21- Al-Anbijaa (De Profeten)

HOOFDSTUK 21 Al-Anbijā: De Profeten

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 7 paragrafen; 112 verzen

Dit hoofdstuk gaat meer over de verlossing van de rechtschapenen dan over de bestraffing van de zondaars, meer over de triomf van de waarheid dan over de vernietiging van de leugen, hoewel het zonder twijfel het ander impliceert. Hoewel het hoofdstuk deels gewijd is aan algemene stellingen die betrekking hebben op de verlossing van de profeten en de uiteindelijke triomf van hun zaak – vandaar dat het de naam De Profeten draagt – wordt er in het bijzonder verwezen naar de geschiedenis van Abraham, zoals naar de geschiedenis van Mozes in het vorige hoofdstuk.

Het hoofdstuk opent met de zekerheid van de bestraffing van de tegenstanders en vervolgt met een duidelijke verklaring dat het oordeel nadert en de afrekening nabij is. Dan wordt ons verteld dat de Waarheid moet zegevieren, zoals zij dat altijd heeft gedaan, en dit wordt in de tweede paragraaf aangetoond. De derde paragraaf brengt de waarheid van de openbaring in het algemeen onder de aandacht, en de openbaring van de Profeet (s.a.w.) in het bijzonder. De vierde vraagt aandacht voor de overheersing van genade in de Goddelijke aard, omdat de bestraffing van de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.) specifiek werd gekenmerkt door een barmhartige behandeling. In dit opzicht werd Abraham zijn voorbeeld, wiens geschiedenis het onderwerp vormt van de volgende paragraaf. De zesde paragraaf toont aan hoe profeten altijd onder de meest kritieke omstandigheden uit handen van hun vijanden werden verlost, en de laatste paragraaf voegt eraan toe dat de rechtschapenen het land zullen erven en dat de Waarheid uiteindelijk zal overheersen. Zie wat betreft de datum van zijn openbaring de introductie van hoofdstuk 17.


PARAGRAAF 1: Het Oordeel nadert

Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 ‘IQTARABA linnaasi Hisaabuhum wa hum fie ghaflatim-mu’-rizoen.

1 Hun afrekening is de mensen zeer dicht genaderd, en zij keren zich onachtzaam af.

 

2 Maa ya’-tiehim-min–Zikrimmir–Rabbihim-muhdasin ‘illastama–‘oehu wa hum yal-‘aboen, –

2 Er komt geen nieuwe Herinnering van hun Heer tot hen, maar zij horen het terwijl zij zich vermaken,

 

3 Laahiyatan–quloebuhum. Wa ‘asarrun-nadjwallaziena zalumoe hal haazaaa ‘illaa basjrum– mislukum ? ‘Afa-ta’-toenas-sihra wa ‘antum tubsiroen ?

3 Hun harten lichtvaardig. En zij – de kwaaddoeners – beraadslagen in het geheim: Hij is slechts een sterveling, zoals julliezelf; zullen jullie dan toegeven aan tovenarij, terwijl jullie zien?

 

4 Qaala Rabbie ya’-lamul–Qawla fis-samaaa-‘i wal-‘ard: wa Huwas–Samie-‘ul–‘Aliem.

4 Hij zei: Mijn Heer kent (iedere) uitspraak in de hemelen en op de aarde, en Hij is de Hoorder, de Weter.

 

5 Bal qaaloe ‘azghaasu ‘ahlaamim-balif-taraahu bal huwa sjaa-‘ir ! Fal-ya’ tinaa bi–‘Aajatin-kamaaa ‘ursilal-‘awwaloen !

5 Nee, zeggen zij: Een samenraapsel van dromen! Nee, hij heeft het verzonnen! Nee, Hij is een dichter! Dus laat hem een teken tot ons brengen als waar de eerdere (profeten) mee werden gezonden.a

 

6 Maaa ‘aamanat qablahummin-qaryatin ‘ahlaknaahaa : ‘afahoum yu’-minoen ?

6 Geen stad die Wij vóór hen vernietigden geloofde: zullen zij dan geloven?a

 

7 Wa maaa ‘arsalnaa qablaka ‘illaa ridjaalan-noehie ‘ilayhim fas-‘aloe ‘Ahlaz–Zikri ‘in kuntum laa ta’-lamoen.

7 En vóór jou zonden Wij slechts mensen aan wie Wij openbaring stuurden; dus vraag de volgelingen van de Herinnering als jullie niet weten.

 

8 Wa maa dja-‘alnaahum yasadal-laa ya’-kuloenat-ta-‘aama wa maa kaanoe gaalidien.

8 Noch gaven Wij hen lichamen die geen voedsel aten, noch bleven zij bestaan.a

 

9 Summa sadaqnaahumulwa’-da fa–‘andjaynaahum wa man-nasjaaa-‘u wa ‘ahlaknal musrifien.

9 Toen maakten Wij Onze belofte aan hen waar; dus verlosten Wij hen en wie het Ons behaagde, en Wij vernietigden de buitensporigen.

 

10 Laqad ‘anzalnaaa ‘ilaykum Kitaaban-fiehi Zikrukum: ‘afalaa ta’-qiloen ?

10 Waarlijk hebben Wij aan jullie een Boek geopenbaard dat jullie verhevenheid zal brengen. Begrijpen jullie dit dan niet?a


5a. Het lijkt erop dat de Qoeraisj tamelijk verward zijn geweest – en vijandige critici van de Qoer-ān raken nog steeds verward – door de vraag waarmee zij de Qoer-ān zouden kunnen vergelijken. Eerst noemden zij hem sihr, d.w.z. vakkundige eloquentie (T), omdat hij, niettegenstaande hun verzet, toch aantrekkingskracht op hen uitoefende. Maar dan zijn er profetieën die niet kunnen worden voorgebracht door eloguentie alleen, dus noemen zij hem een samenraapsel van dromen. Dan denken ze dat hij een vastgesteld doel bevat, omdat hij de triomf van de Profeet (s.a.w.) en de nederlaag van zijn machtige vijanden voorspelt, en dus noemen zij hem een opzettelijk verzinsel. Als laatste, als om één woord te bedenken dat dit alles combineert, noemen zij hem een dichter. Dan eisen zij een teken zoals dan aan de eerdere profeten was verleend, oftewel hun ondergang, omdat de Qoer-ān herhaaldelijk hun aandacht had gevestigd op het lot van degenen die vóór hen de waarheid hadden afgewezen.

6a. In antwoord daarop wordt hen verteld dat volharding in slechtheid en ongeloof altijd wordt bestraft met vernietiging.

8a. Iedere profeet had dus een sterflijk lichaam dat voedsel nodig had om het te onderhouden, en elk van hen proefde van de dood. Daarom moet Jezus een lichaam gehad hebben dat voedsel nodig had en hij moet van de dood geproefd hebben. Het idee dat hij in leven is wordt in dit vers duidelijk tegengesproken.

10a. Steeds wanneer de tegenstanders eisen dat de straf waarmee wordt gedreigd er moet komen, is het antwoord dat de Qoer-ān een zegen is en een genade voor hen. Diezelfde waarheid wordt hier tot uitdrukking gebracht. Zij eisen een teken zoals dat van voorgaande profeten, maar hen wordt gezegd dat de Qoer-āngeopenbaard is om hen te maken tot een grootse en verheven natie in de wereld. Dzikr betekent verhevenheid, beroemdheid, roem, eer als ook herinnering (LL). Zie ook 2:152, 38:1 voor deze betekenis van dzikr.

 

PARAGRAAF 2: De Waarheid heeft altijd overwonnen

 

11 Wa kam qasamnaa min qaryatin-kaanat zaalimatanwwa ‘ansja’-naa ba’-dahaa qawman aagarien ?

11 En hoeveel steden die niet rechtvaardig waren vernietigden Wij, en daarna deden Wij een ander volk opstaan!

 

12 Falammaaa ‘ahassoe ba’-sanaaa ‘izaa hum–minhaa yarkuzoen.

12 Dus toen zij Onze macht voelden, zie! Zij begonnen er vandaan te vluchten.

 

13 Laa tarkudoe wardji-‘oe ‘ilaa maaa ‘utriftum fiehi wa masaakinikum la-‘allakum tus-‘aloen.

13 Vlucht niet en keer terug naar de gemakkelijke levens die jullie leefden, en naar jullie woningen, zodat jullie ondervraagd kunnen worden.

 

14 Qaaloe yaa-waylanaaa ‘innaa kunnaa zaalimien !

14 Zij zeiden: O wee ons! Waarlijk waren wij onrechtvaardig.

 

15 Famaa zaalat-tilka da’-waahum hattaa dja-‘alnaahum haasiedan gaamidien.

15 En deze schreeuw van hen hield niet op totdat Wij hen afsneden, uitgedoofd.a

 

16 Wa maa galaqnas-samaaa-‘a wal-‘arda wa maa baynahumaa la-‘ibien !

16 En Wij schiepen de hemelen en de aarde en wat zich daartussen bevindt niet als vermaak.a

 

17 Law ‘aradnaaa ‘an-nattagiza lahwal-lattagaznaahu mil-ladunnaaa ‘in-kunnaa faa-‘ilien !

17 Hadden Wij tijdverdrijf gewenst, dan hadden Wij het van Onszelf genomen; Wij zouden dit zeer zeker niet doen.a

 

18 Bal naqzifu bil–Haqqi ‘alalbaatili fa-yadmaguhoe fa-‘izaa huwa zaahiq ! Wa lakumulwaylu mimmaa tasifoen.

18 Nee, Wij slingeren de Waarheid tegen leugen, zodat zij haar aan stukken slaat, en zie! Zij verdwijnt.a En wee jullie om wat jullie beschrijven!

 

19 Wa lahoe man-fis-samaawaati wal-‘ard: wa maa ‘indahoe laa yastakbiroena ‘an ‘ibaadatihie wa laa yastahsiroen.

19 En wie in de hemelen is en wie op aarde is, behoort Hem toe. En degenen die bij Hem zijn, zijn niet te trots om Hem te dienen, noch raken zij vermoeid.

 

20 Yusabbihoenal-layla wannahaara laa yafturoen.

20 Zij verheerlijken (Hem) nacht en dag: zij verflauwen niet.

 

21 ‘Amittagazoe ‘aalihatam-minal-‘ardi hum yunsjiroen ?

21 Of hebben zij aardse goden genomen, die leven schenken?

 

22 Law kaana fiehimaaa ‘aalihatun ‘illal-laahu la-fasadataa ! Fa–Subhaanallaahi Rabbil–‘Arsji ammaa yasifoen !

22 Waren er in hen goden geweest buiten Allāh, dan hadden zij beide in wanorde bestaan. Dus glorie is aan Allāh, de Heer van de Troon, Die uitstijgt boven wat zij beschrijven!a

 

23 Laa yus-‘alu ‘ammaa yaf-‘alu wa hum yus-‘aloen.

23 Hij kan niet worden ondervraagd over wat Hij doet, en zij zullen worden ondervraagd.

 

24 ’Amittagazoe min-doenihie ‘aalihah ? Qul haatoe burhaanakum: haazaa Zikru mam-ma-‘iya wa Zikru manqablie. Bal ‘aksaruhum laa ya’-lamoenal – Haqqa fahummu’-rizoen.

24 Of, hebben zij goden buiten Hem genomen? Zeg: Breng jullie bewijs. Dit is de herinnering van degenen met mij en de herinnering van degenen vóór mij.a Nee, de meestem van hen kennen de Waarheid niet, dus keren zij zich af.

 

25 Wa maaa ‘arsalnaa minqablika mir-rasoelin ‘illaa noehie ‘ilayhi ‘annahoe Laaa-‘ilaaha ‘illaaha ‘illaaa ‘Ana fa-budoen.

25 En Wij hebben geen boodschapper gestuurd vóór jou, of Wij openbaarden aan hem dat er geen god is behalve Ik, dus dien Mij.

 

26 Wa qaaluttakhazar–Rahmaanu waladan–Subhaanah ! Bal-‘ibaadum-mukramoen.

26 En zij zeggen: De Erbarmer heeft Zich een zoon genomen. Glorie is aan Hem! Nee, zij zijn geëerde dienarena –

 

27 Laa yasbiqunahoe bilqawli wa hum-bi-‘amrihie ya’-maloen.

27 Zij spreken niet voordat Hij spreekt, en zij handelen naar Zijn gebod.a

 

28 Ya’-lamu maa bayna ‘aydiehim wa maa galfahum wa laa yasjfa-‘oena ‘illaa limanirtazaa wa hum-min gasj-jatihie musjfiqoen.

28 Hij weet wat er voor hen is en wat er achter hen is, en zij bemiddelen niet, behalve voor degene die Hem welgevallig is, en zij beven uit vrees voor Hem.

 

29 Wa many-yaqul minhum ‘innie ‘ilaahum–min-doenihie fazaalika nadjziehi Djahannam: Kazaalika nadjziz-zaalimien.

29 En wie van hen zou zeggen, ik ben een god buiten Hem, zo iemand zouden Wij vergelden met de hel. Zo belonen Wij de onrechtvaardigen.


15a. De metafoor in hasidafgesneden, komt van het gewas dat geoogst wordt, en die in chāmid, uitgedoofd, van een vuur dat gedoofd wordt en waarvan de as smeulend achtergelaten wordt. De bovenstaande verzen bevatten een duidelijke waarschuwing voor de tegenstanders.

16a. Dit is een voortzetting van de waarschuwing die in de voorgaande verzen gegeven wordt. Zij werden getuigen gemaakt van de tekenen van de waarheid van de Profeet (s.a.w.) en hen wordt nu verteld dat ze in gedachten moeten houden dat deze tekenen er niet voor niets waren. In de natuur heeft iedere oorzaak een gevolg en elk doel wordt bereikt door een middel. Het leven moet serieus genomen worden, en niet gezien worden als een spel.

17a. De in is hier nāfijah, d.w.z. het ontkennen van de stelling die al gemaakt is ("zeer zeker niet"). Tijdverdrijf, lahw, draagt in dit vers dezelfde betekenis als vermaak in het voorgaande vers. De commentatoren zeggen dat lahw, in het dialect van Jeman echtgenote of kind betekent, en zo zou de stelling die in dit vers gemaakt wordt een weerlegging zijn van de christelijke leer dat Jezus Christus de zoon van God is (IJ).

18a. Let op de diepe overtuiging van de Profeet (s.a.w.) omtrent de uiteindelijke overwinning van de Waarheid in de wereld. De Waarheid was in haar volle glorie al zeker doorgedrongen tot zijn gedachten. De krachten van duisternis en leugen die in Arabië overheersten toen deze woorden werden geuit, werden nog tijdens zijn leven tot niets gereduceerd. Hoe machtig deze krachten ook lijken te zijn, zelfs vandaag de dag kunnen zij geen vuist maken tegen de voortgaande mars van de Waarheid.

22a. Er bestaat orde in het universum omdat zij in haar geheel wordt beheerst door één wet, één wet wijst duidelijk op één Auteur en Onderhouder van die wet. De eenheid van de wet is een duidelijk bewijs van de Eenheid van de Schepper.

Merk op dat hier over Allāh gesproken wordt als Rabb al-‘Arsj, zodat de ‘Arsj, ofwel de Troon zelf, door Allāh wordt ondersteund, en het niet Allāh is Die ondersteund wordt door de ‘Arsj.

24a. De grote en fundamentele waarheid van de Eenheid van Allāh is normaal in alle religies; geen enkele profeet onderwees ooit polytheïsme.

26a. Aan de weerlegging van de doctrine dat Jezus Christus de zoon van God is, wordt toegevoegd dat zij geëerde dienaren zijn. De woorden vestigen onze aandacht op het feit dat er naast Jezus ook over anderen gesproken wordt als de zonen van God, maar dat die titel niets meer betekent dan dat zij geëerde dienaren zijn. Jezus is daarom in precies die betekenis een zoon van God.

27a. Dit ver verschaft een afdoende getuigenis voor de zondeloosheid van de profeten. In de eerste plaats spreken zij niet voordat Allāh gesproken heeft, d.w.z. hun woorden zijn gebaseerd op wat Hij hen geleerd heeft en zij spreken niet op eigen gezag. Ten tweede handelen zij, wanneer zij handelen, volgen Zijn gebod. Zo zijn dus zowel hun woorden als hun daden in overeenstemming met de Goddelijke wil, en daarom kan aan hen geen zonde of ongehoorzaamheid aan Allāh worden toegeschreven. De context geeft duidelijk aan dat het vers over profeten spreekt en niet over engelen.

 

 

PARAGRAAF 3: Waarheid van de openbaring

 

30 ‘Awalam yarallaziena kafaroe ‘annas-samaaa-waati wal-‘arda kaanataa ratqan-fafataqnaahumaaa ? Wa dja-‘alnaa minal-maaa-‘i kulla sjay-‘in hayy. ‘Afalaa yu’-minoen?

30 Zien degenen die niet geloven niet dat de hemelen en de aarde waren afgesloten, dus spleten Wij hen open.a En uit waterb maakten Wij al het levende. Willen zij dan niet geloven?

 

31 Wa dja-‘alnaa fil-‘ardi rawaasiya ‘an-tamieda bihim wa dja-‘alnaa fiehaa fidjaadjan-subulalla-‘allahum yahtadoen.

31 En Wij maakten stevige bergen op aarde, opdat zij anders met hen in beroering zou geraken, en Wij maakten er brede wegen in zodat zij een juiste richting konden volgen.a

 

32 Wa dja-‘alnas–samaaa-‘a saqfam-mahfoezaa: wa hum ‘an ‘Aayaatiehaa mu’-rizoen !

32 En Wij hebben de hemel gemaakt tot een beschermd gewelf; toch keren zij zich af van zijn tekenen.a

 

33 Wa Huwallazie gaaqal–Layla wan–Nahaara wasj-sjamsa wal-qamar: kullun-fie falakiny-yasbahoen.

33 En Hij is het Die de nacht en de dag heeft geschapen, en de zon en de maan. Alle bewegen zij zich in banen.

 

34 Wa maa dja-‘alnaa libasjarim-min-qablikal-guld: ‘afa-‘immitta fahumul-gaalidoen ?

34 En vóór jou schonken Wij nog geen sterveling een eeuwig verblijf. Als jij sterft, zullen zij blijven?

 

35 Kullu nafsin-zaaa-‘iqatulmawt : wa nabloekum–bisj-sjarri wal-gayri fitnah. Wa ‘ilaynaa turdja-‘oen.

35 Iedere ziel moet de dood proeven. En Wij testen jullie met kwaad en met goed, om jullie te beproeven. En tot Ons worden jullie teruggebracht.a

 

36 Wa ‘izaa ra-‘aakallaziena kafaroe ‘inyyatta gizoenaka ‘illaa huzuwaa. ‘Ahaazallazie yazkuru ‘aalihatakum ? Wa hum-bi-zikrir – Rahmaani hum kaafiroen !

36 En wanneer degenen die niet geloven jou zien, behandelen zij jou slechts met spot: Is dit degene die over jullie goden spreekt? En zij ontkennen wanneer de Erbarmende Allāh wordt genoemd.a

 

37 Guliqal-‘insaanu min ‘adjal: sa-‘uriekum ‘Aayaatie falaa tasta’-djiloen !

37 De mens is geschapen uit haast.a Spoedig zal ik jullie Mijn tekenen tonen, dus vraag Mij niet hen te bespoedigen.

 

38 Wa yaqoeloena mataa haazal–wa’-du ‘in-kuntum saadiqien ?

38 En zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging ten uitvoer worden gebracht, als jullie de waarheid spreken?a

 

39 Law ya’-lamullaziena kafaroe hiena laa yakuffoena ‘anwwudjoehimun–Naara wa laa an-zuhoerihim wa laa hum yunsaroen !

39 Kenden degenen die niet geloven het moment maar, waarop zij niet in staat zullen zijn hun gezicht te beschermen tegen het vuur, noch hun rug, en zij zullen geen hulp krijgen!

 

40 Bal ta-‘tiehim baghtatan-fatab-hatu-hum falaa yastatie-‘oena raddahaa wa laa hum yunzaroen.

40 Nee, het zal hen plotseling overvallen en hen verbijsteren, zodat zij de kracht niet zullen hebben het af te wenden, noch zal hen respijt worden verleend.

 

41 Wa laqadis-tuhzi-‘a birusulim-min-qablika fahaaqa billaziena sakhiroe minhummaa kaanoe bihie yastahzi-‘oen.

41 En zeker werden de boodschappers vóór jou bespot, dus overkwam degenen die de spot dreven hetgeen waar zij de spot mee dreven.a


30a. De hemelen en de aarde zouden hier voor het hele universum kunnen staan, of voor het zonnestelsel in het bijzonder dat zich ontwikkeld heeft uit een nevelmassa. De fatq of scheiding kan verwijzen naar ofwel de schepping van de sterren, ofwel naar de scheiding tussen de planeten en het zonnestelsel, de grote symmetrie van haar schikking en de bewegingen van de verschillende hemellichamen. Later in v. 33, wordt er verwezen naar de banen van de verschillende planeten. Maar in de afsluiting van de hemelen en de aarde kan ook een diepere zinspeling schuilen. Dit zou kunnen verwijzen naar de beëndiging van Goddelijke openbaring in de periode voor de geboorte van de Heilige Profeet (s.a.w.). Deze periode werd gekenmerkt door de afwezigheid van een profeet in de wereld gedurende zeshonderd jaar, en wereldwijd verspreide corruptie. Het openen van de hemelen en de aarde zou in dit geval de komst van de openbaring betekenen, die leven schonk aan de wereld. Ook in de natuur wordt de aarde geopend door de regen.

30b. Deze stelling onthult een opmerkelijke waarheid aangaande de natuur, een waarheid die de wetenschap pas recentelijk heeft bevestigd en die niet algemeen bekend was in de wereld ten tijde van de Profeet (s.a.w.), nl. dat water de brons is van alle leven. Daarnaast vestigt dit vers ook de aandacht op een even opmerkelijke geestelijke waarheid, dat het slechts Goddelijke openbaring is, die in de Heilige Qoer-ān steeds weer vergeleken wordt met water, die leven schenkt aan een wereld die anderszins zou sterven aan zonde en corruptie.

31a. Vergelijk 16:15, waar bijna dezelfde woorden voorkomen. Een andere betekenis van het eerste deel van het vers is Wij maakten stevige bergen op de aarde opdat zij een bron van weldaad voor jullie mogen zijn. Vergelijk 79:32, 33 en zie ook 16:15a. In het tweede deel van het vers schuilt mogelijkerwijs diepere verwijzing naar de wegen die door profeten onder alle volkeren werden aangewezen.

32a. Arabië had haar spiritualisten, de astrologen en zieners die voorgaven toegang te hebben tot de geheimen van de hemel; zie voor een volledige uitleg hiervan 67:5a. Hen wordt gezegd dat zij onmogelijk over deze toegang kunnen beschikken. Of de betekenis is dat openbaring van Allāh (hier hemel genoemd) besachermd wordt tegen alle aanvallen.

35a. Zij werden gekweld door kleine kwaden, en de beëndiging hiervan bracht hen een periode van goede gebeurtenissen. Dit overkwam hen allemaal als beproeving. De grotere bestraffing die de uiteindelijke omverwerping van hun macht zou moeten brengen, lag voor hen nog in petto.

36a. Aangezien de Arabieren afgodsdienaren waren, wilden zij net als de christenen Allāh niet bij naam Al-Rahmān noemen (zie ook 25:60). Vandaar dat de Erbarmende Allāh hier genoemd wordt als contrast met de afgoden.

37a. De eigenschap haast is zo prominent aanwezig in de mens, dat gezegd kan worden dat hij als het ware uit haast geschapen is. De uitdrukking wordt verduidelijkt door wat er volgt: Spoedig zal Ik julliue Mijn tekenen tonen, dus vraag Mij niet hen te bespoedigen.

38a. Het teken waar zij in het bijzonder keer op keer om vroegen, was dat hen een vernietigende straf zou overkomen, zoals dat vroegere volkeren was overkomen.

41a. De afwijzers van de waarheid hebben het idee dat zij bestraft zouden worden altijd beschimpt. Dit vers en de twee voorgaande, zeggen in niet mis te verstane bewoordingen dat de Waarheid uiteindelijk zal zegevieren.

 

 

PARAGRAAF 4: Allāh behandelt de Mens genadig

 

42 Qul manyyakla-‘ukum-billayli wan-nahaari minar–Rahmaan ? Bal hum ‘an-zikri Rabbihim-mu-rizoen.

42 Zeg: Wie beschermt jullie nacht en dag tegen de Erbarmer?a Nee, zij keren zich af bij het noemen van hun Heer.

 

43 ‘’ Am lahum ‘aalihatun tamna-‘uhum-min–doeninaa ? Laa yastatie-‘oena nasra ‘anfusihim wa laa hum-miennaa yusjaboen.

43 Of, hebben zij goden, die hen tegen Ons kunnen beschermen? Zij kunnen zichzelf niet helpen, noch kunnen zij zich tegen Ons verdedigen.

 

44 Bal matta’-naa haaa-‘ulaaa-‘i wa ‘aabaaa-‘ahum hattaa taala ‘alayhimul-‘umur; ‘afalaa yarawna ‘annaaa na’-til-‘arda nanqusuhaa min ‘atraafihaa ? ‘Afahumul-ghaaliboen?

44 Nee, Wij gaven voorziening aan deze (mensen) en aan hun vaderen, totdat hun leven werd verlengd. Zien zij dan niet dat Wij het land bezoeken, en het inperken langs de randen? Kunnen zij dan overwinnen?

 

45 Qul ‘innamaaa ‘unzirukum bil-wahyi wa laa yasma-‘ussummud-du-‘aaa-‘a ‘izaa maa yunzaroen.

45 Zeg: Ik waarschuw jullie slechts door middel van openbaring; en de doven horen de roep niet wanneer zij worden gewaarschuwd.

 

46 Wa la-‘im-massat-hum nafhatum-min ‘Azaabi Rabbika la-yaqoelunna yaa-waylanaa ‘innaa kunnaa zaalimien !

46 En als een uitbarsting van de straf van jouw Heer hen zou raken, dan zouden zij zeggen: Ach wee ons! Wij waren waarlijk onrechtvaardig.

 

47 Wa naza-‘ul-mawaazienalqista li–Yawmil–Qiyaamati falaa tuzlamu nafsun-sjay-‘aa. Wa ‘in-kaana misqaala habbatim-min gardalin ‘ataynaa bihaa: wa kafaa binaa haasibien.

47 En Wij zullen een rechtvaardige belans opmaken op de dag van de Opstanding, zodat geen ziel ook maar het minste onrecht zal worden aangedaan. En als het zou gaan om het gewicht van een korrel mosterdzaad, dan nemen Wij het mee. En Genoegzaam zijn Wij om de rekening op te maken.

 

48 Wa laqad ‘aataynaa Moesaa wa Haroenal–Furqaana wa Ziyaaa-‘anwwa Zikral-lil–Muttaqien,-

48 En zeker gaven Wij Mozes en Aäron het onderscheid en een licht en een herinnering voor degenen die zich onthouden van het kwaad,a

 

49 ‘Allaziena yag-sjawna Rabbahum-bil-ghaybi wa humminas–Saa-‘ati musjfiqoen.

49 Die hun Heer in het verborgene vrezen en vol angst zijn over het Uur.

 

50 Wa haazaa Zikrum–Mubaarakun ‘anzalnaah: ‘afa-‘antum lahoe munkiroen.

50 En dit is een gezegende Herinnering, die Wij hebben geopenbaard. Willen jullie haar dan ontkennen?


42a. Dat wil zeggen, ware het niet dat Allāh Erbarmend is voor jullie en jullie beschermt, dan zou er niemand zijn die jullie kan beschermen. Of als Hij jullie, ondanks Zijn erbarmen, zou straffen omdat jullie in die mate volharden in zonde dat het vraagt om de toorn van zelfs een Erbarmende Meester, dan zal er niemand zijn die jullie beschermt tegen die bestraffing.

48a. Het onderscheid dat aan Mozes werd gegeven, bestond eruit dat hij verlost werd uit de handen van een zeer machtige vijand. Het laatste vers van de paragraaf voorspelt dat de Profeet (s.a.w.) een soortgelijk teken getoond zou worden.

 

 

PARAGRAAF 5: Abraham wordt verlost

 

51 Wa laqad ‘aataynaaa ‘Ibraahiema rusjdahoe min-qablu wa kunnaa bihie ‘aalimien.

51 En zeker gaven Wij eerder Abraham zijn oprechtheid, en Wij kenden hem goed.a

 

52 ‘Iz qaala li-‘abiehi wa qawmihie maa haazihit-tamaasielullatie ‘antum lahaa ‘aakifoen.

52 Toen hij tegen zijn oudere en zijn volk zei: Wat zijn dit voor een beelden, waar jullie de aanbidding van aanhangen?

 

53 Qaaloe wadjadnaa ‘aabaaa-‘anaa lahaa ‘aabidien.

53 Zij zeiden: Wij zagen dat onze vaderen hen aanbaden.

 

54 Qaala laqad kuntum ‘antum wa ‘aabaaa-‘ukum fie zalaalim-mubien.

54 Hij zei: Zeker hebben jullie, jullie en jullie vaderen, duidelijk in dwaling verkeerd.

 

55 Qaaloe ‘adjie-tanaa bil–Haqqi ‘am ‘anta minal-laa-‘ibien.

55 Zij zeiden: Heb jij ons de waarheid gebracht, of behoor je tot de schertsers.

 

56 Qaala bar–Rabbukum Rabbus-samaa–waati wal-‘ardillazie fatarahunn: wa ‘ana ‘alaa zaalikum-minasj-sjaahidien.

56 Hij zei: Nee, jullie Heer is de Heer van de hemelen en der aarde, Die hen schiep; en ik behoor tot degenen die hiervan getuigen.

 

57 Wa tallaahi la-‘akiedanna ‘asnaamakum ba’-da ‘antuwalloe mudbirien.

57 En, bij Allāh! Ik zal zeker iets ondernemen tegen jullie afgoden, nadat jullie weggaan en (mij) de rug toekeren.

 

58 Fadja-‘alahum djuzaazan ‘illaa kabieral-lahum la-‘allahum ‘ilayhi yardji-‘oen.

58 Dus brak hij hen in stukken, behalve de leider, opdat zij er misschien naar terug zouden keren.a

 

59 Qaaloe man-fa-‘ala haazaa bi-‘aalihaatinaaa ‘innahoe laminaz-zaalimien !

59 Zij zeiden: Wie heeft dit onze goden aangedaan? Hij moet waarlijk tot de onrechtvaardigen behoren.

 

60 Qaaloe sami’-naa fatany-yazkuruhum yuqaalu lahoe ‘Ibraahiem.

60 Zij zeiden: Wij hebben een jongeman, genaamd Abraham, over hen horen spreken.

 

61 Qaaloe fa’-toe bihie ‘alaaa ‘a’-yunin-naasi la-‘allahum yasj-hadoen.

61 Zij zeiden: Breng hem dan voor de ogen van de mensen, misschien dat zij kunnen getuigen.

 

62 Qaaloe ‘a-‘anta fa-‘alta haazaa bi-‘aalihatinaa yaaa–‘Ibrahiem ?

62 Zij zeiden: Heb jij dit onze goden aangedaan, o Abraham?

 

63 Qaala bal fa-‘alalhoe kabieruhum haazaa fas-‘aloehum ‘in-kaanoe yantiqoen !

63 Hij zei: Waarlijk heeft (iemand) het gedaan. Dit is hun leider; dus vraag het hen, als zij kunnen spreken.a

 

64 Faradja-‘oe ‘ilaaa ‘anfusihim faqaaloe ‘innakum ‘antumuz-zaalimoen.

64 Toen draaiden zij zich naar elkaar toe en zeiden: Waarlijk zijn jullie zelf kwaaddoeners;

 

65 Summa nukisoe ‘alaa ru-‘oesihim: laqad ‘alimta maa haaa-‘ulaaa-‘i yantiqoen !

65 Toen moesten zij het hoofd laten hangen:a Jij weet zeker dat zij niet spreken.

 

66 Qaala ‘afa-ta’-budoena min doenillaahi maa laa yanfa-‘ukum sjay-‘anwwa laa yazurrukum ?

66 Hij zei: Dienen jullie dan buiten Allāh wat jullie geen goeddoet, noch kwaad?

 

67 ‘Uffil-lakum wa limaa ta’-bu-doena min-doenillaah ! ‘Afalaa ta’-qiloen ?

67 Schaam je voor wat jullie dienen buiten Allāh! Bezitten jullie dan geen gezond verstand?

 

68 Qaaloe barriqoehu wansuroe ‘aalihatakum ‘in-kuntum faa-‘ilien !

68 Zij zeiden: Verbrand hem, en help jullie goden, als jullie (iets) gaan doen.

 

69 Qoelnaa yaa–Naaru koenie bardanwwa salaaman ‘alaaa ‘Ibraahiem !

69 Wij zeiden: O vuur! Wees koel en vredig voor Abraham:a

 

70 Wa ‘araadoe bihie kaydanfadja-‘alnaahumul-‘ag-sarien !

70 En zijberaamden een plan tegen hem, maar Wij maakten van hen de grotere verliezers.a

 

71 Wa nadjdjay-naahu wa Loetan ‘ilal-‘ardillatie baaraknaa fiehaa lil-‘aalamiem.

71 En Wij verlosten hem en Lot (en leidden hen) naar het land dat Wij hadden gezegend voor de naties.

 

72 Wa wahabnaa lahoe ‘Ishaaq: wa Ya-‘qoeba naafilah: wa kullan-dja-‘alnaa Saalihien.

72 En Wij gaven hem Isaak; en Jakob, de zoon van een zoon. En Wij maakten (hen) allen goed.

 

73 Wa dja-‘alnaahum ‘A-‘immatany-yahdoena bi–‘Amrinaa wa ‘awhaynaaa ‘ilaihim fi-‘lalgayraati wa ‘iqaamas–Salaati wa ‘ietaaa-‘az–Zakaah; wa kaanoe lanaa ‘aabidien.

73 En Wij maakten hen tot leiders die (de mensen) leidden op Ons bevel, en Wij openbaarden aan hen het doen van goed en het onderhouden van het gebed en het geven van aalmoezen, en zij dienden Ons (alleen);

 

74 Wa Loetan ‘aataynaahu Hukmanwwa ‘Ilmanwwa nadjdjaynaahu minal-gharyatillatie kaanat-ta’-malul-gabaaa-‘is-‘innahum kaanoe qawma Saw-‘in-faasiqien.

74 En aan Lot gaven Wij wijsheid en kennis, en Wij verlosten hem uit de stad die afschuwelijke daden verrichtte. Zij waren waarlijk een kwaadaardig volk, overtreders;

 

75 Wa ‘ad-galnaahu fie Rahmatinaa: ‘innahoe minas–Saalihien.

75 En wij lieten hem toe in Onze genade; waarlijk behoorde hij tot de rechtschapenen.


51a. De geschiedenis van Abraham is opgenomen in diverse hoofdstukken van de Heilige Qoer-ān, waarbij de verschillende delen elkaar aanvullen, zodat er zeer weinig wordt herhaald. De volgende opsomming is een complete lijst van alle verwijzingen naar hem: 2:124–132, 133, 135, 136, 140, 258, 260; 3:65–68, 84; 4:125; 6:74–84; 9:114; 11:69–76; 14:35–41; 15:51–60; 16:120–123; 19:41–49; 21:51–72; 22:26–29; 26:69–89; 29:16, 17, 24–27; 37:83–113; 38:45, 46; 43:26–28; 51:24–34; 57:26; 60:4.

58a. Het verhaal waar Abraham de afgoden in stukken breekt wordt verteld in joodse rabbijnse literatuur, Gen. R 38, en Tauna Debe Eliyahu 2:25 (Jewish En.).

63a. Merk op dat er een pauze volgt op de woorden bal fa‘ala-hoe, en dat de stelling kabiroe-hoem hādzā dus onafhankelijk is. Fa‘ala-hoe betekent dus dat een dader het gedaan heeft (Rz). Het woord bal is niet noodzakelijk een partikel van de afnemende trap, dat de ontkenning impliceert van wat eraan vooraf gaat, maar betekent vaak niet meer dan en of zeker. Zo zegt LL: "Soms wordt het gebruikt om de overgang van het ene onderwerp op het andere aan te geven, zonder dat het het voorafgaande opheft en is het synoniem aan wāw, zoals in het gezegde in de Qoer-ān, 85:20, 21." De andere passage, kabiroe-hoem hādza, betekent als onafhankelijke stelling dit is hun leider, omdat dat beeld door Abraham ongebroken was gelaten. Dan volgt de stelling, dus vraag het hen, als zij kunnen spreken. Vraag het de afgoden, werd hen gezegd. Zij werden voor goden gehouden die hun volgelingen konden bevoordelen, of die anderen konden schaden, en toch waren zij niet in staat zichzelf te helpen. Zij werden in duizend stukken gebroken, en toch konden zij hun vernieler niet schaden. Noch konden zij aan hun aanbidders vertellen wie hiervoor verantwoordelijk was. Verder moet worden opgemaakt dat Abraham nooit probeerde te verbergen wat hij gedaan had. In feite had hij de mensen al voor hij de afgoden brak gewaarschuwd dat hij een plan zou bedenken tegen hun afgoden; zie v. 57. Dit verklaarde hij publiekelijk toen hij een meningsverschil met hen had. Zoals vers 58 duidelijk maakt, spaarde hij de leider van de afgoden met als doel opdat zij er misschien naar terug zouden keren. De leider is nog veilig, zouden zij in zichzelf moeten beredeneren, waarom bidden we niet tot hem om uit te vinden wie de anderen brak. Hierop wordt in v. 64 gezinspeeld, waar zij gedwongen worden hun eigen kwade daden te bekennen met betrekking tot de verering van dingen die hen geen goed of kwaad konden doen. Zie ook de verzen die volgen.

65a. Zij moeten hun hoofden laten hangen uit schaamte, want hun goden bleken zelfs zo hulpeloos te zijn dat zij niet in staat waren de persoon te noemen die hen schade had toegebracht.

69a. Het vuur werd voor Abraham koel en vredig gemaakt. In de commentaren worden vele verhalen aangehaald over de omvang van dit vuur en de periode dat Abraham erin verbleef. Betrouwbare commentatoren aanvaarden hen echter niet, daar zij ongegrond zijn. "Er bestaan vele versies van dit verhaal, maar volgens Bahr al-Moehit zijn veel van deze verhalen onstaan door mondelinge overdracht van de gebeurtenissen, terwijl de waarheid slechts bestaat uit wat Allāh heeft gesteld" (RM). De Heilige Qoer-ān stelt nergens dat Abraham werkelijk in een vuur werd geworpen. Zijn tegenstanders hadden zonder twijfel besloten dat zij hem wilden verbranden, zoals hier wordt gezegd, of om hem te doden of te verbranden (29:24). Maar hier in v. 70, alsook in 37:98, wordt ons in heldere bewoordingen verteld dat zij een plan tegen hem hadden beraamd maar dat Wij hen tot de grotere verliezers maakten (v. 70), of Wij brachten hen vernedering (37:98). Dit geeft aan dat hun plan geen effect had. Volgens 29:24 verloste Allāh hem van het vuur, voordat hij erin geworpen werd of nadat hij erin geworpen werd, dat wordt niet gezegd. V. 71 stelt dat de verlossing tot stand gebracht werd door middel van een reis naar een ander land. Het was dus een vlucht naar een andere plaats zoals de Vlucht van de Profeet (s.a.w.) naarMadinah. De geschiedenis van Abraham bevat dan ook een dieper liggende verwijzing naar de geschiedenis van de Profeet (s.a.w.) zelf.

70a. Volgens de Bijbelse berichtgeving over Abraham, ondernam de patriarch succesvolle tochten tegen Chedorlaomer, koning van Elam, en tegen de koningen die zijn bondgenoten waren. Rabbijnse literatuur geeft ook de namen van bepaalde koningen die door Abraham werden verslagen.

 

 

PARAGRAAF 6: Allāh verlost profeten altijd

 

76 Wa Noehan ‘iz naadaa min-qablu fastadjabnaa lahoe fa-nadjdjay-naahu wa ‘ahlahoe minal-karbil-‘aziem.

76 En Noach, toen hij eertijds riep, dus antwoordden Wij hem, en verlosten hem en zijn volk van de grote ramp.

 

77 Wa nasarnaahu minal-qawmillaziena kazzaboe bi–‘Aayaatinaa: ‘innahum kaanoe qawma Saw-‘in-fa-‘aghraqnaahum adjma-‘ien.

77 En Wij hielpen hem tegen de mensen die Onze boodschap afwezen. Waarlijk waren zij een zondig volk, dus verdronken Wij hen allen.

 

78 Wa Daa-woeda wa Sulaymaana ‘iz yah-kumaani fil-harsi ‘iz nafasjat fiehi ganamul-qawm: wa kunnaa li-hukmi-him Sjaa-hidien.

78 En David en Salomo, toen zij hun oordeel gaven over het veld, toen de schapen van de mensen daar verdwaalden in de nacht, en Wij waren getuige van hun oordeel.

 

79 Fafah–hamnaahaa Sulaymaan: wa kullan ‘aataynaa Hukmanwwa ‘Ilmaa: wa saggarnaa ma-‘a Daa-woedaldjibaala yusabbihaa wat-tayr: wa kunnaa faa-‘ilien.

79 Dus zorgden Wij ervoor dat Salomo het begreep. En aan ieder (van hen) gaven Wij wijsheid en kennis. En Wij maakten de bergen, die (Onze) glorie uitdragen, en de volgels,a dienstbaar aan David. En Wij waren de Doeners.

 

80 Wa ‘allamnaahu san-‘ata laboesil-lakum lituhsinakummim-ba’-sikum: fahal ‘antum sjaakiroen ?

80 En Wij leerden hem hoe maliënkolders te maken voor jullie, om jullie te beschermen tijdens jullie oorlogen; willen jullie dan dankbaar zijn?a

 

81 Wa li–Sulaymaanar-rieha ‘aasifatan tadjrie bi–‘amrihie ‘ilal-ardillatie baaraknaa fiehaa: wa kunnaa bi-kulli sjay-‘in ‘aalimien.

81 En aan Salomo (onderwierpen Wij) de heftig waaiende wind, die op Zijn bevel zijn weg vervolgde naar het land dat Wij hadden gezegend, en Wij zijn altijd de Weter van alle dingen.a

 

82 Wa minasj-sjayaatieni many-yagoesoena lahoe wa ya’-maloena ‘amalan-doena zaalik; wa kunnaa lahum Haafizien.

82 En onder de duivels waren er die voor hem doken en daarnaast nog ander werk deden; en Wij hielden over hen de wacht:a

 

83 Wa ‘Ayyoeba ‘iz naadaa Rabbahoe ‘annie massaniyazzurru wa ‘Anta ‘Arhamur-raahimien.

83 En Job, toen hij tot zijn Heer riep: Ik word door leed gekweld! En U bent de meest Barmhartige onder degenen die barmhartig zijn.

 

84 Fastadjabnaa lahoe fakasjafnaa maa bihie min-zurrinwwa ‘aataynaahu ‘ahlahoe wa mislahum-ma-‘ahum Rahmatam-min ‘Indinaa wa zikraa-lil-‘aabidien.

84 Dus beantwoordden Wij hem en verwijderden het leed dat hem kwelde, en Wij gaven hem zijn mensen en met hen hun gelijken: een genade van Ons en een herinnering voor de aanbidders.a

 

85 Wa ‘Ismaa-‘iela wa ‘Idriesa wa Zal-kfl: kullum-minas–Saabirien;

85 En Ismaël en Idris en Dzoe-l-Kifl; allen behoorden zij tot de geduldigen;a

 

86 Wa ‘ad-galnaahum fie Rahmatinaa: ‘innahum-minas–Saalihien.

86 En Wij lieten hen toe tot Onze genade; waarlijk behoorden zij tot de goeden.

 

87 Wa Zan–Noeni ‘iz-zahaba mughaaziban fazanna ‘allannaqdira ‘alayhi fanaadaa fizzulumaati ‘al– "Laaa-‘ilaaha ‘illaaa ‘Anta Subhaanaka ‘innie kuntu minaz-zaalimien" !

87 En Dzoe-l-Noen,a toen hij vol toorn vertrok,b en hij dacht dat Wij hem niet zouden beperken,c dus riep hij vanuit zijn kwellingen:d Er is geen God behalve U, glorie aan U! Waarlijk behoor ik tot degenen die verlies lijden.e

 

88 Fastadjabnaa lahoe wa nadjdjaynaahu minal-qamm: wa kazaalika nundjil–Mu’-minien.

88 Dus beantwoordden Wij hem en verlosten hem van smart. En zo verlossen Wij de gelovigen.

 

89 Wa Zakariyyaaa ‘iz naadaa Rabbahoe Rabbi laa tazarnie fardanwwa ‘Anta gayrulwaarisien.

89 En Zacharias, toen hij tot zijn Heer riep: Mijn Heer, laat mij niet alleen! en U bent de Beste van de erfgenamen.a

 

90 Fastadjabnaa lahoe wa wahabnaa lahoe Yahyaa wa ‘aslahnaa lahoe zawdjah. ‘Innahum Kaanoe yusaari-‘oena filgayraati wa yad-‘oenanaa ragabanwwa rahabaa: wa kaanoe lanaa gaasji-‘ien.

90 Dus beantwoordden Wij hem en gaven hem Johannes en maakten zijn echtgenote voor hem geschikt.a Waarlijk waren zij gewoon met elkaar te wedijveren in goede daden, en zij riepen Ons aan, vol van hoop en vrees; en zij waren nederig tegenover Ons.

 

91 Wallatie ‘ah-sanat fardjahaa fanafagnaa fiehaa mir–Roehinaa wa dja-‘alnaahaa wabnahaa ‘Aayatal-lil-‘aalamien.

91 En degene die haar kuisheid bewaarde,a dus bliezen Wij haar van Onze inspiratie in, en maakten haar en haar zoon tot een teken voor de naties.

 

92 ‘Inna haazihie ‘ummatukum ‘Ummatanw–Waahidatanwwa ‘Ana Rabbukum fa-budoen.

92 Deze gemeenschap van jullie is immers één enkele gemeenschap, en Ik ben jullie Heer, dus dien Mij.a

 

93 Wa taqatta-‘oe ‘amrahum-baynahum: kullun ‘ilaynaa raadji-‘oen.

93 En zij verbraken hun onderlinge banden: tot Ons zullen allen terugkeren.


79a. Elders wordt gesteld dat alles wat er in de hemelen en op aarde bestaat dienstbaar is gemaakt aan de mens (45:13). Ook wordt er bij verschillende gelegenheden gezegd dat de rivieren, de zee, de zon en de maan, nacht en dag, enz., aan de mens dienstbaar zijn gemaakt (16:12, 14; 13:2, enz.). Dit verklaart de betekenis van het aan David dienstbaar maken van bergen en vogels. Er wordt van een ding gezegd dat het dienstbaar wordt gemaakt aan de mens als die het in zijn voordeel kan gebruiken. Merk verder op dat alles in de hemelen en op aarde de glorie van Allāh uitdraagt (17:44). Zie echter ook 34:10a, waar een soortgelijke verklaring voorkomt. In die voetnoot wordt bewezen dat deze bewering verwijst naar de overwinningen van David. Zie voor andere verwijzingen naar David 2:251; 4:163; 5:78; 6:84; 27:15, 16; 34:10–13; 38:17–30.

80a. Hier wordt niet gezegd dat het maken van maliënkolders niet bekend was aan David. Hij streed in vele veldslagen en tegen sterke vijanden, en er bestaat geen twijfel over dat hij in deze veldslagen de legers van Israël op de best mogelijke manier moest uitrusten. Zie verder 34:10b, 11a.

81a. Zie voor andere verwijzingen naar Salomo 2:102; 4:163; 6:84; 27:15–44; 34:12–14; 38:30–40. De vloot van Salomo was erg belangrijk voor hem, en dit is wat er bedoeld wordt als er wordt gezegd dat de wind dienstbaar werd gemaakt aan Salomo. Volgens de Bijbelse geschiedenis, "verenigde hij zich met de Phoeniciërs in maritieme handel, en stuurde hij eens in de drie jaar een vloot van Ezion-geber aan het begin van de Golf van Aqaba, naar Ophir, waarschijnlijk aan de oostkust van het Arabische schiereiland. Aan deze verre haven en andere onderweg, ottrok hij geweldige hoeveelheden goud en tropische producten. Deze opbrengsten gaven hem de bijna onbegrensde mogelijkheid de glorie van zijn hoofdstad en paleis te vergroten, en om zijn burgerlijke en militaire organisatie te vervolmaken" (Jewish En.). Vergelijk ook 14:32: "En Hij heeft ervoor gezorgd dat de schepen dienstbaar zijn aan jullie en dat zij hun koers over zee volgen volgens Zijn bevel."

82a. Elders zien we: "En de duivels, iedere bouwer en duiker, en anderen in ketenen geslagen" (38:37, 38). Salomo stelde vreemdelingen die hij onderworpen had te werk als duikers en bouwers. Het woord sjaitān (of duivel) beduidt iemand die bijzonder trots, opstandig of vrijpostig is, of het nu een mens, of een djinn of een beest is )LL). Zie verder 38:38a.

84a. In vv. 41 – 44 van het 38e hoofdstuk wordt Job nogmaals na Salomo genoemd, en in meer detail. Ook daar wordt er van hem gezegd dat hij zijn mensen (ahl) en met hen hun gelijken kreeg. Daar hebben we echter duidelijke aanwijzingen dat het leed waarover hier gesproken wordt verwijst naar een reis die hij ondernam in verband met de missie die hem was toevertrouwd. Als een gevolgd van deze reis verloor hij zijn volk, of werd hij van hen gescheiden. Het lijkt erop dat hij naar een veilige plaats moest vluchten, en uiteindelijk vond hij daar niet alleen zijn eigen volk, maar ook anderen net als hen, d.w.z. hij vond in zijn schuilplaats anderen die in hem geloofden. Het verhaal vam Job zoals het wordt verteld in de Heilige Qoer-ān heeft in feite niets gemeen met het uitgebreide boek van Job in de Bijbel. Het is eigenlijk een profetische tekst die verwijst naar de Vlucht van Makkah naar Madinah van de Profeet (s.a.w.) zelf. Daar trof hij niet alleen zijn volgelingen uit Makkah, maar ook ongeveer een gelijk aantal gelovigen in Madinah. Zie verder 38:14a, 42a, 43a.

85a. Dzoe-l-Kift betekent letterlijk iemand die een deel heeft dat zou voldoen (R.). De commentatoren verschillen van mening over zijn identificatie met een van de Bijbelse profeten, Zacharias, Elia of Jozua (Rz). Rodwell stelt gebaseerd op Travels van Niebuhr, dat de Arabieren Ezekiël bij de naam Kifl noemden. De suggestie dat met de naam Dzoe-l-Kifl de profeet Ezekiël bedoeld wordt is daarom het meest gefundeerd. Deze profeet wordt nog slechts eenmaal genoemd, net als hier zonder enige verdere verwijzing naar zijn geschiedenis, in 38:48.

87a. Dzoe-l-Noen is een andere naam voor Jona. Het Arabische equivalent van die laatste is Joenoes, onder welke naam de profeet genoemd wordt in 6:86, 10:98 en 37:139. Noen bettekent een grote vis (R.), en Dzoe-l-Noen betekent dus heer van de vis. In een heel vroege openbaring wordt over Jona gesproken als de metgezel van de vis (68:48). Deze beide betitelingen lijken af te stammen van de gebeurtenis met de vis, die uitgelegd wordt in 37:142a.

87b. Hier wordt ons verteld dat Jona toornig wegging, en wat hier kennelijk bedoeld wordt is dat hij boos was op zijn volk en hen verliet voor een andere plaats. Dat een profeet boos is op Allāh is eenvoudig ondenkbaar. Bovendien wordt hier van hem gezegd dat hij weggaat, terwijl geen mens eraan kan denken weg te gaan uit de aanwezigheid van de Alomtegenwoordige. Hij was boos op zijn volk vanwege hun koppigheid, zegt Rāzi. Zie ook 37:140a.

87c. Het is verkeerd om de woorden lan naqdira ‘alai-hi te verlaten als Wij hadden geen macht over hem. "Het kan niet komen van al-qoedrah (wat macht of mogelijkheid betekent); want hij die dit denkt is een ongelovige." De betekenis is, En hij dacht dat Wij hem niet zouden beperken of Wij zouden Ons niet tegen hem uitspreken (LL). In de Qoer-ān zelf wordt hetzelfde woord vertaald als beperken. Zie 13:26, waar wa jaqdiroe betekent Hij beperkt (voorzieningen), en ook in 65:7, waar qoedria beperkt betekent. Toen hij zijn volk koppig bevond ging hij weg en was boos op hen en dacht, of liever wist (zanna), dat er een of andere weg voor hem open zou liggen om ergens mensen van leiding te voorzien.

87d. Zoeloemāt al-bahr betekent calamiteiten of ontberingen van de zee (LL). Kwellingen worden vergeleken met het duister omdat de mens niet in staat is een weg te vinden uit zijn kwellingen, zodat het is als of hij zich in duisternis bevindt.

87e. Het woord zoelm betekent allereerst al naqs (in de betekenis van verlies of schade doen lijden (LL). In de Qoer-ān (18:33), wordt over de tuinen gezegd zij leverden hun vruchten en zij faalden niet (lam tazlim) op enigerlei wijze hierin, waar zoelm eenvoudigweg mislukking betekent. Oorspronkelijk betekent zoelm "het zetten van een ding op een plaats die niet de zijne is, het op een verkeerde plaats zetten, het verkeerd plaatsen, en dat komt door overdrijving of door tekortkoming" (R, T, LL). Zalama betekent ook hij legde hem een ding op dat boven zijn macht of kunnen uitsteeg (LL), en in deze betekenis wordt het woord soms op een goede manier gebruikt als een mens zichzelf een zware taak oplegt om Allāh te behagen. In deze betekenis wordt hier over Jona gesproken als behorend tot de zālimin. Het betekent dat hij zichzelf verlies doet lijden door zijn oorspronkelijke plaats te verlaten, of dat hij gefaald heeft recht te doen aan de boodschap die hem was toevertrouwd, of een van de andere betekenissen die hierboven zijn uitgelegd. Men moet ook niet vergeten dat het woord zoelm alles kan betekenen tussen de kleinste afwijking van iemands plicht tot de zwaarste overtreding.

89a. Dat wil zeggen, iemand die over zal blijven nadat allen gestorven zijn.

90a. Met geschikt maken wordt bedoeld geschikt om een kind te dragen, omdat zij onvruchtbaar zou zijn.

91a. Er wordt hiet niets gezegd over onbevlekte ontvangenis. Het bewaren van kuisheid sluit de wettige verbintenis van echtgenoot en echtgenote niet uit; zie 23:5a voor de betekenis van foeroedj.

92a. Het basisprincipe van alle religies dat door de profeten onderwezen wordt is altijd één en hetzelfde geweest in alle tijden en alle landen, namelijk dat Allāh de Heer over allen is en dat alleen Hij gediend moet worden. Daarom worden alle profeten hier tot één gemeenschap verklaard; allemaal leidden zij mensen naar deugdzaamheid door Allāh te dienen. Maar zoals het volgende vers aantoont, verbraken hun volgelingen deze eenheid.

 

 

PARAGRAAF 7: De rechtschapenen zullen het land erven

 

94 Famany-ya’-mal minas–Saalihaati wa huwa Mu’-minun falaa kufraana li-sa’-yih: wa ‘Innaa lahoe kaatiboen.

94 Dus wie goede daden doet en een gelovige is, zijn inspanning wordt niet afgewezen, en Wij schrijven (het) zeker voor hem op.

 

95 Wa haraamun ‘alaa qaryatin ‘ahlaknaahaaa ‘annahum laa yardji-‘oen.

95 En het is verboden aan een stad die Wij vernietigen: zij zullen niet terugkeren.a

 

96 Hataaa ‘izaa futihat Ya’-djoedju wa Ma’-djoedju wa hummin-kulli hadabiny-yansiloen.

96 Zelfsa wanneer Gog en Magog worden losgelaten, en zij optrekken vanuit iedere verheven plaats.b

 

97 Waqtarabal–Wa’-dul–Haqqu fa-‘izaa hiya sjaagisatun ‘absaarullaziena kafaroe: yaawaylanaa qad kunnaa fie ghaflatim-min haazaa bal kunnaa zaalimien !

97 En de Ware Belofte komt nader, zie dan! De ogen van degenen die niet geloven zullen open en verstard zijn: O wee ons! Waarlijk sloegen wij hier geen acht op; nee, wij waren onrechtvaardig.a

 

98 ‘Innakum wa maa ta’-budoena min doenillaahi hasabu Djahannam ! ‘Antum lahaa waaridoen !

98 Waarlijk zijn jullie en wat jullie aanbaden buiten Allāh brandstof voor de hel; tot haar zullen jullie komen.a

 

99 Law kaana haaa-‘ulaaa-‘i ‘aalihatam-maa waradoehaa ! Wa kullun-fiehaa gaalidoen.

99 Waren dit goden geweest, dan waren zij daar niet gekomen. En allen zullen daarin verblijven.

 

100 Lahum fiehaa zafierunwwa hum fiehaa laa yasma-‘oen.

100 En zij zullen daarin kreunen en daarin zullen zij niets horen.a

 

101 ‘Innallaziena sabaqat lahum-minnal–Husnaaa ‘ulaaa-‘ika ‘anhaa mub-‘adoen.

101 Degenen voor wie het goede van Ons reeds is uitgegaan, zij zullen hier ver van worden gehoudena –

 

102 Laa yasma-‘oena hasiesahaa : wa hum fie masjtahat ‘anfusuhum gaalidoen.

102 Zij zullen er nog niet het minste geluid van opvangen en zij zullen daar verblijven waar hun zielen naar verlangen.a

 

103 Laa yahzunuhumul–Faza-‘ul–‘Akbaru wa tatalaqqaahumul-malaaa-‘ikah: haazaa Yawmuku-mullazie kuntum toe-‘adoen.

103 De vreselijke Verschrikking zal hen niet deren, en de engelen zullen hen tegemoet komen: Dit is jullie dag die aan jullie werd beloofd.

 

104 Yawma natwis-samaaa-‘a katayyis-sidjilli lil-kutub: kamaa bada’-naaa ‘awwala galqin-nu-‘ieduh : wa’-dan ‘alaynaa: ‘Innaa kunnaa faa-‘ilien.

104 De dag waarop Wij de hemel oprollen zoals een beschreven papierrol wordt opgerold. Zoals Wij de eerste schepping begonnen, zullen Wij haar reproduceren. Een (bindende) belofte voor Ons. Wij zullen haar ten uitvoer brengen.a

 

105 Wa laqad katabnaa fiz–Zaboeri mim-ba-diez–Zikri ‘annal-‘arda yarisuhaa ‘Ibaadiyas–Saalihoen.

105 En zeker schreven Wij in het Boek na de herinnering dat Mijn rechtschapen dienaren het land zullen erven.a

 

106 ‘Inna fie haazaa la–Balaagal-li-qawmin ‘Aabidien.

106 Waarlijk schuilt hierin een boodschap voor een volk dat (Ons) dient.

 

107 Wa maaa ‘arsalnaaka ‘illaa Rahmatal-lil-‘aalimien.

107 En Wij hebben jou slechts gestuurd als een genade voor de naties.a

 

108 Qul ‘innamaa yoehaaa ‘ilayya ‘annamaaa ‘Ilaahukum ‘Ilaahunw–Waahid: fahal ‘antum– Muslimoen ?

108 Zeg: Er is mij slechts geopenbaard dat jullie Allāh één Allāh is: zullen jullie je dan onderwerpen?

 

109 Fa–‘in-tawallaw faqul ‘aazantukum ‘alaa sawaaa’; wa ‘in adrie ‘aqariebun am ba-‘iedum-maa toe-‘adoen.

109 Maar als zij terugkeren, zeg: Ik heb jullie in alle eerlijkheid gewaarschuwd, en ik weet niet of dat wat jullie beloofd is dichtbij is of ver weg.

 

110 ‘Innahoe ya’-lamul-djahra minal-qawli wa ya’-lamu maa taktumoen.

110 Waarlijk weet Hij wat er openlijk wordt gezegd en Hij weet wat jullie verbergen.

 

111 Wa ‘in ‘adrie la-‘allahoe fitnatullakum wa mataa-‘un ‘ilaa hien.

111 En ik weet niet of dit een beproeving voor jullie zal zijn en een voorziening tot aan een tijd.

 

112 Qaala Rabbih–kum-bil–Haqq ! Wa Rabbunar–Rahmaanul–Musta-‘aanu ‘alaa maa tasifoen !

112 Hij zei: Mijn Heer, oordeelt U naar waarheid. En onze Heer is de Erbarmer, Wiens hulp wordt gezocht tegen wat jullie (Hem toeschrijven.


95a. Met qarjah, d.w.z. stad, wordt hier ahl qarjah bedoeld, d.w.z. de bevolking van een stad. De gewone betekenis van harām is verboden, en de betekenis van het eerste deel van het vers is dat het hen verboden is terug te keren tot het leven. Dit wordt duidelijk gemaakt door de woorden zij zullen niet terugkeren. Maar sommige commentatoren, waaronder I‘Ab, hebben harām uitgelegd als wādjib of bindend, en hij citeert een vers uit preïslamitische dagen om dit te ondersteunen (Rz).

Dit vers openbaart de grote waarheid dat degenen die van de dood proeven niet terug gestuurd worden naar deze wereld. Er is ook een uitspraak van de Profeet (s.a.w.) opgetekend volgens welke Djābir, zoon van ‘Abd Allāh, van de Profeet (s.a.w.) te horen kreeg dat zijn vader, die gedood was in een gevecht met de vijanden van de Islām na door de Almachtige gevraagd te zijn wat hij het meest begeerde, de wens uitdrukte terug te keren in die wereld om opnieuw gedood te worden voor de zaak van de Waarheid. Hij ontving het antwoord dat dit niet mogelijk was, want "van Mij is het woord uitgegaan dat zij niet terug zullen keren" (IM. 24:15). De slotwoorden zijn duidelijk de slotwoorden van dit vers. Vandaar dat zowel de Qoer-ān als de Hadies afdoende aantonen dat niemand die dood is terugkeert naar dit wereldse leven.

96a. Het voorgaande vers bevat een verbod op de terugkeer naar het leven van de doden, of op de opkomst van volkeren die eens vernietigd zijn. Dit vers brengt naar voren dat zelfs Gog en Magog, ondanks hun overwicht in de hele wereld, diezelfde wet zullen volgen. Voor hattā in de betekenis van zelfs, zie LL die Mgh citeert.

96b. Zie 18:94a voor Gog en Magog, waar dit vers ook wordt uitgelegd in verband met het afbrokkelen van de barrière die was opgeworpen om de plundering van Gog en Magog tegen te houden. De woorden zij trokken op vanuit iedere verheven plaats betekenen dat zij bezit zullen nemen van iedere gunstige en voordelige positie, om zo de hele wereld te overheersen. Hetzelfde idee wordt met andere woorden tot uitdrukking gebracht in de Hadies, waarvoor verwezen wordt naar 18:98a.

97a. De Ware Belofte die naderbij komt met de overheersing door Gog en Magog, is de belofte van de uiteindelijke overwinning door de Waarheid. "Hij is het Die Zijn Boodschapper heeft gestuurd met de leidraad en de Religie van de Waarheid, opdat Hij ervoor kan zorgen dat zij zegeviert over alle religies" (9:33). Hieraan wordt ook gerefereerd in 18:99, nadat er gesproken is over het grote conflict van Gog en Magog, met de woorden dan zullen Wij hen allen samenbrengen; zie 18:99a. Zo is het moment dat Gog en Magog de hele wereld overwinnen ook het moment waarop de Waarheid voet aan de grond zal krijgen en over de hele wereld zal heersen. Eerst zal materialisme zich over de hele wereld uitbreiden, maar dat zal een mislukking blijken te zijn. Daarna zal de geestelijke Waarheid gaan schijnen en de mensen zullen voelen dat zij deze niet alleen niet hadden opgemerkt, maar dat zij zelfs onterecht hadden geprobeerd deze te onderdrukken.

98a. Vergelijk 18:100: "En op die dag zullen Wij de hel zichbaar gemaakt voor de ongelovigen brengen"; zie 18:100a.

100a. Diegenen die een doof oor naar de Waarheid keren zullen in het leven na de dood doof worden opgewekt en daarom horen zij niet.

101a. Dit vers wijst het verkeerde idee dat zelfs de rechtschapenen eerst naar de hel zullen gaan volkomen af. Zij zullen zelfs niet het minste geluid ervan horen, zoals het volgende vers duidelijk maakt.

102a. Het is de gelukzaligheid van de gemeenzaamheid met het Goddelijke Wezen waarnaar de zielen van de rechtschapenen verlangen, dus is het die zegen waarin zij in het Hiernamaals zullen leven.

104a. In dit vers worden diverse uitspraken gedaan. De eerste is het oprollen van de hemel zoals een beschreven papierrol. Dit betekent dat de oude orden geheel weggevaagd zal worden, net zoals wanneer een schrijven wordt opgerold wanneer het voltooid is. Dit gebeurde zonder twijfel in Arabië ten tijde van de verschijning van de Heilige Profeet (s.a.w.). De oude orde was geheel weg en een nieuwe beschaving had haar plaats ingenomen. De grondigheid van de hervorming op alle vlakken van menselijke activiteit, zoals deze door de Profeet (s.a.w.) tot stand werd gebracht, is nu een universeel toegegeven feit. Maar dan volgt de stelling: Zoals Wij de eerste schepping begonnen, zullen Wij haar herscheppen. Het wegvagen van de oude orde betekende zonder twijfel dat er een nieuwe orde geschapen zal worden. Dit is de eerste schepping waarnaar hier verwezen wordt – het tot stand brengen van een nieuwe orde bij de komst van de Profeet (s.a.w.). En dan wordt ons verteld dat de nieuwe orden weer herschapen zal worden. Deze herschepping refereert aan wat in het eerste deel van de paragraaf gesteld wordt – dat Gog en Magog de hele wereld zullen overheersen, en dat zij zo zelfs de Islām zullen overwinnen. De geestelijke wederopwekking waartoe de Islām aanleiding gaf zou zo lijden aan een terugval onder de overheersing van een materiële kijk op de wereld door het overwicht van Gogf en Magog. Maar deze terugval, zo wordt ons hier verteld, zou slechts tijdelijk zijn, en een geestelijk ontwaken gelijk aan het eerste geestelijk ontwaken, zou dan in de hele wereld tot stand worden gebracht. Deze verklaring wordt gevolgd door de woorden: Een bindende belofte voor Ons. De belofte van de ultieme overwinning van de Waarheid over de hele wereld komt vaak voor in de Heilige Qoer-ān, zowel in vroege als in latere openbaringen, en de tijdelijke terugval waarop hier gezinspeeld wordt wordt ook vaak genoemd. Bij tenminste één gelegenheid wordt volledig duidelijk gemaakt dat het een terugval zal zijn die zich over duizend jaar zal uitstrekken (32:5); zie 32:5a.

105a. De Qoer-ān heeft de ongelovigen herhaaldelijk gewaarschuwd dat de Islām zou zegevieren in het land, en dat de rechtschapen dienaren die werden onderdrukt eens heersers over het land zouden worden. De woorden bevatten ook een profetie over de bezetting van het Heilige Land door de moeslims, die vervuld in het kalifaat van ‘Oemar. Vergelijk Ps. 37:29. Maar zoals al eerder is opgemaakt, spreekt de Qoer-ān hier over de hele wereld en ons wordt verteld dat de Waarheid uiteindelijk over de hele wereld zal triomferen, die op die manier geërfd zou worden door de rechtschapenen. Dit wordt in v. 107 duidelijk gemaakt.

107a. Terwijl de woorden zonder twijfel een verwijzing bevatten naar de genadige behandeling van de tegenstanders van de Profeet (s.a.w.), is de werkelijke betekenis dat de komst van de Profeet (s.a.w.) een genade zal blijken te zijn. Niet alleen voor de Arabieren omdat het hen een vooraanstaande natie in de wereld zal maken, maar voor de hele mensheid. Dat de Profeet (s.a.w.) een genade is voor de ‘ālamin, ofwel alle naties van de wereld, geeft aan dat uiteindelijk alle naties in de Goddelijke genade zullen worden opgenomen die door hem gemanifesteerd werd. Nu al hebben de leerstellingen van de Qoer-ān niet alleen zijn volgelingen begunstigd, maar zelfs degenen die nog steeds zijn boodschap afwijzen, want ondanks hun afwijzing ervan, hebben zij veel van zijn principes geaccepteerd.