Lahore Ahmadiyya Beweging

Welkom op de website van AAIIA dat onderdeel uitmaakt van de wereldwijde Lahore Ahmadiyya Beweging. De doelstelling van deze beweging is om de religie van de islam in zijn oorspronkelijke, zuivere vorm aan de wereld te presenteren en om de ware islamitische geest bij de moslims zelf te doen herleven. Zij tracht deze doelstellingen te verwezenlijken door rationele argumenten, morele verheffing en door zichzelf als voorbeeld te stellen, terwijl men respect en verdraagzaamheid toont voor de gedachten van anderen. 

Zij presenteert de islam als de liberale, rationele, tolerante, niet-ritualistische en levende godsdienst, die door de Heilige Qoer'aan wordt onderwezen en in praktijk werd gebracht door de heilige profeet Mohammed, vrede en de zegeningen van Allah zij met hem. 

Ahmadiyya Beweging 
Er gaan veel verhalen rond over de Ahmadiyya Beweging en zijn stichter, Mirza Ghulam Ahmad. Wat berust op de waarheid? Wat zijn hun principes? Wat is het verschil tussen de Lahore en de Qadianie groepering binnnen de Ahmadiyya Beweging? Blader door het menu 'Ahmadiyya' en lees waar de beweging daadwerkelijk voor staat. Zie de menubalk bovenaan de website.

Mediatheek
Bezoek ons mediatheek en verrijk uzelf met de beschikbare boeken, artikelen en documentaires.  Deze geven over het algemeen inzicht in de diepere betekenis van de religie van de Islam. Of lees de Koran met voetnoten en uitleg.

Feedback
Mocht u een woord aan het bestuur of de webmaster willen richten dan kunt u gebruik maken van het contactformulier. Wij kijken uit naar uw feedback.

Wat betekent ‘Rabb’ (Heer)?

Reza Ghafoerkhan geeft een lezing over het woord 'Rabb' dat zich in het Nederlands eigenlijk niet goed laat vertalen. Er is geen goede synoniem. Het woord 'Rabb' wordt normaliter vertaald naar 'Heer' maar heeft dus een veel bredere betekenis. Bekijk de video om te begrijpen wat de bredere en daadwerkelijke betekenis is van het woord 'Rabb'.

De leeftijd van Aisja ten tijde van haar huwelijk

Er heerst een groot misverstand over de leeftijd van Aisja ten tijde van haar huwelijk met de profeet Mohammed (vzmh). Het misverstand is zo wijd verspreid en diepgeworteld dat moslims zelf het huwelijk van de profeet met de 6 of 9 jarige Aisja rechtvaardigen. Wij presenteren u graag 2 artikelen waarin dit wordt tegengesproken o.b.v. duidelijke bewijzen. Zodat dit misverstand uit de wereld wordt geholpen. Het eerste artikel is geschreven door Dr. Zahid Aziz en een tweede artikel (engels) dat beschikbaar is op aaiil.org. 

In Memoriam ‘Maulana Jaggoe’

Het is maandag 8 mei precies 10 jaar geleden dat Maulana Jaggoe zijn laatste adem heeft uitgeblazen. Wij willen dit niet onopgemerkt laten en staan stil in zijn nagedachtenis. Wij verwijzen u graag naar een beknopte autobiografie waarin zijn indrukwekkende verdiensten voor de Islam / Ahmadiyyat staan beschreven. Daarnaast kunt u één van zijn publicaties 'over hervormerschap in de Islam' terug vinden in onze bibliotheek. Moge Allah, de genadevolle hem en zijn echtgenote een plaats schenken in de Djanatal-Firdaus.

 

Bismillahir Rahmanier Rahiem (in naam van Allah, de Weldadige, de Genadige)

Afkomst en jeugdjaren 
Maulana Abdoel Rahiem Basant Jaggoe is op 18 augustus 1914 geboren in het district Saramacca (Suriname) uit de ouders:

R.Jaggoe (moeder) en S.Sukul (vader). In die tijd was het niet de gewoonte om de familienaam van de vader te dragen, vandaar dat hij als familienaam heeft: Jaggoe.

Zijn voorouders van vaderskant kwamen omstreeks 1874 uit het noorden van India (Pundjab, de bergstad Shimla) als contractarbeiders naar Suriname, alwaar ze werden ingedeeld op de plantage Catharina Sophia in het district Saramacca.

Ongeveer een jaar daarna kwamen zijn voorouders van moederskant uit Calcutta (India) als contractarbeiders naar Suriname. Ook zijn werden ingedeeld in het district Saramacca.

De voorouders van zwel vaders- als moederskant, stamden af van de hoogste Hindoe-kaste (Brahman).

De voorouders van moederskant konden het in Suriname echter niet volhouden en keerden na beëindiging van hun contractperiode terug naar hun geboorteland India.

Omstreeks 1917 verlieten de ouders van Maulana Abdoel Rahiem Basant Jaggoe het district Saramacca en vestigden zich met hun drie kinderen (twee zonen en een dochter) in Paramaribo.

Maulana’s broer, die acht jaar ouder was dan hij, is tijdens het naar school gaan door een tragisch ongeval om het leven gekomen. Zijn zus is inmiddels ook overleden.

Na te Paramaribo de lagere school te hebben doorlopen werd Maulana ingeschreven op de St. Paulus-muloschool, die destijds uit acht klassen bestond.

Bij zijn inschrijving op deze rooms-katholieke school werden aan hem heel strenge eisen gesteld, onder andere het stipt volgen van de bijbellessen en het geregeld bezoeken van de kerk. Nauwgezet gaf hij hieraan gevolg, gelet op het feit dat hij zelfs misdienaar is geweest. In de middaguren volgde hij Hindi-lessen.

Nadat zijn vader kwam te overlijden, hertrouwde Maulana’s moeder met Jahoer Mohammed, eveneens afkomstig uit India. Jahoer Mohammed was een begaafde man die een uitgebreide kennis bezat van het Oerdoe, Arabisch, Perzisch en Bengaals. Hij was Hafiez in Qoraan en Hadies. Tevens was hij bijzonder hoog gekwalificeerd in de Islamtheologie op het High Aligarh College in India.

Deze Jahoer Mohammed, die behalve handelaar ook een gedreven moslim was, ontfermde zich over de jonge Maulana. Hij wilde dat de jongen zich theologisch zou bekwamen en onderwees hem in de Islamitische leer.

Inderdaad raakte Maulana zodanig geïnspireerd dat hij de oprechte wens ontwikkelde om Moballigh in Islam (moeslim missionaris) te worden.

Helaas kwam, na zijn vader, ook zijn stiefvader te overlijden.

Op vijftienjarige leeftijd – zat toen in de vijfde klas – was Maulana genoodzaakt de school te verlaten om de zaak van zijn stiefvader over te nemen. Zijn theologische studie moest hij op eigen kracht voortzetten.

Aangezien destijds in Suriname geen Islamitische scholen waren, en de Miadjies (leraren) die hij opzocht hem niet verder op weg konden helpen, was hij aangewezen op schriftelijke lessen uit India en Pakistan. Vanwege de trage zeepostverbinding tussen Suriname en die landen kostten deze lessen hem enorm veel tijd en moeite.

Theologische studie in Pakistan
Op 29 januari 1939 trad Maulana in het huwelijk (Nikah) met Lailoenissa Juthan. Kort hierna besloot hij voor de studie Moballigh persoonlijk af te reizen naar Pakistan.

Terwijl hij bezig was met de voorbereidingen voor deze reis, brak de tweede wereldoorlog uit. Er was nu helemaal geen verbinding meer mogelijk met India en Pakistan. Maulana’s plannen liepen muurvast, doch ze opgeven deed hij niet.

Na afloop van de oorlog, die ongeveer vijf jaar had geduurd, besloot hij alsnog naar Pakistan te gaan om daar zijn theologische studie af te ronden.

De verwezenlijking van zijn plannen kostte hem meer moeite dan voorheen, aangezien hij intussen een gezin had, bestaande uit zijn vrouw en zes minderjarige kinderen (waarvan twee weeskinderen), en daarbij nog zijn manufacturen zaak.

Toen zijn zwager, de heer Abdul Hamied Hassenmohamed, zich bereid had verklaard hem zijn volle medewerking te zullen verlenen, stelde hij het hoofdbestuur van de Surinaamse Islamitische Vereniging in Paramaribo, waarvan hij lid en tevens imam (voorganger) was, op de hoogte van zijn voornemen.

Een gelukkige omstandigheid deed zich voor, dat hij toen hij nog bezig was met zijn voorbereidingen, Maulana Bashier Ahmnad Minto een bezoek bracht aan de Surinaamse Islamitische Vereniging. Deze Maulana, Bashier Ahmad Minto ondersteunde hem in zijn voornemen en adviseerde hem zich in verbinding te stellen met het hoofdkwartier van de Islamitische Vereniging in Pakistan. Daar waren alle mogelijkheden aanwezig voor verdere studie in de Islam.

Het duurde enige tijd voordat Maulana kon beschikken over de nodige documenten uit Pakistan, aangezien er geen luchtvaart was tussen Suriname en Pakistan.

Op 12 september 1949 vertrok hij uiteindelijk met de boot naar Nederland. Daar aangekomen vervoegde hij zich bij de heer Lalsha Bugari, consul-generaal van Pakistan in den Haag, die hem een brief meegaf voor de Secretaris-generaal van Staten voor vreemdelingenzaken in Pakistan.

Vanuit Nederland vertrok Maulana tenslotte met het vliegtuig naar Pakistan. Genoemde secretaris-generaal stelde hem voor aan de heer Fazl Ul Rahman, minister van onderwijs, van wie hij alle medewerking kreeg toegezegd.

Aangezien in (de nieuwe stad) Karachi nog geen school voor de speciale opleiding tot Moballigh in Islam was opgericht, moest Maulana verder afreizen naar Punjab-Lahore, om zich aldaar in te schrijven in de tabligh-klas van het Ahmadiyya College. Deze klas was speciaal gericht op het opleiden van moeslim missionarissen.

Doch Maulana wilde zijn studie op de universiteit afronden. Bij zijn toelatingsexamen tot de universiteit werd hem door de raad van bestuur van de Ahmadiyya Anjuman At Islam, gevraagd naar het eigenlijke doel van zijn studie. Op grond daarvan werd hem door genoemde Raad medegedeeld, dat zulks een opleiding niet direct mogelijk was op de universiteit, doch wel bij de Anjuman, die beschikte over speciale fondsen en mogelijkheden voor opleiding van moeslim missionarissen op internationaal niveau.

Hij werd ingeschreven in de Tabligh-klas van de Anjuman.

Gelet op zijn grondslag moest hij de eerste twee jaren de lessen volgen in deze klas. Vanwege zijn inzet en ijver werd hij eertijds toegelaten op de Academy of Qoranic studies, alwaar hij na het afleggen van de examens in de vakken Dienjaat, hadies en fique (jurisprudentie) en het voltooien van zijn proefschrift zijn diploma in ontvangst mocht nemen dat hem de bevoegdheid gaf om als volledig Moballigh in Islam te fungeren.

In 1955 is hij in Pakistan op zijn proefschrift betiteld tot Maulana.

Tevens werd hij in dit land opgenomen in de adviesraad van de regering voor Foreign Muslim Affairs of South America and West Indies.

Bedevaart en studiereizen
In 1950 maakte Maulana zijn eerste bedevaart naar Mekka, alwaar hij de heer Mohaddas Mashat, hoofddocent aan de Medina universiteit, leerde kennen. Deze bood hem kosteloos verblijf en verder studie in de Hadies aan; een aanbod waarvan hij dankbaar gebruik wilde maken.

Het was wel een heel ingrijpende beslissing om direct te nemen, aangezien hij voor deze opleiding twee volle jaren Arabisch moest studeren. Bovendien was er juist in het bedevaartseizoen in heel Arabie een epidemie uitgebroken, waarbij ongeveer zevenduizend bedevaartgangers om het leven waren gekomen. Maulana werd ook getroffen, maar overleefde de ziekte gelukkig.

Terug in Pakistan maakte hij enkele oriëntatiereizen, onder andere in Azad Kashmir, waar hij te gast was bij de regering. Hij gaf hier enkele lezingen over de Koran.

Bij aankomst in Lahore bereikte hem het droevige bericht, dat de Ameer Maulana Mohammed Ali, zijn docent, was overleden.

Na nog een korte tijd vertoefd te hebben in Pakistan, keerde hij via Europa en Amerika (Canada) terug naar Suriname. Tijdens deze reis vertoefde hij enkele weken in Engeland, waar hij te gast was bij dr. Abdullah (in charge), om zich op de hoogte te stellen van de Tabligh activiteiten in Europa. Vervolgens reisde hij voor een kort bezoek naar Trinidad, waar hij verwelkomd werd door Moulvi Ameer Ali.

Op zaterdag 23 november 1951 kwam hij in Suriname aan. Hij werd op het vliegveld Zanderij verwelkomd door zijn familie en leden van de Surinaamse Islamitische Vereniging.

Na een korte rustperiode kwam hij terug op zijn imampost in de hoofdmoskee van de Surinaamse Islamitische Vereniging te Paramaribo, waar hij direct een aanvang maakte met de tabligh activiteiten en waar hij als hoofdimam zou blijven functioneren tot 13 april 1974.

Verdiensten op cultureel en sociaal gebied
Behalve op godsdienstig gebeid heeft Maulana zich ook zeer verdienstelijk gemaakt op het culturele en sociale vlak.

Doordat hij zich had verdiept in het hindoeïsme, werd hij door de stichting Bharat Ouday gedelegeerd om de viering van het honderdjarige bestaan van de Hindoestanen in Guyana bij te wonen.

Tevens is hij benoemd tot lid van de Hindoestanen Hindi examen commissie. De cursussen hiervan werd verzorgd door de heer Mahatam Singh uit India.

In de Surinaamse samenleving heeft hij diverse functies bekleed.

  • Op 1 november 1953 is hij door de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen als huwelijksbeambte voor de moslims.
  • Op 1 januari 1954 is hij door de gouverneur van Suriname benoemd tot lid van de commissie van regenten van het weldadigheidsgesticht ’s Landsgrond Boniface.
  • Op 10 maart 1955 is hij benoemd tot eedafnemer bij het hof van justitie en bij de kantongerechten in het eerste, tweede en derde kanton, ten behoeve van de moslims; tevens als deskundige bij huwelijks- en echtscheidingsaangelegenheden.
  • Op 22 mei 1956 is hij door de districtcommissaris van Paramaribo benoemd tot lid van de bioscoopcommissie.
  • Op 11 juli 1961 is hij door de gouverneur van Suriname benoem tot lid van de adviescommissie inzake Aziatische huwelijksaangelegenheden.
  • Op 1 oktober 1962 is hij door de minister van Onderwijs en Volksontwikkeling benoemd tot godsdienstleraar bij het Algemeen Middelbaar- en kweekschoolonderwijs.

Op uitnodiging van de Ahmadiyya Vereniging reisde hij vaak naar Guyana en stichtte binnen enkele jaren aldaar de Ahmadiyya Anjuman Isha At Islam.

Vanaf 1964 is hij lid van de Word Conference op Religion and Peace en heeft sindsdien diverse conferenties bijgewoond.

Hij heeft gedurende vijf achtereenvolgende jaren de moslims naar de bedevaart in Mekka begeleid.

Bij de eerste open vlucht van de KLM naar de bedevaart in Mekka, is hij door deze maatschappij belast geweest met de leiding daarvan. Hierna heeft hij nog twee Umrah hadj verricht (in totaal heeft hij zeven hadjs verricht).

Huldigingen en onderscheidingen
In 1964, op zijn vijftigste jaar, werd hij gehuldigd door de Surinaamse Islamitische Vereniging, voor zijn bewezen diensten aan deze vereniging, bij welke gelegenheid hem een gouden Koran werd opgespeld.

Vanaf 1 maart 1968 is hij Life member van de Divine Life Spiritual Club in India.

In 1970 is hij door Hare Majesteit koningin Juliana onderscheiden tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

In 1972 is hij door de minister van Hadj van Arabie uitgenodigd om een conventie bij te wonen. Bij zijn aankomst in Arabie werd hij ontvangen door genoemde minister en de pers. De artikelen die hierover zijn gepubliceerd, in het Daily Bandi Newspaper of Jeddah “ OKAZ”  de dato 24ste Ramadan 1392 –gedagtekend volgens de Islamitische jaartelling – en zijn ter inzage aanwezig. Na de conventie werd hij voor auditie uitgenodigd bij Zijne Majesteit koning Faisal, waaraan hij wegens tijdsgebrek helaas geen gevolg heeft kunnen geven, doordat de groep hadjies die hij had begeleid naar de Hadj (bedevaart) de terugreis naar Suriname moesten aanvaarden. Buiten Suriname is hij voor zijn godsdienstige activiteiten met goud onderscheiden door zowel de Ahmadiyya verenigingen als door de Western Hemsphere in West Indie.

Publicaties
Uit zijn hand zijn diverse boekwerken verschenen, onder andere:

  • Nederlands – oerdoe woordenboek;
  • Masla Tarawie;
  • Qayam Ramzan;
  • Masla Takbiraat Iedain;
  • Kitab Us Salaat (moeslim gebedsboekje);
  • Moeslim Cathechismus;
  • Hervormerschap in de Islam, en
  • Een antwoord op een serie kritieken van de Wachttoren op de H.Koran.

Gedurende veertien jaar lang was hij redacteur van het Djoema Akhbar blad, dat op elke vrijdag verscheen.

Vestiging in Nederland
Toen Maulana’s kinderen naar Nederland vertrokken, werden de eenzaamheid en het gemis hem en zijn vrouw ondraaglijk. Het besluit om de rest van hun leven bij de kinderen te zijn, resulteerde op 14 april 1974 in een verhuizing naar Nederland. Na aanvankelijk bij hun oudste zoon ingetrokken te zijn geweest, vonden Maulana en zijn echtgenote eigen woonruimte in Utrecht.

Reeds bij zijn aankomst in Utrecht werd hij door een groep moeslim jongeren gevraagd hen te begeleiden in godsdienstige zaken.

Hij moest het hoofdkwartier in Pakistan op de hoogte stellen van zijn voornemen. Een gesprek met Maulana Bashir, die reeds in Den Haag was gevestigd, om een samenwerkingsverband aan te gaan leverde niets op.

Na ongeveer zes maanden begon hij met zijn tabligh activiteiten. Voor deze activiteiten werd naar ruimte gezocht. Met veel moeite werd hier en daar wat ruimte in een school gevonden.

Maar het aantal moskee bezoekers werd zo groot, dat zelfs een aangekocht pand niet meer aan de behoefte kon voldoen.

Door de jaren heen werd onder Maulana’s leiding op diverse gebieden vooruitgang geboekt. In 1977 werd in Utrecht de Ahmadiyya Anjuman Isha At Islam opgericht. Een kerk werd aangekocht in Utrecht en omgebouwd tot een moskee, waarin alle diensten onder zijn leiding werden gehouden.

Bij het tienjarige bestaan van deze vereniging werd Maulana een oorkonde uitgereikt. Bij de Ahmadiyya Anjuman Isha At Islam te Utrecht hebben tien jongeren de basisopleiding van de Islamitische leer van hem genoten, en hun getuigschrift van hem in ontvangst mogen nemen.

In 1982 heeft hij de Ahmadiyya Federatie in Nederland opgericht, die momenteel onder leiding staat van de heer drs. J.Karamat Ali. In Nederland heeft hij veel lezingen gehouden op hogescholen en universiteiten (hierover zijn brochures uitgegeven).

Hij heeft op uitnodiging, in en buiten Nederland divers symposiums over de Islam bijgewoond. Onder andere ook van de Ahmadiyya Anjuman Isha At Islam in Yogya Karta (Indonesië), waar hij kennis heeft kunnen maken met de beroemde Maulana Soedewo (vertaler van de engelse Koran van Maulana Mohammed Ali, in het Nederlands) en nog met andere prominente leden van deze vereniging: onder andere de voorzitter van genoemde vereniging, de heer Dr. Ahmad Mohammed.

In zijn leven heeft hij twee wereldreizen gemaakt. Hij is in het bezit van meer dan twintig vol gestempelde paspoorten.

In 1994 heeft hij op uitnodiging van de Surinaamse Islamitische Vereniging in Suriname, het 65-jarig bestaan van deze vereniging bijgewoond. Als blijk van waardering voor zijn persoonlijke inzet en tevens ter bevordering en ontwikkeling van de Ahmadiyyat, zowel in Suriname, Nederland als daarbuiten, is hem door het bestuur van deze vereniging de hoge onderscheiding van Sitara – e Ahmadiyyat toegekend, en de bijbehorende versierselen opgespeld.

Hoewel hij reeds op zijn tachtigste jaar had besloten te stoppen met zijn carrière, heeft hij nog jaren daarna geregeld het Djoema-gebed en beide led-diensten en andere activiteiten geleid.

Hij is vader van elf kinderen (negen zonen en twee dochters), grootvader van vijfendertig kleinkinderen en overgrootvader van negen achterkleinkinderen.

Hij heeft op 29 januari 1999 – samen met zijn vrouw – zijn 60ste huwelijksdag mogen vieren.

Op 27 april 2001 is hij door M.M. Koningin Beatrix benoemd tot lid van de Orde van Oranje-Nassau.

Een woord van dank aan zijn echtgenoten Lailoenissa, die hem op de weg naar zijn doel steeds heeft ondersteund.

Hij is Allah – Tallah van harte dankbaar voor zijn hulp, zegeningen en genade, die hij gedurende zijn leven van Hem heeft mogen ontvangen.

Goda Hafiz.


Deze biografie is samengesteld op grond van aantekeningen van mijn vader Maulana Jaggoe, eigen aantekeningen en informatie van derden; onder anderen van mijn oom en tevens mijn leraar op de Surinaamse Rechtsschool, de heer Dr. J.P. Kaulesar Sukul M.A., die mij zowel de geschiedenis van mijn voorouders als de kwalificaties van mijn stiefopa (de heer Jahoer Mohammed) persoonlijk heeft omschreven.

R.R. Jaggoe (Edo) 

De Beloofde Messias

De heilige geschriften van hindoes, christenen en moslims verwijzen zowel naar een verdorven tijd als naar de komst van een grote hervormer, die de situatie met krachtige hand zal leiden. In de hindoese sjastra's wordt hij Nisjalank of Kalki Autar genoemd en in de heilige geschriften van de sikhs noemt men hem Mahdi Mir. De christenen noemen zijn komst de wederkomst van Christus en de moslims geven hem de naam Imaam Mahdi en Beloofde Messias.
.
Deze profetie is in vervulling gegaan in de persoon van Mirza Ghulam Ahmad. Bezoek ons bibliotheek en lees de boeken en artikelen met uitleg over de komst van de                                                                                   beloofde messias welke verwacht wordt in alle Religiën. 

Ramadaan Tabel 2017

Klik hier om de tabel te downloaden

Een vastendag begint u met een Nieyat (uitspreken van intentie ) en sluit u af met een Doewa (smeekbede). Een veelgebruikte Nieyat- en Doewa-tekst is: 
 
Nieyat – begin vasten: 
Na waito an as-sawmo ghadan                                 Ik neem mij voor om vandaag 
mien sjah-ri ramazanel mobarak                             in deze heilige maand Ramadaan te vasten 
fa arzal laka , ya ALLAH.                                            zoals U heeft opgedragen, O ALLAH 
Fa ta kab-bal min-nie.                                                 Dus accepteert U het van mij. 
In-naka, antes Samie-oel-Aliem                               Waarlijk, U bent De Horende, De Wetende 
  
Doewa – verbreken vasten: 
ALLAH hoem-ma,                                                         O mijn ALLAH, 
innie laka soemto,                                                         voor U heb ik gevast, 
wa bika amanto,                                                            en in U geloof ik, 
wa alaika tawak-kal to,                                                en op U vertrouw ik, 
wa ala riz-kieka aftarto.                                               en met Uw schenkingen zal ik  ontvasten.  
Fa ta kab-bal min-nie,                                                  Dus accepteert U het van mij, 
ya Arhamar Rahimien                                                  O Allerhoogste Genadevolle. 


Doewa voor de laatste 10 dagen (15 juni t/m 25 juni)
Allaahoemma iennaka a’foewoen toehiebboel a’fwa faa’fo ‘annie

O Allah, U bent de Meest Vergevingsgezinde en U houdt van vergeving,
dus vergeef mij.

Islam, de religie van de mensheid

In het boek, Islam – de religie van de mensheid, geeft de auteur (Maulana Muhammad Ali) in korte hoofdstukjes de essentie van de Islam weer, zoals dat in de Koran aan de Heilige Profeet Mohammed (vzmh) geopenbaard is. Hij benadrukt het universeel karakter van deze religie. Verder laat Maulana Muhammad Ali in een helder betoog zien hoe de Koran op een zeer rationele wijze de verhouding van de gelovige tot zijn Schepper en tot zijn medemens ( in de ruimste zin des woords) regelt. Ook andere essentiële zaken zoals bijvoorbeeld het leven na de dood, het geloof in engelen en duivels, de positie van de vrouw, worden toegelicht aan de hand van de Koran en de Hadies. 

Koran-verzen over het vasten

HQ 2:183
O gelovigen! Het vasten is u voorgeschreven, zoals het degenen vóór u werd voorgeschreven, zodat u tegen het kwaad zult hoeden.

HQ 2:184
Voor een zeker aantal dagen (zult gij vasten), maar wie onder u ziek is, of op reis, vaste een aantal andere dagen – er is een losprijs voor degenen, die niet kunnen vasten – het voeden van een arme. Maar hij, die vrijwillig goed doet, het zal beter voor hem zijn. Het vasten is goed voor u, indien gij het beseft.

HQ 2:185
De maand Ramadan is die, waarin de Qor'an als een richtsnoer voor de mensen werd nedergezonden en als duidelijke bewijzen van leiding en onderscheid. Wie onder u daarom deze maand beleeft, laat hem daarin vasten. Maar wie onder u ziek of op reis is, een aantal andere dagen. Allah wenst gemak voor u en geen ongemak, en opdat gij het aantal zult voltooien en opdat gij Allah’s grootheid zult prijzen, omdat Hij u terecht heeft geleid en opdat gij dankbaar zult zijn.

HQ 2:187
Het is u veroorloofd, om op de nacht van het vasten tot uw vrouwen in te gaan. Zij zijn een gewaad voor u en gij zijt haar een gewaad. Allah weet, dat gij onrechtvaardig hebt gehandeld tegenover uzelf en heeft Zich met barmhartigheid tot u gewend en u verlichting geschonken. Daarom moogt gij nu tot haar ingaan en betrachten, hetgeen Allah u heeft verordend; en eet en drinkt, totdat bij de dageraad de witte draad zich onderscheidt van de zwarte draad. Voltooit dan het vasten tot het vallen van de avond. En gaat niet tot haar in, terwijl gij in de Moskeeën Etikaaf houdt. Dit zijn de beperking van Allah – dus nadert deze niet. Zo zet Allah zijn geboden uiteen voor de mensen, opdat zij vroom zullen zijn.