In Memoriam ‘Maulana Jaggoe’

Het is maandag 8 mei precies 10 jaar geleden dat Maulana Jaggoe zijn laatste adem heeft uitgeblazen. Wij willen dit niet onopgemerkt laten en staan stil in zijn nagedachtenis. Wij verwijzen u graag naar een beknopte autobiografie waarin zijn indrukwekkende verdiensten voor de Islam / Ahmadiyyat staan beschreven. Daarnaast kunt u één van zijn publicaties 'over hervormerschap in de Islam' terug vinden in onze bibliotheek. Moge Allah, de genadevolle hem en zijn echtgenote een plaats schenken in de Djanatal-Firdaus.

 

Bismillahir Rahmanier Rahiem (in naam van Allah, de Weldadige, de Genadige)

Afkomst en jeugdjaren 
Maulana Abdoel Rahiem Basant Jaggoe is op 18 augustus 1914 geboren in het district Saramacca (Suriname) uit de ouders:

R.Jaggoe (moeder) en S.Sukul (vader). In die tijd was het niet de gewoonte om de familienaam van de vader te dragen, vandaar dat hij als familienaam heeft: Jaggoe.

Zijn voorouders van vaderskant kwamen omstreeks 1874 uit het noorden van India (Pundjab, de bergstad Shimla) als contractarbeiders naar Suriname, alwaar ze werden ingedeeld op de plantage Catharina Sophia in het district Saramacca.

Ongeveer een jaar daarna kwamen zijn voorouders van moederskant uit Calcutta (India) als contractarbeiders naar Suriname. Ook zijn werden ingedeeld in het district Saramacca.

De voorouders van zwel vaders- als moederskant, stamden af van de hoogste Hindoe-kaste (Brahman).

De voorouders van moederskant konden het in Suriname echter niet volhouden en keerden na beëindiging van hun contractperiode terug naar hun geboorteland India.

Omstreeks 1917 verlieten de ouders van Maulana Abdoel Rahiem Basant Jaggoe het district Saramacca en vestigden zich met hun drie kinderen (twee zonen en een dochter) in Paramaribo.

Maulana’s broer, die acht jaar ouder was dan hij, is tijdens het naar school gaan door een tragisch ongeval om het leven gekomen. Zijn zus is inmiddels ook overleden.

Na te Paramaribo de lagere school te hebben doorlopen werd Maulana ingeschreven op de St. Paulus-muloschool, die destijds uit acht klassen bestond.

Bij zijn inschrijving op deze rooms-katholieke school werden aan hem heel strenge eisen gesteld, onder andere het stipt volgen van de bijbellessen en het geregeld bezoeken van de kerk. Nauwgezet gaf hij hieraan gevolg, gelet op het feit dat hij zelfs misdienaar is geweest. In de middaguren volgde hij Hindi-lessen.

Nadat zijn vader kwam te overlijden, hertrouwde Maulana’s moeder met Jahoer Mohammed, eveneens afkomstig uit India. Jahoer Mohammed was een begaafde man die een uitgebreide kennis bezat van het Oerdoe, Arabisch, Perzisch en Bengaals. Hij was Hafiez in Qoraan en Hadies. Tevens was hij bijzonder hoog gekwalificeerd in de Islamtheologie op het High Aligarh College in India.

Deze Jahoer Mohammed, die behalve handelaar ook een gedreven moslim was, ontfermde zich over de jonge Maulana. Hij wilde dat de jongen zich theologisch zou bekwamen en onderwees hem in de Islamitische leer.

Inderdaad raakte Maulana zodanig geïnspireerd dat hij de oprechte wens ontwikkelde om Moballigh in Islam (moeslim missionaris) te worden.

Helaas kwam, na zijn vader, ook zijn stiefvader te overlijden.

Op vijftienjarige leeftijd – zat toen in de vijfde klas – was Maulana genoodzaakt de school te verlaten om de zaak van zijn stiefvader over te nemen. Zijn theologische studie moest hij op eigen kracht voortzetten.

Aangezien destijds in Suriname geen Islamitische scholen waren, en de Miadjies (leraren) die hij opzocht hem niet verder op weg konden helpen, was hij aangewezen op schriftelijke lessen uit India en Pakistan. Vanwege de trage zeepostverbinding tussen Suriname en die landen kostten deze lessen hem enorm veel tijd en moeite.

Theologische studie in Pakistan
Op 29 januari 1939 trad Maulana in het huwelijk (Nikah) met Lailoenissa Juthan. Kort hierna besloot hij voor de studie Moballigh persoonlijk af te reizen naar Pakistan.

Terwijl hij bezig was met de voorbereidingen voor deze reis, brak de tweede wereldoorlog uit. Er was nu helemaal geen verbinding meer mogelijk met India en Pakistan. Maulana’s plannen liepen muurvast, doch ze opgeven deed hij niet.

Na afloop van de oorlog, die ongeveer vijf jaar had geduurd, besloot hij alsnog naar Pakistan te gaan om daar zijn theologische studie af te ronden.

De verwezenlijking van zijn plannen kostte hem meer moeite dan voorheen, aangezien hij intussen een gezin had, bestaande uit zijn vrouw en zes minderjarige kinderen (waarvan twee weeskinderen), en daarbij nog zijn manufacturen zaak.

Toen zijn zwager, de heer Abdul Hamied Hassenmohamed, zich bereid had verklaard hem zijn volle medewerking te zullen verlenen, stelde hij het hoofdbestuur van de Surinaamse Islamitische Vereniging in Paramaribo, waarvan hij lid en tevens imam (voorganger) was, op de hoogte van zijn voornemen.

Een gelukkige omstandigheid deed zich voor, dat hij toen hij nog bezig was met zijn voorbereidingen, Maulana Bashier Ahmnad Minto een bezoek bracht aan de Surinaamse Islamitische Vereniging. Deze Maulana, Bashier Ahmad Minto ondersteunde hem in zijn voornemen en adviseerde hem zich in verbinding te stellen met het hoofdkwartier van de Islamitische Vereniging in Pakistan. Daar waren alle mogelijkheden aanwezig voor verdere studie in de Islam.

Het duurde enige tijd voordat Maulana kon beschikken over de nodige documenten uit Pakistan, aangezien er geen luchtvaart was tussen Suriname en Pakistan.

Op 12 september 1949 vertrok hij uiteindelijk met de boot naar Nederland. Daar aangekomen vervoegde hij zich bij de heer Lalsha Bugari, consul-generaal van Pakistan in den Haag, die hem een brief meegaf voor de Secretaris-generaal van Staten voor vreemdelingenzaken in Pakistan.

Vanuit Nederland vertrok Maulana tenslotte met het vliegtuig naar Pakistan. Genoemde secretaris-generaal stelde hem voor aan de heer Fazl Ul Rahman, minister van onderwijs, van wie hij alle medewerking kreeg toegezegd.

Aangezien in (de nieuwe stad) Karachi nog geen school voor de speciale opleiding tot Moballigh in Islam was opgericht, moest Maulana verder afreizen naar Punjab-Lahore, om zich aldaar in te schrijven in de tabligh-klas van het Ahmadiyya College. Deze klas was speciaal gericht op het opleiden van moeslim missionarissen.

Doch Maulana wilde zijn studie op de universiteit afronden. Bij zijn toelatingsexamen tot de universiteit werd hem door de raad van bestuur van de Ahmadiyya Anjuman At Islam, gevraagd naar het eigenlijke doel van zijn studie. Op grond daarvan werd hem door genoemde Raad medegedeeld, dat zulks een opleiding niet direct mogelijk was op de universiteit, doch wel bij de Anjuman, die beschikte over speciale fondsen en mogelijkheden voor opleiding van moeslim missionarissen op internationaal niveau.

Hij werd ingeschreven in de Tabligh-klas van de Anjuman.

Gelet op zijn grondslag moest hij de eerste twee jaren de lessen volgen in deze klas. Vanwege zijn inzet en ijver werd hij eertijds toegelaten op de Academy of Qoranic studies, alwaar hij na het afleggen van de examens in de vakken Dienjaat, hadies en fique (jurisprudentie) en het voltooien van zijn proefschrift zijn diploma in ontvangst mocht nemen dat hem de bevoegdheid gaf om als volledig Moballigh in Islam te fungeren.

In 1955 is hij in Pakistan op zijn proefschrift betiteld tot Maulana.

Tevens werd hij in dit land opgenomen in de adviesraad van de regering voor Foreign Muslim Affairs of South America and West Indies.

Bedevaart en studiereizen
In 1950 maakte Maulana zijn eerste bedevaart naar Mekka, alwaar hij de heer Mohaddas Mashat, hoofddocent aan de Medina universiteit, leerde kennen. Deze bood hem kosteloos verblijf en verder studie in de Hadies aan; een aanbod waarvan hij dankbaar gebruik wilde maken.

Het was wel een heel ingrijpende beslissing om direct te nemen, aangezien hij voor deze opleiding twee volle jaren Arabisch moest studeren. Bovendien was er juist in het bedevaartseizoen in heel Arabie een epidemie uitgebroken, waarbij ongeveer zevenduizend bedevaartgangers om het leven waren gekomen. Maulana werd ook getroffen, maar overleefde de ziekte gelukkig.

Terug in Pakistan maakte hij enkele oriëntatiereizen, onder andere in Azad Kashmir, waar hij te gast was bij de regering. Hij gaf hier enkele lezingen over de Koran.

Bij aankomst in Lahore bereikte hem het droevige bericht, dat de Ameer Maulana Mohammed Ali, zijn docent, was overleden.

Na nog een korte tijd vertoefd te hebben in Pakistan, keerde hij via Europa en Amerika (Canada) terug naar Suriname. Tijdens deze reis vertoefde hij enkele weken in Engeland, waar hij te gast was bij dr. Abdullah (in charge), om zich op de hoogte te stellen van de Tabligh activiteiten in Europa. Vervolgens reisde hij voor een kort bezoek naar Trinidad, waar hij verwelkomd werd door Moulvi Ameer Ali.

Op zaterdag 23 november 1951 kwam hij in Suriname aan. Hij werd op het vliegveld Zanderij verwelkomd door zijn familie en leden van de Surinaamse Islamitische Vereniging.

Na een korte rustperiode kwam hij terug op zijn imampost in de hoofdmoskee van de Surinaamse Islamitische Vereniging te Paramaribo, waar hij direct een aanvang maakte met de tabligh activiteiten en waar hij als hoofdimam zou blijven functioneren tot 13 april 1974.

Verdiensten op cultureel en sociaal gebied
Behalve op godsdienstig gebeid heeft Maulana zich ook zeer verdienstelijk gemaakt op het culturele en sociale vlak.

Doordat hij zich had verdiept in het hindoeïsme, werd hij door de stichting Bharat Ouday gedelegeerd om de viering van het honderdjarige bestaan van de Hindoestanen in Guyana bij te wonen.

Tevens is hij benoemd tot lid van de Hindoestanen Hindi examen commissie. De cursussen hiervan werd verzorgd door de heer Mahatam Singh uit India.

In de Surinaamse samenleving heeft hij diverse functies bekleed.

  • Op 1 november 1953 is hij door de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen als huwelijksbeambte voor de moslims.
  • Op 1 januari 1954 is hij door de gouverneur van Suriname benoemd tot lid van de commissie van regenten van het weldadigheidsgesticht ’s Landsgrond Boniface.
  • Op 10 maart 1955 is hij benoemd tot eedafnemer bij het hof van justitie en bij de kantongerechten in het eerste, tweede en derde kanton, ten behoeve van de moslims; tevens als deskundige bij huwelijks- en echtscheidingsaangelegenheden.
  • Op 22 mei 1956 is hij door de districtcommissaris van Paramaribo benoemd tot lid van de bioscoopcommissie.
  • Op 11 juli 1961 is hij door de gouverneur van Suriname benoem tot lid van de adviescommissie inzake Aziatische huwelijksaangelegenheden.
  • Op 1 oktober 1962 is hij door de minister van Onderwijs en Volksontwikkeling benoemd tot godsdienstleraar bij het Algemeen Middelbaar- en kweekschoolonderwijs.

Op uitnodiging van de Ahmadiyya Vereniging reisde hij vaak naar Guyana en stichtte binnen enkele jaren aldaar de Ahmadiyya Anjuman Isha At Islam.

Vanaf 1964 is hij lid van de Word Conference op Religion and Peace en heeft sindsdien diverse conferenties bijgewoond.

Hij heeft gedurende vijf achtereenvolgende jaren de moslims naar de bedevaart in Mekka begeleid.

Bij de eerste open vlucht van de KLM naar de bedevaart in Mekka, is hij door deze maatschappij belast geweest met de leiding daarvan. Hierna heeft hij nog twee Umrah hadj verricht (in totaal heeft hij zeven hadjs verricht).

Huldigingen en onderscheidingen
In 1964, op zijn vijftigste jaar, werd hij gehuldigd door de Surinaamse Islamitische Vereniging, voor zijn bewezen diensten aan deze vereniging, bij welke gelegenheid hem een gouden Koran werd opgespeld.

Vanaf 1 maart 1968 is hij Life member van de Divine Life Spiritual Club in India.

In 1970 is hij door Hare Majesteit koningin Juliana onderscheiden tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

In 1972 is hij door de minister van Hadj van Arabie uitgenodigd om een conventie bij te wonen. Bij zijn aankomst in Arabie werd hij ontvangen door genoemde minister en de pers. De artikelen die hierover zijn gepubliceerd, in het Daily Bandi Newspaper of Jeddah “ OKAZ”  de dato 24ste Ramadan 1392 –gedagtekend volgens de Islamitische jaartelling – en zijn ter inzage aanwezig. Na de conventie werd hij voor auditie uitgenodigd bij Zijne Majesteit koning Faisal, waaraan hij wegens tijdsgebrek helaas geen gevolg heeft kunnen geven, doordat de groep hadjies die hij had begeleid naar de Hadj (bedevaart) de terugreis naar Suriname moesten aanvaarden. Buiten Suriname is hij voor zijn godsdienstige activiteiten met goud onderscheiden door zowel de Ahmadiyya verenigingen als door de Western Hemsphere in West Indie.

Publicaties
Uit zijn hand zijn diverse boekwerken verschenen, onder andere:

  • Nederlands – oerdoe woordenboek;
  • Masla Tarawie;
  • Qayam Ramzan;
  • Masla Takbiraat Iedain;
  • Kitab Us Salaat (moeslim gebedsboekje);
  • Moeslim Cathechismus;
  • Hervormerschap in de Islam, en
  • Een antwoord op een serie kritieken van de Wachttoren op de H.Koran.

Gedurende veertien jaar lang was hij redacteur van het Djoema Akhbar blad, dat op elke vrijdag verscheen.

Vestiging in Nederland
Toen Maulana’s kinderen naar Nederland vertrokken, werden de eenzaamheid en het gemis hem en zijn vrouw ondraaglijk. Het besluit om de rest van hun leven bij de kinderen te zijn, resulteerde op 14 april 1974 in een verhuizing naar Nederland. Na aanvankelijk bij hun oudste zoon ingetrokken te zijn geweest, vonden Maulana en zijn echtgenote eigen woonruimte in Utrecht.

Reeds bij zijn aankomst in Utrecht werd hij door een groep moeslim jongeren gevraagd hen te begeleiden in godsdienstige zaken.

Hij moest het hoofdkwartier in Pakistan op de hoogte stellen van zijn voornemen. Een gesprek met Maulana Bashir, die reeds in Den Haag was gevestigd, om een samenwerkingsverband aan te gaan leverde niets op.

Na ongeveer zes maanden begon hij met zijn tabligh activiteiten. Voor deze activiteiten werd naar ruimte gezocht. Met veel moeite werd hier en daar wat ruimte in een school gevonden.

Maar het aantal moskee bezoekers werd zo groot, dat zelfs een aangekocht pand niet meer aan de behoefte kon voldoen.

Door de jaren heen werd onder Maulana’s leiding op diverse gebieden vooruitgang geboekt. In 1977 werd in Utrecht de Ahmadiyya Anjuman Isha At Islam opgericht. Een kerk werd aangekocht in Utrecht en omgebouwd tot een moskee, waarin alle diensten onder zijn leiding werden gehouden.

Bij het tienjarige bestaan van deze vereniging werd Maulana een oorkonde uitgereikt. Bij de Ahmadiyya Anjuman Isha At Islam te Utrecht hebben tien jongeren de basisopleiding van de Islamitische leer van hem genoten, en hun getuigschrift van hem in ontvangst mogen nemen.

In 1982 heeft hij de Ahmadiyya Federatie in Nederland opgericht, die momenteel onder leiding staat van de heer drs. J.Karamat Ali. In Nederland heeft hij veel lezingen gehouden op hogescholen en universiteiten (hierover zijn brochures uitgegeven).

Hij heeft op uitnodiging, in en buiten Nederland divers symposiums over de Islam bijgewoond. Onder andere ook van de Ahmadiyya Anjuman Isha At Islam in Yogya Karta (Indonesië), waar hij kennis heeft kunnen maken met de beroemde Maulana Soedewo (vertaler van de engelse Koran van Maulana Mohammed Ali, in het Nederlands) en nog met andere prominente leden van deze vereniging: onder andere de voorzitter van genoemde vereniging, de heer Dr. Ahmad Mohammed.

In zijn leven heeft hij twee wereldreizen gemaakt. Hij is in het bezit van meer dan twintig vol gestempelde paspoorten.

In 1994 heeft hij op uitnodiging van de Surinaamse Islamitische Vereniging in Suriname, het 65-jarig bestaan van deze vereniging bijgewoond. Als blijk van waardering voor zijn persoonlijke inzet en tevens ter bevordering en ontwikkeling van de Ahmadiyyat, zowel in Suriname, Nederland als daarbuiten, is hem door het bestuur van deze vereniging de hoge onderscheiding van Sitara – e Ahmadiyyat toegekend, en de bijbehorende versierselen opgespeld.

Hoewel hij reeds op zijn tachtigste jaar had besloten te stoppen met zijn carrière, heeft hij nog jaren daarna geregeld het Djoema-gebed en beide led-diensten en andere activiteiten geleid.

Hij is vader van elf kinderen (negen zonen en twee dochters), grootvader van vijfendertig kleinkinderen en overgrootvader van negen achterkleinkinderen.

Hij heeft op 29 januari 1999 – samen met zijn vrouw – zijn 60ste huwelijksdag mogen vieren.

Op 27 april 2001 is hij door M.M. Koningin Beatrix benoemd tot lid van de Orde van Oranje-Nassau.

Een woord van dank aan zijn echtgenoten Lailoenissa, die hem op de weg naar zijn doel steeds heeft ondersteund.

Hij is Allah – Tallah van harte dankbaar voor zijn hulp, zegeningen en genade, die hij gedurende zijn leven van Hem heeft mogen ontvangen.

Goda Hafiz.


Deze biografie is samengesteld op grond van aantekeningen van mijn vader Maulana Jaggoe, eigen aantekeningen en informatie van derden; onder anderen van mijn oom en tevens mijn leraar op de Surinaamse Rechtsschool, de heer Dr. J.P. Kaulesar Sukul M.A., die mij zowel de geschiedenis van mijn voorouders als de kwalificaties van mijn stiefopa (de heer Jahoer Mohammed) persoonlijk heeft omschreven.

R.R. Jaggoe (Edo) 

De Beloofde Messias

De heilige geschriften van hindoes, christenen en moslims verwijzen zowel naar een verdorven tijd als naar de komst van een grote hervormer, die de situatie met krachtige hand zal leiden. In de hindoese sjastra's wordt hij Nisjalank of Kalki Autar genoemd en in de heilige geschriften van de sikhs noemt men hem Mahdi Mir. De christenen noemen zijn komst de wederkomst van Christus en de moslims geven hem de naam Imaam Mahdi en Beloofde Messias.
.
Deze profetie is in vervulling gegaan in de persoon van Mirza Ghulam Ahmad. Bezoek ons bibliotheek en lees de boeken en artikelen met uitleg over de komst van de                                                                                   beloofde messias welke verwacht wordt in alle Religiën. 

Ramadaan Tabel 2017

Klik hier om de tabel te downloaden

Een vastendag begint u met een Nieyat (uitspreken van intentie ) en sluit u af met een Doewa (smeekbede). Een veelgebruikte Nieyat- en Doewa-tekst is: 
 
Nieyat – begin vasten: 
Na waito an as-sawmo ghadan                                 Ik neem mij voor om vandaag 
mien sjah-ri ramazanel mobarak                             in deze heilige maand Ramadaan te vasten 
fa arzal laka , ya ALLAH.                                            zoals U heeft opgedragen, O ALLAH 
Fa ta kab-bal min-nie.                                                 Dus accepteert U het van mij. 
In-naka, antes Samie-oel-Aliem                               Waarlijk, U bent De Horende, De Wetende 
  
Doewa – verbreken vasten: 
ALLAH hoem-ma,                                                         O mijn ALLAH, 
innie laka soemto,                                                         voor U heb ik gevast, 
wa bika amanto,                                                            en in U geloof ik, 
wa alaika tawak-kal to,                                                en op U vertrouw ik, 
wa ala riz-kieka aftarto.                                               en met Uw schenkingen zal ik  ontvasten.  
Fa ta kab-bal min-nie,                                                  Dus accepteert U het van mij, 
ya Arhamar Rahimien                                                  O Allerhoogste Genadevolle. 


Doewa voor de laatste 10 dagen (15 juni t/m 25 juni)
Allaahoemma iennaka a’foewoen toehiebboel a’fwa faa’fo ‘annie

O Allah, U bent de Meest Vergevingsgezinde en U houdt van vergeving,
dus vergeef mij.

Islam, de religie van de mensheid

In het boek, Islam – de religie van de mensheid, geeft de auteur (Maulana Muhammad Ali) in korte hoofdstukjes de essentie van de Islam weer, zoals dat in de Koran aan de Heilige Profeet Mohammed (vzmh) geopenbaard is. Hij benadrukt het universeel karakter van deze religie. Verder laat Maulana Muhammad Ali in een helder betoog zien hoe de Koran op een zeer rationele wijze de verhouding van de gelovige tot zijn Schepper en tot zijn medemens ( in de ruimste zin des woords) regelt. Ook andere essentiële zaken zoals bijvoorbeeld het leven na de dood, het geloof in engelen en duivels, de positie van de vrouw, worden toegelicht aan de hand van de Koran en de Hadies. 

Koran-verzen over het vasten

HQ 2:183
O gelovigen! Het vasten is u voorgeschreven, zoals het degenen vóór u werd voorgeschreven, zodat u tegen het kwaad zult hoeden.

HQ 2:184
Voor een zeker aantal dagen (zult gij vasten), maar wie onder u ziek is, of op reis, vaste een aantal andere dagen – er is een losprijs voor degenen, die niet kunnen vasten – het voeden van een arme. Maar hij, die vrijwillig goed doet, het zal beter voor hem zijn. Het vasten is goed voor u, indien gij het beseft.

HQ 2:185
De maand Ramadan is die, waarin de Qor'an als een richtsnoer voor de mensen werd nedergezonden en als duidelijke bewijzen van leiding en onderscheid. Wie onder u daarom deze maand beleeft, laat hem daarin vasten. Maar wie onder u ziek of op reis is, een aantal andere dagen. Allah wenst gemak voor u en geen ongemak, en opdat gij het aantal zult voltooien en opdat gij Allah’s grootheid zult prijzen, omdat Hij u terecht heeft geleid en opdat gij dankbaar zult zijn.

HQ 2:187
Het is u veroorloofd, om op de nacht van het vasten tot uw vrouwen in te gaan. Zij zijn een gewaad voor u en gij zijt haar een gewaad. Allah weet, dat gij onrechtvaardig hebt gehandeld tegenover uzelf en heeft Zich met barmhartigheid tot u gewend en u verlichting geschonken. Daarom moogt gij nu tot haar ingaan en betrachten, hetgeen Allah u heeft verordend; en eet en drinkt, totdat bij de dageraad de witte draad zich onderscheidt van de zwarte draad. Voltooit dan het vasten tot het vallen van de avond. En gaat niet tot haar in, terwijl gij in de Moskeeën Etikaaf houdt. Dit zijn de beperking van Allah – dus nadert deze niet. Zo zet Allah zijn geboden uiteen voor de mensen, opdat zij vroom zullen zijn.

Internationale Vrouwendag

Internationale Vrouwendag is de actiedag van de vrouwenbeweging, jaarlijks op 8 maart. De bedoeling van de dag is opnieuw de gemeenschappelijke strijdpunten van de vrouwenbeweging naar voren te brengen. De emancipatie van de vrouw is nog altijd gaande. Geen ander Religieus Boek en geen andere hervormer heeft zelfs maar een fractie gedaan van wat de Heilige Koran en de Profeet Mohammed (vzmh) hebben gedaan om de positie van de vrouw te verheffen. Graag maken wij gebruik van deze dag om stil te staan bij de positie van de vrouw en willen u 2 zeer krachtige artikelen presenteren die hierover gaan vanuit een islamitisch perspectief.

Enkele feiten over vrouwen en de geschiedenis van de internationale vrouwendag

Feiten over vrouwen
1. Vrouwen vormen 50% van de wereldbevolking

2. Vrouwen doen 66% van al het werk
3. Vrouwen verdienen 10% van het wereldinkomen
4. Vrouwen hebben 1% van alle bezittingen
5. Van alle regeringsleiders op de wereld is 5% vrouw
6. Van alle armen op de wereld is 75% vrouw
7. Van alle analfabeten op de wereld is 66% vrouw
8. Van alle vluchtelingen op de wereld is 75% vrouw
9. Van de 150 leden van de Tweede Kamer in Nederland is 36% vrouw
10. Vrouwen in Neder land verdienen gemiddeld 23% minder dan mannen

Internationale Vrouwendag werd voor het eerst uitgeroepen door Clara Zetkin op de internationale vrouwenconferentie in Kopenhagen in 1910, waaraan 100 mannen en vrouwen deelnamen uit 17 landen. Hoewel de aanleiding de massale staking was op 8 maart 1908 in de Verenigde Staten van vrouwen in de textiel- en kledingindustrie voor een achturige werkdag, betere arbeidsomstandigheden en kiesrecht, stond de strijd voor algemeen kiesrecht aanvankelijk centraal. De jaren daarop werden in een groeiend aantal landen op 8 maart demonstraties en vergaderingen gehouden. De Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan dit gebruik.

Met de opleving van de feministische beweging in de jaren zestig kwam de belangstelling voor een internationale vrouwendag weer terug en sinds de jaren zeventig wordt er in veel landen aandacht aan besteed. In veel socialistische landen is op 8 maart een officiële feestdag en in 1978 werd de dag door de Verenigde Naties als feestdag erkend.

Vanaf 1978 wordt in Nederland door veel vrouwengroepen gezamenlijk 8 maart gevierd. De bedoeling van de dag is opnieuw de gemeenschappelijke strijdpunten van de vrouwenbeweging naar voren te brengen.

[Ontleend aan een lemma door Roeleke Vunderink in Vrouwenlexicon. Tweehonderd jaar emancipatie van A-Z. Onder redactie van Hedy d’Ancona, Annemarie Kloosterman, Selma Leydesdorff, Anja van Oostrum, Dorien de Wit en Maggy Groenewald-Froger (eindredactie). Utrecht, uitgeverij Het Spectrum, 1989 (Scala-reeks)]

Deze informatie is overgenomen van http://www.emancipatie.nl/_documenten/doss/001q010/005/tekst2002.htm#Geschiedenis

In 1911 werd de Vrouwendag internationaal voor het eerst gevierd – in 1912 voor het eerst in Nederland.

Aanvankelijk werd de Vrouwendag op verschillende data gehouden, pas in 1922 werd 8 maart gekozen als vaste datum. Er bestaan verschillende lezingen voor de keuze van 8 maart als datum voor de Internationale Vrouwendag.

Lag de oorsprong in Rusland of de Verenigde Staten? Een gangbare westerse lezing was dat 8 maart terug te voeren was op stakingen van textielarbeidsters in New York in 1857 (het is niet zeker of deze staking echt heeft plaatsgevonden) en op 8 maart 1908. Bij deze laatste staking gingen textielarbeidsters de straat op om te demonstreren tegen onder meer de lange werktijden, de lage lonen en de slechte werkomstandigheden.

Het is mogelijk dat deze verklaring voor de keuze van 8 maart pas in de jaren vijftig van de twintigste eeuw is ontstaan. In de periode van de Koude Oorlog kon toch moeilijk de eer aan een communistisch land gegeven worden? 8 maart zou namelijk in een andere lezing teruggaan op de grote vrouwenstaking en demonstratie op 8 maart 1917 in St. Petersburg. In ieder geval is in 1910 besloten jaarlijks een Internationale Vrouwendag te organiseren.

Bij de ‘Tweede Internationale’ (een internationale organisatie van socialistische arbeiders met als doel internationale solidariteit) in 1889 in Parijs was Clara Zetkin (1857-1933) aanwezig als vertegenwoordigster van de Duitse socialistische partij. Zij betoogde daar voortdurend dat socialisme zonder vrouwen niet zou kunnen bestaan, dat mannen samen met vrouwen ook voor vrouwenrechten moesten strijden. Ook in eigen land streed zij voor vrouwenrechten als onderdeel van de klassenstrijd. Omdat zij geen gehoor vond, nam zij het initiatief tot een socialistische vrouwenbeweging.

Vele jaren was zij redactrice van het Duitse socialistische vrouwenblad Die Gleichheit. Maar ook internationaal gezien moesten vrouwen meer invloed kunnen uitoefenen op de socialistische partijen, vond zij. Door haar toedoen kwamen in 1906 in Mannheim socialistische vrouwen uit een groot aantal Europese landen bij elkaar om een internationale bijeenkomst voor te bereiden. Zij besloten om in 1907 in Stuttgart een internationale vrouwenconferentie te houden, omdat een dag later daar de bijeenkomst van de Tweede Internationale plaatsvond. Op deze eerste conferentie werd een resolutie aangenomen om de volgende dag bij de Tweede Internationale een motie in te dienen waarin de aangesloten partijen zich verplichtten zowel voor mannenkiesrecht als voor vrouwenkiesrecht te strijden. Deze motie werd aangenomen.Een vaste datum voor Internationale Vrouwendag

In 1921 stelde het Internationale Vrouwensecretariaat voor om een vaste datum te kiezen voor de vrouwendag. De keuze viel op 8 maart. Op 8 maart 1917 waren in St. Petersburg onder leiding van Alexandra Kollontai namelijk vrouwen massaal in opstand gekomen tegen het voedseltekort en de verschrikkingen van de oorlog. Hun stakingen en demonstraties liepen uit op een algemene werkstaking. Naast Internationale Vrouwendag werd 8 maart door deze ontwikkeling ook een officiële communistische feestdag, waarop de algemene werkstaking als eerste begin van de revolutie herdacht werd.

De scheuring door de Russische Revolutie van 1917 tussen communisten en socialisten heeft tot gevolg gehad dat in de Verenigde Staten en in West-Europa 8 maart lange tijd voornamelijk in communistische kring werd gevierd.

In Nederland werd in maart 1912 voor het eerst de Internationale Vrouwendag gevierd, georganiseerd door de Sociaal–Democratische Vrouwenclubs. Hun blad De Proletarische Vrouw kwam uit met een speciaal feestnummer.

In theorie hebben vrouwen en mannen in de meeste landen van de wereld gelijke rechten en plichten, maar in praktijk blijkt dit vaak anders te zijn. Vrouwen vormen nog steeds een kwetsbare groep op allerlei terreinen. Het begint al op jonge leeftijd: vaak mogen jongens wel naar school en meisjes niet. Dit zet zich later door op de arbeidsmarkt en in de privé-sfeer: vrouwen hebben min­der goed betaalde banen dan mannen en blijven vaak thuis om voor het huishouden en de kinderen te zorgen. In een groot aantal landen heeft een vrouw minder invloed dan haar man, zowel in het openbaar als binnenshuis. Niet eens zo heel lang geleden was dit ook in westerse landen nog het geval.

Invitation to Jalsa in Berlin Germany

Dear brothers and sisters,
.

Assalamu alaikum.
.
Jalsa-i-Salaanah
 (Annual Convention) in Berlin, Germany
The General Secretary of the AAIIL has issued the following invitation:

.
The Central Anjuman has decided to hold Jalsa-i-Salaanah (Annual Conventions) in Europe on a regular basis. The inaugural Jalsa will, Insha Allah, be held in Berlin, Germany, from 15th to 17th September 2017. This will be a good opportunity for the members to get to know one another better and to discuss plans for the betterment of the Jama‘at and fulfilment of our mission.

Hazrat Ameer desires that maximum number of members from our branches all over the world should participate in it to make this momentous occasion a success.

Members intending to participate in this Jalsa are requested to inform us as early as possible so that appropriate arrangements can be made in time. As you are aware, the Anjuman does not have sufficient accommodation of its own in Berlin. The participants will, therefore, have to bear the expenses of the rented accommodation.

Imam of Berlin Mosque, Mr. Amir Aziz, has been designated as the convener/organiser of the Jalsa. Please get in touch with him directly under intimation to the Central Anjuman.

Please pray for the success of this historic initiative of your Jama‘at. May Allah shower His blessings on you.

As you are aware, the Berlin Mosque is making great strides in its efforts in promoting religious harmony in Germany. We encourage you, therefore, to take the opportunity to participate in this historic event.  

Imam Amir Aziz can be contacted at amirazizgs@gmail.com.


Allah Hafiz.

The HOPE Bulletin Team

Vrijdag-gebed preek (Khutbah)

Aanstaande vrijdag zal Imaam Abdoel Wahaab Muradin voor het vrijdag-gebed een preek (khutbah) houden over Taqwa (standvastigheid). U bent van harte welkom in Moskee 'As Sabr' aan het Oeverpad 300 in Amsterdam-West.
.
Spreektaal: Nederlands
Datum: Vrijdag 24-02-2017
Preek (Khutbah): 13:10 – 13:30 uur
Gezamenlijk gebed: 13:35 uur

Normen en waarden in de Islam

Wat is het doel van het geloof? Het doel van het geloof is dat de mens zich "fatsoenlijk" gedraagt en leeft. Het geloof geeft de mens een set van waarden en normen. De Koran is een leidraad, een richting om bij het doel te komen. De verplichtingen van een moslim zijn bedoeld om periodiek herinnerd te worden aan God, de medemens en de relativiteit van het leven. 

In een metafoor zou men het volgende kunnen stellen:
Het doel is om in Maastricht uit te komen. De Koran geeft de route, de corridor, aan. Binnen de corridor kan men manoeuvreren. Het gebed, de armenbelasting (zakaat), het vasten en de Haj zijn de vangrails die ervoor zorgen dat men niet teveel van de weg afraakt. Volg de route, rij op uw eigen helft, gebruik uw verstand, wees bewust waar u op weg naar toe bent en u zult een plezierige tocht hebben en goed aankomen.

De NORMEN EN WAARDEN IN DE ISLAM zijn hieronder samengevat en in het navolgende ondersteund met letterlijke Koran teksten en verwijzingen.

1. WAARHEIDLIEVENDHEID

2. OPRECHTHEID

3. ONBAATZUCHTIGHEID

4. NEDERIGHEID

5. GEDULD

6. VERGEVINGSGEZINDHEID

7. ZUIVERHEID EN SCHOONHEID

8. EERLIJKHEID

9. GOEDHEID EN VRIENDELIJKHEID

10. CONSIDERATIE MET EN RESPECT VOOR ANDEREN

11. BESCHEIDENHEID

 

1. WAARHEIDLIEVENDHEID

" O gelovigen, voldoe jullie plicht aan Allah, en spreek eerlijke woorden" (33:70)

" O gelovigen, voldoe jullie plicht aan Allah, en wees met de waarheidsgetrouwen" (9:19)

" O gelovigen, wees handhavers van het recht, getuigen voor Allah, zelfs als het tegen jullie zelf is of (jullie) ouders of naaste verwanten- of hij nu rijk is of arm" (4:135)
 

2. OPRECHTHEID

" Dien Allah en wees oprecht gehoorzaam aan hem" (39:2)

" Het is zeer verfoeilijk in de ogen van Allah dat jullie dingen zeggen die jullie niet doen" (61:3)

" Dus wee degenen die bidden, maar die hun gebeden niet in acht nemen ! Die goed om gezien te worden" (107:4-6)

3. ONBAATZUCHTIGHEID

Jullie zullen geen rechtschapenheid bereiken, tenzij jullie (uit liefdadigheid) weggeven uit wat jullie liefhebben" (3:92)

" En verleen geen gunsten uit winstbejag" (74:6)

4. NEDERIGHEID

" En de dienaren van de Erbarmer (Allah) zijn degenen die de aarde bewandelen in nederigheid" (25:63)

" En draai niet in minachting jouw gelaat van de mensen af, en ga je ook niet te buiten in het land" (31:18)

5. GEDULD

" En Allah heeft de geduldigen lief" (3:146)

" En breng goed nieuws aan de geduldigen, degenen die , wanneer tegenslag hen overvalt, zeggen: " Waarlijk behoren wij aan Allah, en tot hem zullen wij wederkeren" (2:155-156)

6. VERGEVINGSGEZINDHEID

" Vergeef (de mens) en vergeet (hun fouten). Zouden jullie niet graag willen, dat Allah jullie vergeeft? (24:22)

" (De plichtsgetrouwen zijn) degenen die (hun boosheid bedwingen en die mensen vergeven. En Allah heeft degenen die goed doen (aan anderen (lief)" (3:134)

7. ZUIVERHEID EN SCHOONHEID

" Hij die zich (lichamelijk en geestelijk) zuivert is zeker succesvol, en (hij die) de naam van zijn Heer gedenkt, en dan bidt" (87:14-15)

" En reinig jouw kleren, en ga onreinheid uit de weg" (74:4-5)

8. EERLIJKHEID

" En verteer niet onder valse voorwendsels jullie eigendom, en probeer je hiermee ook geen toegang te verschaffen tot de rechters, opdat jullie een deel van het eigendom van de mensen onrechtmatig zullen verteren, terwijl jullie dit weten" (2:188)

9. GOEDHEID EN VRIENDELIJKHEID

" Allah beveelt waarlijk rechtvaardigheid en dat wij goed doen (aan anderen) en dat wij geven aan verwanten" (16:90)

"Doe goed (aan anderen). Allah houdt immers van weldoeners" (2:195)

10. CONSIDERATIE MET EN RESPECT VOOR ANDEREN

" O gelovigen, ga geen andere huizen binnen dan jullie eigen huizen, totdat jullie toestemming hebben gevraagd en de bewonders hebben begroet…..en wanneer jullie wordt gezegd, Ga terug, gan dan terug" (24:27-28)

" En wanneer jullie worden begroet met een groet, groet dan terug met een betere, of beantwoord hem (op z'n minst met dezelfde termen)" (4:86)

11. BESCHEIDENHEID

" Eet en drink en wees niet spilziek" (7:13)

" En zorg ervoor dat je hand niet geketend is aan je nek (zodat je zuinig bent in je uitgaven), noch zal je hem strekken zover als je kunt (zodat je alles verspilt)" (17:29)


Presentatie ter gelegenheid van Ied Ul Fitr, December 2002

Afvalligheid

Het woord irtidad is van de vorm ifti’al en komt van radd, dat betekent: het terugkeren. Ridda en irtidad betekenen beide: het terugkeren tot de weg, vanwaar men gekomen is. Maar ridda wordt in het bijzonder gebruikt voor het teruggaan tot het ongeloof, terwijl irtidad zowel in deze betekenis als in andere betekenissen wordt gebruikt (R.). De persoon die van de islam tot het ongeloof terugkeert heet murtadd (afvallige). Er heerst over het onderwerp afvalligheid een even groot misverstand als het onderwerp jihad, want zowel onder de moslims als onder de niet-moslims heerst over het algemeen de gedachte dat de islam de afvalligheid met de dood straft. Indien de islam verbiedt iemand het leven te benemen op grond van zijn godsdienst – dit is het grondbeginsel van de islam – dan doet het niets aan de zaak af, of men tot het ongeloof vervalt na moslim te zijn geweest of niet. Voorzover het de heiligheid van het leven betreft, staan de ongelovige (kafir) en de afvallige (murtadd) daarom op één lijn.

De afvalligheid in de Heilige Koran
De Heilige Koran is de hoofdbron van de islamitische wetten en daarom zullen wij deze eerst behandelen. In de eerste plaats vermeldt de Heilige Koran nergens impliciet een murtadd. Irtidad is het uitspreken van ongeloof of het duidelijk loochenen van de islam en niet omdat een persoon die de islam belijdt en zijn mening uit of een handeling verricht die naar de mening van een geleerde of een rechtsgeleerde niet-islamitisch is. Uitschelden van een profeet of oneerbiedigheid tegenover de Heilige Koran wordt dikwijls tot een valse verontschuldiging gemaakt om een persoon als murtadd te behandelen, al verklaart hij ook in de krachtigste bewoordingen dat hij in de Heilige Koran en de Profeet gelooft. In de tweede plaats wordt het algemeen heersende gedachte dat de islam een afvallige ter dood veroordeelt door de Heilige Koran volstrekt niet gestaafd.

Heffeming begint zijn artikel over murtadd in de Encyclopaedia of Islam met de volgende woorden: “In de Heilige Koran wordt de afvallige met straf in het hiernamaals alleen bedreigd”. Er wordt in één van de laat Mekkaanse openbaringen melding gemaakt van irtidad:

“Hij die niet in Allah gelooft na zijn geloof, niet hij die gedwongen wordt, terwijl zijn hart in rust is vanwege het geloof, maar hij die zijn borst opent voor het ongeloof – op hen is de toorn van Allah en zij zullen een zware kastijding hebben” (H.K. 16:106).

De murtadd wordt hier duidelijk met straf in het hiernamaals bedreigd. In latere openbaringen toen de islamitische regering onmiddellijk na de aankomst van de Profeet in Medina gevestigd was, was er niet de minste verandering in deze houding. In één van de vroege Medinese openbaringen wordt melding gemaakt van afvalligheid in verband met de oorlog die de ongelovigen voerden om de moslims met kracht en geweld afvallig te maken.

“En zij zullen niet ophouden u te bestrijden, tot zij u van uw religie doen terugkeren, indien zij het kunnen; en wie uwer van zijn religie terugkeert (yartadda, van irtidad), dan sterft hij, terwijl hij een ongelovige is – dat zijn degenen, van wie de werken in deze wereld en in het hiernamaals niets waard zullen zijn en zij zijn de inwoners van het vuur: daarin zullen zij wonen” 184 (H.K. 2:217).

Indien een persoon afvallig wordt, zal hij dus wegens de slechte daden niet in dit leven, maar in het hiernamaals gestraft worden. De goede daden die hij verricht heeft toen hij nog een moslim was, worden van nul en generlei waarde, als gevolg van de slechte levenswijze die hij heeft aangenomen. Het derde hoofdstuk, dat in het derde jaar na de Hidjra werd geopenbaard, spreekt herhaaldelijk van mensen die tot het ongeloof vervielen nadat zij moslims waren geworden. Hierover is vaak melding gemaakt van hun bestraffing in het hiernamaals:

“Hoe zal Allah mensen leiden, die niet geloofden na hun geloof en nadat zij getuigd hadden, dat de Gezant waarachtig was” (H.K. 3:85);
“Hun vergelding is, dat op hen is de vloek van Allah” (H.K. 3:86);
– “Behalve degenen, die daarna berouw hebben en zich beteren” (H.K. 3:88);
“Degenen die niet geloven na hun geloof, dan in ongeloof toenemen, hun berouw zal niet worden aangenomen” (H.K. 3:89).

————————————————————————
184 In hun ijver om in de Heilige Koran een doodvonnis voor afvalligen te vinden, hebben sommige christelijke schrijvers niet geaarzeld een absoluut verkeerde vertaling te geven van het woord fa-yamut (dan sterft hij) in de zin van: dan wordt hij ter dood gebracht. Fa-yamut is de bedrijvende vorm en yamutu betekent: hij sterft. Het gebruik van dit woord toont duidelijk aan dat afvalligen niet ter dood worden gebracht. Sommige uitleggers hebben een verkeerde gevolgtrekking uit de woorden “wier werken … niets waard zullen zijn” afgeleid. Deze woorden betekenen niet, dat hij als een vogelvrij verklaarde behandeld zal worden. Met zijn “werken” worden de goede daden bedoeld, die hij als moslim heeft gedaan en deze zijn zelfs in dit leven inderdaad niets waard, als men naderhand het ongeloof en slechte gedragingen aanneemt. Goede werken zijn alleen nuttig, indien ze een persoon voortdurend tot betere dingen brengen en in hem het bewustzijn van een hoger leven ontwikkelen. Elders worden de daden van een volk als niets waard vermeld, wanneer zij uitsluitend voor dit leven werken en het hogere veronachtzamen: “Degenen, wier arbeid in het leven van deze wereld verloren is gegaan en zij denken, dat zij bedreven zijn in het handwerk. Dat zijn degenen, die niet in de mededelingen van hun Heer en Zijn ontmoeting geloven; zo worden hun werken nietig en daarom zullen Wij ten dage van de Opstanding geen weegschaal voor hen oprichten” (H.K. 18:104, 105). In dit geval betekent de habt van de werken van dit leven: het nutteloos zijn daarvan, wat het hogere leven betreft.

Het meest overtuigende bewijs dat de dood niet de straf voor afvalligheid was, is vervat in de plannen die de joden opvatten, terwijl zij onder de islamitische regering in Medina leefden:

“En een groep van de volgelingen van het Boek zegt: Belijdt geloof in datgene wat geopenbaard is tot degenen die geloven, in het eerste gedeelte van de dag, en gelooft niet op het einde daarvan” (H.K. 3:71).

Hoe zouden mensen die onder geen islamitische regering leefden, een dergelijk plan opgevat kunnen hebben, – de islam in diskrediet te brengen -, indien afvalligheid met de dood strafbaar was? De Ma’ida is één van de hoofdstukken, die tegen het einde van het leven van de Profeet werden geopenbaard en toch is de murtadd zelfs daar vrij van enige straf in dit leven: “O u, die gelooft! mocht één uwer van zijn religie terugkeren, dan zal Allah mensen brengen, die Hij zal liefhebben en die Hem zullen liefhebben” (H.K. 5:54). De Heilige Koran maakt geen melding van een doodvonnis voor afvalligen. Een dergelijke vonnis zou ook teniet gedaan worden door de verzen die van afvalligheid melding maken, zoals door de magna charta van de godsdienstvrijheid, het 256 e vers van het tweede hoofdstuk: La ikrana fi-l-din, dat wil zeggen, “Er is geen dwang in de religie”.

Hadith’s over afvalligheid
Laat ons nu de Hadith raadplegen, want op deze bron hebben de Fiqhboeken hun doodvonnis voor afvalligen gebaseerd. De woorden in bepaalde hadith’s hebben ongetwijfeld de weerspiegeling van een later tijdperk. Toch kunnen wij uit zorgvuldige studies concluderen dat afvalligheid niet strafbaar was, tenzij ze met andere omstandigheden gepaard ging die de bestraffing van de overtreders vereisten. Buchari, die ongetwijfeld de zorgvuldigste van alle Hadith-verzamelaars is, is duidelijk over dit punt. Hij heeft twee “boeken” die over de afvalligen handelen:

1. Kitab al-muharibin min ahl al-kufr wa-l-ridda ofwel “Het boek van degenen die (tegen de moslims) oorlog voeren onder de ongelovigen en de afvalligen”
2. Kitab istitaba al-mu’anidin wa-l-murtaddin wa qitalihim ofwel “Het boek van tot het berouw roepen van de vijanden en de afvalligen en het oorlog voeren tegen hen”.

Deze beide opschriften zeggen al genoeg. Het opschrift van het eerste boek toont duidelijk aan dat daarin slechts die afvalligen behandeld worden, die tegen de moslims oorlog voeren. Dat van het tweede verbindt de afvalligen met de vijanden van de islam. Dit is het kardinale punt van de hele zaak waaraan het misverstand toe te schrijven is, namelijk dat er een leer werd geformuleerd die in strijd is met de duidelijke leerstellingen van de Heilige Koran. In de tijd dat er tussen de moslims en de ongelovigen een oorlog aan de gang was, gebeurde het vaak dat een persoon die afvallig werd, tot de vijand overliep en met hem meestreed tegen de moslims. Hij werd als een vijand behandeld, niet omdat hij tot een andere godsdienst overgegaan was, maar omdat hij tot de andere partij was overgelopen. Er waren ook toen stammen die met de moslims niet in oorlog waren en indien een afvallige overliep, werd hij ongemoeid gelaten. Zulke personen worden in de Heilige Koran uitdrukkelijk vermeld:

“Behalve degenen die bij een volk komen, waarmee u een verbond heeft, of die tot u komen, hun harten belettende u te bestrijden, of hun eigen volk te bestrijden; en indien het Allah behaagd had, zou Hij hun macht over u gegeven hebben, opdat zij u zouden hebben bestreden; derhalve, indien zij zich terigtrekken en u niet bestrijden en u de vrede aanbieden, dan heeft Allah u geen weg tegen hen gegeven” (H.K. 4:90).

Het enige, in betrouwbare hadith’s vermelde geval van de bestraffing van afvalligen is die van een groep van de stam van 'Ukul, die de islam aannam en naar Medina ging, maar vond dat zij niet tegen het klimaat van de stad bestand was. Zo zond de Profeet hen naar een plaats buiten Medina, waar de melkgevende kamelen van de staat gehouden werden, zodat zij in de open lucht wonen en van de melk drinken konden. Het ging hun goed totdat zij de hoeder van de kamelen doodde en de dieren wegjoeg. Toen de Profeet daarvan op de hoogte werd gebracht, stuurde hij een groep mensen om hen te vervolgen en werden zij ter dood gebracht 185 (Bu. 56:152).

————————————————————————
185 Er wordt in sommige hadith's gezegd dat zij doodgemarteld werden. Als dit al ooit gebeurde, dan was het slechts als vergelding, omdat vergelding vóór de openbaring van de strafwetten van de islam de heersende regel was. In sommige overleveringen staat dat deze groep van de stam van 'Ukul de hoeder van de kamelen de ogen uitstak en hem op hete stenen wierp om hem een langzame marteldood te laten sterven en dat zij op een dergelijke manier ter dood gebracht werden (Ai. VII, pagina 58). Maar andere ontkennen dat de wet van de vergelding in dit geval toegepast werd. Volgens deze overleveringen zou de Profeet zich voorgenomen hebben, hen op dezelfde wijze dood te martelen als zij de hoeder van de kamelen ter dood hadden gebracht. Maar voordat het doodvonnis werd voltrokken, ontving hij de openbaring die over de bestraffing van zulke overtreders handelde: “De straf van degenen, die oorlog tegen Allah en Zijn Gezant voeren en er naar streven kwaad in het land te stichten, is slechts deze, dat zij gedood of gekruisigd zullen worden of dat hun handen en hun voeten afgehakt zullen worden aan de tegenovergestelde zijden of dat zij gevangen zullen worden gezet” (H.K. 5:33) (IDj-C. VI, pagina 121). De afvalligen worden hier dus vermeld als oorlog te voeren tegen God en Zijn Gezant. De straf wisselt al naar gelang de aard van het misdrijf; het kan zijn doodstraf of zelfs kruisiging, wanneer de schuldige verschrikking in het land heeft verspreid, of het kan slechts gevangenzetting zijn.

De overlevering is duidelijk over het punt dat zij niet vanwege hun afvalligheid ter dood gebracht werden, maar omdat zij de hoeder van de kamelen gedood hadden.

Grote nadruk wordt gelegd op een hadith, die zegt: “Wie zijn godsdienst verandert, doodt hem” (Bu. 88:2). Neemt men echter datgene in aanmerking wat Buchari zelf heeft aangeduid, als hij de afvalligen als strijders beschreef of als hij hun naam met die van de vijanden van de islam verbond, dan is het duidelijk dat slechts die geloofsverzakers bedoeld worden die met de vijanden van de islam heulen en tegen de moslims oorlog voeren. Slechts door de betekenis van de hadith aldus te beperken, kan ze met andere hadith’s of met de in de Heilige Koran neergelegde beginselen overeengebracht worden. Feitelijk zijn de woorden daarvan zo veelomvattend, dat ze iedere geloofsverandering, ieder overgaan van de ene tot enige andere godsdienst in zich opnemen; dus ook een niet-moslim die moslim wordt, of een jood die christen wordt, moet gedood worden. Het is duidelijk dat een dergelijke bewering niet aan de Profeet toegeschreven kan worden. Daarom kan men de hadith niet aannemen, zonder haar betekenis te beperken.

Een andere hadith met betrekking tot hetzelfde onderwerp, gaat nog dieper in op de betekenis van wat hierboven is aangehaald. Er wordt in deze hadith gezegd dat men een moslim slechts in drie gevallen het leven kan benemen. Eén daarvan is: “Hij verzaakt zijn religie en scheidt zich af (altarik) van zijn gemeenschap (li-l-djama’a)” (Bu. 87:6). Volgens een andere redactie luidt ze: “die zijn gemeenschap verlaat (al-mufariq)“. Het zich afscheiden of het verlaten van de gemeenschap, dat hier als een noodzakelijke voorwaarde wordt bijgevoegd, betekent blijkbaar, dat de persoon de moslims verlaat en naar het vijandelijke kamp overloopt. De woorden van de hadith tonen dus aan dat ze betrekking heeft op een oorlogstijd. De afvallige verbeurde zijn leven niet wegens geloofsverandering, maar wegens desertie.

Een voorbeeld van een geloofsverandering komt ook in Buchari voor. “Een Arabier van de woestijn kwam tot Allah's Gezant en nam de islam uit zijn hand aan. Deze Arabier kreeg de volgende dag een koortsaanval, terwijl hij nog in Medina was en kwam bij Allah's Gezant en zei: O Allah's Gezant! geef mij mijn gelofte terug. – Allah's Gezant weigerde. Toen kwam hij weer en zei: Geef mij mijn gelofte terug. – En de Profeet weigerde. Toen kwam hij weer en zei: Geef mij mijn gelofte terug. – De Profeet weigerde weer en de Arabier vertrok” (Bu. 93:48). Deze hadith toont aan dat de man eerst de islam aannam en toen hij de volgende dag koorts kreeg, dacht hij dat het kwam doordat hij moslim was geworden en vroeg de Profeet zijn gelofte in te trekken. Dit was een duidelijk geval van afvalligheid, en toch wordt er nergens verhaald, dat men hem doodde. Integendeel, de hadith zegt, dat hij ongehinderd wegging.

Nog een voorbeeld van een geloofsverandering is die van een christen die moslim werd, toen afvallig werd en tot het christendom overging. Toch werd hij niet ter dood gebracht:

“Anas zegt, dat er een christen was die moslim werd en de Baqara en de Ali ‘Imran (het tweede en derde hoofdstuk van de Heilige Koran) las, en hij trachtte (de Heilige Koran) voor de Profeet te schrijven. Toen ging hij tot het christendom over en hij zei: Mohammed weet niets, behalve wat ik voor hem geschreven heb. – Toen deed Allah hem sterven en zij begroeven hem” (Bu. 61:25).

De hadith zegt verder hoe zijn lichaam door de aarde werd uitgeworpen. Dit was blijkbaar te Medina, na de openbaring van het tweede en derde hoofdstuk van de Heilige Koran, toen er een goed gevestigde islamitische staat was. En toch werd de persoon die afvallig werd, zelfs geen overlast aangedaan, hoewel hij over de Profeet in bewoordingen sprak, die hem buitengewoon veel afbreuk deden, en hem uitgaf voor een bedrieger, die niets wist behalve wat hij (de afvallige) voor hem had geschreven.

Wij hebben al aangetoond dat de Heilige Koran melding maakt van afvalligen die zich bij een stam aansloten, die op vriendschappelijke voet met de moslims leefde en van anderen die zich geheel en al van de oorlog terugtrokken, terwijl zij voor de moslims noch voor hun vijanden partij kozen, en dat hij zegt, dat zij met rust moesten worden gelaten (H.K. 4:90). Al deze gevallen tonen duidelijk aan, dat de hadith's betreffende het doden van geloofsverzakers alleen voor diegenen golden, die tegen de moslims oorlog voerden.

Afvalligheid en de Fiqh
Raadplegen wij de Fiqh, dan zien wij dat de juristen eerst een beginsel vaststellen, die lijnrecht in strijd is met de Heilige Koran, namelijk dat men een persoon het leven kan benemen vanwege zijn afvalligheid. Zo staat er in de Hidaya: “De murtadd (afvallige) zal de islam aangeboden krijgen, ongeacht het feit of hij een vrije man of slaaf is. Indien hij weigert, dan moet hij gedood worden” (H. I, pagina 576). Maar dit beginsel wordt direct daarop tegengesproken, als de afvallige genoemd wordt “een in oorlog zijnde ongelovige (kafir-un harabiyy-un), tot wie de nodiging tot de islam reeds gekomen is” (H. I, pagina 577). Dit toont aan dat de afvallige ook in de Fiqh zijn leven verbeurt, omdat hij als een met de moslims in oorlog zijnde vijand beschouwd wordt. Voor een geloofsverzaakster is de regel vastgesteld dat zij niet ter dood gebracht zal worden, waarvoor het vastgesteld dat zij niet ter dood gebracht zal worden, waarvoor het volgende argument wordt gegeven:

“Onze reden daarvoor is dat de Profeet het doden van vrouwen verbood en omdat vergeldingen (van het geloof of het ongeloof) oorspronkelijk tot het latere verblijf worden uitgesteld doordat het verhaasten er van (in dit leven) wanorde brengt en een afwijking van dit (beginsel) alleen toegestaan is wegens een onmiddellijk onheil, en dat is hirab (oorlog), en dit kan van de vrouwen niet verwacht worden, wegens de ongeschiktheid van hun gestel” (H. I, pagina 577).

De annotateur voegt hieraan toe: “Het doden wegens afvalligheid is verplicht, om het onheil van de oorlog te voorkomen en het is geen straf voor de daad van het ongeloof” (ibid). En verder: “Want enkel ongeloof wettigt het doden van een persoon niet” (ibid). Opgemerkt wordt dat de rechtsgeleerden, evenals in het geval van de oorlog tegen de ongelovigen, in dwaling verkeren en dat er duidelijk een strijd gaande is tussen de beginselen, zoals ze in de Heilige Koran zijn vastgesteld en de misvattingen die, hoe dan ook, in de geest van de rechtsgeleerden zijn binnengedrongen. Het is duidelijk vastgesteld dat de afvallige niet vanwege zijn ongeloof gedood wordt, maar wegens hirab of zijn verkeren in staat van oorlog. Het argument wordt duidelijk gegeven dat het doden vanwege ongeloof in strijd is met de aangenomen beginselen van de islam.

Maar de misvatting is dat de geschiktheid om oorlog te voeren als een oorlogsvoorwaarde wordt beschouwd, wat zeer onlogisch is. Wanneer bedoeld wordt dat de afvallige het vermogen bezit om oorlog te voeren, dan kan zelfs een kind potentieel een harabiyy (een in oorlog zijnde persoon) genoemd worden, omdat hij tot een man zal opgroeien en geschikt zal zijn om oorlog te voeren. Zelfs geloofsverzaaksters kunnen niet uitgezonderd worden, omdat zij ook het vermogen bezitten om oorlog te voeren. De wet van de bestraffing berust niet op vermogens, maar op feiten. Ook de Fiqh erkent dus het beginsel dat men een persoon het leven niet kan benemen vanwege een geloofsverandering en dat de afvallige niet gedood kan worden, tenzij hij in staat van oorlog is. Dat de rechtsgeleerden een vergissing hebben begaan bij het omschrijven van een hirab of een staat van oorlog, is een heel andere zaak.