Schepping van goed en kwaad

Taqdir in de zin van de onvoorwaardelijke beschikking van God betreffende goed en kwaad, een denkbeeld, waarmee zowel de volksgeest als nadenkende schrijvers het woord nu onafscheidelijk verbinden, is aan de Heilige Koran niet bekend (1) en zelfs ook niet aan de Arabische lexicologie. De leer van de voorbeschikking is van latere oorsprong en schijnt het gevolg te zijn geweest van de botsing van de islam met de Perzische religieuze denkbeelden. De leer dat er twee scheppers zijn, een schepper van het goede en een schepper van het kwade, was het grondleerstuk van de godsdienst van de Magiërs geworden, zoals de Drie-eenheid van het christelijke geloof. De islam als religie leerde het zuiverste monotheïsme.

Bij de bespreking over het dualistische leerstuk van de godsdienst van de Magiërs ontstond waarschijnlijk een discussie over de vraag of God al dan niet de Schepper van het kwade was. Deze discussies werden zeer fel gevoerd en kwamen er vele bijzaken op. Dat alles kwam alleen doordat men de natuur van goed en kwaad verkeerd begreep. God schiep de mens met vermogens die hij binnen bepaalde grenzen kon gebruiken en juist het gebruik van deze vermogens brengt op de een of andere wijze goed of kwaad voort. Bijvoorbeeld, God heeft de mens toegerust met het spraakvermogen dat hij kan gebruiken om de mensheid goed of kwaad te doen, om de waarheid te spreken, een goed woord te zeggen of om te liegen en te lasteren. Ook is de mens begiftigd met talrijke andere vermogens die voor het goede of het kwade gebruikt kunnen worden. De discussie over de vraag of God de Schepper van goed en kwaad was, kwam dus eenvoudig voort uit een misvatting van de natuur van goed en kwaad. Dezelfde daad kan bij de ene gelegenheid een deugd zijn en bij de andere een ondeugd.


1 Op één plaats slechts wordt er in de Heilige Koran een van taqdir afgeleid woord gebruikt voor de aanduiding van het lot van een persoon. De Heilige Koran zegt, als hij van de vrouw van Lot spreekt: “Wij hebben beschikt (qaddarna), dat zij waarlijk één van degenen zal zijn, die achterblijven” (H.K. 15:60; 27:57). Maar ook hier betekent het niet, dat God beschikt had, dat zij een kwaadwillige zou zijn. Er wordt hier melding gemaakt van een beschikking die voor alle kwaadwilligen geldt dat zij de slechte gevolgen zullen ondergaan van wat zij hebben gedaan. Zij behoorde niet tot de gelovigen, maar was een ongelovige, zodat, toen de Goddelijke straf de kwaadwilligen overviel, het haar beschikt was bij hen te zijn.

Een klap geven uit zelfverdediging of ter verdediging van een machteloze persoon is goed, maar een klap geven door agressief gedrag is verkeerd. Daarom wordt het kwaad ook zulm genoemd dat volgens de lexicologen betekent: het plaatsen van een ding op een andere plaats dan die daarvoor bestemd is, hetzij door een tekort, hetzij door een overschot, hetzij door van zijn tijd of plaats af te wijken (R.). Het gebruik van een vermogen op de juiste wijze of op het juiste ogenblik of op de juiste plaats is dus een deugd en het gebruik ervan op een verkeerde wijze of op een verkeerd ogenblik of op de verkeerde plaats is een ondeugd. De Heilige Koran heeft daarom de kwestie van de schepping van goed en kwaad helemaal niet behandeld. Hij spreekt van de schepping van de hemelen en de aarde en van alles wat daarin is. Hij spreekt van de schepping van de mens en vermeld dat de mens met bepaalde vermogens begiftigd en met bepaalde machten bedeeld is. Hij zegt ons dat de mens deze machten en vermogens binnen bepaalde grenzen kan gebruiken zoals alles wat geschapen is binnen bepaalde grenzen zijn geplaatst en de grenzen van iedere soort zijn haar taqdir. Er wordt in de Heilige Koran geen melding gemaakt van een taqdir die de schepping van goede en slechte daden betekent of een onvoorwaardelijke beschikking van God betreffende goed en kwaad.

Men haalt soms het volgende vers aan om aan te tonen dat God de Schepper is van de daden van de mens: “En Allah heeft u en wat u maakt geschapen” (H.K. 37:96). Het Arabische woord voor “u maakt” is ta'malun, van aml, dat zowel doen als maken betekent. Zo vat men de woorden soms op in de zin van “wat u doet”, in plaats van “wat u maakt”. Hieruit maakt men op dat God de Schepper van de daden van de mens is en omdat deze daden zowel goed als slecht zijn, is God dus de Schepper van de slechte daden van de mens. Het verband toont echter aan dat ma ta’malun hier betekent: “wat u maakt” en niet “wat u doet”, maar het bewuste vers spreekt niet over de goede en slechte daden van de mens, maar van de afgodsbeelden en stenen die aanbeden werden. De verzen 37: 91-93 vermelden dat Abraham de afgodsbeelden vernielde. Vers 37: 94 zegt dat de mensen op hem afkwamen toen zij hun afgodsbeelden vernield zagen. De verzen 37: 95 en 96 bevatten Abrahams argumenten tegen de afgoderij: “Wat! Aanbidt u wat u uithouwt? En Allah heeft u en wat u maakt geschapen”. De laatste woorden “wat u maakt” hebben nu blijkbaar betrekking op de afgodsbeelden die zij hebben gemaakt. Wat de mens met zijn eigen handen uitgehouwen had, kon God niet zijn, omdat God de Schepper was van zowel de mens als van de stenen die tot afgodsbeelden werden gemaakt. Deze verklaring is aangenomen door de beste commentatoren (Rz. VII, pagina 300). Volgens sommige commentatoren zijn de woorden een vraag: “En Allah heeft u geschapen, en wat doet u?

Hieraan kan echter worden toegevoegd dat de Heilige Koran God erkent als de eerste en laatste Oorzaak van alles, maar dat betekent niet dat Hij de Schepper is van de daden van de mens. Dat Hij de mens heeft geschapen, spreekt voor zich. Hij heeft ook omstandigheden voor hen geschapen om te leven en te handelen, maar Hij heeft toch aan de vrijheid van handelen bepaalde grenzen gesteld zodat de mens al zijn andere machten en vermogens in overeenstemming met bepaalde wetten binnen bepaalde grenzen kan gebruiken. Zo staat er in de Heilige Koran: “De waarheid is van uw Heer; daarom, laat hem die wil, (haar) aannemen en laat hem die wil, (haar) verwerpen” (H.K. 18:29). Omdat hij gebruik kan maken van zijn vrijheid van handelen of van zijn wil, is hij voor zijn eigen daden verantwoordelijk en moet hij de gevolgen daarvan zelf ondervinden. 1


1 Er was een tijd dat er nutteloos geredetwist werd over de kwestie of God al dan niet de Schepper van de daden van de mens was,die de moslimswereld in drie kampen verdeelde. De Djabriyya was van mening dat God de Schepper van de goede of de slechte daden van de mens was en dat de mens in deze volkomen machteloos was. Hij bewoog zich zoals de Goddelijke hand hem bewoog daar hij noch de keuze noch de macht noch de wil had om een haarbreed af te wijken van wat God had beschikt. Een andere partij verviel tot het andere uiterste en was van mening dat de mens die de schepper van zijn eigen daden was de volle macht daarover had. Deze zienswijze werd later aangenomen door de Mu'tazila, waarvan Wasil ibn Ata de stichter was. Hun argument was dat God een mens onmogelijk eerst tot iets dwong en hem dan er voor strafte. Het gros van de moslims vond dat beide uiterste meningen waren. Maar bij het afbakenen van een middenweg plaatsten zij zich op een standpunt dat niet erg duidelijk was. Zij waren van mening dat geloof het medium tussen djabar en qadar was, maar om deze twee uiterste meningen tot overeenstemming te brengen, voerden zij de theorie van de kasb (verkrijging) in. De kern van deze theorie was, “dat de mens noch absoluut gedwongen, noch een absoluut vrij handelend persoon is” (RI., pagina 104). Tot zover was de stelling logisch, maar nadere besprekingen brachten de aanhangers van deze mening tot de ongerijmde stelling dat de mens slechts uiterlijk vrij was daar hij innerlijk gedwongen was. Weliswaar werkt de wil van de mens binnen bepaalde grenzen van God, qadar of taqdir, maar het is niet waar dat de Goddelijke wil hem dwingt om een zekere weg te volgen. Er mogen honderden oorzaken zijn die hem in een bijzonder geval tot een besluit brengen en zijn verantwoordelijkheid moge afwisselen overeenkomstig die omstandigheden, maar toch is de keuze de zijne, en de verantwoordelijkheid eveneens.

Bovenstaande stuk tekst is afkomstig uit het boek ´De Religie van de Islam´ van Maulana Muhammad Ali. Het boek is online beschikbaar in onze bibliotheek.

Al-Fatihah (De Opening)

De tihah ofwel de Opening staat bekend onder diverse andere namen. In de Qoer-ān zelf (15: 87) wordt gesproken van de Zeven vaakherhaalde Verzen, omdat haar zeven verzen zeer regelmatig door iedere moeslim in zijn gebeden herhaald worden. In een uitspraak van de Heilige Profeet (s.a.w.) wordt gesproken van de Fātihat al-Kitāofwel de Opening van het Boek. Hierin wordt gezegd dat "geen gebed cpmpleet is zonder het voordragen van Fātihat al-Kitāb" (B. 10:95).
.

Lees verder »

De Beloofde Messias

De heilige geschriften van hindoes, christenen en moslims verwijzen zowel naar een verdorven tijd als naar de komst van een grote hervormer, die de situatie met krachtige hand zal leiden. In de hindoese sjastra's wordt hij Nisjalank of Kalki Autar genoemd en in de heilige geschriften van de sikhs noemt men hem Mahdi Mir. De christenen noemen zijn komst de wederkomst van Christus en de moslims geven hem de naam Imaam Mahdi en Beloofde Messias.
.
Deze profetie is in vervulling gegaan in de persoon van Mirza Ghulam Ahmad. Bezoek ons bibliotheek en lees de boeken en artikelen met uitleg over de komst van de beloofde messias welke verwacht wordt in alle Religiën. 

Maulana Muhammad Ali

De maand Oktober 2017 markeert het 66e jaar sinds het overlijden van Maulana Muhammad Ali. Het is zeker de moeite waard om stil te staan bij de verdediger van de Islam zoals hij bekend staat. Klik hier voor een uitgebreid artikel over het leven van Maulana Muhammad Ali, zijn drijfveren en resultaten.

Hervormerschap in de Islam

Om een zeer belangrijke taak te volbrengen zouden er van tijd tot tijd onder de moslims moedjaddids (vernieuwers) opstaan. God had daartoe het bevel uitgevaardigd, hetgeen duidelijk vermeld wordt door de Heilige Profeet. Aboe Dawoed, het meest authentieke boek van de hadies, na Al-Boechari en Al-Moeslim, maakt dan ook gewag van het volgende (in vertaalde vorm):'Waarlijk, Allah zal voor deze gemeenschap (van moslims) in het begin van iedere eeuw (hidjra) iemand doen opstaan, die hun godsdienst zal hervormen.
.

Lees verder »

Islam biedt een oplossing voor grote wereldproblemen

De islam verdient de aandacht van iedere denker, niet alleen omdat hij de meest beschaafde en de grootste geestelijke macht ter wereld is, maar ook omdat hij een oplossing voor de allergrootste problemen biedt, waarmee de mensheid zich tegenwoordig geconfronteerd ziet.

Het materialisme dat in moderne tijden het ideaal van de mensheid is geworden, kan nooit leiden tot vrede en onderling vertrouwen onder de volkeren van de wereld. Het is andere religiën niet gelukt om het rassen- en kleurvooroordeel weg te nemen. De islam is de enige macht die er al in geslaagd is die verschillen teniet te doen en alleen door de islam kan dit grote probleem van de moderne wereld worden opgelost. De islam is een internationale godsdienst en slechts voor het grootse internationale ideaal van de islam, het ideaal van de gelijkheid en eenheid van het menselijke ras, kan de vloek van het nationalisme, dat voor de beroeringen van de oude en moderne wereld aansprakelijk was en is, worden weggevaagd.

Maar zelfs binnen de grenzen van een volk of land kan er geen vrede zijn, zolang er geen goede oplossing wordt gevonden voor de grote problemen met betrekking tot het vermogen en de sekse. Europa is wat betreft het vermogensprobleem, tot beide uitersten vervallen: tot het kapitalisme en het Bolsjewisme. De neiging bestaat om het vermogen van de grote kapitalisten samen te trekken en daardoor de luie en de ijverige op één hoogte te brengen. De islam biedt de juiste oplossing door de arbeider het loon voor zijn arbeid te verzekeren, groot of klein, al naar gelang de innerlijke waarde van het werk en ook door de arme een aandeel in het vermogen van de rijke toe te kennen. Terwijl de eigendomsrechten volledig gehandhaafd worden, wordt er dus een regeling getroffen die leidt tot een nivellering, door een deel van het vermogen van de rijken te nemen en het onder de armen uit te delen, volgens het beginsel van de zakaat en ook door een min of meer gelijke verdeling van eigendom onder erfgenamen na de dood van de  eigenaar. Dat stelt H.A.R. Gibb vóór het slot van Whither Islam:

“In de westelijke wereld bewaart de islam nog altijd het evenwicht tussen overdreven tegenstellingen. Aangezien hij evenzeer tegen de anarchie van het Europese nationalisme als tegen de organisatie van het Russische communisme is, is hij nog niet bezweken voor die kwelling van de economische kant van het leven, welke kenmerkend is zowel voor tegenwoordig Europa als voor tegenwoordig Rusland. Zijn sociale zedenleer is bewonderenswaardig opgesomd door prof.
Massignon:

‘De islam heeft de verdienste, de gelijkheidsgedachte voor te staan, dat iedere burger een tiende tot de geldmiddelen van de gemeenschap bijdraagt; hij staat vijandig tegenover onbeperkte wisseling, tegenover bankkapitaal, staatsleningen, indirecte belastingen op noodzakelijke voorwerpen, maar houdt zich aan de rechten van de vader en de echtgenoot, aan het privaatbezit en aan handelskapitaal’. Ook hier houdt hij het midden tussen de leer van het bourgeois-kapitalisme en het Bolsjewistisch communisme”
(pagina’s 378-379).

Hetzelfde geldt voor het seksuele vraagstuk: de oplossing die de islam biedt, is de enige waarborg voor een definitieve vrede binnen het gezin. Er is geen sprake van de vrije liefde die alle banden van de sociale verhoudingen losmaakt. Noch is er sprake van een onbreekbare band tussen man en vrouw, die menig huis in een ware hel verandert. En door deze en honderd andere vraagstukken op te lossen, kan de islam, zoals alleen zijn naam al aanduidt, het menselijke ras ware vrede brengen.

Bovenstaande stuk tekst is afkomstig uit het boek ´De Religie van de Islam´ van Maulana Muhammad Ali. Het boek is online beschikbaar in onze bibliotheek.

Islam en Wetenschap

IVISEP heeft in samenwerking met Al-Khemia 25 zeer informatieve artikelen gepubliceerd m.b.t. Islam en wetenschap.
.

De lijst met wetenschappelijke prestaties uit de "gouden eeuwen" (800-1600 CE) van de islam is lang. Maar deze vind je niet terug in onze schoolboeken of zelfs moskeeën. De universiteit, lagere school, vulpen, koffie, bestek, mechanica, chirurgie, chemie, ziekenhuizen, optiek, asfalt, zijn maar enkele uitvindingen van moslim wetenschappers.
.

Om deze islamitische wetenschappelijke prestaties te belichten, is de organisatie 'Al-Khemia' gestart met een tentoonstelling 'Islam en de Wetenschap'. Deze is op 28 februari jl. geopend in de Nasir Moskee aan de Ephraimszegenweg (Suriname). Het doel is om moslims, van alle leeftijden, verloren of vergeten kennis bij te brengen, hun rol in de maatschappij te versterken en hun zelfbeeld te verbeteren. De tentoonstelling gaat om de 2 weken naar een andere moskee (in Suriname).
.

Islamitische wetenschap maakt een directe band tussen ontwikkeling en ethiek. Alle kennis is vrij en moet ten goede komen van de mensheid. Er waren in de Islamitische Gouden Eeuw geen patenten en auteursrechten.
.

Islamitische wetenschappers werden 'al-khemia' genoemd, hetgeen betekent 'zij die verbetering brengen'. Dit woord is later veranderd naar 'chemie' in het westen, omdat de vader van de wetenschappelijke methodiek (Jabar ibn Hayan, 721-803 CE) ook de uitvinder was van de moderne chemie.
.

De artikelen zijn toegevoegd aan de bibliotheek van aaiia.nl in het onderdeel Wetenschap.