‘aqimus–Salaata wa ‘aatuz–Zaakaata wa’-tasimoe billaah ! Huwa Mawlaakum–fani’-mal-Mawlaa wa ni’-man–Nasier.!

78 En span je zeer in voor Allāh met gepaste inspanning. Hij heeft jullie gekozen en heeft jullie niet getroffen met enige ontbering in religie – het geloof van jullie vader Abraham. Hij noemde jullie hiervóór en hierin moeslims,a opdat de Boodschapper een getuige tot jullie zal zijn, en (opdat) jullie getuigen kunnen zijn tot de mensen;b dus onderhoud het gebed en betaal de armenbelasting en houd vast aan Allāh. Hij is jullie Beschermer; uitmuntend de Beschermer en uitmunternd de Helper!


73a. Terwijl dit vers de onkunde omschrijft van afgoden om zelfs maar de laagste vorm van leven te scheppen, of maar de minste controle uit te oefenen over de schepping, doet het ook een duidelijke voorspelling dat de afgoden uit het Heilige Huis zullen worden verwijderd, en dat zowel de aanbidders als de aanbedenen hulpeloos zullen zijn.

77a. Het voordragen van dit vers wordt gevolgd door een daadwerkelijke teraardewerping; zie 7:206a.

78a. Hiervóór verwijst naar de openbaring van Abraham, die bad dat er uit zijn volgelingen een natie van moeslims zou verrijzen (2:128). Met hierin wordt verwezen naar de Heilige Qoer-ān. Zie 2:112a en 3:19a voor de betekenis van Islām en moeslim. Het stamwoord is salm of silm, wat beide vrede betekent (R). Een moeslim is daarom iemand die een vredig leven leidt, in vrede met Allāh, wat volledig onderwerping aan Zijn wil betekent, en in vrede met de mens, wat betekent dat hij geen schade toebrengt aan enig ander mens. Dit wordt ook gezegd in een uitspraak van de Heilige Profeet (s.a.w.) (B. 2:3).

78b. Vergelijk 2:143, waar soortgelijke woorden gebruikt worden. De betekenis is dat de moeslimgemeenschap voorbestemd is om de rol van leider op zich te menem voor de gehele mensheid; zie 2:143b.