27- An-Naml (De Naml)

HOOFDSTUK 27 Al-Naml: De Naml

GEOPENBAARD IN MAKKAH: 7 paragrafen; 93 verzen

De titel van dit hoofdstuk is gebaseerd op een stam die bekend staat als de Naml. Deze stam wordt in vers 18 genoemd in verband met de opmars van Salomo tegen de Koningin van Seba. Zie voor de datum van de openbaring en het verband met het voorgaande hoofdstuk de inleidende noot bij het vorige hoofdstruk.

De Qoer-ān is het woord van Allāh dat de Heilige Profeet (s.a.w.) van boven ontving, net zoals Mozes een roep ontving op de berg Sinaï. De vijanden van de eerstgenoemde zouden net zo behandeld worden als die van de laatstgenoemde. Dit is de inhoud van de eerste paragraaf. De tweede en derde zijn gewijd aan de geschiedenis van Salomo, waarmee de toekomstige grootsheid van de Heilige Profeet (s.a.w.) wordt aangegeven. Het is in werkelijkheid een deel van de geschiedenis van Mozes, aangezien het Israëlitische koninkrijk haar volle glorie bereikte onder Salomo, en Mozes stierf voordat er enig Israëlitische koninkrijk gevestigd was. Aan de andere kant was de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.) voorbestemd om profetische grootsheid te combineren met het koningschap, de glorie van Salomo met de eenvoud van Mozes. Tijdens zijn leven werd hij erkend als koning van Arabië. Toch leidde hij, ondanks dat hij met koninklijke glorie gekroond was, een door eenvoud getekend leven. Het hoofdstuk vervolgt met een korte verwijzing naar de geschiedenissen van Sālih en Lot in de vierde paragraaf, wier tegenstanders vernietigd werden. De vijfde kan beschouwd worden als het natuurlijke gevolg van deze vernietiging, namelijk dat de gelovigen verheven zullen worden. De zesde paragraaf stelt echter dat de triomf van de Profeet (s.a.w.) niet gemarkeerd zou worden door de volledige vernietiging van zijn vijanden, zoals in het geval van deze profeten, maar door de uiteindelijke geestelijke wederopstanding van degenen die volkomen doof, doen en dood leken te zijn. De laatste paragraaf geeft aan dat alleen de grootste tegenstanders zouden sterven.


PARAGRAAF 1: Een verwijzing naar de geschiedenis van Mozes

 Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem.

In de, naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige.

 

1 Taa–Sien. Tielka ‘Aayaatoel–Qur-‘aani wa kitaabim-mubien;

1 Welwillende, Horende Allāh!a Dit zijn de verzen van de Qoer-ān en het Boek dat duidelijk maakt:

 

2 Hudanwwa Busjraa lil Mu’-minien,-

2 Een leidraad en goed nieuws voor de gelovigen,

 

3 ‘Allaziena yuqiemoenas–Salaata wa yu’-toenaz–Zakaata wa hum-bil–‘Aagirati hum yuqinoen.

3 Die het gebed onderhouden en de armenbelasting betalen en overtuigd zijn van het Hiernamaals.

 

4 ‘Innallaziena laayu’-minoena bil–‘Aagirati zayyannaa lahum ‘a’-maalahum fahum ya’-mahoen.

4 Degenen die niet geloven in het Hiernamaals, Wij doen hun daden hen fraai vookomen, maar zij dwalen blindelings verder.a

 

5 ‘Ulaaa–‘ikallaziena lahum soe-‘ul-‘azaabi wa hum fil–‘Aagirati humul-‘agsaroen.

5 Dit zijn degenen voor wie er een kwalijke straf is, en in het Hiernamaals zijn zij de grootste verliezers.

 

6 Wa ‘innaka latulaqqal–Qur-‘aana milladoen Hakemin ‘Aliem.

6 En waarlijk ontvang jij de Qoer-ān van de Wijze, de Wetende.

 

7 ‘Iz qaala Moesaa li-‘ahlihie ‘innie ‘aanastu naaraa; sa-‘aatiekum-minhaa bi-gabarien ‘aw ‘aatiekum-bisjihaabin-qabasiella-‘allakoem tataloen.

7 Toen Mozes tegen zijn familie zei: Waarlijk zie ik een vuur; daar vandaan zal ik jullie nieuws brengen, of ik breng jullie een brandende tak, zodat jullie jezelf kunnen warmen.

 

8 Falammaa djaa-‘ahaa noediya ‘am-boerika man-fin–Naari wa man hawlahaa: wa Subhaanallaahi Rabbil–‘Aalamien.

8 Dus toen hij daar kwam, kwam er een stem uit voort, die zei: Gezegend is degene die op zoek is naar het vuur en degenen er omheen. En glorie aan Allāh, de Heer van de werelden!a

 

9 Yaa–Moesaa ‘innaHoe ‘Anallaahul–‘Aziezul–Hakiem!

9 O Mozes, waarlijk, ben Ik Allāh, de Machtige, de Wijze:

 

10 Wa ‘alqi ‘asaak! Falammaa ra-‘aahaa tahtazzu ka-‘annahaa djaannunw-wallaa mudbiranwwa lam yu-‘aqqib yaa–Moesaa laa tagaf: ‘innie laa yakgaafu ladayyal-mursaloen,-

10 En werp jouw staf neer. Dus toen hij deze zag bewegen alsof het een slang was, trok hij zich terug en kwam niet terug. O Mozes, vrees niet. Waarlijk kennen de boodschappers geen vrees in Mijn aanwezigheid –

 

11 ‘Illaa man-zalama summa baddala husnam-ba’-da soe-‘in-fa-‘innie Ghafoerur–Rahiem.

11 Noch degene die kwaad doet en dan, in plaats daarvan, goeddoet na kwaad;a waarlijk ben Ik Vergevensgezind, Barmhartig,

 

12 Wa ‘adgiel yadaka fie djay-bika tagrudj bayzaaa-‘a min gayri soe: fie tis-‘i ‘Aayaatin ‘ilaa Fir-‘awna wa qaw mih: ‘innahum kaanoe qawman-faasiqien.

12 En steek jouw hand in jouw boezem, hij zal wit tevoorschijn komen, zonder kwaad, onder de negen tekenen aan Farao en zijn mensen.a Waarlijk zijn zij een volk in overtreding.

 

13 Falammaa djaaa-‘at-hum ‘Aayaatunaa mubsiratan qaaloe haazaa sihrym-mubien!

13 Dus toen Onze duidelijke tekenen tot hen kwamen, zeiden zij: Dit is duidelijk tovenarij.

 

14 Wa djahadoe bihaa wastayqanat-haaa anfusuhum zulmanwwa ‘uluwwaa; fanzur kayfa, kaana ‘aaqibatul-mufsidien!

14 En zij ontkenden ze, onterecht en trots, terwijl hun zielen van hen overtuigd waren. Zie dan, wat het einde was van de onruststokers!


1a. Zie 26:1a voor de uitleg.

4a. Met hun daden worden de daden bedoeld die zij ten uitvoer zouden moeten brengen. Het is de duivel die de kwaaddoeners hun slechte daden fraai doet voorkomen (6:43), terwijl Allāh goede daden voorschrijft. Elders: "Maar Allāh heeft het geloof bij jullie geliefd gemaakt en heeft het passend gemaakt in jullie harten, en Hij heeft ongeloof en overtreding en ongehoorzaamheid bij jullie gehaat gemaakt" (49:7).

8a. De woorden man fi-l-nār kunnen op een aantal manieren worden uitgelegd. De beste uitleg is die waarin het woord fi (lett. in) opgevat kan worden als achterheen of op zoek naar. Zo is een van de verduidelijkingen van de zinsnede die gegeven wordt door AH hij die op de plek is of de richting volgt waarin volgens hem het vuur lijkt te branden, zodat de betekenis is dat Mozes gezegend was net als degenen die in zijn land woonden. Rz zegt dat van Mozes gezegd kan worden dat hij fi-l-nār is, vanwege zijn nabijheid tot het vuur. Hij zegt namelijk ook dat van iemand waarvan gezegd wordt dat hij heel dichtbij iets is, gezegd kan worden dat hij erin is. Volgens een andere commentator is de betekenis, hij die ernaar op zoek is en erachter aan zit. Nog een andere uitleg is dat met man dat of wat bedoeld wordt, en dat de plaats waar het vuur gezien werd door Mozes bedoeld wordt. De toevoeging van de woorden degenen (of water omheen (is) geven dus aan dat iedereen in het land gezegend was, aangezien er zoveel profeten zijn verrezen die de mensheid leiding gaven.

Dat het vuur geen werkelijk vuur was wordt ook door commentatoren gesuggereerd. Dit is in feite duidelijk. De stem die tot Mozes kwam was de stem van Allāh en deze kwam op de manier waarop de Goddelijke roeping tot alle profeten komt. Mozes ontving een Goddelijke openbaring, en wat hij zag bevond zich in een staat van metamorfose.

11a. Het woord illā waarmee dit vers opent, is hier volgens Moeghni gelijk aan wāw (d.w.z. en). Maar zoals het negatieve  in de voorgaande passage, waaraan deze is verbonden, opgevat moet worden als volgend op wāw, is de juiste vertaling van illā hier en niet zijn of noch. Anderen beschouwen illā hier als manier om een nieuwe stelling te introduceren.

12a. Zie voor de negen teken 7:133b.

 

 

PARAGRAAF 2: De geschiedenis van Salomo

 

15 Wa laqad ‘aataynaa Daawoeda wa Sulaymaana ‘ilmaa: wa qaalal–Hamdu-lillaahillazie fazzalanaa ‘alaa kasierim-min ‘ibaadihil–Mu’-minien!

15 En waarlijk gaven Wij kennis aan David en Salomoi.a En zij zeiden: Geprezen zij Allāh, Die ons heeft verheven boven velen van Zijn gelovige dienaren!

 

16 Wa warisa Sulaymaanu Daawoeda wa qaala yaaa-‘ayyuhannaasu ‘ullimnaa Mantiqat–Tayri wa ‘oetienaa mien kulli sjay’: ‘inna haazaa lahuwal–Fazlul-mubien.

16 En Salomo was de erfgenaam van David, en hij zei: O mensen, ons is de taal van vogels geleerd,a en alle dingen zijn aan ons gegeven.b Waarlijk is dit duidelijke goedgunstigheid.

 

17 Wa husjira li–Sulaymaana djunoeduhoe minal-djinni wal-‘insi wat-tayri fahum yoeza-‘oen;

17 En zijn legers van djinn en mensen en vogels werden voor Salomo bijeengebracht, en zij werden verdeeld in groepen.a

 

18 Hattaaa ‘izaaa ‘ataw ‘alaa Waadin–Namli qaalat namlatuny-yaaa-‘ayyuhan-namlud-gulu masaaki- nakum, laa yahtimannakum Sulaymaanu wa djunoeduhoe wa hum laa yasj-‘uroen.

18 Totdat, toen zij bij de vallei van de Naml kwamen,a een Namlietse zei: O Naml, ga jullie huizen binnen opdat Salomo en zijn legers jullie niet zullen verpletteren, zonder dat zij dit merken.

 

19 Fatabassama zaahikammin-qawlihaa wa qaala Rabbi ‘awzi’-nie ‘an ‘asjkura ni’-matakallatie ‘an-‘amta ‘alayya wa ‘alaa waalidayya wa ‘an ‘a’-mala saalihan-tarzaahu wa ‘adkhilnie bi–Rahmatika fie ‘ibaadikas-saalihien.

19 En hij glimlachte in verwonderinga om haar woord, en zei: Mijn Heer, sta mij toe dankbaar te zijn voor de gunsten die U mij en mijn ouders heeft geschonken, en dat ik goed mag doen zoals het U behaagt, en laat mij toe, met Uw genade, tot Uw rechtschapen dienaren.

 

20 Wa tafaqqadat–Tayra faqaala maa liya laaa ‘aral–Hudhuda ‘am kaana minal-ghaaa-‘ibien?

20 En hij overzag de vogels, en zei: Hoe komt het dat ik Hoedhoed niet zie, of is het zo dat hij een van de afwezigen is?a

 

21 La-‘u azzibannahoe azaaban sjadiedan ‘aw la-‘azbahannahoe ‘aw laya’-tiyannie bisul-taanim-mubien.

21 Ik zal hem zeker straffen met een zware straf, of hem doden, of hij moet mij een overtuigend excuus aandragen.

 

22 Famakasa ghayra ba-‘iedin faqaala ‘ahattu bimaa lam tuhit bihie wa dji’-tuka min-Saba-‘im-binaba-‘iny-yaqien.

22 En hij talmde niet lang, en zei toen: Ik ben te weten gekomen wat jij nog niet te weten bent gekomen, en ik ben tot jou gekomen uit Saba; met zekere informatiea –

 

23 ‘Innie wadjattumra-‘atan tamlikuhum wa ‘oetiyat min kullu sjay-‘inwwa lahaa ‘arsjun ‘aziem.

23 Ik trof er een vrouw aan die over hen heerst, en haar is alles gegeven en zij heeft een machtige troon.

 

24 Wadjattuhaa wa qawmahaa yasdjudoena lisy-sjamsi min doenillaahi wa zayyana lahumusj– Sjaytaanu ‘a’-maalahum fasaddahum ‘anis–Sabieli fahum laa yahtadoen;-

24 Ik zag dat zij en haar volk de zon aanbidden in plaats van Allāh, en de duivel heeft hen hun daden fraai doen toeschijnen en leidde hen van de weg af, dus gaan zij niet in de juiste richting–

 

25 ‘Allaa yasdjudoe lillaahillazie yugridjul-gab-‘a fis-samaawaati wal-‘ardi wa ya-‘lamu maa tugfoena wa maa tu’-linoen.

25 Zodat zij niet Allāh aanbidden, Die naar buiten wat er verborgen is in de hemelen en de aarde en Die weet wat jullie verbergen en wat jullie naar buiten brengen.

 

26 ‘Allaahu laaa ‘ilaaha ‘illaa Huwa Rabbul–‘Arsjil–Aziem! (Sadjdah)

26 Allāh, er is geen God behalve Hij, de Heer van de machtige troon.a

 

27 Qaala sananzuru ‘asadaqata ‘am kunta minal-kaazibien!

27 Hij zei: Wij zullen zien of jij de waarheid spreekt of dat jij een leugenaar bent.

 

28 ‘Izhab-bi–Kitaabie haazaa fa-‘alqih ‘ilayhim summa tawalla ‘anhum fanzur maa zaa yardji-‘oen.

28 Neem deze brief van mij en overhandig deze aan hen, keer je dan van hen af en zie wat (voor een antwoord) zij terugsturen.

 

29 Qaalat yaaa-‘ayyuhal-mala-‘u ‘innie ‘ulqiya ‘ilayya kitaabun-kariem.

29 Hij zei: O bevelhebbers, er is mij een achtenswaardige brief gebracht.

 

30 ‘Innahoe min–Sulaymaana wa ‘innahoe “Biesmiellāhier – Rahmānier – Rahiem."

30 Hij komt van Salomo en is in de naam van Allāh, de Erbarmer, de Barmhartige:

 

31 ‘Allaa ta’-loe ‘alayya wa’-toenie Muslimien.

31 Hij zegt, Verhef julliezelf niet tegen mij en kom onderworpen tot mij.


15a. De geschiedenis van David en Salomo vormt, als geschiedenis van de wereldse grootsheid van de Israëlieten, in werkelijkheid een deel van de geschiedenis van Mozes. Een verwijzing naar deze twee is in feite dan ook profetisch, om aan te geven dat ook de Islām voorbestemd was tot zowel wereldse als geestelijke grootsheid uit te groeien.

16a. De stam noetq, waar het woord mantiq van afgeleid is, betekent oorspronkelijk gearticuleerde spraak of samengevoegde stemmen die worden geuit met de tong en die worden gehoord door het oor (R). Het gebruik van dit woordt in verband met andere dingen dan menselijke wezens wordt gezien als een soort metafoor, en het gebruik van het woord is toelaatbaar als men de betekenis begrijpt, hoewel het iets anders kan zijn dan gearticuleerde spraak (R). Dat Salomo de taal van de vogels begreep kan duiden op het feit dat hij gebruik maakte van vogels bij het overbrengen van boodschappen van de ene plaats naar de andere. Deze boodschappen zouden dan metaforisch de taal van vogels kunnen worden genoemd. Zie ook de volgende voetnoot. Hier wordt verwezen naar de grote hoeveelheid middelen waar Salomo zich op kon beroepen bij zijn zegevierende marsen tegen nabije en verre vijanden. Merk ook op dat Salomo niet alleen over zichzelf spreekt; zijn uitspraak Ons is geleerd omvat ook zijn volk. Dit geeft aan dat ook zijn volk die taal kende.

16b. Met alle dingen worden alle dingen die behoren tot een sterk koninkrijk bedoeld.

17a. De legers van Salomo worden hier in drie klassen verdeeld, de djinn, de mensen en de tair. Wat betreft de djinn worden in 21:82a aangegeven dat dit mensen waren die tot bepaalde bergstammen behoorden die Salomo ondrworpen had. Tair kan ofwel vogels ofwel paard betekenen, d.w.z. de cavalerie. Het samenkomen van alle drie klassen en hun verdeling in groepen geeft aan dat alle drie menselijke wezens waren. Het woord tair, of tā’ir, wordt afgeleid van tāra, wat het vloog betekent. Het wordt niet alleen toegepast op vogels, maar "ook op andere dingen die geen vleugels hebben" (LL). Tā’ir betekent vliegend ding, en daar de stam ook van toepassing is op niet gevleugelde wezens kan tā’ir, waarvan tair (het woord dat hier gebruikt wordt) het meervoud is, ook worden toegepast op snelle dieren zoals paarden. Zo betekent tajjār, wat een intensieve vorm van tā’ir is, wanneer het alleen staat een krachtig, vurig, energiek paard bijna vliegt door de felheid waarmee het rent(T, LL). Het betekent ook een gezelschap mensen (LL). tajjoer, wat een andere intensieve vorm van de nominatief tā’ir is, betekent een man die scherp en snel is (Q, LL). Zo zou de context bezien in het licht van deze betekenissen de conclusie rechtvaardigen dat tair hier paard betekent, d.w.z. cavalerie, omdat die zich snel kon verplaatsen. Dit wordt ondersteund door de stelling met betrekking tot Salomo’s liefde voor paarden in 38:31–33. Maar er kan aan toe worden gevoegd dat, omdat er vogels werden gebruikt voor het overbrengen van boodschappen, deze vogels een noodzakelijk onderdeel van een militaire expeditie uitmaakten. Het woord kan dus ook letterlijk worden opgevat als vogels.

18a. Veel van de fabels over Salomo komen voort uit een misverstand omtrent het woord naml. Er moet worden opgemerkt dat wādi-l-Naml niet juist vertaald kan worden met de vallei van de mieren, want Naml is een eigennaam. Volgens T (zie onder de stam wadj) is de vallei van de Naml tussen Djibrin en ‘Asqalān gesitueerd.Namlah is de naam van een stam, net als Māzin, wat letterlijk de eieren van de mieren betekent. Namil betekent een slimme man (T). De naam Namlah werd ook aan een kind gegeven in wiens handen bij de geboorte een mier werd geplaatst, omdat er gezegd werd dat een dergelijk kind wijs en intelligent zou worden (T). Ook in de Qāmoes wordt van de Namlah gezegd dat het een stam is. Onder het woord barq staat Abriqah ligt bij de wateren van de Namlah.

19a. Dāhik betekent verbaasd, want dihk wordt zowel gebruikt voor eenvoudig plezier als voor eenvoudige verbazing (R). Zie ook LL, die zegt dat dahaka ook hij verbaasde zich betekent, synoniem aan ‘adjiba.

20a. De beginwoorden kunnen duiden op ofwel een stoet van vogels ofwel een stoet van paarden; zie 17a. Onder Hoedhoed moet niet de kievit worden verstaan, maar een persoon met die naam. In iedere taal zijn veel van de normale namen die aan mensen gegeven worden hetzelfde als de namen van dieren. De Arabische schrijvers noemen een koning van Himjar bij de naam Hoedad (LA), want bijna gelijk is aan Hoedhoed, die genoemd wordt in de Qoer-ān. De Bijbel heeft het over een koning van Syrië, die Ben Hadad heet (1 Koningen, 15:18, enz). De Moentaha-l-arab stelt vast dat Hoedhad de naam was van de vader van Balqis, de koningin van Seba. Volgens LA wordt Hoedhoed ook geschreven als Hoedāhad, en Hoedāhad of Hadad was de naam van een stam in Jaman. Dit geeft aan dat er niets vreemds is aan het geven van zo’n naam aan mensen. Het vers dat volgt laat duidelijk zien dat Salomo het had over een van zijn eigen officieren. Dat een machtige monarch als Salomo een klein vogeltje een zware straf zou opleggen, en de uiteenzetting van de grote religieuze leer van Eenheid door een kievit zijn volkomen onvoorstelbaar.

22a. Saba’ is dezelfde als Seba uit de Bijbel. Het verhaal zoals het hier staat vinden we niet in de Bijbel, maar was wel bekend bij de joodse rabbijnen. De Bijbel heeft het over de komst van de koningin van Seba naar Salomo met grote gescenken om hem te testen. Zie 1 Koningen 10 en 2 Kron. 9. En verderop spreekt zij over de vele vreemde vrouwen als de echtgenoten van Salomo (1 Koningen 11).

26a. De voordracht van dit vers wordt gevolgd door een daadwerkelijke teraardewerping; zie 7:206a.

 

 

PARAGRAAF 3: De geschiedenis van Salomo

 

32 Qaalat yaaa-‘ ayyuhal-mala-‘u ‘aftoenie fie ‘amrie: maa kuntu qaati-‘atan ‘amran hattaa tasj-hadoen.

32 Zij zei: O bevelhebbers, geef mij advies aangaande mijn zaak; ik beslis nooit een zaak totdat jullie in mijn aanwezigheid zijn.

 

33 Qaaloe nahnu ‘uloe-quwwatinw-wa ‘uloe-ba’-sin-sjadied: wal-‘amru ‘ilayki fanzurie maaz-zaa ta’-murien.

33 Zij zeiden: Wij beschikken over kracht en wij beschikken over machtige moed. En het bevel is aan jou, dus overweeg wat jij zal bevelen.

 

34 Qaalat ‘innal-muloeka ‘izaa dagaloe qaryatan ‘afsadoehaa wa dja-‘aloe ‘a-‘izzata ‘ahlihaaa ‘azillah: wa kazaalika yaf-‘aloen.

34 Zij zei: Wanneer de koningen een stad binnengaan, vernietigen zij haar waarlijk, en vernederen de meest nobele van haar inwoners; zo doen zij dat.

 

35 Wa ‘innie mursilatun ‘ielayhim bihadiyyatin fanaa ziratum-bima yardji-‘ul-mursaloen.

35 En warlijk zal ik hen een geschenk sturen, om te zien welk (antwoord) de boodschappers terugbrengen.

 

36 Falammaa djaaa-‘a Sulaymaana qaala ‘atumiddoenani bi-maal? Famaa ‘aataaniyallaahu gary rum-mimmaaa ‘aataakum! Bal ‘antum-bihadiyyatikum tafrahoen!

36 En toen (de afgevaardigde) bij Salomo kwam, zei deze: Willen jullie mij bijstaan met rijkdom? Maar wat Allāh mij heeft gegeven is beter dan wat Hij jullie heeft gegeven. Nee, jullie zijn uitbundig vanwege jullie geschenk.a

 

37 ‘Irdji ‘ilayhim falana-‘tiyannahum-bidjunoedil-laa qibala lahum-bihaa wa lanugridjannahum-minhaaa ‘azillatanwwa hum saagiroen.

37 Keer naar hen terug, en wij zullen zeker tot hen komen met legers die zij niet kunnen weerstaan, en wij zullen hen daar zeker onteerd uit verbannen, terwijl zij worden vernederd.

 

38 Qaala yaaa-‘ayyuhal-mala-‘u ‘ayyukum ya’-tienie bi-‘arsjihaa qabla ‘any-ya’-toenie muslimien?

38 Hij zei: O bevelhebbers, wie van jullie kan mij haar troon brengen voordat zij onderworpen tot mij komen?a

 

39 Qaala ‘Ifrietum-minal-djinni ‘ana aatieka bihie qabla ‘an taqoema mim-maqaamik: wa ‘innie ‘alayhi laqawiyyun ‘amien.

39 Een dappere onder de djinn zei: Ik zal hem jou brengen voordat jij van jouw plaats opstaat; en ik ben zeker sterk, betrouwbaar hiervoor.a

 

40 Qaalallazie ‘idahoe ‘ilmum-minal–Kitaabi ’ana ‘aatieka bihie qabla ‘any-yartadda ‘ilayka tarfuk! Falammaa ra-‘aahu mustaqirra ‘indahoe qaala haazaa min-fadli Rabbie liyabluwanie ‘a-‘asjkuru ‘am ‘akfur ! Wa man-sjakara fa-‘innamaa yasj-kuru li-nafsih; wa man-kafara fa-‘inna Rabbie Ghaniyyun–Kariem!…

40 Imand met kennis van het Boek zei: IK zal hem jou brengen in een oogwenk.Toen hij hem naast zich zag staan,zei hij: Dit is de goedgunstigheid van mijn Heer, opdat Hij kan beproeven of ik dankbaar ben of ondankbaar. En wie dankbaar is, is slechts dankbaar voor zijn eigen ziel, en wie ondankbaar is, dan is mijn Heer waarlijk Zelfgenoegzaam, Weldadig.

 

41 Qaala nakkiroe lahaa ‘arsjahaa nanzur ‘atahtadie ‘am takoenu minallaziena laa yahtadoen.

41 Hij zei: Verander haar troon voor haar; wij zullen zien of zij de juiste weg volgt, of behoort tot degenen die niet in de juiste richting gaan.a

 

42 Falammaa djaaa-‘at qiela ‘ahaakazaa arsjuk! Qaalat ka-‘annahoe hoe; wa ‘oetienal-‘ilma min-qablihaa wa kunnaa Muslimien.

42 Dus toen zij kwam, werd er gezegd: Was jouw troon zoals deze? Zij zei: Het is alsof het dezelfde is; en de kennis hierover was ons eerder gegeven, en wij onderwierpen ons.a

 

43 Wa saddahaa maa kaanatta’-budu min-doenillaah: ‘innahaa kaanat min-qawmin kaafirien.

43 En dat wat zij aanbad buiten Allāh weerhield haar; want zij behoorde tot een ongelovig volk.

 

44 Qiela lahad-gulis-sarh: falammaa ra-‘at-hu hasibat-hu ludjdjatanw-wa kasjafat ‘an-saaqayhaa. Qaala iennahoe sarhummumarradum–min-qawaarier. Qaalat Rabbi ‘innie zalamtu nafsie wa ‘aslamtu ma-‘a Sulaymaana lillaahi Rabbil–‘Aalamien.

44 Er werd tegen haar gezegd: Treed het paleis binnen. Maar toen zij het zag, dacht zij dat het een uitgestrekte watervlakte was en bereidde zich voor op de moeilijkheid.a Hij zei: Waarlijk is het een paleis geëffend met glas.Zij zei: Mijn Heer, waarlijk heb ik mijzelf onrecht aangedaan, en ik onderwerp mij met Salomo aan Allāh, de Heer van de werelden.c


36a. Waarom werd Salomo boos toen hij een cadeau kreeg van de koningin? Latere gebeurtenissen, die verderop verteld worden, laten zien dat het cadeua dat naar Salomo gestuurd werd een troon was, die versierd was met naaktkunst of met afgodsschilderingen, of die op een andere manier beledigend was. Salomo’s bevel in v. 38 om haar troon bij hem te brengen geeft duidelijk aan dat daarmee de troon werd bedoeld die zij hem als cadeua had gestuurd, en zij bevel in v. 41 om veranderingen aan te brengen aan deze troon toont dat de schilderingen op de troon voor een ware aanbidder van God weerzinwekkend waren.

38a. Zoals gewoonlijk laat het verhaal hier de terugkeer van de boodschappers naar de koningin weg, en ook haar onderwerping aan Salomo na het ontvangen van het dreigement uit het voorgaande vers. Het verhaal gaat verder op het punt waar Salomo voorbereidingen treft om haar te ontvangen. Met haar troon wordt de troon bedoeld die zij als cadeua had opgestuurd.

39a. Het opstaan van de plaats betekent niet dat hij opstond vanuit een zittende positie, maar dat hij wegliep van de plaats waar hij zich op dat moment bevond. De verwijzing naar de betrouwbaarheid geeft aan dat de uitvoering van het werk een eerlijke arbeider vereiste. De dappere djinn is kennelijk een van de Amalekieten, die mannen van groot postuur waren.

40a. Met iemand met kennis van het Boek wordt een Israëliet bedoeld, in tegenstelling tot de Amalekiet waaraan in de voorgaande verzen gerefereerd wordt. De letterlijke betekenis van de slotwoorden van de zin is, voor de blik bij jou terugkeert. Het is hetzelfde als in een oogwek, waarbij het achterliggende idee is dat hij het zonder uitstel kon doen.

40b. Vreemde en eigenaardige legendes worden door sommige commentatoren geïntroduceerd in de veronderstelling dat deze gebeurtenissen direct op elkaar volgden. De woorden toen hij hem naast zich zag staan geven niet aan dat hij dit zag gebeuren in de loop van de conversatie die in de voorgaande passage plaatsvond. Het is een totaal andere gebeurtenis.

41a. Zoals in 36a wordt aangegeven voelde Salomo zich beledigd door de troon die de koningin hem als cadeau stuurde, omdat er onbeschaamde of afgodsschilderingen op stonden. Daarom liet hij voor zij naar hem toekwam, bepaalde veranderingen aanbrengen aan de troon. Het doel van de verandering wordt hier nadrukkelijk aangegeven, of zij de juiste weg volgt. In feite lijkt zij Salomo uitgenodigd te hebben tot haar religie van afgoderij door de schilderingen op de troon. Door veranderingen aan te brengen maakt Salomo duidelijk dat hij geen compromis kan sluiten met afgoderij.

42a. Door de vraag was jouw troon deze? Te stellen wilde Salomo haar aandacht gericht vestigen op de gemaakte veranderingen. Het antwoord van de koningin geeft aan dat haar boodschapper haar al verteld had dat Salomo beledigd was door het cadeau dat ze gestuurd had – kennis hieromtrent was ons al eerder verstrekt. De onderwerping waaraan gerefereerd wordt wanneer zij haar koninkrijk overhandigt, betekent niet dat zij moeslim was geworden. Dit wordt in v. 43 duidelijk gemaakt; haar aanbidding van de zon weerhield haar ervan een ware moeslim te worden. Vandaar dat onderwerping aan Allāh later komt; zie de slotwoorden van v. 44.

44a. Het gebruik van het woord sāq om moeilijkheid of leed aan te geven is gewoon in de Arabische literatuur. Slechts door een gigantisch gebrek aan kennis van de Arabische taal kan iemand ertoe komen de letterlijke betekenis van het woord sāq aan te nemen (d.w.z. scheenbeen), in plaats van het erkende idiomatische gebruik van het woord. Al-kasif ‘ani-l-sāq is een welbekend idioom, en verwijst naar een man die in moeilijkheden komt – wat betekent dat hij zich voorbereidde op de moeilijkheid – "zij gebruiken het woord sāq als zij uitdrukking willen geven aan de moeilijkheid van een zaak of gebeurtenis, en om de angst te beschrijven die hierbij voorkomt" (T, LL). Zo betekent de stelling in 68:42, jauma joeksjafoe ‘an sāq-in, op de dag dat een moeilijkheid of een calamiteit zal worden onthuld (I‘Ab). En op dezelfde manier betekent qāmati-l-harboe ‘alā sāq-inde strijd werd fel (LL). Zie ook 68:42a, waar aangegeven wordt dat de commentatoren dezelfde betekenis hechten aan deze woorden.

44b. Salomo was een rijke koning en hij had zonder twijfel zijn paleizen. Het lijkt erop dat hij om de koningin duidelijk te maken dat het de ongeziene hand van Allāh was die in de natuur werkte, water deed stromen onder de gladde glazen vloer. Zo bracht hij de boodschap op haar over dat Allāh de ware kracht was achter alle symbolische taal, zoals zij de boodschap van afgoderij op hem had overgebracht aan de hand van de symbolische taal van de troon die ze hem als cadeau had gestuurd. De koningin zag het glas aan voor het water dat er onderdoor stroombe; en toen Salomo haar aandacht daarop vestigde realiseerde zij zich direct haar eigen vergissing om uiterlijke dingen als de zon te aanbidden, terwijl de werkelijke macht of de bron van leven Allāh was, Wiens hand deze dingen maakte. Misschien dat hij ook met woorden de boodschap van Goddelijke Eenheid op haar overbracht. Het resultaat was dat de koningin van Seba de religie van Salomo aannam – Ik onderwerp mij met Salomo aan Allāh, de Heer van de werelden.

44c. Hierin spreekt de Qoer-ān de Bijbel tegen. Die laatste houdt het erop dat Salomo vanwege zijn niet-Israëlitische echtgenotes overstapte op afgoderij, terwijl de Qoer-ān stelt dat zijn echtgenotes bekeerlingen tot zijn religie waren en geloofden in de Goddelijke Eenheid. Hogere kritiek op de Bijbel steunt het uitgangspunt van deQoer-ān; zie 2:102d.

 

 

PARAGRAAF 4: Sālih en Lot

 

45 Wa laqad ‘arsalnaa ‘ilaa Samoeda ‘agaahum Saalihan ‘ani’-budullaaha fa-‘izaa hum farieqaani yagtasimoen.

45 En waarlijk stuurden Wij naar de Thamoed hun broeder Sālih, die zei: Dien Allāh. En zie! Zij verwerden tot twee groepen, elkaar bestrijdend.

 

46 Qaala yaa-qawmi lima tasta’-djiloena bis-sayyi-‘ati qablal-hasanah? Law laa tastaghfiroenallaaha la-‘allakum turhamoen.

46 Hij zei: O mijn volk, waarom bespoedigen jullie het kwaad eerder dan het goed? Waarom vragen jullie Allāh niet om vergeving, zodat jullie genade kunnen ontvangen?

 

47 Qaalut-tayyarnaa bika wa bimam-ma-‘ak Qaala taaa-‘irukum ‘indallaahi bal ‘antum qawmun-tuftanoen.

47 Zij zeiden: Wij voorspellen kwaad van jou en van degenen met jou. Hij zei: Jullie kwade voorspelling is bij Allāh; nee, jullie zijn een volk dat wordt beproefd.

 

48 Wa kaana fil-madienati tis-‘atu rahtiny-yufsidoena fil-‘ardi wa laa yuslihoen.

48 En er waren in de stad negen personen die onrust stookten in het land en die niet op juiste wijze handelden.a

 

49 Qaaloe taqaasamoe billaahi lanubayyi-tannahoe wa ‘ahlahoe summa lanaqoelanna li-waliyyihie maa sjahidnaa mahlika ‘ahlihie wa ‘innaa lasaadiqoen.

49 Zij zeiden: Zweer aan elkaar bij Allāh dat wij hem en zijn familie in de nacht aan zullen vallen, en dan zullen wij tegen zijn erfgenaam zeggen: Wij waren geen getuige van de vernietiging van zijn familie, en wij spreken zeker de waarheid.a

 

50 Wa makaroe makranwwa makarnaa makranwwa hum laa yasj-‘uroen.

50 En zij beraamden een plan, en Wij beraamden een plan, terwijl zij (het) niet beseften.

 

51 Fanzur kayfa kaana ‘aaqibatu makrihim ‘annaa dammarnaahum wa qawmahum ‘adjma-‘ien.

51 Zie dan, wat het einde was van hun plan, dat Wij hen en hun volk vernietigden, (hen) allemaal.

 

52 Fatilka buyoetuhum gaawiyatam-biemaa zalamoe. ‘Inna fie zaalika la–‘Aayatal-liqawminy-ya’-lamoen.

52 Dus dat zijn hun ingestorte huizen, omdat zij onrechtvaardig waren. Waarlijk schuilt hierin een teken voor een volk dat weet.

 

53 Wa ‘andjaynallaziena ‘aamanoe wa kaanoe yattaqoen.

53 En Wij verlosten degenen die geloofden en aan hun plicht voldeden.

 

54 Wa Loetan ‘iz qaala liqawmihie ‘ata’-toenal-faahisjata wa ‘antum tubsiren?

54 En Lot, toen hij tegen zijn volk zei: Begaan jullie verdorven daden, terwijl jullie zien?

 

55 ‘A-‘innakum lata’-toenarridjaala sjahwatam-min-doeniennisaaa? Bal antum qawmun tadjhaloen!

55 Willen jullie liever mannen met lust benaderen dan vrouwen? Nee, jullie zijn een volk dat zich onwetend gedraagt.

 

56 Famaa kaana djawaaba qaw-mihie ‘illaaa ‘an qaaloe ‘agridjoe ‘aala–Loetiem-min-qaryatikum: iennahum ‘unaasuny-yata-tahharoen!

56 Maar het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: Verdrijf de volgelingen van Lot uit jullie stad; waarlijk zijn zij een volk dat zuiver zou willen blijven!

 

57 Fa-‘andjaynaahu wa ‘ahlahoe ‘illamra-‘atah: qaddarnaahaa minal-gaabirien.

57 Maar Wij verlosten hem en zijn volgelingen, behalve zijn echtgenote; Wij verordenden dat zij behoorde tot degenen die achterbleven.

 

58 Wa ‘amtarnaa ‘alayhimmataraa: fasaaa-‘a matarulmunzarien!

58 En Wij deden een regen op hen neerdalen; dus vreselijk was de regen op degenen die waren gewaarschuwd.a


48a. Er wordt hier zonder twijfel verwezen naar de vijanden van de Heilige Profeet (s.a.w.). Zij kenden negen leiders, waarvan er acht bij Badr waren gedood. De uitzondering was Aboe Lahab, die in Makkah stierf na het horen van het nieuws van de nederlaag bij Badr. Hun namen waren Aboe Djahl, Moet‘im ibn ‘Adijj, Sjaibah ibn Rabi‘ah, ‘Oetbah ibn Rabi‘ah, Walid ibn ‘Oetbah, Oemajjah ibn Chalf, Nadar ibn al-Harth, ‘Aqbah ibn Abi Moe‘ait en Aboe Lahab.

49a. Dit lijkt een profetische verwijzing te zijn naar de samenzwering tegen de Profeet (s.a.w.). De Qoeraisj maakten uiteindelijk immer gebruik van hetzelfde plan om zich van de Profeet (s.a.w.) te bevrijden. Men moet niet vergeten dat de openbaring van dit hoofdstuk tot een vroege periode behoort. De samenzwering tegen het leven van de Profeet (s.a.w.) moest op de volgende manier uitgevoerd gaan worden. Er was van iedere stam van de Qoeraisj één man uitgekozen die de Profeet (s.a.w.) onverhoeds zouden overvallen. Zij moesten tegelijkertijd hun zwaarden in zijn lichaam steken zodat geen enkele stam op zich schuldig zou kunnen worden bevonden. Dit werd besloten vlak voor de vlucht van de Profeet (s.a.w.) naar Madinah, en het incident met betrekking tot Sālih is dus duidelijk bedoeld als een voorspelling.

58a. Stenen regenden op hen neer; zie 7:84a.

 

 

PARAGRAAF 5: De Gelovigen zullen worden verheven

 

59 Qulil–Hamdu lillaahi wa Salaamun ‘alaa ‘ibaadihillazienastafaa. ‘Aaallaahu khayrun ‘ammaa yusj- rikoen?

59 Zeg: Geprezen zij Allāh en vrede over Zijn dienaren die Hij heeft verkozen! Is Allāh beter, of wat zij (aan Hem) gelijkstellen?

 

60 ‘AMMAN GALAQAS–samaawaati wal-‘arda wa ‘anzala lakum-minas-samaaa-‘i maaa-‘aa? Fa-‘ambatnaa bihie badaaa-‘iqa zaara bahdjah: maa kaana lakum ‘an-tumbitoe sjadjarahaa. ‘A-‘ilaahumma-‘allaah? Bal hum qawmuny-ya’-diloen.

60 Of, Wie schiep de hemelen en de aarde, en stuur water uit de wolk voor jullie naar beneden? Dan doen Wij hiermee prachtige tuinen opbloeien – jullie zijn zelf niet in staat om de bomen daarvan te doen groeien. Is er een god naast Allāh? Nee, zij zijn een volk dat afdwalent!

 

61 ‘Amman-dja-‘alal-‘arda qaraaranw-wa dja-‘ala khilaalahaaa ‘anhaaranw-wa dja-‘ala lahaa rawaasiya wa dja-‘ala baynal-bahrayni haadjizaa ? ‘A-‘ilaahum-ma-‘allaah ? Hal ‘aksaruhum laa ya’-lamoen.

61 Of, Wie maakte de aarde tot een rustplaats, en maakte er rivieren in, en verhief er de bergen, en plaatste er tussen de twee zeeën en barrière?a Is er een god naast Allāh? Nee, de meesten van hen weten niet!

 

62 ‘Ammany-yudjiebul-muztarra ‘izaa da-‘aahu wa yaksjifussoe-‘a wa yadj-‘alukum gulafaaa-‘al-‘ard? ‘A-‘ilaahumma-‘allaah? Qalielam-maa tazakkaroen!

62 Of, Wie antwoordt de noodlijdende wanneer deze Hem aanroept en verwijdert het kwaad, en (Wie) zal jullie opvolgers maken op aarde? Is er een god naast Allāh? Jullie nemen jezelf te weinig in acht!

 

63 ‘Ammany-yahdiekum fie zulumaatil-barri wal-bahri wa many-yursilur-riyaaha busjram-bayna yaday Rahmatih? ‘A-‘ilaahum-ma-‘allaah? Ta-‘aalallaahu ‘ammaa jusjrikoen!

63 Of, Wie begeleidt jullie door het duister van het land en de zee, en Wie zendt de winden als goed nieuws voor Zijn genade uit? Is er een god naast Allāh? Verheven is Allāh boven wat zij (aan Hem) gelijkstellen!

 

64 ‘Ammany-yabda-‘ul-galqa summa yu-‘ieduhoe wa many-yarzuqukum-minas-samaaa-‘i wal-‘ard? ‘A-‘ilaahum-ma-‘allaah? Qul haatoe burhaanakum ‘in-kuntum saadiqien!

64 Of, Wie brengt de schepping voort, en reproduceert deze dan, en Wie geeft jullie onderhoud uit de hemel en de aarde? Is er een god naast Allāh? Zeg: breng jullie bewijs, als jullie de waarheid spreken.

 

65 Qul-laa ya’-lamu man-fissamaawaati wal-‘ardil-ghayba ‘illallaah: wa maa yasj-‘uroena ayyaana yub-‘asoen.

65 Zeg: Niemand in de hemelen en de aarde kent het ongeziene behalve Allāh; en zij weten niet wanneer zij opgewekt zullen worden.

 

66 Baliddaaraka ‘ilmuhum fil–‘Aagirah: bal hum fie-sjakkim-minhaa; bal hum-minhaa ‘amoen!

66 Nee, hun kennis reikt niet tot aan het Hiernamaals. Nee, zij verkeren hierover in twijfel. Nee, zij zijn er blind voor.a


61a. Zie 25:53a.

62a. De uiting van de geweldige macht van Allāh in de natuur, de schepping van de hemelen en de aarde, het neerzenden van regen, het maken van rivieren en bergen – al deze geweldige tekenen van het bestaan van de Grote Schepper worden hier gevolgd door een even geweldige teken van het bestaan van Allāh, de uiting van Zijn geweldige macht in de mens. Maar let op het contrast. Deze uiting van het bestaan van Allāh moet niet gezocht worden in de grootsheid en macht van de mens als overwinnaar van de natuurkrachten, maar in zijn zwakheid in zijn grote leed als hij zichzelf, wanneer hij niet in staat is hulp te vinden uit enige bron, op de Goddelijke drempel werpt en hulp zoekt bij Allāh. Zo wordt ons verteld dat de uiting van Allāh’s grote macht in de geweldige krachten van de natuur net zo’n duidelijk bewijs is van het bestaan van Allāh, als de uiting van Zijn macht in een zwakke sterveling die zich in uiterste nood bevindt. Maar wat meer is, deze uiting van Allāh’smacht is prachtig verweven met profetie – en Hij zal jullie opvolgers op de aarde maken. De noodlijdenden zijn hier natuurlijk de moeslims, die wreed werden vervolgt en gekweld. Hun wordt verteld dat de uiting van Allāh’s macht wanneer Hij hen tot heersers over de aarde zou maken, net zo groot zou zijn als de macht die tot uitdrukking komt in Zijn schepping van de hemelen en de aarde. Dit geeft ook het doel aan dat besloten ligt in de vertelling van de geschiedenissen van David en Salomo.

66a. Menselijke kennis kan het leven na de dood niet bereiken en Allāh heeft deze kennis door Zijn openbaring aan de mens verleend. Maar de mensen zijn erover in verwarring; zij sluiten er feitelijk hun ogen voor.

 

 

PARAGRAAF 6: De geestelijke wederopstanding

 

67 Wa qaalallaziena kafaroe ‘a-‘izaa kunnaa turaabanwwa ‘aabaaa-‘unaaa ‘a-‘innaa la mugradjoen?

67 En degenen die niet geloven zeggen: Wanneer wij tot stof zijn verworden en onze vaderen (ook), zullen wij dan werkelijk worden voortgebracht?

 

68 Laqad wu-‘idnaa haazaa nahnu wa ‘aabaaa-‘unaa minqablu ‘in haazaaa ‘illaaa ‘asaatierul-‘awwalien.

68 Ons is dit zeker beloofd – ons en onzen vaderen hiervóór; dit zijn slects verhalen van de ouden!

 

69 Qul sieroe fiel-‘ardi fanzuroe kayfa kaana ‘aaqibatul-mudjrimien.

69 Zeg: Reis over de aarde, en zie dan wat het einde was van de schuldigen!

 

70 Wa laa tahzan ‘alayhim wa laa takun-fie zayqim-mimmaa yamkuroen.

70 En treur niet voor hen, en wees ook niet bevreesd vanwege wat zij beramen.

 

71 Wa yaqoeloena mataa haazal-wa’-du ‘in-kuntum saadiqien?

71 En zij zeggen: Wanneer zal deze belofte worden volbracht, als jullie de waarheid spreken?

 

72 Qul ‘asaaa ‘any-yakoena radifa lakum ba’-zullazie tasta’-djiloen!

72 Zeg: Misschien is een deel van wat jullie proberen te bespoedigen al nader tot jullie gekomen.

 

73 Wa ‘inna Rabbaka la–Zoefazlin ‘alannaasi wa laakinna ‘aksarahum laa yasj-kuroen.

73 En jouw Heer is waarlijk Vol van goedgunstigheid tegenover de mensen, maar de meesten van hen zeggen geen dank.

 

74 Wa ‘inna Rabbaka la-ya’-lamu maa tukinnu sudoeruhum wa maa yu’-limoen.

74 En waarlijk weet jouw Heer wat hun borsten verbergen en wat zij naar buiten brengen.

 

75 Wa maa min gaaa-‘i-batinfis-samaaa-‘i wal-‘ardi ‘illaa fie kitaabim-mubien.

75 En er is niets verborgen in de hemel en de aarde of het staat in een duidelijk boek.

 

76 ‘Inna haazal–Qur-‘aana yaqussu ‘alaa Banie-‘Israaa’iela ‘aksarallazie hum fiehi yagtalifoen.

76 Waarlijk verduidelijkt deze Qoer-ān voor de Kinderen van Israël de meeste dingen waarin zij verschillen.

 

77 Wa ‘innahoe la–Hudanwwa Rahmatul-lil–Mu’-minien.

77 En waarlijk is het een leidraad en een genade voor de gelovigen.

 

78 ‘Inna Rabbaka yaqzie baynahum-bi–Hukmih : wa Huwal–‘Aziezul–‘Aliem.

78 Waarlijk zal jouw Heer tussen hen oordelen aan de hand van Zijn oordeel, en Hij is de Machtige, de Wetende.

 

79 Fatawakkal ‘alallaah: ‘innaka ‘alal–Haqqil-mubien.

79 Dus vertrouw op Allāh. Waarlijk steun jij op de duidelijke waarheid.

 

80 ‘Innaka laa tusmi-‘ul-mawtaa wa laa tusmi-‘us-summaddu-‘aaa-‘a ‘izaa wallaw mudbirien.

80 Zeker kan jij de doden niet laten horen, noch kan jij de doven de roep laten horen, wanneer zij teruggaan en zich terugtrekken.a

 

81 Wa maaa ‘anta bihaadil-‘umyi ‘an-zalaalatihim: ‘in tusmi-‘u ‘illaa many-yu’-minu bi–‘Aayaatinaa fahum–Muslimoen.

81 Noch kan jij de blinden uit hun dwaling leiden. Jij kan niemand laten horen, behalve degenen die in Onze boodschap geloven, dus onderwerpen zij zich.

 

82 Wa ‘izaa waqa-‘al–Qawlu ‘alayhim ‘agradjnaa lahum Daaabbatam-minal-‘ardi tukallimuhum ‘annannaasa kaanoe bi–‘ Aayaatinaa laa yoeqinoen.

82 En wanneer het woord tegen hen ten uitvoer wordt gebracht, dan zullen Wij voor hen een schepsel uit de aarde voortbrengen dat tegen hen zal sprteken, omdat de mensen niet geloofden in Onze boodschap.a


80a. Dit vers is een heldere getuigenis voor wat bedoeld wordt met het feit dat de Profeet (s.a.w.) de doden doet herrijzen. Ons wordt hier verteld dat als de doden zich terugtrekken, de Profeet (s.a.w.) hen niet kan doen horen. Dit vers en de beginwoorden van het volgende vers hebben het kennelijk over de verdoemden die hun ogen sluiten en oren dichthouden voor alle waarheid.

82a. Met het schepsel uit de aarde dat tegen hen zal spreken wordt kennelijk een volk bedoeld dat dicht naar de aarde toe gebogen is. Deze mensen zijn de materialistische naties van het Westen die alle gevoel voor hogere waarden in het leven verloren hebben. Het naar voren komen van de dābbat al-ard is volgens de Hadies een van de tekens van de komst van het Uur. Maar het Uur kan ofwel de dag des Oordeels betekenen of het noodlot van een volk, en dit vers geeft ons een aanwijzing dat het Uur in dit geval voor het noodlot van een volk staat. Hier wordt immers gesproken over een straf voor het niet geloven in de Goddelijke boodschap.

 

 

PARAGRAAF 7: Het verdwijnen van tegenstand

 

83 Wa Yawma nahsjuru min kulli ‘ummatin-fawdjam-mim-many-yukazzibu bi–‘Aayaatinaa fahum yoeza-‘oen,-

83 En op de dag dat Wij uit iedere natie een groep uit het midden van degenen die Onze boodschap afwezen samenbregen, dan zullen zij tot groepen worden gevormd.

 

84 Hattaaa ‘izaa djaaa-‘oe qaala ‘akazzabtum-bi–‘Aayaatie wa lam tuhietoe bihaa ‘ilman ‘ammaa zaa kuntum ta’-maloen?

84 Totdat, wanneer zij komen, Hij zal zeggen: Verwierpen jullie Mijn boodschap, terwijl jullie deze niet met kennis doorgrondden? Of wat was het dat jullie deden?

 

85 Wa waqa-‘al–Qawlu alayhim-bimaa zalamoe fahum laa yantiqoen.

85 En het woord zal tegen hen ten uitvoer worden gebracht omdat zij onrechtvaardig waren, dus zullen zij niet spreken.

 

86 ‘Alam yaraw ‘annaa dja-‘alna–Layla liyaskunoe fiehi wan–Nahaara mubsiraa ? ‘Inna fie zaalika la–‘ Aayaatil-liqawminy-yu’-minoen!

86 Zien zij niet dat Wij de nacht hebben gemaakt zodat zij hierin kunnen rusten, en de dag om licht te geven? Waarlijk schuilen hierin tekenen voor een volk dat gelooft.

 

87 Wa Yawma yunfakhu fis–Soeri fafazie-‘a man-fis-samaawaati wa man-fil-‘ardi ‘illaa man-sjaaa-‘allaah: wa kullun ‘atawhu daa-girien.

87 En de dag dat de trompet zal worden geblazen, dan zullen degenen in de hemelen en degenen op aarde door ontzetting worden bevangen, behalve degenen wie het Allāh behaagt. En alles zal onderdanig tot Hem komen.a

88 Wa taral-djibaala tahsabuhaa djaamidatanwwa hiya tamurru marras-sahaab: sun-‘allaahiel-lazie ‘atqana kulla sjay’: ‘innahoe gabierumbimaa taf-‘aloen.

88 En jij ziet de bergen – jij denkt dat ze stevig staan – verdwijnen zoals een wolk verdwijnt: het werk van Allāh, Die alles grondig heeft gemaakt. Waarlijk is Hij Zich Bewust van wat jullie doen.a

 

89 Mandjaaa-‘a bil-hasanati falahoe gayrum-minhaa; wa hum-min-faza-‘iny–Yawma-‘izin ‘aaminoen.

89 Wie goed brengt, hij zal het beter hebben dan dit; en zij zullen veilig zijn voor de ontzetting op die dag.

 

90 Wa man-djaaa-‘a bis-sayyi-‘ati fakubbat wudjoehuhum fin–Naar: hal tudjzawna ‘illaa maa kuntum ta’-maloen?

90 En wie kwaad brengt, zij zullen op hun gezicht in het Vuur worden geworpen. Worden jullie voor iets anders beloond, dan voor wat jullie deden?

 

91 ‘Innamaaa ‘umirtu ‘an ‘a’-buda Rabba haazihil–Baldatil-lazie harramahaa wa lahoe kullu sjay-‘inwwa ‘umirtu ‘an ‘akoena minal–Muslimien,–

91 Mij is slechts opgedragen de Heer van deze stad te dienen, Die haar heilig heeft gemaakt, en alle dingen behoren aan Hem,a en mij is opgedragen bij degenen te horen die zich onderwerpen,

 

92 Wa ‘an ‘atluwal–Qur-‘aan: famanihtadaa fa-‘innamaa yahtadie li-nafsih: wa man-zalla faqul ‘innamaaa ‘ana minalmunzirien.

92 En de Qoer-ān voor te dragen. Dus wie de juiste richting gaat, hij gaat de juistre richting voor zijn eigen ziel, en wie afdwaalt – zeg : Ik ben slechts een van de waarschuwers.

 

93 Wa qulil–Hamdu lillaahi sa-yuriekum ‘Aayaatihie fata’-rifoenahaa; wa maa Rabbuka bi-gaafilin ‘ammaa ta’-maloen.

93 En zeg: Geprezen zij Allāh! Hij zal jullie Zijn tekenen tonen opdat jullie deze zullen herkennen. En jullie Heer is niet onachtzaam van wat jullie doen.a


87a. Als voorproefje voor wat de afwijzers van de Waarheid te wachten stond, werd de voorspelling ook in dit leven vervuld. Heel Arabië erkende de Heilige Profeet (s.a.w.) als haar wereldse en geestelijke leider, en de trotse tegenstanders werden vernederd.

88a. Dat djabal een groot man betekent is aangegeven in 13:31a. Dat er in het verdwijnen van de bergen een duidelijke verwijzing schuilt naar de verwijdering van de machtige mannen die de prediking van de Profeet (s.a.w.) tegenwerkten, wordt ook door de slotwoorden van het vers duidelijk gemaakt. Die gaan duidelijk over de bestraffing van de kwade daden door Iemand Die Zich Bewust is van wat zij doen.

91a. De stelling dat de Profeet (s.a.w.) hier hert bevel krijgt de Heer van de stad Makkah te dienen zinspeelt op het feit dat de dienaar van de Heer de heer van die stad zal zijn.

93a. Let op de fermheid van de toon waarmee het tonen van de tekenen wordt bevestigd.