14- Ibrahiem (Abraham)

HOOFDSTUK 14 Ibrāhim Abraham

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 7 paragrafen, 52 verzen

Dit hoofdstuk is genoemd naar Abraham, wiens gebed in de zesde paragraaf genoemd wordt. Dit gebed gaat over de vestiging van Ismaёl in de woestenij van Paran, en de verwijzing is bedoeld als een herinnering aan de waarheid van de Heilige Profeet (s.a.w.), wiens komst voorspeld was door Abraham.

Het hoofdstuk opent met de stelling dat de Qoer-ān geopenbaard is met het doel de mens uit de duisternis naar het licht te leiden. Vervolgens geeft hij aan dat de Mozaïsche openbaring, hoewel gegeven met eenzelfde doel, slechts bestemd was voor een specifiek volk. De tweede paragraaf geeft aan dat ook Mozes zijn volk vermaande de waarheid te aanvaarden, maar dat alle profeten hun boodschap eerst zagen afgewezen. De derde paragraaf verkondigt dat in alle gevallen de tegenstand uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de Goddelijke belofte om de profeet te helpen werd vervuld en zijn machtige tegenstanders machteloos werden. De bevestiging van de waarheid als een natuurlijke volgende stap word benadrukt in de vogende paragraaf. Deze wordt gevolgd door een paragraaf die aantoont dat de mens, door de waarheid af te wijzen, zijn eigen nederlaag teweegbrengt. Alles wordt immers dienstbaar gemaakt aan de mens, en dit bevestigt de grote waarheid van Goddelijke Eenheid. Dan volgt Abrahams gebed dat uitdrukking geeft aan zijn afwijzing van polytheïsme in welke vorm dan ook. Het gebed bevat een specifieke verwijzing naar zijn afstammelingen via de lijn van Ismaёl, voor wie hij ook bad. De slotparagraaf stelt dat tegenstand tegen de waarheid altijd is geёindigd in mislukking, en dat dit altijd zo zal blijven.

Het hoofdstuk behoort tot dezelfde periode als de zusterhoofdstukken in deze greoep.


PARAGRAAF 1: De Openbaring verdrijft de duisternis

 Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 ‘Alif–Laaam–Raa. Kitaabun ‘anzalnahu ‘ilay-ka litug-ridjan-naasa minazzulumaatie ‘ilan–Noeri-bi-‘idni Rabbi-him ‘ilaa Siraatil–Aziezil-Hamied ! –

1 Ik Allāh, ben de Ziende. Een Boek dat Wij aan jou hebben geopenbaard opdat jij de mensen, met de toestemming van hun Heer, vanuit de duisternis naar het licht mag leiden, naar de weg van de Machtige, de Geprezene,

 

2 ‘Allaa-hillazie lahoe maa fis-samaawaati wa maa fil-‘ard ! Wa way-lul-lil-kaafi-riena min ‘azaabin-sjadied !

2 Van Allāh, van Wie alles is wat er in de hemelen is en alles wat er op de aarde is. En wee de ongelovigen, vanwege de strenge straf!

 

3 ‘Allaziena yasta-hibboenal-hayaa-taddun-yaa ‘alal-‘Aagirati wa yasud-doena ‘an-sabielillaahi wa yabgoe-nahaa ‘iwadjaa : ‘Ulaa-‘ika fie zalaa-lim-ba-‘ied.

3 Degenen die dit wereldse leven meer liefhebben dan het Hiernamaals en die zich afwenden van Allāh’s pad, en dit afgebogen willen zien. Zij zijn ver afgedwaald.

 

4 Wa maaa ‘arsalnaa mir-rasoelin ‘illaa bi-lisaani qawmihie liyu-bayyina lahum. Fayuzillul-laahu manyyasjaaa-‘u wa yahdie manyasjaaa’: wa Huwal ‘Aziezul–Hakiem.

4 En Wij stuurden geen boodschapper of (hij kwam) met de taal van zijn volk, zodat hij het duidelijk aan hen uit kon leggen.a Dan laat Allāh in dwaling wie het Hem behaagt en Hij geeft leiding aan wie het Hem behaagt. En Hij is de Machtige, de Wijze.

 

5 Wa laqad ‘arsalnaa Moesaa bi-‘Aayaa-tienaaa ‘an ‘agridj qaw-maka minaz-zulumaati ‘ilan–Noeri, wa zagir-hum-bi–‘Ayyaa millaah. ‘Inna fie zaalika la–‘Aayaa-til-likulli sabbaarin-sjakoer.

5 En waarlijk stuurden Wij Mozes met Onze boodschap en zeiden: Leid jouw volk vanuit duisternis naar het licht en herinner hen aan de dagen van Allāh.a Hierin schuilen zeker tekenen voor ieder standvastig, dankbaar persoon.

 

6 Wa ‘iz qaala Moesaa liqawmihiz-kuroe ni’-matallaahi ‘alay-kum ‘iz ‘andjaa-kum-min ‘Aali- Fir-‘awna yasoe-moenakum soe-‘al-‘azaabi wa yuzabbi-hoena ‘abnaaa-‘akum wa yastah-yoena nisaaa-‘akum : wa fie zaalikum balaaa-‘ummir–Rabbi-kum ‘aziem.

6 En toen Mozes tot zijn volk zei: Herinner je Allāh’s gunsten aan jullie, toen Hij jullie verloste van het volk van Farao, dat jullie onderwierp aan zware kwellingen, en dat jullie zonen doodde en jullie vrouwen spaarde. En daarin school een grootse beproeving van jullie Heer.


4a. In 7:158 zien we: "Zeg: O mensheid, waarlijk ben ik voor jullie allen de Boodschapper van Allāh, van Hem aan Wie het koninkrijk van de hemelen en de aarde toebehoort." Een soorgelijke stelling wordt in 34:28 gemaakt: "En Wij hebben jou slechts gestuurd als een brenger van goed nieuws en als een waarschuwer voor de gehele mensheid." In het vers waarover het hier gaat wordt niets gezegd over het bereik van de missie van de Heilige Profeet (s.a.w.). Al wat gezegd wordt is dat elke profeet met de taal van zijn volk wordt gestuurd, niet dat zijn volk, of de natie waartoe hij behoort, het enige volk is waarvan van hem vereist wordt dat hij hen de boodschap brengt. De reden die hier wordt gegeven waarom een profeet de taal van zijn volk spreekt, is dat hij zo de boodschap aan zijn volk kan uitleggen. Het is immers zijn volk dat als eerste zijn boodschap zal ontvangen.

5a. Ajjām-Allāh wordt uitgelegd als de gunsten van Allāh (T). Het gebruik van het woord in een soortgelijke betekenis is welbekend in de Arabische literatuur, waarin Ajjām al-‘Arab, of de dagen van de Arabieren, gebruikt wordt als verwijzing naar de tijd van de conflicten van de Arabieren. Vandaar dat, als een conflict een bron van zegeningen is voor de overwinnaar en een bron van leed voor de overwonnene, de zinsnede de dagen van Allāh betekent Zijn genadige behandeling van de rechtvaardigen en Zijn bestraffing van de zondaars.

 

PARAGRAAF 2: De waarheid wordt eerst verworpen

 

7 Wa ‘iz ta-‘azzana Rabbukum la-‘in-sjakar-tum la-‘aziedanna-kum wa la-‘in-kafartum ‘inna ‘azaabie la-sjadied.

7 En toen jullie Heer het bekendmaakte: Als jullie dankbaar zijn, zal Ik jullie meer geven, en als jullie ondankbaar zijn, dan is Mijn straf waarlijk streng.

 

8 Wa qaala Moesaa ‘in-takfuroe ‘antum wa man-fil-‘ardi djamie-‘an fa-‘innal-laaha la-Ghaniyyun Hamied.

8 En Mozes zei: Als jullie ondankbaar zijn, jullie en iedereen op aarde, dan zal Allāh waarlijk Zelfgenoegzaam zijn, Geprezen.

 

9 ‘Alam ya’ti-kum naba-‘ullaziena min-qablikum Qawmi Noehinwwa ‘Aadinwwa Samoeda wallaziena mim-ba’-dihim ? Laa ya-lamuhum ‘illallaah. Djaaa-‘at-hum rusuluhum bil-bayyi-naati faraddoe ‘aydiya- hum fie ‘afwaa-hihim wa qaaloe ‘innaa kafarnaa bimaaa ‘ursil-tum-bihie wa ‘innaa lafie sjakkim-mimmaa tad-‘oenanaaa ‘ilay-hi moerieb.

9 Heeft het verhaal jullie niet bereikt over degenen vóór jullie, over het volk van Noach en de ‘Ād en de Thamoed – en degenen na hen? Niemand kent ze behalve Allāh.a Hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke argumenten, maar zij stopten hun handen in hun mondenb en zeiden: Wij ontkennen dat waarmee jullie zijn gestuurd, en wij verkeren waarlijk in grote tweijfel over waar jullie ons toe uitnodigen.c

 

10 Qaalat rusuluhum ‘afillaahi sjakkun Faatiris-samaawaati wal-‘ard ? Yad-‘oekum lie-yaghfira lakum-min-zunoebikoem wa yu-‘ag-girakum ‘ilaaa ‘adjalim-musammaa ! Qaaloe ‘in ‘antum ‘illaa basjarum-mislunaa ! Turie-doena ‘an-tasud doenaa ‘ammaa kaana ya-budu ‘aabaaa-‘unaa fa’toenaa bi-sultaa- nim-mubien.

10 Hun boodschappers zeiden: Bestaat er twijfel over Allāh, de Maker van de hemelen en de aarde? Hij is bereid jullie je fouten te vergeven en jullie uitstel te verlenen voor een vastgestelde termijn. Zij zeiden: Jullie zijn slechts stervelingen als wij; jullie willen ons afkeren van wat onze vaderen gewoon waren te aanbidden; dus breng ons duidelijk gezag.

 

11 Qaalat lahum rusuluhum ‘in-nahnu ‘illaa basjarum-mislukum wa laa-kinnal-laaha yamunnu ‘alaa many-yasjaaa-‘u min ‘ibaadih. Wa maa kaana lanaaa ‘an-na’ti-yakum-bi-sultaanin ‘illaa bi-‘iznillaah. Wa ‘alal-laahi fal-yata-wakkalil–Mu’-minoen.

11 Hun boodschappers zeiden tegen hen: Wij zijn slechts srevelingen als jullie, maar Allāh schenkt (Zijn) gunsten aan wie van Zijn dienaren het Hem behaagt. En het is niet aan ons om jullie gezag te brengen, behalve met de toestemming van Allāh. En laat de gelovigen op Allāh vertrouwen.

 

12 Wa maa lanaaa ‘allaa natawakkala ‘alal-laahi wa qad hadaanaa Subu-lanaa. Wa lanas-biranna ‘alaa maaa ‘aazaytumoena. Wa ‘alal-laahi falyata-wakkalil–Muta-wakkiloen.

12 En waarom zouden wij niet op Allāh vertrouwen? En Hij heeft ons zeker geleid op onze wegen. En wij zouden jullie vervolging van ons zeker met geduld ondergaan. En op Allāh zouden degenen die vertrouwen moeten vertrouwen.


9a. De Qoer-ān beweert niet dat hij een geschiedenis geeft van alle profeten; zie 4:164 en 40:78. De stelling die hier gemaakt is veel breder. Er wordt beweerd dat geen enkel ander boek hen allemaal noemt; zij zijn slechts bekend aan Allāh. In feite bevat de Bijbel niet meer dat een verminkte opsomming van sommige profeten van een enkele natie.

9b. Als een man geen antwoord geeft omdat hij daar niet toe in staat is, of zich ervan weerhoudt, dan stopt hij zijn hand in zijn mond (AH). Een meerderheid van commentatoren is het er echter over eens dat de woorden betekenen: zij sloegen van boosheid in hun handen; vergelijk 3:118. De betekenis kan ook eenvoudigweg zijn dat de ongelovigen hun handen in de monden van de boodschappers stopten, om hen zo het zwijgen op te leggen.

9c. De algemene verwijzingen in de paragraaf en in de volgende, naar de boodschappers en hoe zij werden behandeld door hun volk, hebben specifiek betrekking op de missie van de Profeet Moehammad (s.a.w.). Hoewel zij in essentie de waarheid weergeven waar het de levens van de besproken boodschappers aangaat, gaat het hier om de vastberaden tegenstand en vijandigheid van het volk van Moehammad (s.a.w.), het feit dat zij hem wegstuurden uit de stad, en hun uiteindelijke nederlaag.

 

PARAGRAAF 3: Tegenstand wordt uiteindelijk vernietigd

 

13 Wa qaalal-laziena kafaroe li-rusulihim la-nugri-djannakum-min ‘ardinaaa ‘aw lata-‘oedoenna fie milla-tinaa. Fa-‘awhaaa ‘ilay-him Rabbuhum lanuhli-kannaz-zaa-limien !

13 En degenen die niet geloofden zeiden tegen hun boodschappers: Wij zullen jullie zeker uit ons land verdrijven, tenzij jullie je weer bekeren tot onze religie.a Dus openbaarde hun Heer aan hen: Wij zullen de kwaaddoenewrs zeker vernietigen,

 

14 Wa la-nus-kinanna-kumul-‘arda mim-ba’-dihim. Zaalika liman gaafa Maqaa-mie wa gaafa wa-‘ied.

14 En na hen zullen Wij jullie zeker vestigen in het land. Dit is voor degene die vreest in Mijn aanwezigheid te staan en die angst kent voor Mijn dreiging.a

 

15 Wastaf-tahoe wa gaaba kulu djabbaa-rin ‘anied;

15 En zij zochten een oordeel, en iedere schaamteloze tegenstander was teleurgesteld:

 

16 Minwwaraa-‘ihie Djahannamu wa yusqaa mim-maaa-‘in-sadied.

16 De hel ligt voor hem en hem wordt kokend water te drinken gegeven;a

 

17 Yatadjarra-‘uhoe wa laa yakaadu yusie-ghuhoe wa ya’-tiehil-mawtu min-kulli-makaaninwwa maa huwa bi-may-yit : wa minw-waraaa-‘ihie ‘azaabun ghaliez.

17 Hij drinkt het beetje bij beetje en is niet in staat het door te slikken; en de dooda komt tot hem uit alle hoeken en toch sterft hij niet. En voor hem ligt een hevige straf.

 

18 Masalul-laziena kafaroe bi-Rabbihim ‘a’-maaluhum karamaadi-nisj-taddat bihir-riehu fie yaw-min ‘aasif : laa yaqdiroena mimmaa kasaboe ‘alaa sjay-: zaalika huwaz-zalaalul-ba-‘ied.

18 De gelijkenis van degenen die niet in hun Heer geloven: Hun daden zijn als as, voortgeblazen door een harde wind op een stormachtige dag. Zij hebben geen macht over wat zij hebben verdiend. Zover zijn zij afgedwaald.

 

19 ‘Alam tara ‘annal-laaha galaqas-samaa-waatie wal-‘arda bil-Haqq ? ‘Iny-yasja yuz-hibkum wa ya’ti bi-galqin-djadied.

19 Ziet je niet dat Allāh de hemelen en de aarde schiep naar waarheid? Als het Hem behaagt, dan zal Hij jullie wegnemen en een nieuwe schepping brengen,

 

20 Wa maa zaalika ‘alal-laahi bi-‘aziez.

20 En dit is niet moeilijk voor Allāh.a

 

21 Wa barazoe lil-laahi djamie-‘an-faqaalaz-zu-‘afaaa-‘u lillazienas-tak-baroe ‘innaa kunnaa lakum taba-‘an-fahal ‘antum-mug-noena ‘annaa min ‘Azaa-billaahi min-sjay’? Qaaloe law hadaanal-laahu laha-daynaakum ! Sa-waaa-‘un ‘alay-naaa ‘adjazi-naaa ‘am-sabarnaa maa lanaa mim-mahies.

21 En zij zullen allen bij Allāworden voorgeleid, en dan zullen de zwakken zeggen tegen degenen die trost waren: Wij waren jullie volgelingen, zijn jullie dan in staat om enig deel van de straf van Allāh van ons af te wenden? Zij zullen zeggen: Als Allāh ons had geleid, dan hadden wij jullie geleid. Het maakt ons niet uit of wij huilen of het geduldig dragen; ontsnappen is voor ons onmogelijk.


14a. De voorspelling van de uiteindelijke zege van de Heilige Profeet (s.a.w.) en van de totale nederlaag en onderwerping van zijn tegenstanders, verschijnt veelvuldig in de Heilige Qoer-ān. Ook hier wordt de voorspelling in zeer heldere woorden uitgedrukt. De tegenstanders wordt verteld dat zij de Profeet (s.a.w.) kunnen verbbannen, maar dat er niet de minste twijfel bestond dat hij uiteindelijk als een overwinnaar terug zou keren. Hij zou tot heerser over het land worden gemaakt nadat hun macht was vernietigd. Dit vers bevat in feite een zeer heldere profetie omtrent de vlucht van de Heilige Profeet (s.a.w.) uit Makkah en zijn terugkomst in die stad als overwinnaar en heerser.

16a. Sadid wordt verschillend vertaald met etter, smerig water, heet of kokend water (LL).

17a. Dood of maut betekent hier niet de beёindiging van leven, maar zoveel leed of smart dat dit de dood tot gevolg zou kunnen hebben (R). Hij ondergaat als het ware de emoties van de dood, maar de dood, die aan alle ellende een einde zou maken, komt voor hem niet.

20a. Vv. 18–20 zijn weer profetisch. Vers 18 stelt dat de pogingen van de tegenstanders tegen de Profeet (s.a.w.) waardeloos zullen zijn, terwijl vv. 19 en 20 de ongelovigen ervoor waarschuwen dat hun macht zal eindigen en een ander volk hun plaats zal innemen.

 

PARAGRAAF 4: De waarheid wordt bevestigd

 

22 Wa qaalasj-sjay-taanu lammaa quziyal-‘amru ‘innallaaha wa-‘adakum wa’-dal-Haqqi wa wa-‘attu- kum fa-‘ag-laftukum. Wa maa kaana li-ya ‘alay-kum-min-sul-taanin ‘illaaa ‘an-da-‘awtukum fasta djab- tum lie: falaa taloe-moenie wa loemoe ‘anfu-sakum. Maaa ‘ana bi-musri-gikum wa maaa ‘antum-bi-musri-giyy. ‘Innie kafartu bimaaa ‘asjrak-tumoeni min-qabl. ‘Inaz-zaali-miena lahum ‘azaabun ‘aliem.

22 En, wanneer de beslissing is genomen, dan zal de duivela zeggen: Waarlijk heeft Allājullie een ware belofte gedaan, en ik heb jullie een belofte gedaan, maar schoot jullie daarna tekort.b En ik had geen macht over jullie,c behalve dat ik jullie riep en dat jullie mij gehoorzaamden; dus geef niet mij de schuld maar jullie zelf. Ik kan jullie niet helpen, noch kunnen jullie mij helpen. Ik ontken dat jullie mij eerder gelijkstelden aan Allāh.d Voor de onrechtvaardigen is er waarlijk een pijnlijke straf.

 

23 Wa ‘ud-gilallaziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saali-haati Djannaatin-tadjrie min-tah-tihal-‘anhaaru gaali-diena fiehaa bi-‘idni–Rabbihim. Ta-hiyyatuhum fiehaa salaam !

23 En degenen die geloven en goeddoen worden de Tuinen binnengeleid waardoor rivieren stromen, daar verblijven zij met de toestemming van hun Heer. hun groet daar is, Vrede!

 

24 ‘Alam tara kayfa zaraballaahu masalan-Kalmatan-Tayyi-batan-ka-sjadjaratin-tayyi-batin ‘as-luhaa saabitunwwa far-‘uhaa fis-samaaa, –

24 Zie je niet hoe Allāh de gelijkenis van een goed woord naar voren brengt als een goede boom, waarvan de wortels stevig zijn en de takken hoog,a

 

25 Tu’tie ‘ukulahaa kulla hienim-bi-‘idnie Rabbihaa. Wa yaz-ribul-laahul-‘amsaala linnaasie la-‘alla- hum yatazakka-roen.

25 Die zijn vruchten ieder seizoen afstaat met de toestemming van zijn Heer? En Allāh brengt voor de mens gelijkenissen naar voren opdat zij indachtig kunnen zijn.

 

26 Wa masalu kalimatin gabie-satin-ka-sjadjaratin gabie-satinidj-tussat min-fawqiel-‘ardi maa lahaa min-qaraar.

26 En de gelijkenis van een slecht woord is als een slechte boom getrokken uit de oppervlakte van de aarde; hij staat niet stabiel.a

 

27 Yusabbi-tullaa-hulla-ziena ‘aamanoe bil-Qawlis-Saabiti fil-ha-yaatiddunyaa wa fil-‘Aagi-rah; wa yuzillul-laahuzzaa-limiena wa yaf-‘alullaahu maa yasjaaa.

27 Allāh sterkt degenen die geloven, in dit wereldse leven en in het Hiernamaals met het onbetwistbare woord; en Allāh laat de kwaaddoeners in dwaling; en Allāh doet wat Hem behaagt.a


22a. De duivel die in dit vers genoemd wordt is geen ander dan de trotse misleider uit het voorafgaande vers. Vergelijk ook 37:30, waar dezelfde woorden wij hadden geen macht over jullie in de mond van de menselijke leiders van het kwaad worden gelegd.

22b. Wanneer een persoon tot een zondige daad wordt misleid, ondervindt hij aan het eind dat de belofte van een goed gevolg van de zondige daad slechts bedrog was. Vergelijk 4:120 en 17:64.

22c. De duivel, of de leider in het kwaad, wijst slechts een zondig pad, en de kwaaddoeners volgen dat pad.

22d. Vergelijk 35:14. Een alternatieve betekenis is Ik was ongelovig omdat jullie me gelijkstelden aan Allāh; met andere woorden, de leiders geloven niet omdat hun volgelingen hen door hun vleierijen lieten denken dat zij het waard waren gehoorzaamd en gevolgd te worden.

24a. De parabel die een goed woord vergelijkt met een goede boom, volgt direct op een beschrijving van de uiteindelijke verblijfplaats van hen die goed doen. Deze wordt in de Heilige Qoer-ān herhaaldelijk beschreven als een Tuin, of als Tuinen waarin rivieren stromen. Dit geeft ons een aanwijzing voor de ware aard van het paradijs. Een goed woord is als een goede boom die in ieder seizoen vruchten draagt. Daarom zijn de altijd rijpe vruchten die een mens in het paradijs binnen zijn bereik zal hebben, niets anders dan de vruchten van zijn eigen goede daden. De bomen van het paradijs worden in feite gevormd door de eigen goede daden van de mens, die tot bomen zijn uitgegroeid. De vruchten gedragen door deze bomen vormen een belichaming van de geestelijke vruchten van de goede daden in het menselijke leven. Er moet ook worden opgemerkt dat, waar goede daden vergeleken worden met bomen, het geloof in de Heilige Qoer-ān herhaaldelijk vergeleken wordt met water, de bron van fysiek leven. Zoals de rechtschapenen altijd worden omschreven als zij die geloven en goeddoen, wordt het paradijs altijd omschreven als een Tuin waarin rivieren stromen. De rivieren komen in deze omschrijving overeen met het geloof en de bomen in de Tuin met de goede daden die de mens verricht. Met het kalimah (woord) wordt een dingeen gelegenheid of een voorval bedoeld, omdat naar ieder voorval wordt verwezen, als kalimah, of het nu een woord of een daad is (R).

26a. De kwade daad wordt vergeleken met een boom waarvan de wortels de aarde niet meer bereiken, waardoor het voedingsproces is stopgezet. Een kwade daad zal dus nooit bloeien of vruchten dragen.

27a. Allāh doet wat Hem behaagt, maar het zijn slechts de kwaaddoeners die Hij in verwarring laat. De directe oorzaak van hun afdwaling is hun eigen ongerechtigheid.

 

PARAGRAAF 5: Menselijk onrecht bij het afwijzen van de waarheid

 

28 ‘Alam tara ‘ilal-laziena baddaloe ni’-matal-laahi kufranwwa ‘ahalloe qaw-mahum Daaral-Bawaar –

28 Zie je degenen niet die Allāh’s gunst inruilen voor ongeloofa en die hun volk doen afdalen in het verblijf van verdoemenis –

 

29 Djahannam ? yaslaw-nahaa, wa bi’-sal-qaraar !

29 De hel. Daarin zullen zij branden. En het is een slechte plaats om je te vestigen!

 

30 Wa dja-‘aloe lillaahi ‘andaadal-li-yuzilloe ‘an-Sabielih ! Qul tamatta-‘oe fa-‘inna masierakum ‘ilan- Naar !

30 En zij richten gelijken op aan Allāh, die doen afdwalen van Zijn pad. Zeg: Vermaak julliezelf, want jullie terugkeer is waarlijk tot het Vuur.

 

31 Qul-li-‘ibaadi-yallaziena ‘aamanoe yuqiemus-salaata wa yunfiqoe mimmaa razaqnaahum sirranw- wa ‘alaani-yatammin-qabli ‘anyya-tiya Yawmul-laa bay-‘un-fiehie wa laa gilaal.

31 Vertel Mijn dienaren die geloven om het gebed te onderhouden en om uit te geven van wat Wij hen gegeven hebben, in het geheim en openlijk, voordat de dag komt waarop er geen sprake is van marchanderen of onderlinge vrienschap.

 

32 ‘Allahul-lazie galaqas-samaa-waati wal-‘arda wa ‘anzala minas-samaaa-‘i maa-‘anfa-‘agradja bihie minas-samaraati rizqal-lakum : wa sag-gara lakumul-fulka litadj-riya fil-bahri bi-‘Amrih: wa sag-gara lakumul-‘anhaar.

32 Allāh is Hij Die de hemelen en de aarde schiep en Die water neerzond uit de wolken, en dan vruchten voortbracht voor jullie onderhoud, en Hij heeft ervoor gezorgd dat de schepen dienstbaar zijn aan jullie en dat zij hun koers over zee volgen volgens Zijn bevel, en Hij heeft de rivieren aan jullie dienstbaar gemaakt.a

 

33 Wa sag-gara lakumusj-sjamsa wal-qamara daaa-‘i-bayn; wa sag-gara lakumullayla wan–Nahaar.

33 En Hij heeft de zon en de maan aan jullie dienstbaar gemaakt, terwijl zij hun baan vervolgen; en Hij heeft de nacht en de dag aan jullie dienstbaar gemaakt.

 

34 Wa ‘aataakum-min-kulli maa sa-‘altumuh. Wa ‘in-ta-‘uddoe ni’matal-laahi laa tuhsoehaa. ‘Innal-‘insaana la-zalun-mun-kaffaar.

34 En Hij geeft jullie van alles wat jullie aan Hem vragen. En als jullie Allāh’s gunsten tellen, zullen jullie ze niet kunnen nummeren. Waarlijk is de mens zeer onrechtvaardig, zeer ondankbaar.


28a. Zij wijzen Allāh’s gunst af, de Openbaring die poogt hen tot een groots en uitmuntend volk te maken. In plaats hiervan aanvaarden zij het ongeloof.

32a. Hier en in het volgende vers wordt gezegd dat de gehele schepping ondergeschikt is gemaakt aan de mens, om zo duidelijk te maken hoe hoog zijn plaats binnen de schepping is. Hoezeer degradeert de mens zichzelf, door voor dingen te buigen die gemaakt zijn om hem te dienen, en door deze te aanbidden!

 

PARAGRAAF 6: Abrahams gebed

 

35 Wa ‘iz qaala ‘Ibraa-hiemu Rabbidj-‘al haazal-Balada ‘aa-minanw-wadj-nubnie wa ba-niyya ‘an-na’-budal-‘asnaam.

35 En toen Abraham zei: Mijn Heer, maak dit tot een veilige stad, en red mij en mijn zoons van de aanbidding van afgoden.a

 

36 Rabbi ‘inna-hunna ‘az-lalna kasieram-minan-naas; faman-tabi-‘anie fa-‘innahoe minnie, wa man ‘asaa-nie fa-‘innaka Ghafoerur–Rahiem.

36 Mijn Heer, waarlijk hebben zij vele mensen doen afdwalen.a Dus wie mij volgt, is waarlijk met mij; en wie mij niet gehoorzaamt, U bent dan waarlijk Vergevensgezind, Barmhartig.b

 

37 Rabba-naaa ‘innie ‘as-kantu min-zur-riyyatie bi-waadin ghayrizie zar-‘in ‘inda Bay-tikal- Muharra- mi Rabbanaa liyuqiemus-Salaata fadj-‘al ‘af-‘idatam-minannaasi tahwie ‘ilai him war-zuqhum-minas-samaraatie la-‘allahum yasj-kuroen.

37 Onze Heer, ik heb een deel van mijn nageslachta in een onvruchtbare vallei gevestigd, dicht bij Uw Heilige Huis, onze Heer, zodat zij het gebed kunnen onderhouden; dus maak dat de harten van een aantal mensen hen genegen zijn, en hen van vruchten voorziet; misschien dat zij dankbaar zullen zijn.

 

38 Rabba-naa ‘innaka ta’-lamu maa nug-fie wa maa nu-lin: wa maa yagfaa ‘alallaahi min-sjay-‘in-fil-‘ardi wa laa fis-samaaa’.

38 Onze Heer, waarlijk weet U wat wij verbergen en wat wij naar buiten brengen. En niets blijft verborgen voor Allāh, zij het op de aarde of in de hemelen.

 

39 ‘Al-Hamdu lillaa-hillazie wahaba lie ‘alal-kibari ‘Ismaa-‘iela wa ‘Is-haaq: ‘Inna Rabbie la-Samie-‘ud -Du-‘aaa’!

39 Geprezen zij Allāh, Die mij, op hoge leeftijd, Ismaёl en Izaak heeft gegeven! Mijn Heer is waarlijk de Verhoorder van de smeekbeden.

 

40 Rabbidj-‘alnie muqie-mas-Salaatie wa min zur-riyyatie, Rabbanaa wa taqabbal Du-‘aaa’.

40 Mijn Heer maak dat ik mijn gebed zal onderhouden en (zo ook) mijn nageslacht, onze Heer, en aanvaard mijn smeekbede.

 

41 Rabba’-naghfir lie wa li-waali-dayya wa lil-Mu’-mi-niena Yawma yaqoe-mul–Hisaab !

41 Onze Heer, verleen mij bescherming, en mijn ouders en de gelovigen op de dag dat de afrekening zal plaatsvinden.


35a. Dat Abrahams gebed niet voor niets was, wordt aangetoond door het feit dat afgoderij een dodelijke klap werd toegediend door een van zijn afstammelingen. Wanneer afgoderij ooit van de aarde verdwenen zal zijn, is dit in feite slechts te danken aan Abraham en zijn afstammelingen.

36a. In werkelijkheid doen afgoden de mens niet afdwalen. Mensen dwalen af vanwege hen, en daarom worden ze omschreven als objecten die de mens doen afdwalen.

36b. Het gebed van Abraham is in feite het gebed van de Heilige Profeet (s.a.w.) en het illustreert de breedte van zijn visie. Degenen die hem volgen zijn natuurlijk zijn eigen mensen, maar ook degenen die hem niet gehoorzamen wijst hij niet af, want zelfs voor hen bidt hij voor Allāh’s genade en bescherming.

37a. Volgens de Heilige Qoer-ān bracht Abraham Ismaёl (en zijn moeder) naar Arabiё en vestigde hen daar. Het verhaal dat Hagar en Ismaёl werden doorgestuurd naar de wildernis van Beer-sjeba, wordt dus niet aanvaard. Er worden door Ibn ‘Abbās een aantal details gegeven in een hadies (B. 60:9). Volgens deze hadies nam Abraham Hagar en Ismaёl mee, en vestigde hij hen dicht bij de ruпnes van het Heilige Huis, de Ka‘bah. De hadies stelt, dat dit werd gedaan onder Goddelijk gebod. Toen Abraham terugging en hen beiden achterliet in deze wildernis, waar op dat moment geen stad was, vroeg Hagar hem: "Is het op Allāh’s bevel dat jij dit doet?" Abrahams antwoord was, "Ja." Toen zei Hagar: "Allāh zal ons niet laten omkomen." Verder wordt verteld hoe, toen er geen water bij haar werd achtergelaten, Hagar heen en weer rende tussen de Safā en de Marwah, om uit te zoeken of er een karavaan die kant opging. Het was bij deze gelegenheid dat zij een engel zag, die haar een plaats wees waar ze water kon vinden. Dit was de plaats die nu bekend is als Zamzam. Het was vanwege dit water dat een aantal mensen zich op deze plek vestigde. Zelfs de Bijbel aanvaardt dat Ismaёls afstammelingen zich in Arabiё vestigden. 

 

 

PARAGRAAF 7: Het einde van de tegenstand

 

42 Wa laa tahsaban-nallaaha ghaafilan ‘ammaa ya-maluz-zaali-moen. ‘Iennamaa yu-‘ga-giruhum li- Yawmintasj-gasu fiehil-‘absaar,-

42 En denk niet dat Allāh onachtzaam is van wat de onrechtvaardigen doen. Hij verleent hen slechts uitstel tot aan een dag waarop de ogen (vol verschrikking) zullen staren,a

 

43 Muhti-‘iena muqni-‘ie ru-‘oesihim laa yartaddu ‘ilay-him tar-fuhum, wa ‘af-‘idatuhum hawaaa !

43 Terwijl zij zich voorthaasten, hun hoofden opgeheven, hun blik onbeantwoord en hun harten leeg.a

 

44 Wa ‘anzirin-naasa Yawma ya’tie-himul-‘Azaabu fa-yaqoelullaziena zalamoe Rabba-naaa ag-gir-naaa ‘ilaaa ‘adjalin-qariebin-nudjib Da’-wataka wa nattabi-‘ir-rusul ! ‘Awa-lam takoe-noe ‘aqsam-tum-minqablu maa lakum min-zawaal ?

44 En waarschuw de mensen voor een dag waarop de straf tot hen zal komen, dan zullen de kwaaddoeners zeggen: Onze Heer, verleen ons uitstel tot een nabij tijdstip, wij zullen aan Uw roep beantwoorden en de boodschappers volgen. Zwoeren jullie hiervóór niet dat jullie niet zouden sterven?

 

45 Wa sakantum fie masaa-kinil-laziena zalamoe ‘anfusahum wa tabay-yana lakum kayfa fa-‘alnaa bihim wa zarabnaa lakumul–‘Amsaal !

45 En jullie wonen in de verblijven van degenen die zichzelf onrecht hebben aangedaan, en het is jullie duidelijk wat Wij met hen hebben gedaan, en wij maakten (hen) tot voorbeeld voor jullie.

 

46 Wa qad makaroe makrahum wa ‘indal-laahi makruhum: wa ‘in kaana makru-hum litazoela minhul-djibaal !

46 En zij hebben inderdaad hun plannen beraamd,a en hun plan ligt bij Allāh,b hoewel hun plan van dien aard is dat het bergen zou moeten verschuiven.

 

47 Falaa tahsa-bannal-laaha mug-lifa wa’-dihie rusulah: ‘innal-laaha ‘Aziezun – Zuntiqaam.

47 Dus denk niet dat Allāh Zijn belofte aan Zijn boodschappers niet na zal komen. Allāh is waarlijk Machtig, de Heer van Vergelding.

 

48 Yawma tubad-dalul-‘Ardu ghayral-‘Ardi was-Samaa-waatu wa barazoe lillaahil-Waa-hidil-Qahhaar;

48 Op de dag dat de aarde zal worden veranderd in een andere aarde, en (zo ook) de hemelen,a en zij zullen bij Alh worden voorgeleid, de Ene, de Allerhoogste.

 

49 Wa taral–Mudjri-miena Yawma-‘izim-muqar-raniena fil-‘asfaad;

49 En die dag zal jij de schuldigen zien, verbonden door ketenena –

 

50 Saraa-bieluhum-min-qati-raaninwwa tag-sjaa wudjoeha-humun–Naar;

50 Hun hemden gemaakt van pek, en hun gezichten bedekt met vuur,

 

51 Li-yadjzi-yallaahu kulla nafsim-maa kasabat; ‘innallaaha Sarie-‘ul–Hisaab.

51 Opdat Allāh iedere ziel kan terugbetalen wat zij heeft verdiend. Allāh is waarlijk Snel met afrekenen.

 

52 Haaza Balaa-ghul-linnaasi wa li-yunzaroe bihie wa li-ya’-lamoe ‘annamaa Huwa ‘Ilaa-hunw- Waahidunwwa li-yazzak-kara ‘ulul-‘albaab.

52 Dit is een boodschap voor de mensen, opdat zij hierdoor gewaarschuwd mogen zijn, en opdat zij zullen weten dat Hij Eén Allāh is, en opdat mensen met verstand indachtig zullen zijn.


42a. De uitdrukking duidt op een toestand van intense angst, waarin men zelfs niet in staat is met de ogen te knipperen.

43a. De buitengewone angst in de harten van degenen die de Profeet (s.a.w.) tegenwerkten werd in dit leven waargenomen, toen de Profeet (s.a.w.) optrok naar Makkah. De leegheid of de onbeschreven toestand van het hart duidt op een toestand van grote angst.

46a. Dit verwijst naar het plan van de Qoeraisj om een einde te maken aan het leven van de Profeet (s.a.w.) toen hij bijna alleen was achtergebleven in Makkah.

46b. De woorden hun plan ligt bij Allāh betekenen dat hun plan bestuurd wordt door Allāh, Die het ineffectief zal maken. Inderdaad een grootse voorspelling uit de mond van een persoon wiens enige kans om zichzelf te redden nu lag in het ontsnappen aan zijn vijanden. Dezen namen daarentegen iedere voorzorgsmaatregel om zijn ontsnapping te voorkomen, omdat ze besloten hadden hem te doden! Zie 8:30 en 30a, waar deze plannen gedetailleerd worden beschreven.

48a. De hervorming die door de Heilige Profeet (s.a.w.) werd bewerkstelligd, veranderde zonder twijfel de aarde in een andere aarde en de hemel in een andere hemel. Het Arabiё bij de geboorte van de Profeet (s.a.w.), was niet het Arabiё bij zijn dood. Geloven, gebruiken en praktijken die alle pogingen tot hervorming eeuwen lang hadden verhinderd, werden weggevaagd, en de onwetende, bijgelovige en strijdende stammen waren samengekomen tot een enkele natie die de toorts van kennis en beschaving ophield voor de hele wereld. Afgoderij was zo compleet uit het bestaan weggevaagd, dat er geen spoor van terug te vinden was onder een volk dat er eeuwenlang verslaafd aan was geweest. Deze grote verandering moet nu in de hele wereld plaats gaan vinden. Maar de geestelijke opstanding is slechts een indicatie van de grote dag van de Opstanding.

49a. De machtige tegenstanders van de Profeet (s.a.w.) werden hem ook in dit leven samengebonden met ketenen voorgeleid, na de strijd bij Badr. Deze belofte werd al in dit leven vervuld, om duidelijk te maken dat zij in het volgende leven net zo goed bewaarheid zou worden.