20- Ta Ha (TA HA)

HOOFDSTUK 20 TĀ HĀ

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 8 paragrafen; 135 verzen

De beginletters van dit hoofdstuk, voor welke verwezen wordt naar 1a, dienen als titel. Het grootste deel van het hoofdstuk is gewijd aan het verhaal van Mozes, en laat zien hoe Mozes succes had nadat hij verschillende beproevingen had ondergaan. Het onderwerp van het hoofdstuk wordt gegeven in de eerste stelling van v. 2, namelijk dat de Qoer-ān geopenbaard werd om te zegevieren in de wereld.

Het vorige hoofdstuk vertelt uitgebreid het verhaal van Jezus, en wordt gevolgd door een hoofdstuk dat gedetailleerd ingaat op het verhaal van Mozes. Het opent met een geruststellende boodschap aan de Heilige Profeet (s.a.w.), die tot doel heeft dat hij zich niet laat ontmoedigen door de verbitterde tegenstand tegen zijn prediking. Zijn missie zal immers zeker met succes worden bekroond. De eerste vijf paragrafen (van de acht in totaal) worden in beslag genomen door het verhaal van Mozes, waarbij tegen het einde van de vijfde paragraaf de missie van de Profeet (s.a.w.) wordt geïntroduceerd. De overblijvende drie paragrafen worden in beslag genomen door een omschrijving van de tegenstand tegen de Profeet (s.a.w.) en de gevolgen van die tegenstand.

De openbaring van dit hoofdstuk behoort tot dezelfde periode als die van het vorige hoofdstuk. Zowel Ibn Hisjām als Ibn Sa‘d verbinden dit hoofdstuk met het verhaal van ‘Oemars bekering tot de Islām die plaatsvond in het vijfde jaar van de Roeping van de Profeet (s.a.w.). Doordat dit hoofdstuk aan ‘Oemar werd voorgedragen door zijn zus, veranderde ‘Oemars moordlustige intentie aangaande de Profeet (s.a.w.) in een gevoel van diepgaande liefde en respect voor hem.


PARAGRAAF 1: Mozes wordt geroepen

Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

1 Taa–Haa.

1 O mens,a

 

2 Maaa ‘anzalnaa ‘alaykal–Qur-‘aana litasjqaaa,

2 Wij hebben de Qoer-ān niet aan jou geopenbaard opdat je niet succesvol zult zijn;a

 

3 ‘Illaa tazkiratal-limanyyagsjaa,-

3 Maar het is een herinnering aan degene die vreest:

 

4 Tanzielam-mimman galaqal-‘arda was-samaa-waatil-‘ulaa.

4 Een openbaring van Hem Die de aarde en de hoge hemelen schiep.a

 

5 Ar–Rahmaanu ‘alal–‘Ar-sjistawaa.

5 De Erbarmer is gezeteld op de Troon van Macht.

 

6 Lahoe maa fis-samaa-waati wa maa fil-‘ardi wa maa baynahumaa wa maa tahtas-saraa.

6 Aan Hem behoort alles wat in de hemelen is en alles wat op de aarde is en alles wat zich daartussen bevindt en alles wat onder de grond is.

 

7 Wa ‘in-tadjhar bil-qawli fa-‘innahoe ya’-lamus-sirri wa agfaa.

7 En als jij de uitspraak hardop doet, kent Hij zeker het geheim, en wat nog dieper verborgen ligt.a

 

8 ‘Allaahoe laaa ‘ilaaha ‘illaa Hoe ! Lahul–‘Asmaaa-‘ul–Husnaa.

Allāh – er is geen God behalve Hij. De mooiste namen zijn van Hem.

 

9 Wa hal ‘ataaka hadiesu Moesaa ?

9 En is het verhaal van Mozes tot jou gekomen?

 

10 ‘Iz ra-‘aa naaran-fa-qaala li-ahlihim-kusoe ‘innie ‘aanastu naaral-la-‘allie ‘aatiekum-minhaa bi-qabasin ‘aw ‘adjidu ‘alan-naari hudaa.

10 Toen hij een vuur zag, zei hij tot zijn volk: Wacht, ik zie een vuur; misschien kan ik jullie daar vandaan een brandende kool brengen of vind ik leiding bij het vuur.a

 

11 Falammaaa ataahaa noediya yaa–Moesaa !

11 En toen hij daar aankwam, kwam er een stem O Mozes,

 

12 ‘Innie ‘Ana Rabbuka fagla na’-layk: ‘innaka bilwaadil-muqaddasi Tuwaa.

12 Ik ben waarlijk jouw Heer, dus trek jouw schoenen uit; waarlijk ben jij in de heilige vallei Toewā.a

 

13 Wa ‘anag-tartuka fastami’ limaa yoehaa.

13 En Ik heb jou verkozen, dus luister naar wat er geopenbaard wordt:

 

14 ‘Innanie ‘Anallaahu laaa ‘ilaaha ‘illaaa ‘Ana fa’-bunie wa ‘aqimis–Salaata li-zikrie.

14 Waarlijk ben Ik Allāh, er is geen God behalve Ik, dus dien Mij, en onderhoud het gebed om Mij te gedenken,

 

15 ‘Innas–Saa-‘ata ‘aatiyatoen ‘akaadu ‘ugfiehaa li-tudjzaa kullu nafsim-bimaa tas-‘aa.

15 Het Uur is waarlijk op komst – Ik sta op het punt het openbaar te makena – zodat iedere ziel beloond kan worden naar zijn streven.

 

16 Falaa yasuddannaka ‘anhaa mallaa yu’-minu bihaa wattaba-‘a hawaahu fatardaa !

16 Dus laat degene die er niet in gelooft en die zijn lage verlangens volgt, jou er niet van afkeren, opdat jij niet ten onder gaat.

 

17 Wa maa tilka bi-yamienika yaa–Moesaa ?

17 En wat is dit in jouw rechterhand, o Mozes?

 

18 Qaala hiya ‘asaaya ‘ata wakka-‘u alayhaa wa ‘ahusj-sju bihaa ‘alaa ganamie wa liyaa fiehaa ma-‘aariebu ‘ugraa.

18 Hij zei: Dit is mijn staf – ik leun erop en ik sla er bladeren mee voor mijn schapen, en ik gebruik hem voor andere dingen.

 

19 Qaala ‘alqihaa yaa–Moesaa !

19 Hij zei: Werp hem neer, o Mozes.

 

20 Fa-‘alqaahaa fa-‘izaa hiya hayyatun-tas-‘aa.

20 Dus wierp hij hem neer, en zie! Het was een slang glijdend.a

 

21 Qaala guzhaa wa laa tagaf : sanu-‘iduhaa sieraatahal-‘oelaa…

21 Hij zei: Pak hem beet en vrees niet. Wij zullen hem tot zijn vroegere staat terugbrengen.

 

22 Wazmum yadaka ‘ilaa djanaahika tagrudj bayzaaa-‘a min ghayri soe-‘in ‘Aayatan ‘ugraa,-

22 En duw je hand tegen je zij, hij zal er wit uitkomen zonder kwaad – nog een teken:a

 

23 Li-nuriyaka min ‘Aayaatinal Kubraa.

23 Opdat Wij jou Onze grotere tekenen mogen tonen.

 

24 ‘Izhab ‘ilan Fir-‘awna ‘innahoe taghaa.

24 Ga tot Farao, hij heeft waarlijk de grenzen overschreden.


1a. Tā hā, een combinatie van de twee letters  en , is volgens I‘Ab en andere vroege commentatoren, een woord dat O mens betekent. AH citeert twee coupletten van de dichters van de stam van ‘Akk, die aangeven dat in hun dialect tā hā een welbekende frase is die O mens betekent. Zij zouden geen antwoord geven als men hen aansprak met jā radjoeloe, maar wel als men tā hā gebruikte. Dezelfde bron geeft aan dat Tā hā een van de namen van de Heilige Profeet (s.a.w.) is. Het wordt ook wel vertaald als wees gerust (T, LL(, een woord van geruststelling voor de Heilige Profeet (s.a.w.).

2a. Dit wil zeggen dat het niet zo kan zijn dat de Profeet (s.a.w.), aan wie de Qoer-ān geopenbaard werd, onsuccesvol zou blijven in het tot stand brengen van de hervorming waarvoor hij was geopenbaard. Het is een troost, en tegelijkertijd een duidelijke voorspelling, dat er een grootse hervorming tot stand zal komen. Niet alleen in Arabië, maar in de hele wereld, want dat is het doel dat de Heilige Qoer-ān zichzelf vanaf het begin heeft gesteld.

4a. De Qoer-ān kan geen mislukking zijn, want het is een openbaring van de wil van Degene Die heerschappij heeft over allen.

7a. Het geheim verwijst naar hetgeen een mens verbergt in zijn hart. En wat nog dieper verborgen ligt verwijst naar het onderbewuste van een mens. Het bewustzijn en onderbewustzijn zijn beiden op gelijke wijze bekend aan Allāh.

10a. Zoals de verzen die volgen laten zien, ontving Mozes bij deze gelegenheid een Goddelijke openbaring en het vuur was ook onderdeel van deze openbaring; hij nam het waar met het geestelijk oog. De Heilige Qoer-ān stelt elders dat de openbaring op slechts drie manieren ontvangen wordt (42:51), en bij elk van deze manieren krijgt de ontvanger werkelijk bepaalde zintuigen waarmee hij dingen kan voelen en zien; zie 42:51a.

12a. Het bevel aan Mozes om zijn schoenen uit te trekken is een metaforische uitdrukking voor het hart leegmaken van zorg voor familie en bezit (Bd). Volgens anderen: "Het is een bevel om te blijven; zoals wanneer je tegen iemand van wie je wilt dat hij blijft zegt, ‘Doe uw mantel af en trek uw laarzen uit’ en dergelijke" (T, LL).

Sommigen denken dat Toewā de naam van de vallei is; anderen interpreteren het als dubbel (gezegend). R geeft een derde verklaring. Volgens hem verwijst het woord toewā (letterlijk: opgerold) naar de verkiezing van Mozes, zodat hij zichzelf niet tot het uiterste hoefde in te spannen om dat grote doel te bereiken.

15a. Ichfā’ is een van de woorden die een tegengestelde betekenis in zich dragen: verbergen of iets verwijderen dat een ding verbergt (LL). Dat het hier niet verbergen betekent wordt duidelijk gemaakt door de context. Dit vers gaat over de komst van het Uur en het toemeten van beloningen en bestraffingen, en dit is duidelijk het verwijderen van de sluier of het zichtbaar maken van het uur. Er moet worden opgemerkt dat het Uur niet noodzakelijkerwijs de Opstanding betekent. Het wordt vaak gebruikt als aanduiding van het noodlot van een volk, het uur waarop hun glorie en hun macht hun zal verlaten.

20a. Dit alles werd door Mozes ervaren in die speciale toestand waarin de ontvanger van een openbaring zich bevindt op het moment van die openbaring; zie 7:108a. Wat bij deze gelegenheid aan Mozes werd getoond had een diepere onderliggende betekenis. Zie hiervoor ook v. 23, waar het doel van het tonen van deze tekenen wordt omschreven als opdat Wij jou Onze grotere tekenen mogen tonen. De twee hier genoemde tekenen vormen dus eigenlijk een aanwijzingen voor iets groters. Het woord ‘asā staat metaforische voor een gemeenschap; zie 2:60a. De verandering van de staf van Mozes in een glijdende slag, wordt dan ook aan hem getoond als een teken van het feit dat zijn gemeenschap, d.w.z. het Israëlische volk dat onder Farao gereduceerd was tot een staat van slavernij, spoedig weer een levendige natie zou worden.

22a. Wanneer we in gedachten houden wat hierboven gezegd wordt, heeft de jad baidā’ ook een diepere betekenis. Letterlijk betekent het een witte hand en het duidt op een argument dat heel duidelijk wordt gemaakt (T); ook duidt het op een betogend of betoogd argument of bewering of bewijs (LL). De diepere betekenis is in dit geval dat zijn argumenten de overhand zouden krijgen.

 

PARAGRAAF 2: Moezes en Aäron gaan naar Farao

 

25 Qaala Rabbisjrah lie sadrie;

25 Hij zei: Mijn Heer, verruim mijn borst voor mij:

 

26 Wa yassier lie ‘amrie;

26 En vereenvoudig mijn zaak voor mij:

 

27 Wahlul ‘uqdatam-mil-lisaanie,

27 En haal de knoop uit mijn tong,a

 

28 Yafqahoe qawlie :

28 (Zodat) zij mijn woord kunnen begrijpen.

 

29 Wadj-‘al-lie Wazieram-min ‘ahlie,

29 En geef mij een helper uit mijn familie:a

 

30 Haaroena ‘agie;

30 Aäron, mijn broer;

 

31 ‘Usjdud bihie ‘azrie,

31 Vergroot mijn kracht door hem,

 

32 Wa ‘asjrik-hu fie ‘amrie:

32 En laat hem mijn taak delen –

 

33 Kay nusabbihaka kasieraa,

33 Zodat wij U veel kunnen verheerlijken,

 

34 Wa nazkuraka kasieraa :

34 En U veel kunnen gedenken.

 

35 ‘Innaka kunta binaa basieraa.

35 Waarlijk bent U Degene Die ons altijd ziet.

 

36 Qaala qad ‘oetieta su’-laka yaa–Moesaa !

36 Hij zei: Jouw verzoek wordt waarlijk ingewilligd, o Mozes.

 

37 Wa laqad manannaa ‘alayka marratan ‘ugraaa,

37 En inderdaad verleenden Wij jou op een ander moment een gunst,

 

38 ‘Iz ‘aw-haynaaa ‘ilaaa ‘ummika maa yoehaaa,

38 Toen Wij aan jouw moeder openbaarden wat werd geopenbaard:

 

39 ‘Aniqzi-fiehi fit-taaboeti faqzifiehi fil-yammi fal-yulqihil–yammu bis-saahili ya’-guzhu ‘aduwwul-lie wa ‘aduwwul-lah: wa ‘alqaytu ‘alayka mahabbatam–minnie: wa litoesna-‘a ‘alaa ‘aynie.

39 Leg hem in een kist, en gooi hem dan in de rivier, de rivier zal hem op de kust werpen – daar zal een vijand van Mij en een vijand van hem, hem opnemen. En Ik stort Mijn liefde over jou uit; en dat jij voor Mijn ogen op mag groeien.a

 

40 ‘Iz tamsjie ‘ugtuka fataqoelu hal ‘adullukum ‘alaa many-yakfuluh ? Faradja’-naska ‘ilaa ‘ummika kay taqarra ‘aynuhaa wa laa tahzan. Wa qatalta nafsan-fa–nadjdjaynaaka minal–ghammi wa fatannaaka futoenaa. Fa-labista siniena fie ‘ahli Madyan: Summa dji’-ta ‘alaa qadariny–Yaa–Moesaa !

40 Toen jouw zus ging en zei: Zal ik jullie iemand wijzen die voor hem zal zorgen? Zo brachten Wij jou terug naar jouw moeder, zodat haar ogen konden afkoelen en zij niet zou treuren.a En jij doodde een mens, en toen bevrijdden Wij jou van verdriet en beproefden jou met (vele) beproevingen. Toen verbleef jij jaren onder het volk van Midjan. Toen kwam jij hierheen zoals bevolen, o Mozes.b

 

41 Wastana’-tuka li-nafsie.

41 En ik heb jou voor Mijzelf uitverkoren.

 

42 ‘Izhab ‘anta wa ‘agoeka bi–‘Aayaatie wa laa taniyaa fie zikrie.

42 Ga heen met Mijn boodschap, jij en jouw broer en laat het niet na Mij te gedenken.

 

43 ‘Izhabaaa ‘ilaa Fir-awna ‘innahoe taghaa.

43 Ga beiden naar Farao, Hij is waarlijk onmatig;

 

44 Faqoelaa lahoe qawlallayyinal–la–‘allahoe yatazakkaru ‘aw yagsjaa.

44 Spreek dan een vriendelijk woord tot hem, misschien dat hij zich in acht zal nemen of zal vrezen.

 

45 Qaala Rabbanaa ‘nnanaa nagaafoe ‘any-yafruta ‘alaynaaa ‘aw ‘any-yatghaa

45 Zij zeiden: Onze Heer, wij vrezen dat hij zich zal haasten ons kwaad te doen of dat hij onmatig zal zijn.

 

46 Qaala laa tagaafaaa ‘innanie ma-‘akoemaaa asma-‘u wa ‘araa.

46 Hij zei: Vrees niet, waarlijk ben Ik met jullie – Ik hoor en zie.

 

47 Fa’-tiyaahu fa-qoelaaa ‘innaa Rasoelaa Rabbika fa-‘arsil ma-‘anaa Banie–‘Israaa-‘iel: wa laa tu-‘azzib-hum: qad dji naaka bi–‘Aayatim-mir–Rabbik ! Was–Salaamu ‘alaa manit-taba ‘al–Hudaa !

47 Dus ga naar hem toe en zeg: Waarlijk zijn wij twee boodschappers van jouw Heer; dus stuur de Kinderen van Israël met ons mee; en kwel hen niet. Wij hebben daadwerkelijk een boodschap van jouw Heer tot jou gebracht, en vrede aan degene die de leidraad volgt.

 

48 ‘Inna qad ‘oehiya ‘ilaynaaa ‘annal–‘Azaaba ‘alaa man kazzaba wa tawallaa.

48 Het is zeker aan ons geopenbaard dat degene die afwijst en die zich afkeert door een straf zal worden overvallen.a

 

49 Qaala famar-Rabukumaa yaa–Moesaa ?

49 (Farao) zei: Wie is jouuw Heer, o Mozes?

 

50 Qaala Rabbunallazie ‘a’-taa kulla sjay-‘in galaqahoe summa hadaa.

50 Hij zei: Onze Heer is Hij Die alles haar schepping geeft, en (het) daarna van leiding voorziet.a

 

51 Qaala famaa baalul-quroenil-‘oelaa ?

51 Hij zei: In wat voor een toestand verkeren dan de voorgaande generaties?

 

52 Qaala ‘ilmuhaa ‘inda Rabbie fie Kitaab: laa yazillu Rabbie wa laa yansaa,-

52 Hij zei: De kennis daarover is bij mijn Heer in een boek; mijn Heer dwaalt niet, noch vergeet Hij –

 

53 ‘Allazie dja ‘ala lakumul-‘arda mahdanwwa salaka lakum fiehaa subulanwwa ‘anzala minassamaaa-‘i maaa-‘aa. Fa-‘garadjnaa bihie ‘azwaadjam-minnabaatin–sjattaa.

53 Die de aarde voor jullie zo uitgestrekt maakte en daarop voor jullie paden maakte, en Die regen neerzond uit de wolken. Dan brengen Wij daarmee paren van verscheidene planten voort.

 

54 Kuloe war-‘aw ‘an-‘aamakum: ‘inna fie zaalika la–‘Aayaatil-li ‘ulin-nuhaa.

54 Eet en laat jullie vee grazen. Waarlijk schuilen hierin tekenen voor mensen met verstand.


27a. Door de knoop in of de belemmering van de tong uit te leggen als een verbranding van de tong, voorziet men de woorden van een onnatuurlijke interpretatie. De ‘oeqdah van de tong is de ruwheid of grofheid ervan (LA). En de man die ‘oeqdah (d.w.z. een knoop) in zijn tong heeft, wordt ‘aqid genoemd. Dit kan worden uitgelegd als een man die een spraakgebrek heeft of die niet in staat is vrijuit te spreken (LL).

29a. Wazir (van wizr, wat last betekent) is letterlijk iemand die een last draagt, en dus een assistent of helper, omdat hij de last van een ander draagt. Het kan ook vertaald worden met minister, aangezien het woord in zijn meer algemene vorm gebruikt wordt om te verwijzen naar de minister van een koning.

39a. Dit is in overeenstemming met de Bijbelse vertelling. Mozes werd geboren in een tijd dat Farao bevolen had alle mannelijke kinderen die bij de Israëlieten geboren werden in de Nijl te gooien. Mozes’ moeder hield hem drie maanden verborgen, en uiteindelijk, toen zij niet langer in staat was hem nog langer te verbergen, wierp zij hem in de rivier in een biezen mandje, waarna hij opgevist werd door de dochter van Farao (Exod. 2:1–10).

40a. Zie Exod. 2:7–9

40b. Zie Exod. 2:11–15.

48a. Dit bevat een waarschuwing voor Farao omtrent zijn einde, in het geval hij de boodschap af zou wijzen. Mozes en Aäron kregen instructies om deze boodschap over te brengen. Het hele relaas van hun daadwerkelijke gang naar Farao en het afleveren van deze boodschap wordt hier weggelaten, en het volgende vers geeft ons het antwoord van Farao op hun eis.

50a. Dit vers bevat een argument voor de noodzakelijkheid van Goddelijke openbaring. Aangezien Allāh alles geschapen heeft en daarna aan de schepping de eigenschappen en de middelen heeft meegegeven waarmee zij naar volmaaktheid kan streven – want dit is de ware betekenis van hadā, d.w.z. leidt het (naar zijn doel) – stelt dit vers dat de mens dus ook geestelijke en morele aanwijzingen nodig heeft voor zijn streven naar volmaaktheid.

 

 

PARAGRAAF 3 Mozes en de tovenaars

 

55 Minhaa galaqnaakum wa fiehaa nu’idukum wa minhaa nugridjukum taaratan ‘ugraa.

55 Daaruit schiepen Wij jullie, en daartoe zullen Wij jullie doen wederkeren, en jullie daaruit een tweede keer opwekken.

 

56 Wa laqad ‘araynaahu ‘Aayaatinaa kullahaa fakazzaba wa ‘abaa.

56 En toonden hem waarlijk al Onze tekenen maar hij verwierp (ze) en weigerde.

 

57 Qaala ‘adji’tanaa litugridjanaa min ‘ardinaa bi-sihrika yaa–Moesaa ?

57 Hij zei: Bent jij tot ons gekomen om ons uit ons land te verdrijven met jouw toevenarij, o Mozes?

 

58 Falana’ ti-yannaka bi-sihrim-mislihie fadj-‘al baynanaa wa baynaka maw-‘idal-laa nuglifuhoe nahnu wa laaa ‘anta makaanan-suwaa.

58 Wij kunnen jou een gelijke tovenarij brengen, dus regel een afspraak tussen ons en jouzelf die wij niet breken. (noch) wij noch jij, (op) een centraal gelegen plaats.

 

59 Qalaa maw-‘idukum yawmuz-zienatiwa ‘any-yuhsjarannaasu duhaa.

59 (Mozes) zei: Jullie afspraak is op de dag van het Festival, en laat de mensen in de vroege voormiddag bijeenroepen.

 

60 Fata-wallaa Fir-‘awnu fadjama-‘a kaydahoe summa ‘ataa.

60 Dus Farao ging terug en regelde zijn plan, en kwam toen.

 

61 Qaala lahum–Moesaa waylakum laa taftaroe ‘alallaahi kaziban-fayus-hitakumbi-‘azaab: wa qad gaaba manif-taraa !

61 Mozes zei tegen hen: Wee jullie! Verzin geen leugen tegen Allāh, anders vernietigt Hij jullie door middel van een bestraffing, en degene die (een leugen) verzint zal zeker falen.

 

62 Fatanaa-za-‘oe ‘amrahum-baynahum wa ‘asarrun-nadjwaa.

62 Zo betwistten zij elkaar over hun zaak en hielden het beraad geheim.

 

63 Qaaloe ‘in haazaani lasaahiraani yuriedaani ‘anyyugridjaakum-min ‘ardikum-bisihrihimaa wa yazhabaa bi tarieqati-kumul-muslaa.

63 Zij zeiden: Dit zijn waarlijk twee tovenaars die jullie met hun tovenarij uit jullie land zouden willen verdrijven, en die jullie uitstekende gebruiken zullen vernietigen.

 

64 Fa-‘adjmi-‘oe kaidakum summa ‘toe saffaa: wa qad ‘aflahal-yawma manista’laa.

64 Dus beraam jullie plan, en kom dan in rijen, en degene die het sterkst is zal op deze dag zeker slagen.

 

65 Qaaloe yaa–Moesaa ‘immaaa ‘an-tulqiya wa ‘immaaa ‘an-nakoena ‘awwala man ‘alqaa ?

65 Zij zeiden: O Mozes, wil jij werpen, of zullen wij de eersten zijn die werpen?

 

66 Qaala bal ‘alqoe ! Fa-‘izaa hibaaluhum wa ‘isiyyuhum yugayyaloe ‘ilayhi min-sihrihim ‘annahaa tas ‘aa !

66 Hij zei: Nee! werpen jullie. Dan zie! Hun koorden en hun stokken – door hun tovenarij scheen het hem toe dat zij snel voortbewogen.a

 

67 Fa-‘awdjasa fie nafsihie giefatam–Moesaa.

67 Dus groeide er angst in de gedachten van Mozes.a

 

68 Qulnaa laa tagaf ‘innaka ‘antal ‘a’laa :

68 Wij zeiden: Vrees niet, jij bent waarlijk de sterkste.

 

69 Wa ‘alqi maa fie yamienika talqaf maa sana-‘oe. ‘Innamaa sana-‘oe kaydu saahir: wa laa yuflihus-saahiru haysu ‘ataa

69 En werp neer wat er in jouw rechterhand is – het zal opeten wat zij gewrocht hebben. Wat zij gewrocht hebben is slechts de truc van een tevenaar, en de tovenaar slaagt niet, waar hij ook vandaan komt.

 

70 Fa-‘ulqiyas-saharatu sudjdjadan qaaloe ‘aamannaa bi–Rabbi Haroena wa Moesaa.

70 Dus wierpen de tovenaars zich ter aarde, en zeiden: Wij geloven in de Heer van Aäron en Mozes.

 

71 Qaala ‘amantum lahoe qabla ‘an ‘aazana lakum ? ‘Innahoe la-kabieru-kumullazie ‘allamakumus sihr ! Fala-‘uqatti-‘anna aydiyakum wa ‘ardjulakum-min gilaafinwwa la-‘usallibannakum fie djuzoe-‘innagl: wa lata’-lamunna ‘ayyunaaa ‘asjaddu ‘azaabanwwa ‘abqaa !

71 (Farao) zei: Jullie geloven in hem voordat ik jullie toesta! Zeker is hij jullie meester die jullie toevenarij leerde. Daarom zal ik jullie handen en voeten aan tegenovergestelde zijden afsnijden en ik zal jullie kruisigen aan de stammen van palmbomen, en jullie zullen zeker te weten komen wie van ons jullie de strengere en langdurigere straf kan geven.

 

72 Qaaloe lan-nu’-siraka ‘alaa maa djaaa-‘anaa minal–Bayyinaati wallazie fataranaa faqdi maaa ‘anta qaad: ‘innamaa taqdie haazihil-hayaatad-dunyaa.

72 Zij zeiden: Wij kunnen jou niet de voorkeur geven boven wat er aan duidelijke argumenten tot ons is gekomen, en boven Hem Die ons geschapen heeft, dus beslis zoals jij wilt beslissen. Jij kunt slechts beslissen over dit wereldse leven.

 

73 ‘Inaaa aamannaa bi–Rabbinaa liejagfira lanaa gataayaanaa wa maaa akrahtanaa ‘alayhi minas-sibr: wallaahu Gayrunwwa ‘Abqaa.

73 Waarlijk geloven wij in onze Heer, opdat Hij ons onze fouten zal vergeven en de magie waartoe jij ons hebt gedwongen. En Allāh is de Beter en Eeuwigblijvende.

 

74 ‘Innahoe manyya’ti Rabbahoe mudjriman fa-‘inna lahoe Djahannam: laa yamoetu fiehaa wa laa yahyaa.

74 Voor wie er schuldig tot zijn Heer komt, is zeker de hel. Hij zal daarin noch sterven, noch leven.a

 

75 Wa manyya-tihie Mu’-minan-qad ‘amilas saalihaati fa-‘ulaaa-‘ika lahumud–daradjaatul-‘ulaa,-

75 En wie als een gelovige tot Hem komt, en goede daden heeft gedaan, voor hen zijn er hogere rangen –

 

76 Djannaatu ‘Adnin-tadjriemin-tahtihal-‘anhaaru gaalidiena fiehaa : wa zaalika djazaa-‘u man-tazakkaa.

76 Tuinen van eeuwigheid, waardoor rivieren stromen, om daarin te verblijven. En zo is de beloning voor degene die zichzelf zuivert.


66a. Het lijkt erop dat de krachten van onwaarheid deze dag zullen overheersen, maar ze zijn snel verdwenen; zie v. 69. Vergelijk ook 7:117, waar deze koorden en stokken beschreven worden als hun leugens.

67a. Mozes vreesde dat mensen misleid zouden kunnen worden.

74a. Degenen in de hel zijn niet in leven omdat zij geestelijk dood zijn, en zij zijn niet dood want dood zou de beëindiging van hun kwellingen betekenen.

 

 

PARAGRAAF 4: De Israёlieten aanbidden het kalf

 

77 Wa laqad ‘awhaynaaa ‘ilaa Moesaaa ‘an ‘asri bi-‘ibaadie fadrib lahum tarieqan fil-bahri yabasal-laa tagaafu darakanwwa laa tagsjaa.

77 En zeker openbaarden Wij aan Mozes: Reis ’s nachts met Mijn dienaren, sla dan voor hen een droog pad door de zee en vrees niet te worden ingehaald, en wees niet bang.a

 

78 Fa-‘atba-‘ahum Fir-‘awnu bi-djunoedihie fa-gasjiyahum-minal-yammie maa gasjiyahum.

78 Dus volgde Farao hen met zijn legers, en toen werden zij bedekt met het deel van de zee dat hen bedekte.

 

79 Wa ‘azalla Fir-‘awnu qawmahoe wa maa hadaa.

79 En Farao deed zijn mensen afdwalen en hij leidde niet in de juiste richting.

 

80 Yaa–Banie–‘Israaa-‘iela qad ‘andjainaakum-min ‘aduwwikum wa waa-‘adnaakum djaanibat–Toeril-‘aymana wa nazzalnaa ‘alaykumul–Manna was–Salwaa :

80 O Kinderen van Israël, Wij hebben jullie waarlijk van jullie vijand verlost, en sloten een verbond met jullie op de gezegende zijde van de berg, en stuurden jullie manna en kwartels.

 

81 Kuloe min-tayyibaati maa razaqnaakum wa laa tatgaw fiehi fa-yahilla ‘alaykum gazabie: wa manyyahlil ‘alayhi ghadabie faqad hawaa !

81 Eet van de goede dingen die Wij jullie verschaft hebben, en wees wat dat betreft niet buitensporig, want dan zal Mijn toorn jullie overvallen; en degene op wie Mijn toorn neerdaalt, zal zeker ten onder gaan.

 

82 Wa ‘innie la–Ghaffaarul-liman-taaba wa ‘aamana wa ‘amila saalihan-summah-tadaa.

82 En zeker ben Ik Vergevensgezind tegenover degene die berouw toont en die gelooft en goeddoet, en die dan de juiste richting volgt.

 

83 Wa maaa ‘a’-djalaka ‘anqawmika Yaa–Moesaa ?

83 En wat maakte dat jij je weghaastte van jouw volk, o Mozes?

 

84 Qaala hum ‘ulaaa-‘i ‘alaaa ‘asarie wa ‘adjiltu ‘ilayka Rabbi li-tardaa.

84 Hij zei: Zij hebben mij hier naartoe gevolgd, en ik haastte mij naar U, mijn Heer, opdat het U zou behagen.

 

85 Qaala fa-‘innaa qad fatannaa qawmaka mim-ba’-dika wa-‘azallahumus–Saamiriyy.

85 Hij zei: Waarlijk hebben Wij jouw volk in jouw afwezigheid beproefd, en de Sāmiri heeft hen doen afdwalen.a

 

86 Faradja-‘a Moesaaa ‘ilaa qawmihie ghazbaana ‘asifaa. Qaala Yaa-qawmi ‘alam ya-‘idkum Rabbu-kum wa’-dan hasanaa ? ‘Afataala ‘alaykumul-‘ahdu ‘am ‘arattum ‘anyyahilla ‘alaykum gazabum-mir– Rabbikum fa-‘aglaftummaw-‘idie ?

86 Dus keerde Mozes boos en bedroefd terug tot zijn volk. Hij zei: O mijn volk, heeft jullie Heer jullie geen uitnemende belofte gedaan? Leek de beloofde tijd jullie dan te lang, of wensten jullie dat het ongenoegen van jullie Heer over jullie zou komen en braken jullie daarom (jullie) belofte aan mij?

 

87 Qaaloe maaa ‘aglafnaa maw-‘iaka bimalkinaa wa laakinnaa hummilnaaa ‘awzaaram-min-zienatil-qawmi faqazafnaahaa fakazzaalika ‘alqas–Saamiriyy.

87 Zij zeiden: Wij braken de belofte aan jou niet uit onszelf, maar we werden gedwongen de lasten van de ornamenten van de mensen te dragen, toen wierpen wij hen weg, en dit was het voorstel van de Sāmiri.a

 

88 Fa-‘agradja lahum ‘idjlan-djasadal-lahoe guwaarun-faqaaloe haazaaa ‘ilaahukum wa ‘ilaahu Moesaa, fanasie !

88 Toen haalde hij voor hen een kalf te voorschijn, een lichaam dat een holle klank had, en zij zeiden: Dit is jullie god en de god van Mozes; maar hij vergat (dit).a

 

89 ‘Afalaa yarawna ‘allaa yardji-‘u ‘ilayhim qawlaa: wa laa yamliku lahum zarranwwa laa naf-‘aa.

89 Konden zij niet zien dat het hun geen antwoord gaf, en dat het geen macht had over enig nadeel of voordeel voor hen?a


77a. Dit toont aan dat er toen een droog pad door de zee was; zie 2:50a.

85a. Dit vers toont aan dat iemand anders dan Aäron verantwoordelijk was voor het maken van het kalf. Uit rabbijnse literatuur blijkt (zie Jewish En., Art. "Calf") dat de Egytenaren die met de Israëlieten meegekomen waren, voorop liepen met hun eisen voor het maken van het kalf. ‘Atā’ zegt, met I‘Ab als zijn bron, dat het een Egypenaar was die geloofde in Mozes en die meekwam met de Israëlieten. De mening dat hij afstamde van een volk dat de koe aanbad, is ook terug te voeren op I‘Ab (Rz).

87a. Zoals gesteld wordt in Exod. 12:35, zouden de Israëlieten sieraden geleend kunnen hebben van de Egyptenaren, en het is mogelijk dat er hier verwezen wordt naar deze sieraden. Of de betekenis is eenvoudigweg dat de nomadische stammen van Israël, die hieraan niet gewend waren, deze gewoonten van de Egyptenaren in zich hadden opgenomen en nu deze sieraden opgaven op voorstel van de Sāmiri. Het antwoord van het volk stelt duidelijk dat zij het kalf niet uit eigen beweging hadden gemaakt. Vandaar de verwijzing in de slotwoorden naar de suggesties die door de Sāmiri in de gedachten van het volk zouden zijn opgeroepen. Men zegt, alqā-hoe ‘alai-hi, wat hij plantte het in zijn gedachten of hij stelde het voor betekent (LL).

88a. Volgens I‘Ab had het kalf noch een stem noch een ziel, maar maakte het slechts een geluid dat werd voortgebracht door de wind die door het holle metaal blies waarvan het gemaakt was (JB).

89a. Het argument waarvan in dit vers gebruikt gemaakt wordt, toont aan dat Allāh niet alleen luistert naar gebeden, maar dat Hij Zijn echte vereerders wanneer zij tot Hem bidden, ook van antwoord voorziet.

 

PARAGRAAF 5: Het einde van de aanbidding van het kalf

 

90 Wa laqad qaala lahum Haroenu min-qablu yaa-qawmi ‘innamaa futintum bih: wa ‘inna Rabbakumur –Rahmaanu fattabi-‘oenie wa ‘atie-‘oe ‘amrie.

90 En Aäron had inderdaad eerder tegen hen gezegd: O mijn volk, dit is voor jullie slechts een beproeving, en zeker is jullie Heer de Erbarmende Allāh, dus volg mij en gehoorzaam mijn bevel.a

 

91 Qaaloe lan-nabraha ‘alayhi ‘aakifiena hattaa yardji-‘a ‘ilaynaa Moesaa.

91 Zij zeiden: Wij zullen niet ophouden hem te aanbidden totdat Mozes bij ons terugkeert.

 

92 Qaala Yaa–Haaroenu maa mana-‘aka ‘iz ra-‘aytahum zalloe.

92 (Mozes) zei: O Aäron, wat weerhoud jou ervan, toen jij zag dat zij afdwaalden,

 

93 ‘Allaa tatabi-‘an ? ‘Afa-‘asayta ‘amrie ?

93 Dat jij mij niet volgde? Heb jij dan geen gehoor gegeven aan mijn bevel?

 

94 Qaala yabna-‘umma la ta’-guz bilihyatie wa laa bira’-sie ! ‘Innie gasjietu ‘antaqoela farraqtu bayna Banie–‘Israaa-‘iela wa lam tarqub qawlie !

94 Hij zei: O zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard, noch bij mijn hoofd; Zeker was ik bang dat jij zou zeggen: Jij hebt tweedracht gezaaid onder de Kinderen van Israël en niet gewacht op mijn woord.

 

95 Qaala famaa gatbuka Yaa–Saamiriyy ?

95 (Mozes) zei: Wat was jouw doel, o Sāmiri?

 

96 Qaala basurtu bimaa lam yabsuroe bihie faqabadtu qabzatam-min ‘asarir–Rasoeli fanabadtuhaa wa kazaalika sawwalat lie nafsie.

96 Hij zei: Ik zag wat zij niet zagen, dus nam ik een handvol van de voetsporen van de boodschapper en daarna gooide ik ze weg. Zo maakte mijn ziel (het) mooier voor mij.a

 

97 Qaala fazhab fa-‘inna laka fil-hayaati ‘an-taqoela "Laa Misaas"; wa ‘inna laka maw-‘idal-lan tuglafah : wanzur-‘ilaaa ‘ilaahi-kallazie zalta ‘alayhi ‘aakifaa : lanoehharri-qannahoe summa lanansifannahoe fil-yammie nasfaa !

97 Hij zei: Verdwijn dan! Jij zult in dit leven moeten zeggen, Raak (mij) niet aan. En voor jou is er een belofte die niet zal falen. En kijk naar jouw god aan wiens aanbidding jij je gehouden hebt. Wij zullen hem zeker verbranden, en dan zullen wij hem uitstrooien boven de zee.a

 

98 ‘Innamaaa ‘Ilaahukumullaahul-lazie’ Laaa ‘ilaaha ‘illaa Hoe’: wasi-‘a kulla sjay-‘in ‘ilmaa.

98 Jouw Heer is alleen Allāh; er is geen God behalve Hij. Hij omvat alle dingen in (Zijn) kennis.

 

99 Kazaalika naqussu ‘alayka min ‘ambaaa-‘i maa qad sabaq : wa qad ‘aataynaaka mil-ladunnaa Zikraa.

99 Zo verhalen Wij jou over het nieuws dat vooraf is gegaan. En inderdaad hebben Wij jou een Herinnering van Onszelf gegeven.

 

100 Man ‘a’-rada ‘anhu fa-‘innahoe yahmilu Yawmal–Qiyaamati wizraa;

100 Wie zich ervan afkeert zal zeker een last dragen op de dag van de Opstanding,

 

101 Gaalidiena fieh : wa saaa-‘a lahum Yawmal–Qiyaamati himlaa,

101 Daarin verblijvend. En kwalijk zal hun last zijn op de dag van de Opstanding –

 

102 Yawma yunfagu fis–Soeri wa nah-sjurul-mudjrimiena Yawma-‘izin-zurqaa.

102 De dag waarop de trompet geblazen wordt; en Wij zullen de schuldigen, met blauwe ogen, op die dag samenbrengen,a

 

103 Yatagaa-fatoena baynahum ‘illabistum ‘illaa ‘asjraa;

103 Terwijl zij in het geheim samen overleggen: Jullie vertoefden maar tien (dagen).a

 

104 Nahnu ‘A’-lamu bimaa yaqoeloena ‘iz yaqoelu ‘amsaluhum Tarieqatan ‘illabistum ‘illaa yawmaa !

104 Wij weten het beste wat zij zeggen wanneer de zuiverste op het pad onder hen zou zeggen: Jullie vertoefden maar een dag.a


90a. Hieruit wordt duidelijk dat Aäron niet alleen geen deel had gehad in het maken van het kalf, maar dat hij zelfs zijn volk gebood de verering op te geven. De Qoerān spreekt hier de Bijbel tegen.

96a. De verhalen die veel commentatoren bij dit vers verteld hebben zij allemaal ongefundeerd, en zelfs Rāzi heeft deze verhalen in diskrediet gebracht. De Rasoel, of boodschapper, is kennelijk Mozes zelf. Zijn athar ("voetsporen") staat voor zijn soennah, d.w.z. zijn hadelwijze en uitspraken, een betekenis waarover alle bronnen het eens zijn (LL) aangezien het woord welbekend is in de religieuze moeslimliteratuur. De qabdat is het gedeeltelijk overnemen of volgen van die gewoonten, want qabdat verwijst naar een enkele daad van nemen, of slechts een handvol, d.w.z. een klein deel ervan. De man die het kalf maakte veronderstelt dus dat hij beter inzicht had dan de Israëlieten, en hierom aanvaardde hij de stellingen van Mozes slechts gedeeltelijk. Hier bekent hij zelfs dat hij een deel verwierp, en een kalf ter aanbidding maakte.

97a. Dit toont dat de as van het kalf in de zee werd geworpen. Het verhaal dat de Israëlieten gedwongen werden water te drinken dat vermengd was met het as van het kalf wordt daarom niet door de Heilige Qoer-ān onderschreven; zie 2:93c. De Bijbel wordt hier weer tegengesproken; zie Exod. 32:20 en Deut. 9:21. De straf die aan de Sāmiri werd opgelegd is die van uitgestotene in de gemeenschap, aan wie het verboden is enige omgang of verbintenis met het Israëlische volk te hebben.

102a. Het woord zoerq betekent blauwogig. Volgens Bd werd de kleur blauw beschouwd als de slechtste kleur voor een oog, omdat het de kleur van de ogen van de Roem was (d.w.z. de Grieken of de Romeinen), die het meest werden gehaat door de Arabieren. Het woord kan ook blind betekenen, als verwijzing naar het feit dat de schuldigen blind worden gewekt tijdens de Opstanding, waarvoor verwezen wordt naar v. 124.

103a. Waar ‘asjr, tien, betrekking op heeft, wordt weggelaten. Zoals elders echter over de liefhebbers van het wereldse leven wordt gezegd dat zij graag een leven van duizend jaar gegund zouden krijgen (2:96), wordt hier kennelijk bedoeld dat zij tien eeuwen van grote voorspoed zouden hebben genoten. Als het woord wordt vertaald als dagen, verwijzen de tien dagen van het leven van een natie, ook naar tien eeuwen.

104a. Omdat een dag gelijk staat aan duizend jaar; "En zij vragen jou de straf te bespoedigen, en Allāh faalt op generlei wijze in Zijn belofte. En waarlijk is een dag bij jouw Heer als duizend jaren in jullie (tijd) rekening" (22:47). Het is de mens die hen aan deze Goddelijke belofte herinnert die de helderste op het pad genoemd wordt.

 

 

PARAGRAAF 6: De tegenstanders van de Profeet (s.a.w.)

 

105 Wa yas-‘aloenaka ‘anildjibaali faqul yansifuhaa Rab-bie nasfaa;

105 En zij vragen jou over de bergen.a Zeg: Mijn Heer zal hen verspreiden, als verspreid stof,

 

106 Fa–yazaruhaa qaa-‘ansafsafaa;

106 En het dan achterlaten als een gladde, egale vlakte.a

 

107 Laa taraa fiehaa ‘iwadjanwwa laa ‘amtaa.

107 Waarvan je geen verbuiging of oneffenheid zal zien.

 

108 Yawma-‘iziny-yattabi-‘oenad–Daa-‘iya laa ‘iwadja lah : wa gasja-‘atil-aswaatu lir–Rahmaani falaa tasma-‘u ‘illaa hamsaa.

108 Op die dag zullen zij de Uitnodiger volgen, in wie geen oneerlijkheid schuilt; en de stemmen zijn zacht voor de Erbarmende Allāh, zodat je niets anders hoort dan een zacht geluid.a

 

109 Yawma-‘izil-laa tanfa-’usj–Sjafaa-‘atu ‘illaa man ‘azina lahur–Rahmaanu wa raziya lahoe qawlaa.

109 Op die dag heeft bemiddeling geen nut, behalve voor wie de Erbarmer dat toestaat en met wiens woord Hij ingenomen is.

 

110 Ya’-lamu maa bayna ‘aydiehim wa maa galfahum wa laa yuhietoena bihie ‘ilmaa.

110 Hij weet wat voor hen is en wat achter hen is, terwijl zij dit niet met hun kennis kunnen bevatten.

 

111 Wa ‘anatil-wudjoehu lil–Hayyil–Qayyoem: wa qad gaaba man hamala zulmaa.

111 En gezichten zullen nederig worden voor de Levende, de Zelfgenoegzame. En degene die ongerechtigheid draagt, wordt inderdaad teniet gedaan.

 

112 Wa manyya’-mal minas-saalihaati wa huwa Mu’-minun-falaa yagaafu zulmanwwa laa hazmaa.

112 En wie goede daden doet en een gelovige is, hij kent geen angst voor onrechtvaardigheid, noch (vreest hij) dat wordt achtergehouden wat hem toekomt.

 

113 Wa kazaalika ‘anzalnaahu Qur-‘aanan ‘Arabiyyanwwa sarrafnaa fiehi minal wa-‘iedi la-‘allahum yattaqoena ‘aw yuhdisu lahum zikraa.

113 En dus hebben Wij een Arabische Qoer-ān gestuurd, en hebben Wij daarin duidelijk de dreigingen uiteengezet, opdat zij zich zullen hoeden voor het kwaad, of opdat het een herinnering voor hen kan zijn.

 

114 Fata-‘aalallaahul–Malikul–Haqq ! Wa laa ta’-djal bilqur-‘aani min-qabli ‘anyyuqzaaa ‘ilayka wahyuh : wa qur–Rabbi zidnie ‘ilmaa.

114 Allerhoogst verheven is dus Allāh, de Koning, de Waarheid. En haast je niet met de Qoer-ān voordat deze volledig aan jou is geopenbaard, en zeg: Mijn Heer, doe mijn kennis toenemen.a

 

115 Wa laqad ‘ahidnaaa ‘ilaaa ‘Aadama min-qablu fanasiya wa lam nadjib lahoe ‘azmaa.

115 En Zeker gaven Wij eerder een gebod aan Adam, maar hij vergat (het); en Wij troffen in hem geen besluit aan om niet te gehoorzamen).a


105a. Het woord djabal betekent zowel een berg als de heer of het hoofd van een volk (LL). Dat die laatste betekenis hier bedoeld wordt blijkt uit de context; zie in het bijzonder v. 108: "Op die dag zullen zij de Uinodiger volgen." De twee verzen die volgen moeten in dezelfde context worden gelezen: zij verwijzen naar hert verwijderen van alle obstakels die de komst van de Waarheid belemmerden.

108a. De Uitnodiger in wie geen oneerlijkheid schuilt is niemand anders dan de Heilige Profeet (s.a.w.), zoals elders duidelijk gesteld wordt: "Die het Boek openbaarde aan Zijn dienaar, en Die daarin geen leugens toestond" (18:1). Het hele vers wijst duidelijk naar een tijd waarin de Islām geheel gevestigd zou zijn. In plaats van tegenstand zullen de stemmen zacht zijn voor de Erbarmer. De zachtheid van de stem duidt op onderwerping.

114a. De Profeet (s.a.w.) verlangde zonder twijfel dat aan hem duidelijk gemaakt zou worden hoe de grote hervorming tot stand gebracht zou worden en wanneer de zware tegenstand die hij het hoofd zou eindigen. Misschien verlangde hij ook dat de waarschuwing aan de tegenstanders duidelijker gemaakt werd. Wellicht zouden zij er hun voordeel mee doen. De Profeet (s.a.w.) wordt hier verteld dat hij de dingen die in de Qoer-ān beloofd worden niet moet willen bespoedigen. Het proces zal geleidelijk zijn en ondertussen moet hij bidden voor meer en meer kennis. De grote hervorming zou immers door middel van kennis tot stand worden gebracht. In feite wordt ons hier verteld dat wanneer de kennis van de Waarheid zich zal verspreiden door de wereld, er een verandering plaats zal vinden en dat er een einde zal komen aan de tegenstand. Zelfs heden ten dage kan er een geestelijke hervorming tot stand worden gebracht door de kennis van de Qoer-ān te verspreiden, die de grootste geestelijke onwetend is omtrent deze grote geestelijke macht, dat zij in duisternis gehuld blijft. Het is nu aan de volgelingen van de Qoer-ān om te zeggen, Laat er licht zijn!

115a. Het gebruik van het woord nasija, wat hij vergat betekent, maakt duidelijk dat er van de kant van Adam geen bedoeling was om ongehoorzaam te zijn aan Allāh’s bevel, of geen voornemen om niet te gehoorzamen.

 

PARAGRAAF 7: De misleidende duivel

 

116 Wa ‘iz qulnaa lil-malaaa-‘ikatis-djudoe li –‘Aadama fasadjadoe ‘illaaa Iblies: ‘abaa:

116 En toen Wij tegen de engelen zeiden: Onderwerp je aan Adam, onderwierpen zij zich, behalve Iblies; hij weigerde.

 

117 Faqulnaa Yaaa–‘Aadamu ‘inna haazaa ‘aduwwul-laka wa li-zawdjika falaa yugri-djannakumaa minal–Djannati fatasjqaa.

117 Wij zeiden: O Adam, dit is een vijand van jou en jouw echtgenote, dus laat hem niet jullie beiden uit de tuin verdrijven, zodat jullie ongelukkig zijn.

 

118 ‘Inna laka ‘allaa tadjoe-‘a fiehaa wa laa ta’-raa,

118 Het is jullie immers gegund dat jullie hierin niet hongerig zijn, noch naakt,

 

119 Wa ‘annaka laa tazma-‘u fiehaa wa laa tadhaa.

119 En dat jullie hierin niet dorstig zijn, noch blootgesteld aan de hitte van de zon.a

 

120 Fa-waswasa ‘ilayhisj–Sjaytaanu qaala Yaaa–‘Aadamu hal ‘adulluka ‘alaa Sjadjaratil-guldi wa mulkil-laa yablaa.

120 Maar de duivel deed hem een kwaadaardig voorstel; hij zei: O Adam, zal ik jou leiden naar de boom van onsterfelijkheid en een koninkrijk, dat niet vergaat?

 

121 Fa-‘akalaa minhaa fabadat lahumaa saw-‘aatuhumaa wa tafiqaa yagsifaani ‘alayhimaa minwwaraqil–Djannah: wa ‘asaaa ‘Aadamu Rabbahoe fagawaa.

121 Dus aten zij er beiden van, en toen werden hun slechte bedoelingen hen duidelijk, en zij begonnen zichzelf te bedekken met de bladeren van de tuin. En Adam was ongehoorzaam aan zijn Heer, en werd teleurgesteld.a

 

122 Summadj-tabaahu Rabbuhoe fataaba ‘alayhi wa hadaa.

122 Toen verkoos zijn Heer hem, en Hij wendde Zich tot hem en leidde (hem).

 

123 Qaalahbitaa minhaa djamie-‘am–ba’-dukum li-ba’-din ‘aduww: fa-‘immaa ya-ti-yannakum minnie Hudan famanittaba-‘a Hudaaya falaa yazillu wa laa yasjqaa.

123 Hij zei: Ga hier beiden vandaan – (jullie) allemaal – een van jullie (is) de vijand van de ander. Dus zal er zeker leiding van Mij tot jullie komen; dan zal wie Mijn leiding volgt niet afdwalen, noch ongelukkig zijn.

 

124 Wa man ‘a’-rada ‘an–Zikrie fa-‘inna lahoe ma-‘iesjatan-zankanwwa nahsjuruhoe Yawmal– Qiyaamati ‘a’-maa.

124 En wie zich afkeert van Mijn Herinnering, voor hem is zeker een benard leven, en Wij zullen hem blind opwekken op de dag van de Opstanding.a

 

125 Qaala Rabbi lima basjartanie ‘a’-maa wa qad kuntu basieraa ?

125 Hij zal zeggen: Mijn Heer, waarom hebt U mij blind opgewekt, terwijl ik kon zien?

 

126 Qaala kazaalika ‘atatka ‘Aayaatunaa fa-naasietahaa : wa kazaalikal-yawma tunsaa.

126 Hij zal zeggen: Zo kwam Onze boodschap tot jou, maar jij veronachtzaamde hem. Dus word jij op deze dag verlaten.

 

127 Wa kazaalika nadjzie man ‘asrafa wa lam yu’-mim-bi–‘Aajaati–Rabbih : wa la-‘azaabul–‘Aagirati ‘asjaddu wa ‘abqaa.

127 En zo vergelden Wij degene die buitensporig is en die niet gelooft in de boodschap van zijn Heer. En zeker is de straf van het hiernamaals zwaarder en langduriger.

 

128 ‘Afalam yahdi lahum kam ‘ahlaknaa qablahum-minal-quroeni yamsjoena fie masaakinihim ? ‘Inna fie zaalika la–‘Aayaatil-li-‘ulinnuhaa.

128 Is het hun niet duidelijk hoeveel van de generaties, in de verblijfplaatsen waarvan zij zich ophouden. Wij vóór hen vernietigden? Zeker schuilen er hierin tekenen voor mensen met verstand.


119a. De tuin waarvan hier een beeld gegeven wordt, is een aardse tuin waarin alle voor de mens noodzakelijke gemakken voor hem beschikbaar zijn gemaakt. De woorden dat jullie daarin niet hongerig zijn zouden gelezen moeten worden tezamen met wat elders gezegd wordt: En eet er overvloedig voedsel van vanwaar jullie maar willen (2:35). Allegorisch betekent het een staat van tevredenheid of rust waarin geen verlangen is naar ofwel goed ofwel kwaad. Een staat van inertie, verstoken van inspanning of ambitie.

121a. Ghawā betekent zijn leven werd slecht voor hem (R). Het wordt ook geïnterpreteerd als hij was teleurgesteld, of hij handelde onwetend (LL).

Er moet worden opgemerkt dat in de beschrijving in vv. 118 en 119 van de tuin, er melding wordt gemaakt van vier dingen. Het gevolg van het uittreden uit de toestand van tevredenheid die hierboven wordt uitgelegd, is er daar slechts een van, namelijk dat hun kwade bedoelingen of hun schande hen duidelijk werd. Een uitleg hiervan kan gevonden worden in 7:26, waar gezegd wordt: "O kindenen van Adam, Wij hebben jullie inderdaad kleding gestuurd om jullie schaamte te bedekken, en (kleding) voor schoonheid; en kleding die behoedt voor het kwaad – die is de beste". Het is dus de kleding die beschermt tegen het kwaad waarover hier daadwerkelijk gesproken wordt. Met de manifestatie van de schaamte wordt bedoeld dat men het zich bewust is wanneer men een slechte daad begaat. De allegorische aard van het veel vertelde verhaal van Adam wordt zo duidelijk. Verder wordt duidelijk dat de remedie die wordt aangereikt van geestelijke aard is, zoals hier in vv. 123 en 124 en in 2:38. Dit toont aan dat het geestelijke aspect van het leven van de mens het werkelijke thema is van het verhaal van Adam, en niet het lichamelijke.

124a. De man die zijn ogen sluit voor de Herinneraar leidt een beperkt leven, want hij ontvangt geen geestelijke zegeningen. Slechts een tevreden geest brengt rust en troost aan de mens, en tevredenheid komt slechts voor uit een geloof in Allāh.

 

 

PARAGRAAF 8: Straf is zeker

 

129 Wa law laa Kalimatun-sabaqat mir–Rabbika lakaana lizaamanwwa ‘adjalum-musammaa.

129 En was er geen woord uitgegaan van jouw Heer, en geen termijn vastgelegd, dan zou deze hen zeker overvallen hebben.

 

130 Fasbir ‘alaa maa yaqoeloena wa sabbih bi–Hamdi Rabbika qabla tuloe-‘isj-sjamsi wa qabla quroebihaa; wa min ‘aanaaa-‘illayli fasabbih wa ‘atraafan-nahaari la-‘allaka tardaa.

130 Dus verdraag wat zij zeggen met geduld, en roem de glorie van jouw Heer vóór opkomst van zon en vóór haar ondergang, en verheerlijk (Hem) gedurende de uren van de nacht en delen van de dag, opdat jij tevreden zal zijn.a

 

131 Wa laa tamuddanna ‘aynayka ‘ilaa maa matta’-naa bihie ‘azwaadjam-minhum zahratal-hayaatid-dunyaa, linaftinahum fieh: wa rizqu Rabbika gayrunwwa ‘abqaa.

131 En vermoei je ogen niet met turen naar hetgeen waar Wij verschillende klassen van hen in hebben voorzien, (naar) de pracht van dit wereldse leven, opdat Wij hen daarmee kunnen beproeven. En het onderhoud van jouw Heer is beter en blijvender.

 

132 Wa’-mur ‘ahlaka bis–Salaati wastabir ‘alayhaa. Laa nas-‘aluka rizqaa: Nahnu narzuquk. Wal– ‘Aaqibatu lit–Taqwaa.

132 En draag het gebed op aan jouw mensen, en houd daaraan gestaag vasst. Wij vragen geen onderhoud van jou. Wij voorzien jou van onderhoud. En het (goede) einde volgt op het hoeden voor het kwaad.

 

133 Wa qaaloe law laa ya’-tienaa bi–‘Aayaatim-mir–Rabbih ? ‘Awalam ta-tihim–Bayyinatu maa fis– Suhufil-‘oelaa ?

133 En zij zeggen: Waarom brengt hij ons geen teken van zijn Heer? Is er tot hen geen duidelijk bewijs gekomen van wat er in de voorgaande Boeken staat?a

 

134 Wa law ‘annaaa ‘ahlaknaahum–bi-‘azaabim-min-qablihie la-qaaloe Rabbanaa law laaa ‘arsalta ‘ilaynaa Rasoelan fanattabi-‘a ‘Aayaatika min qabli ‘an-nazilla wa nagzaa.

134 En als Wij hen daarvoor met straf hadden vernietigd, zouden zij gezegd hebben: Onze Heer, waarom stuurde U ons geen boodschapper, zodat wij Uw boodschap opgevolgd zouden hebben voordat we schande en schaamte ondervonden?

 

135 Qul kullum-mutarabbisun fatarabbasoe : fasata-lamoena man ‘As-haabus–Siraatis-sawiyyi wa maanihtadaa.

135 Zeg Ieder (van ons) wacht, dus wacht. Spoedig zullen jullie te weten komen wie het egale pad volgt en wie de juiste richting gaat.


130a. De Heilige Profeet (s.a.w.) wordt verteld troost te zoeken in gebed, en dat hij de onderdrukkingen einige tijd geduldig zal moeten dragen. Vandaar dat het bevel om geduldig te blijven direct gevolg wordt door een gebod om te bidden. Hij vond troost in gebed onder de zwaarste vervolgingen. "De koelheid van mijn ogen is het resultaat van gebed", zo zou hij gezegd hebben (Msh. 25). Dit vers gaat over de vijf verplichte gebeden en de twee optionele. Voor het opkomen van de zon is er het ochtengebed, voor het ondergaan het ‘asr gebed. Drie gebeden, de maghrib, de ‘isjā’ en de tahadjdjoed (die laatste is optioneel), vinden plaats gedurende de avonduren, terwijl gedurende de uren van de dag het de zoehr en de doehā zijn. De laatste hiervan is optioneel, als een kort gebed in de late ochtend.

133a. De Heilige Qoer-ān wordt hier een duidelijk teken genoemd van wat er is opgenomen in de voorgaande Boeken, omdat zij hun profetieën vervult en hun waarheid ondersteunt.