Invitation to Jalsa in Berlin Germany

Dear brothers and sisters,
.

Assalamu alaikum.
.
Jalsa-i-Salaanah
 (Annual Convention) in Berlin, Germany
The General Secretary of the AAIIL has issued the following invitation:

.
The Central Anjuman has decided to hold Jalsa-i-Salaanah (Annual Conventions) in Europe on a regular basis. The inaugural Jalsa will, Insha Allah, be held in Berlin, Germany, from 15th to 17th September 2017. This will be a good opportunity for the members to get to know one another better and to discuss plans for the betterment of the Jama‘at and fulfilment of our mission.

Hazrat Ameer desires that maximum number of members from our branches all over the world should participate in it to make this momentous occasion a success.

Members intending to participate in this Jalsa are requested to inform us as early as possible so that appropriate arrangements can be made in time. As you are aware, the Anjuman does not have sufficient accommodation of its own in Berlin. The participants will, therefore, have to bear the expenses of the rented accommodation.

Imam of Berlin Mosque, Mr. Amir Aziz, has been designated as the convener/organiser of the Jalsa. Please get in touch with him directly under intimation to the Central Anjuman.

Please pray for the success of this historic initiative of your Jama‘at. May Allah shower His blessings on you.

As you are aware, the Berlin Mosque is making great strides in its efforts in promoting religious harmony in Germany. We encourage you, therefore, to take the opportunity to participate in this historic event.  

Imam Amir Aziz can be contacted at amirazizgs@gmail.com.


Allah Hafiz.

The HOPE Bulletin Team

Vrijdag-gebed preek (Khutbah)

Aanstaande vrijdag zal Imaam Abdoel Wahaab Muradin voor het vrijdag-gebed een preek (khutbah) houden over Taqwa (standvastigheid). U bent van harte welkom in Moskee 'As Sabr' aan het Oeverpad 300 in Amsterdam-West.
.
Spreektaal: Nederlands
Datum: Vrijdag 24-02-2017
Preek (Khutbah): 13:10 – 13:30 uur
Gezamenlijk gebed: 13:35 uur

Normen en waarden in de Islam

Wat is het doel van het geloof? Het doel van het geloof is dat de mens zich "fatsoenlijk" gedraagt en leeft. Het geloof geeft de mens een set van waarden en normen. De Koran is een leidraad, een richting om bij het doel te komen. De verplichtingen van een moslim zijn bedoeld om periodiek herinnerd te worden aan God, de medemens en de relativiteit van het leven. 

In een metafoor zou men het volgende kunnen stellen:
Het doel is om in Maastricht uit te komen. De Koran geeft de route, de corridor, aan. Binnen de corridor kan men manoeuvreren. Het gebed, de armenbelasting (zakaat), het vasten en de Haj zijn de vangrails die ervoor zorgen dat men niet teveel van de weg afraakt. Volg de route, rij op uw eigen helft, gebruik uw verstand, wees bewust waar u op weg naar toe bent en u zult een plezierige tocht hebben en goed aankomen.

De NORMEN EN WAARDEN IN DE ISLAM zijn hieronder samengevat en in het navolgende ondersteund met letterlijke Koran teksten en verwijzingen.

1. WAARHEIDLIEVENDHEID

2. OPRECHTHEID

3. ONBAATZUCHTIGHEID

4. NEDERIGHEID

5. GEDULD

6. VERGEVINGSGEZINDHEID

7. ZUIVERHEID EN SCHOONHEID

8. EERLIJKHEID

9. GOEDHEID EN VRIENDELIJKHEID

10. CONSIDERATIE MET EN RESPECT VOOR ANDEREN

11. BESCHEIDENHEID

 

1. WAARHEIDLIEVENDHEID

" O gelovigen, voldoe jullie plicht aan Allah, en spreek eerlijke woorden" (33:70)

" O gelovigen, voldoe jullie plicht aan Allah, en wees met de waarheidsgetrouwen" (9:19)

" O gelovigen, wees handhavers van het recht, getuigen voor Allah, zelfs als het tegen jullie zelf is of (jullie) ouders of naaste verwanten- of hij nu rijk is of arm" (4:135)
 

2. OPRECHTHEID

" Dien Allah en wees oprecht gehoorzaam aan hem" (39:2)

" Het is zeer verfoeilijk in de ogen van Allah dat jullie dingen zeggen die jullie niet doen" (61:3)

" Dus wee degenen die bidden, maar die hun gebeden niet in acht nemen ! Die goed om gezien te worden" (107:4-6)

3. ONBAATZUCHTIGHEID

Jullie zullen geen rechtschapenheid bereiken, tenzij jullie (uit liefdadigheid) weggeven uit wat jullie liefhebben" (3:92)

" En verleen geen gunsten uit winstbejag" (74:6)

4. NEDERIGHEID

" En de dienaren van de Erbarmer (Allah) zijn degenen die de aarde bewandelen in nederigheid" (25:63)

" En draai niet in minachting jouw gelaat van de mensen af, en ga je ook niet te buiten in het land" (31:18)

5. GEDULD

" En Allah heeft de geduldigen lief" (3:146)

" En breng goed nieuws aan de geduldigen, degenen die , wanneer tegenslag hen overvalt, zeggen: " Waarlijk behoren wij aan Allah, en tot hem zullen wij wederkeren" (2:155-156)

6. VERGEVINGSGEZINDHEID

" Vergeef (de mens) en vergeet (hun fouten). Zouden jullie niet graag willen, dat Allah jullie vergeeft? (24:22)

" (De plichtsgetrouwen zijn) degenen die (hun boosheid bedwingen en die mensen vergeven. En Allah heeft degenen die goed doen (aan anderen (lief)" (3:134)

7. ZUIVERHEID EN SCHOONHEID

" Hij die zich (lichamelijk en geestelijk) zuivert is zeker succesvol, en (hij die) de naam van zijn Heer gedenkt, en dan bidt" (87:14-15)

" En reinig jouw kleren, en ga onreinheid uit de weg" (74:4-5)

8. EERLIJKHEID

" En verteer niet onder valse voorwendsels jullie eigendom, en probeer je hiermee ook geen toegang te verschaffen tot de rechters, opdat jullie een deel van het eigendom van de mensen onrechtmatig zullen verteren, terwijl jullie dit weten" (2:188)

9. GOEDHEID EN VRIENDELIJKHEID

" Allah beveelt waarlijk rechtvaardigheid en dat wij goed doen (aan anderen) en dat wij geven aan verwanten" (16:90)

"Doe goed (aan anderen). Allah houdt immers van weldoeners" (2:195)

10. CONSIDERATIE MET EN RESPECT VOOR ANDEREN

" O gelovigen, ga geen andere huizen binnen dan jullie eigen huizen, totdat jullie toestemming hebben gevraagd en de bewonders hebben begroet…..en wanneer jullie wordt gezegd, Ga terug, gan dan terug" (24:27-28)

" En wanneer jullie worden begroet met een groet, groet dan terug met een betere, of beantwoord hem (op z'n minst met dezelfde termen)" (4:86)

11. BESCHEIDENHEID

" Eet en drink en wees niet spilziek" (7:13)

" En zorg ervoor dat je hand niet geketend is aan je nek (zodat je zuinig bent in je uitgaven), noch zal je hem strekken zover als je kunt (zodat je alles verspilt)" (17:29)


Presentatie ter gelegenheid van Ied Ul Fitr, December 2002

Openbaringen

AAIIA heeft een nieuwe film geproduceerd over het onderwerp 'openbaringen' gebaseerd op een lezing van Imaam Abdoel Wahaab Muradin.
.

Geplaatst in B&A

Afvalligheid

Het woord irtidad is van de vorm ifti’al en komt van radd, dat betekent: het terugkeren. Ridda en irtidad betekenen beide: het terugkeren tot de weg, vanwaar men gekomen is. Maar ridda wordt in het bijzonder gebruikt voor het teruggaan tot het ongeloof, terwijl irtidad zowel in deze betekenis als in andere betekenissen wordt gebruikt (R.). De persoon die van de islam tot het ongeloof terugkeert heet murtadd (afvallige). Er heerst over het onderwerp afvalligheid een even groot misverstand als het onderwerp jihad, want zowel onder de moslims als onder de niet-moslims heerst over het algemeen de gedachte dat de islam de afvalligheid met de dood straft. Indien de islam verbiedt iemand het leven te benemen op grond van zijn godsdienst – dit is het grondbeginsel van de islam – dan doet het niets aan de zaak af, of men tot het ongeloof vervalt na moslim te zijn geweest of niet. Voorzover het de heiligheid van het leven betreft, staan de ongelovige (kafir) en de afvallige (murtadd) daarom op één lijn.

De afvalligheid in de Heilige Koran
De Heilige Koran is de hoofdbron van de islamitische wetten en daarom zullen wij deze eerst behandelen. In de eerste plaats vermeldt de Heilige Koran nergens impliciet een murtadd. Irtidad is het uitspreken van ongeloof of het duidelijk loochenen van de islam en niet omdat een persoon die de islam belijdt en zijn mening uit of een handeling verricht die naar de mening van een geleerde of een rechtsgeleerde niet-islamitisch is. Uitschelden van een profeet of oneerbiedigheid tegenover de Heilige Koran wordt dikwijls tot een valse verontschuldiging gemaakt om een persoon als murtadd te behandelen, al verklaart hij ook in de krachtigste bewoordingen dat hij in de Heilige Koran en de Profeet gelooft. In de tweede plaats wordt het algemeen heersende gedachte dat de islam een afvallige ter dood veroordeelt door de Heilige Koran volstrekt niet gestaafd.

Heffeming begint zijn artikel over murtadd in de Encyclopaedia of Islam met de volgende woorden: “In de Heilige Koran wordt de afvallige met straf in het hiernamaals alleen bedreigd”. Er wordt in één van de laat Mekkaanse openbaringen melding gemaakt van irtidad:

“Hij die niet in Allah gelooft na zijn geloof, niet hij die gedwongen wordt, terwijl zijn hart in rust is vanwege het geloof, maar hij die zijn borst opent voor het ongeloof – op hen is de toorn van Allah en zij zullen een zware kastijding hebben” (H.K. 16:106).

De murtadd wordt hier duidelijk met straf in het hiernamaals bedreigd. In latere openbaringen toen de islamitische regering onmiddellijk na de aankomst van de Profeet in Medina gevestigd was, was er niet de minste verandering in deze houding. In één van de vroege Medinese openbaringen wordt melding gemaakt van afvalligheid in verband met de oorlog die de ongelovigen voerden om de moslims met kracht en geweld afvallig te maken.

“En zij zullen niet ophouden u te bestrijden, tot zij u van uw religie doen terugkeren, indien zij het kunnen; en wie uwer van zijn religie terugkeert (yartadda, van irtidad), dan sterft hij, terwijl hij een ongelovige is – dat zijn degenen, van wie de werken in deze wereld en in het hiernamaals niets waard zullen zijn en zij zijn de inwoners van het vuur: daarin zullen zij wonen” 184 (H.K. 2:217).

Indien een persoon afvallig wordt, zal hij dus wegens de slechte daden niet in dit leven, maar in het hiernamaals gestraft worden. De goede daden die hij verricht heeft toen hij nog een moslim was, worden van nul en generlei waarde, als gevolg van de slechte levenswijze die hij heeft aangenomen. Het derde hoofdstuk, dat in het derde jaar na de Hidjra werd geopenbaard, spreekt herhaaldelijk van mensen die tot het ongeloof vervielen nadat zij moslims waren geworden. Hierover is vaak melding gemaakt van hun bestraffing in het hiernamaals:

“Hoe zal Allah mensen leiden, die niet geloofden na hun geloof en nadat zij getuigd hadden, dat de Gezant waarachtig was” (H.K. 3:85);
“Hun vergelding is, dat op hen is de vloek van Allah” (H.K. 3:86);
– “Behalve degenen, die daarna berouw hebben en zich beteren” (H.K. 3:88);
“Degenen die niet geloven na hun geloof, dan in ongeloof toenemen, hun berouw zal niet worden aangenomen” (H.K. 3:89).

————————————————————————
184 In hun ijver om in de Heilige Koran een doodvonnis voor afvalligen te vinden, hebben sommige christelijke schrijvers niet geaarzeld een absoluut verkeerde vertaling te geven van het woord fa-yamut (dan sterft hij) in de zin van: dan wordt hij ter dood gebracht. Fa-yamut is de bedrijvende vorm en yamutu betekent: hij sterft. Het gebruik van dit woord toont duidelijk aan dat afvalligen niet ter dood worden gebracht. Sommige uitleggers hebben een verkeerde gevolgtrekking uit de woorden “wier werken … niets waard zullen zijn” afgeleid. Deze woorden betekenen niet, dat hij als een vogelvrij verklaarde behandeld zal worden. Met zijn “werken” worden de goede daden bedoeld, die hij als moslim heeft gedaan en deze zijn zelfs in dit leven inderdaad niets waard, als men naderhand het ongeloof en slechte gedragingen aanneemt. Goede werken zijn alleen nuttig, indien ze een persoon voortdurend tot betere dingen brengen en in hem het bewustzijn van een hoger leven ontwikkelen. Elders worden de daden van een volk als niets waard vermeld, wanneer zij uitsluitend voor dit leven werken en het hogere veronachtzamen: “Degenen, wier arbeid in het leven van deze wereld verloren is gegaan en zij denken, dat zij bedreven zijn in het handwerk. Dat zijn degenen, die niet in de mededelingen van hun Heer en Zijn ontmoeting geloven; zo worden hun werken nietig en daarom zullen Wij ten dage van de Opstanding geen weegschaal voor hen oprichten” (H.K. 18:104, 105). In dit geval betekent de habt van de werken van dit leven: het nutteloos zijn daarvan, wat het hogere leven betreft.

Het meest overtuigende bewijs dat de dood niet de straf voor afvalligheid was, is vervat in de plannen die de joden opvatten, terwijl zij onder de islamitische regering in Medina leefden:

“En een groep van de volgelingen van het Boek zegt: Belijdt geloof in datgene wat geopenbaard is tot degenen die geloven, in het eerste gedeelte van de dag, en gelooft niet op het einde daarvan” (H.K. 3:71).

Hoe zouden mensen die onder geen islamitische regering leefden, een dergelijk plan opgevat kunnen hebben, – de islam in diskrediet te brengen -, indien afvalligheid met de dood strafbaar was? De Ma’ida is één van de hoofdstukken, die tegen het einde van het leven van de Profeet werden geopenbaard en toch is de murtadd zelfs daar vrij van enige straf in dit leven: “O u, die gelooft! mocht één uwer van zijn religie terugkeren, dan zal Allah mensen brengen, die Hij zal liefhebben en die Hem zullen liefhebben” (H.K. 5:54). De Heilige Koran maakt geen melding van een doodvonnis voor afvalligen. Een dergelijke vonnis zou ook teniet gedaan worden door de verzen die van afvalligheid melding maken, zoals door de magna charta van de godsdienstvrijheid, het 256 e vers van het tweede hoofdstuk: La ikrana fi-l-din, dat wil zeggen, “Er is geen dwang in de religie”.

Hadith’s over afvalligheid
Laat ons nu de Hadith raadplegen, want op deze bron hebben de Fiqhboeken hun doodvonnis voor afvalligen gebaseerd. De woorden in bepaalde hadith’s hebben ongetwijfeld de weerspiegeling van een later tijdperk. Toch kunnen wij uit zorgvuldige studies concluderen dat afvalligheid niet strafbaar was, tenzij ze met andere omstandigheden gepaard ging die de bestraffing van de overtreders vereisten. Buchari, die ongetwijfeld de zorgvuldigste van alle Hadith-verzamelaars is, is duidelijk over dit punt. Hij heeft twee “boeken” die over de afvalligen handelen:

1. Kitab al-muharibin min ahl al-kufr wa-l-ridda ofwel “Het boek van degenen die (tegen de moslims) oorlog voeren onder de ongelovigen en de afvalligen”
2. Kitab istitaba al-mu’anidin wa-l-murtaddin wa qitalihim ofwel “Het boek van tot het berouw roepen van de vijanden en de afvalligen en het oorlog voeren tegen hen”.

Deze beide opschriften zeggen al genoeg. Het opschrift van het eerste boek toont duidelijk aan dat daarin slechts die afvalligen behandeld worden, die tegen de moslims oorlog voeren. Dat van het tweede verbindt de afvalligen met de vijanden van de islam. Dit is het kardinale punt van de hele zaak waaraan het misverstand toe te schrijven is, namelijk dat er een leer werd geformuleerd die in strijd is met de duidelijke leerstellingen van de Heilige Koran. In de tijd dat er tussen de moslims en de ongelovigen een oorlog aan de gang was, gebeurde het vaak dat een persoon die afvallig werd, tot de vijand overliep en met hem meestreed tegen de moslims. Hij werd als een vijand behandeld, niet omdat hij tot een andere godsdienst overgegaan was, maar omdat hij tot de andere partij was overgelopen. Er waren ook toen stammen die met de moslims niet in oorlog waren en indien een afvallige overliep, werd hij ongemoeid gelaten. Zulke personen worden in de Heilige Koran uitdrukkelijk vermeld:

“Behalve degenen die bij een volk komen, waarmee u een verbond heeft, of die tot u komen, hun harten belettende u te bestrijden, of hun eigen volk te bestrijden; en indien het Allah behaagd had, zou Hij hun macht over u gegeven hebben, opdat zij u zouden hebben bestreden; derhalve, indien zij zich terigtrekken en u niet bestrijden en u de vrede aanbieden, dan heeft Allah u geen weg tegen hen gegeven” (H.K. 4:90).

Het enige, in betrouwbare hadith’s vermelde geval van de bestraffing van afvalligen is die van een groep van de stam van 'Ukul, die de islam aannam en naar Medina ging, maar vond dat zij niet tegen het klimaat van de stad bestand was. Zo zond de Profeet hen naar een plaats buiten Medina, waar de melkgevende kamelen van de staat gehouden werden, zodat zij in de open lucht wonen en van de melk drinken konden. Het ging hun goed totdat zij de hoeder van de kamelen doodde en de dieren wegjoeg. Toen de Profeet daarvan op de hoogte werd gebracht, stuurde hij een groep mensen om hen te vervolgen en werden zij ter dood gebracht 185 (Bu. 56:152).

————————————————————————
185 Er wordt in sommige hadith's gezegd dat zij doodgemarteld werden. Als dit al ooit gebeurde, dan was het slechts als vergelding, omdat vergelding vóór de openbaring van de strafwetten van de islam de heersende regel was. In sommige overleveringen staat dat deze groep van de stam van 'Ukul de hoeder van de kamelen de ogen uitstak en hem op hete stenen wierp om hem een langzame marteldood te laten sterven en dat zij op een dergelijke manier ter dood gebracht werden (Ai. VII, pagina 58). Maar andere ontkennen dat de wet van de vergelding in dit geval toegepast werd. Volgens deze overleveringen zou de Profeet zich voorgenomen hebben, hen op dezelfde wijze dood te martelen als zij de hoeder van de kamelen ter dood hadden gebracht. Maar voordat het doodvonnis werd voltrokken, ontving hij de openbaring die over de bestraffing van zulke overtreders handelde: “De straf van degenen, die oorlog tegen Allah en Zijn Gezant voeren en er naar streven kwaad in het land te stichten, is slechts deze, dat zij gedood of gekruisigd zullen worden of dat hun handen en hun voeten afgehakt zullen worden aan de tegenovergestelde zijden of dat zij gevangen zullen worden gezet” (H.K. 5:33) (IDj-C. VI, pagina 121). De afvalligen worden hier dus vermeld als oorlog te voeren tegen God en Zijn Gezant. De straf wisselt al naar gelang de aard van het misdrijf; het kan zijn doodstraf of zelfs kruisiging, wanneer de schuldige verschrikking in het land heeft verspreid, of het kan slechts gevangenzetting zijn.

De overlevering is duidelijk over het punt dat zij niet vanwege hun afvalligheid ter dood gebracht werden, maar omdat zij de hoeder van de kamelen gedood hadden.

Grote nadruk wordt gelegd op een hadith, die zegt: “Wie zijn godsdienst verandert, doodt hem” (Bu. 88:2). Neemt men echter datgene in aanmerking wat Buchari zelf heeft aangeduid, als hij de afvalligen als strijders beschreef of als hij hun naam met die van de vijanden van de islam verbond, dan is het duidelijk dat slechts die geloofsverzakers bedoeld worden die met de vijanden van de islam heulen en tegen de moslims oorlog voeren. Slechts door de betekenis van de hadith aldus te beperken, kan ze met andere hadith’s of met de in de Heilige Koran neergelegde beginselen overeengebracht worden. Feitelijk zijn de woorden daarvan zo veelomvattend, dat ze iedere geloofsverandering, ieder overgaan van de ene tot enige andere godsdienst in zich opnemen; dus ook een niet-moslim die moslim wordt, of een jood die christen wordt, moet gedood worden. Het is duidelijk dat een dergelijke bewering niet aan de Profeet toegeschreven kan worden. Daarom kan men de hadith niet aannemen, zonder haar betekenis te beperken.

Een andere hadith met betrekking tot hetzelfde onderwerp, gaat nog dieper in op de betekenis van wat hierboven is aangehaald. Er wordt in deze hadith gezegd dat men een moslim slechts in drie gevallen het leven kan benemen. Eén daarvan is: “Hij verzaakt zijn religie en scheidt zich af (altarik) van zijn gemeenschap (li-l-djama’a)” (Bu. 87:6). Volgens een andere redactie luidt ze: “die zijn gemeenschap verlaat (al-mufariq)“. Het zich afscheiden of het verlaten van de gemeenschap, dat hier als een noodzakelijke voorwaarde wordt bijgevoegd, betekent blijkbaar, dat de persoon de moslims verlaat en naar het vijandelijke kamp overloopt. De woorden van de hadith tonen dus aan dat ze betrekking heeft op een oorlogstijd. De afvallige verbeurde zijn leven niet wegens geloofsverandering, maar wegens desertie.

Een voorbeeld van een geloofsverandering komt ook in Buchari voor. “Een Arabier van de woestijn kwam tot Allah's Gezant en nam de islam uit zijn hand aan. Deze Arabier kreeg de volgende dag een koortsaanval, terwijl hij nog in Medina was en kwam bij Allah's Gezant en zei: O Allah's Gezant! geef mij mijn gelofte terug. – Allah's Gezant weigerde. Toen kwam hij weer en zei: Geef mij mijn gelofte terug. – En de Profeet weigerde. Toen kwam hij weer en zei: Geef mij mijn gelofte terug. – De Profeet weigerde weer en de Arabier vertrok” (Bu. 93:48). Deze hadith toont aan dat de man eerst de islam aannam en toen hij de volgende dag koorts kreeg, dacht hij dat het kwam doordat hij moslim was geworden en vroeg de Profeet zijn gelofte in te trekken. Dit was een duidelijk geval van afvalligheid, en toch wordt er nergens verhaald, dat men hem doodde. Integendeel, de hadith zegt, dat hij ongehinderd wegging.

Nog een voorbeeld van een geloofsverandering is die van een christen die moslim werd, toen afvallig werd en tot het christendom overging. Toch werd hij niet ter dood gebracht:

“Anas zegt, dat er een christen was die moslim werd en de Baqara en de Ali ‘Imran (het tweede en derde hoofdstuk van de Heilige Koran) las, en hij trachtte (de Heilige Koran) voor de Profeet te schrijven. Toen ging hij tot het christendom over en hij zei: Mohammed weet niets, behalve wat ik voor hem geschreven heb. – Toen deed Allah hem sterven en zij begroeven hem” (Bu. 61:25).

De hadith zegt verder hoe zijn lichaam door de aarde werd uitgeworpen. Dit was blijkbaar te Medina, na de openbaring van het tweede en derde hoofdstuk van de Heilige Koran, toen er een goed gevestigde islamitische staat was. En toch werd de persoon die afvallig werd, zelfs geen overlast aangedaan, hoewel hij over de Profeet in bewoordingen sprak, die hem buitengewoon veel afbreuk deden, en hem uitgaf voor een bedrieger, die niets wist behalve wat hij (de afvallige) voor hem had geschreven.

Wij hebben al aangetoond dat de Heilige Koran melding maakt van afvalligen die zich bij een stam aansloten, die op vriendschappelijke voet met de moslims leefde en van anderen die zich geheel en al van de oorlog terugtrokken, terwijl zij voor de moslims noch voor hun vijanden partij kozen, en dat hij zegt, dat zij met rust moesten worden gelaten (H.K. 4:90). Al deze gevallen tonen duidelijk aan, dat de hadith's betreffende het doden van geloofsverzakers alleen voor diegenen golden, die tegen de moslims oorlog voerden.

Afvalligheid en de Fiqh
Raadplegen wij de Fiqh, dan zien wij dat de juristen eerst een beginsel vaststellen, die lijnrecht in strijd is met de Heilige Koran, namelijk dat men een persoon het leven kan benemen vanwege zijn afvalligheid. Zo staat er in de Hidaya: “De murtadd (afvallige) zal de islam aangeboden krijgen, ongeacht het feit of hij een vrije man of slaaf is. Indien hij weigert, dan moet hij gedood worden” (H. I, pagina 576). Maar dit beginsel wordt direct daarop tegengesproken, als de afvallige genoemd wordt “een in oorlog zijnde ongelovige (kafir-un harabiyy-un), tot wie de nodiging tot de islam reeds gekomen is” (H. I, pagina 577). Dit toont aan dat de afvallige ook in de Fiqh zijn leven verbeurt, omdat hij als een met de moslims in oorlog zijnde vijand beschouwd wordt. Voor een geloofsverzaakster is de regel vastgesteld dat zij niet ter dood gebracht zal worden, waarvoor het vastgesteld dat zij niet ter dood gebracht zal worden, waarvoor het volgende argument wordt gegeven:

“Onze reden daarvoor is dat de Profeet het doden van vrouwen verbood en omdat vergeldingen (van het geloof of het ongeloof) oorspronkelijk tot het latere verblijf worden uitgesteld doordat het verhaasten er van (in dit leven) wanorde brengt en een afwijking van dit (beginsel) alleen toegestaan is wegens een onmiddellijk onheil, en dat is hirab (oorlog), en dit kan van de vrouwen niet verwacht worden, wegens de ongeschiktheid van hun gestel” (H. I, pagina 577).

De annotateur voegt hieraan toe: “Het doden wegens afvalligheid is verplicht, om het onheil van de oorlog te voorkomen en het is geen straf voor de daad van het ongeloof” (ibid). En verder: “Want enkel ongeloof wettigt het doden van een persoon niet” (ibid). Opgemerkt wordt dat de rechtsgeleerden, evenals in het geval van de oorlog tegen de ongelovigen, in dwaling verkeren en dat er duidelijk een strijd gaande is tussen de beginselen, zoals ze in de Heilige Koran zijn vastgesteld en de misvattingen die, hoe dan ook, in de geest van de rechtsgeleerden zijn binnengedrongen. Het is duidelijk vastgesteld dat de afvallige niet vanwege zijn ongeloof gedood wordt, maar wegens hirab of zijn verkeren in staat van oorlog. Het argument wordt duidelijk gegeven dat het doden vanwege ongeloof in strijd is met de aangenomen beginselen van de islam.

Maar de misvatting is dat de geschiktheid om oorlog te voeren als een oorlogsvoorwaarde wordt beschouwd, wat zeer onlogisch is. Wanneer bedoeld wordt dat de afvallige het vermogen bezit om oorlog te voeren, dan kan zelfs een kind potentieel een harabiyy (een in oorlog zijnde persoon) genoemd worden, omdat hij tot een man zal opgroeien en geschikt zal zijn om oorlog te voeren. Zelfs geloofsverzaaksters kunnen niet uitgezonderd worden, omdat zij ook het vermogen bezitten om oorlog te voeren. De wet van de bestraffing berust niet op vermogens, maar op feiten. Ook de Fiqh erkent dus het beginsel dat men een persoon het leven niet kan benemen vanwege een geloofsverandering en dat de afvallige niet gedood kan worden, tenzij hij in staat van oorlog is. Dat de rechtsgeleerden een vergissing hebben begaan bij het omschrijven van een hirab of een staat van oorlog, is een heel andere zaak.

Belang van het geloof in het hiernamaals

De Heilige Koran kent aan het geloof in het leven na de dood een waarde toe, dat onmiddellijk onder dat van het geloof in God alleen valt. Alle artikelen van het geloof worden heel vaak samengevat als gelijk te staan met geloof in God en het leven na de dood:  

“En er zijn mensen, die zeggen: Wij geloven in Allah en in de jongste dag; – en zij zijn helemaal geen gelovigen” (H.K.2:8); 
“Al wie in Allah en de jongste dag gelooft en goed doet – zij zullen hun beloning van hun Heer hebben” (H.K.2:62). 

 Het openingshoofdstuk van de Heilige Koran, de Fatiha, wordt niet alleen als de kwintessens van de Heilige Koran beschouwd, maar is inderdaad ook het hoofdstuk dat de grootste rol speelt bij het scheppen van een echte islamitische geestesgesteldheid, want de moslim moet het iedere dag in zijn vijf dagelijkse gebeden meer dan dertig keer reciteren. Er wordt in dat hoofdstuk over God gesproken als “Meester van de Dag van de Vergelding” en zo wordt de moslim voortdurend aan de gedachte herinnerd, dat elke daad vergolden zal worden. Deze voortdurende herhaling van de gedachte aan een vergelding van daden prent de geest ongetwijfeld de realiteit in van een leven na de dood, wanneer elke daad haar volle beloning zal vinden. De reden, waarom aan een leven na de dood zo'n grote waarde wordt toegekend, is duidelijk. Hoe groter het geloof aan de goede of slechte gevolgen van een daad is, des te groter wordt de prikkel die de mens tot die daad opwekt of er van weerhoudt. Nu betekent geloof in een leven na de dood, dat elke daad, hoe heimelijk ze ook verricht wordt, vruchten moet afwerpen met als gevolg dat dit geloof zowel de grootste prikkel tot goede en edele daden, als de grootste beteugeling van slechte of onverantwoordelijke daden is. Door een geloof in een leven na de dood wordt dus een diep bewustzijn van de gevolgen van een daad in het leven geroepen, gevolgen die zelfs na de dood moeten komen. Maar meer dan dat zuivert zulk een geloof de motieven, waaruit een daad wordt verricht. Het doet de mens uit het meest onbaatzuchtige motief werken, want hij zoekt geen beloning voor wat hij doet. Hij werkt voor hogere en edelere doeleinden met betrekking tot het leven aan de andere zijde van het graf.

Verband tussen beide levens

De Heilige Koran spreekt over het leven na de dood, als een nieuwe wereld van vooruitgang dat voor de mens wordt geopend, waarbij die van dit leven in het niet verdwijnt, maar toont ook aan dat de grondslag van dat leven wordt gelegd in dit leven van ons op aarde. Het leven in het hiernamaals is geen mysterie aan de andere zijde van het graf; het begint in dit leven. Reeds hier begint voor de goeden het hemelse leven en voor de slechten een leven in de hel, hoewel de beperkingen van dit leven niet gedogen, dat de meeste zich dat andere leven realiseren: “Voorzeker waart gij daaromtrent achteloos, maar nu hebben Wij uw sluier van u afgenomen,  derhalve is uw gezicht heden scherp” (H.K. 50:22). Dit toont aan, dat het  geestelijke leven, dat hier ten gevolge van de stoffelijke beperkingen voor  het menselijk oog verborgen is, bij de Opstanding duidelijk zal worden. Want de menselijke waarneming zal dan helderder zijn, omdat de sluier van stoffelijke beperkingen verwijderd zal zijn. De Heilige Koran spreekt duidelijk van twee paradijzen voor de rechtschapenen en twee kastijdingen voor de slechten en op even duidelijke wijze van een hemelse leven en een leven in de hel, elk hier op aarde beginnende:

– “En voor hem, die vreest voor zijn Heer te staan, zijn twee tuinen” (H.K. 55:46).

– “O ziel, die in rust is! keer tot uw Heer terug, tevreden met Hem, Hem welgevallig; treedt derhalve onder Mijn dienaren binnen en treedt Mijn Paradijs binnen” (H.K. 89:27,30).

– “Neen! Indien u met een zekere kennis geweten had, zou u zekerlijk de hel hebben gezien” (H.K. 102:5, 6).

– “Het is het vuur, dat door Allah is ontstoken, dat boven de harten opstijgt” (H.K. 104:6, 7).

– “En wie in dit leven blind is, zal in het hiernamaals ook blind zijn” (H.K. 17:72).

– “Zulks is de kastijding en de kastijding van het hiernamaals is zeker groter, wisten zij het maar!” (H.K. 68:33). 

Bovenstaande stuk tekst is afkomstig uit het boek ´De Religie van de Islam´ van Maulana Muhammad Ali. Het boek is online beschikbaar in onze bibliotheek.

Het leven van de Profeet Mohammed (vzmh)

Mohammed, de boodschapper van Allah, aanschouwde het levenslicht op 12 april 570 volgens de christelijke jaartelling te Mekka. Zijn vader Abdoellah genaamd was reeds voor de geboorte van Mohammed overleden en zijn moeder Aminah eveneens toen hij zes jaar oud was.

De familie van de profeet, Banoe Hasjim, behoorde tot de stam Qoeraisj en genoot een groot aanzien. Daarom werd aan Abdoel Moettalib, de grootvader van de Profeet de bewaking van de Ka’bah toevertrouwd.


De jeugd van Mohammed
Eerst werd Mohammed (vrede Gods ruste op hem) door zijn grootvader grootgebracht en na diens dood nam de oom van de Profeet hem onder zijn hoede. Aboe Talib hield veel van Mohammed en hoewel hij zelf veel kinderen had, verloor hij zijn kleine neef nooit uit het oog. Als hij lang op reis moest, nam hij altijd zijn neef mee. Dit is ook de reden, dat Mohammed enkele reizen maakte naar Syrië. Er zijn totaal 3 reizen naar Syrië bekend: een toen Mohammed slechts 9 jaar oud was, de tweede toen hij ongeveer de 12 jarige leeftijd had bereikt en de laatste toen hij 25 jaar oud was in de dienst van een rijke weduwe, Chadidjah, als leider van de handelskaravaan.

Met groot succes leidde hij de karavaan. Door zijn kundigheid, eerlijkheid en zijn goede behandeling van zijn ondergeschikten werd hij geprezen door de bewoners van Mekka.

Chadidjah, die 15 jaar ouder was dan Mohammed, kwam zo onder de indruk, dat zij graag met hem wilde trouwen. Mohammed toonde zijn genegenheid en trouwde met Chadidjah terwijl deze 40 jaar oud was en hij slechts 25 jaar.

Mohammed de betrouwbare en de waarheidlievende Mohammed was reeds bekend onder het volk als de betrouwbare en de waarheidlievende (al- amien en as-siddieq). Van nature was hij afkerig van de afgodendienst en hij heeft zich nooit voor een afgodsbeeld gebogen.

Mohammed geloofde in de Schepper der hemelen en aarde. Hij stelde alles in het werk om Hem te zoeken en zich met Hem te verenigen. Dit deed hij door bidden en vasten. Langzamerhand voelde hij zich getrokken naar het hogere. Het begon hoe langer hoe duidelijker te worden, zodat zijn geloof veranderde in zekerheid.

Nu was het voor hem geen tasten meer in de duisternis, want hij had het goddelijke licht met de ogen van zijn hart als werkelijkheid beleefd. Hij kreeg nu en dan visioenen en openbaringen, die voor hem de weg openden, welke hem dichterbij zijn Schepper zou voeren. Hierop duidt het hoofdstuk 93 van de Koran dat luidt:

„Vond Hij u niet als wees en beschermde Hij U; en vond Hij U niet zoekende en leidde Hij u?"

 

De eerste openbaring
Voordat hij de eerste openbaring van de Koran ontving, zonderde hij zich dagen lang in een nabij gelegen grot, Hira, af. Hier ontving hij de eerste woorden van de Koran.

„Lees" hoorde hij zeggen. Hij antwoordde „Ik lees niet". Toen werd hij door een wezen omhuld en hoorde opnieuw: „lees", maar de profeet antwoordde weer „Ik wil niet lezen". De derde keer hoorde hij de stem klinken: „Lees in de naam van uw Heer, de Schepper". Nu was hem duidelijk geworden, dat deze woorden geen weerklank waren van zijn eigen verlangen en begon hij de woorden van het ongeziene te herhalen. Deze eerste boodschap luidde aldus:

„Verkondig in de naam van uw Heer, de Schepper, Die de mens uit geronnen bloed schiep. Verkondig, want uw Heer is het meest eerbiedwaardig . . . Koran 96.

 

De bekendmaking van de boodschap
Volgens het goddelijke bevel maakte Mohammed bekend, dat hij ermee belast was de mensheid tot God te roepen. Zijn boodschap hield in, dat men slechts in één enige God moest geloven en zich niet moest buigen voor gesneden beelden in welke vorm ook. Men moet zijn Schepper zoeken en alleen Hem aanbidden. De rijken moeten de minderbedeelden helpen; de wees moet men grootbrengen en de weduwen ter zijde staan in het vervullen van de taak, die op haar schouders rust.

Toen men deze boodschap hoorde, was de reactie van uiteenlopende aard: Sommigen dachten, dat Mohammed krankzinnig was geworden; anderen waren van mening dat hij begonnen was te liegen om hierdoor materiële welstand te bereiken. Maar zij, die hem van nabij kenden accepteerden zonder aarzeling zijn boodschap. Van krankzinnigheid konden zij hem niet beschuldigen, want een krankzinnige gedraagt zich geheel anders dan Mohammed dit deed. Hij was veel te eerlijk en te waarheidlievend om hem voor leugenaar uit te maken.

Zijn beste vriend Aboe Bakr, was op reis toen Mohammed zijn missie bekendmaakte. Toen Aboe Bakr terugkeerde werd hem door een slavin medegedeeld, dat zijn vriend Mohammed krankzinnig zou zijn geworden. Op zijn vraag vertelde die slavin, dat Mohammed begonnen was te zeggen, dat hij door God als boodschapper was aangesteld en dat men alleen in één God moet geloven en ophouden zich voor de afgodsbeelden te buigen. „Heel Mekka praat erover en de stamhoofden zijn woedend."

Aboe Bakr ging direct naar Mohammed en toen hij binnen werd gelaten vroeg hij aan Mohammed: „Hebt U verklaard, dat God U als boodschapper heeft aan- gesteld?" De Profeet wilde hiervan een uitleg geven, maar Aboe Bakr weigerde verdere uiteenzetting. Daarop antwoordde de profeet „Ja". Aboe Bakr beantwoord- de deze bevestiging door te getuigen: „Ik getuig dat er geen God is dan Allah en ik getuig, dat Mohammed Allah’s dienaar en Zijn Boodschapper is."

Deze spontane getuigenis van Aboe Bakr toont aan wat voor geloof deze in Mohammed had. Een getuigenis van hen die iemand van nabij hebben leren kennen, legt een groot gewicht in de schaal.

 

De eerste algemene verkondiging van de Boodschap
Hoewel men overal over de boodschap van Mohammed praatte, stond men er toch onverschillig tegenover. Het was daarom nodig om de boodschap op een grotere basis aan de bewoners van Mekka door te geven. Op een gegeven dag riep Mohammed de bewoners van Mekka bij zich van de top van een heuvel, zoals men dit voor een belangrijke zaak placht te doen. Na enkele ogenblikken kwamen de Mekkanen in scharen naar hem toe. De stamhoofden vroegen Mohammed wat hij te berichten had. Hij stelde een tegen- vraag: „Indien ik u zou mededelen, dat zich achter deze heuvel een machtig leger zou verscholen houden om op een gegeven ogenblik Mekka binnen te vallen, zult u mij geloven?"

De vooraanstaande lieden antwoordden eenstemmig: „Ja, want wij hebben nooit en te nimmer een leugenachtig woord van u vernomen en indien wij het leger niet zouden zien, zouden wij zeggen, dat onze ogen ons bedrogen." Dit antwoord toont duidelijk aan, dat de bewoners van Mekka bereid waren om het onmogelijke te geloven dan Mohammed van leugens te beschuldigen. Toen zei Moham- med, ik heb u samengeroepen om u mee te delen, dat er één enige God bestaat en dat ik de Boodschapper van Allah ben."

Toen zij dit hoorden, gingen zij de Profeet uitschelden en zeiden:

„Hiervoor hebt u ons laten komen."

De menigte ging uiteen met uiteenlopende meningen. Sommigen zeiden, dat zij met een krankzinnige te maken hadden en anderen beschuldigden de Profeet van leugens. Er waren ook, die ernstig over deze zaak gingen nadenken.Langzamerhand begon de boodschap van de Islam zich te verspreiden. Het gevolg was, dat men overal over Mohammed en zijn leer ging praten.

Onder de eerste gelovigen bevonden zich vrouwen, jongelui, slaven en enkelen, die onder het volk wat aanzien genoten. De stamhoofden, die tot dusver onverschilligheid hadden getoond, begonnen onrustig te worden. Zij zouden hun afgoden helpen, door de boodschap van de Islam tegen te houden. Het plan, dat zij hiervoor beraamden was de vervolging der gelovigen. Zij dachten daardoor de massa bang te maken en zodoende Mohammed tegen te werken.

Er werden allerlei wreedheden toegestaan, die wij niet eens kunnen vermelden. Maar zoals immer, kon men door deze handelwijze de boodschap van de Islam niet teniet doen. Integendeel hebben deze vervolgingen er veel toe bijgedragen, dat de Islam in een zeer korte tijd een weergaloos succes heeft behaald.

In enkele jaren groeide de gemeenschap aanzienlijk en daarbij voegden zich dappere en aanzienlijke lieden.

De wreedheden, die tegen de gelovigen werden gepleegd, waren van dien aard, dat de moslims niettegenstaande hun kleine aantal, zelfverdedigingsmaatregelen wilden treffen. Maar zij werden telkens weer door de Profeet vermaand:

„Hebt geduld, voorwaar Allah is met de geduldigen. Voorwaar na ongemak komt gemak, voorzeker na ongemak komt gemak."

De Profeet ontving steeds nieuwe openbaringen waarin de gelovigen werd bevolen op generlei wijze gebruik te maken van geweld. Zij moesten zelfs de ongelovigen vergeven:

„Zeg tegen de gelovigen, dat zij diegenen moeten vergeven, die niet in de ontmoeting met hun God geloven." 45 : 15.

 

Hidjrah
13 jaren waren voorbijgegaan, maar de wreedheden van de kant van de bewoners van Mekka namen niet af. Het werd met de dag erger. De moslims kregen toestemming hun stad te verlaten en hun toevlucht te zoeken in Madina. Alle moslims verlieten langzamerhand hun geboortestad Mekka. De Profeet van God bleef met enkele moslims achter. De ongelovigen hadden een plan gesmeed om de Profeet op een nacht te doden. De nacht, die zij hiervoor bepaald hadden, verliet de Profeet zijn huis terwijl zij het huis omsingelden. Met Aboe Bakr kwam Mohammed de stad uit en zij verscholen zich in een grot op een berg. Na drie dagen zetten zij hun reis door naar Madina, waar zij door de gelovigen met vreugde werden ontvangen.

Hoewel de bewoners van Mekka geen last meer hadden van de Profeet, wilden zij toch de gelovigen niet met rust laten. Herhaaldelijk strekten zij hun rooftochten uit tot Madina. De moslims kregen toestemming om zich te verdedigen. Daar de ongelovigen de Moslims steeds vervolgden, werd het hen toegestaan om zich te verdedigen. Deze verzen luiden aldus:

„Toestemming om te vechten is gegeven aan hen, tegen wie gevochten wordt, omdat hen onrecht wordt aangedaan, Voorze- ker Allah heeft de macht dezen bij te staan. Want zij werden ten onrechte uit hun huizen verdreven alleen omdat zij zeiden „Onze Heer is Allah." En indien Allah sommigen niet met behulp van anderen tegenhield, zouden ongetwijfeld, kloosters, kerken, synagogen en moskeeën, waarin Allah’s naam wordt herdacht, afgebroken zijn." 22 : 35.

Het doel van de oorlogen was niet anders dan de rust te herstellen en geloofsvrijheid te waarborgen. Wij lezen hierover als volgt:

„Zeg tot de ongelovigen, indien zij ophouden (u te vervolgen), zal hen vergeven worden wat reeds gebeurd is en indien zij weer beginnen voorwaar, dan is er alreeds het voorbeeld van vroegere volken."

„En bestrijdt hen totdat er geen vervolging meer is en de godsdienst geheel voor Allah wordt" 8:39.


De moslims moesten elk ogenblik bereid zijn om met de tegenstanders vrede te sluiten:

„Indien zij vrede wensen, doe dit alzo; maar indien u vreest, dat zij u zullen bedriegen weest dan er zeker van, dat Allah uw beschermer is."

Gedurende de acht jaren van zijn verblijf in Madina moest de Profeet herhaaldelijk onder uiterst ongunstige omstandigheden tegen de ongelovigen strijden. In het 5de jaar na hidjrah, werd Madina door tienduizend tegenstanders omsingeld. In het jaar 8 werd een vredesverdrag gesloten met de Mekkaners dat echter niet lang heeft geduurd. Tijdens dit verdrag kon de Profeet zijn aandacht besteden aan zijn gemeenschap. Gedurende deze twee jaren van vrede heeft de Islam grote successen geboekt. In het jaar 10 na de hidjrah, kwam Mekka zonder bloedvergieten in de handen van de Moslims. Het jaar daarop verrichtte de Profeet zijn laatste bedevaart en er waren honderdduizenden, die naar zijn laatste woorden luisterden.

 

Succes van de Profeet
Op 63-jarige leeftijd nam God de Profeet tot zich. De 23 jaren van de missie van de Profeet werden met ongeëvenaard succes bekroond. Onder zijn leiding was reeds een gemeenschap gevormd, die zijn werk zou kunnen voortzetten. Het geheim van het succes van de Profeet lag niet in uiterlijke macht, want er waren veel sterkere machten aanwezig dan die van de Moslims, wat aantal en uitrusting betrof. Het geheim van zijn overwinning lag in het feit, dat er geen tegenstelling was tussen het woord en de praktijk van de Profeet. De Profeet wordt ook in de Heilige Koran tot voorbeeld gesteld aan de gelovigen:

„Voorzeker, de boodschapper van Allah dient als het beste voorbeeld voor u." 33 : 22.

Dit is ook de reden, dat elk woord en elke daad van de Profeet een leiddraad werd voor de gelovigen. Het is ook het verschil tussen een boodschapper van God en een wereldse leraar. Een filosoof bijvoorbeeld geeft ideeën aan de wereld maar geen voorbeeld; een dichter eveneens; een politicus geeft ook geen voorbeeld. En niemand verwacht, dat zulke lieden de mens zouden helpen door hun woord en daad tegelijk.

 

Het Voorbeeld van de Profeet
Na de korte uiteenzetting van de levensloop van de Heilige Profeet van de Islam, wil ik graag enkele kenmerkende eigenschappen van de Profeet in het kort behandelen. Wat Mohammed in het begin van zijn optreden was, dat is hij gebleven tot zijn laatste adem toe. De veranderde omstandigheden konden hem op generlei wijze ongunstig beïnvloeden. Of hij nu als een onvermogend man door de straten van Mekka liep, of als een machtige persoonlijkheid, hij bleef een en dezelfde persoon. Hij heeft rijkdom en armoede gekend, doch heeft hij het wereldse niet lief gehad? Zijn vergevingsgezindheid en waarheidsliefde bleven ongeëvenaard. Zelfs zijn bittere vijanden konden dit niet verborgen houden.

 

Zijn kenmerkende eigenschappen

1. Vertrouwen op God
Toen de vijandschap op zijn hoogste punt was, kwam het bevel van God om de boodschap kenbaar te maken en de Profeet nam direct maatregelen om dit te doen. Hij nodigde de stamhoofden bij zich uit en predikte het woord van God. Toen de mensen dit niet wilden horen, ging hij naar andere steden om aldaar de Boodschap te verkondigen. Hij ontmoette heftige tegenstand, doch ging door met het bekendmaken van Gods woord. De stamhoofden van Mekka waren plannen aan het beramen om de profeet te doden, maar hij stuurde zijn volgelingen vooruit naar Madina en bleef zelf alleen met een paar van zijn vrienden achter. Hij had vertrouwen in het woord van God, dat hem troostte: „God zal u tegen de mensen beschermen."

Nadat de Profeet Mekka had verlaten en zich in een grot had verscholen, werd hij door de vijand achtervolgd. De vijand stond voor de ingang van de grot. Aboe Bakr werd angstig, waarop de Profeet zei:

„Wees niet bang, Allah is met ons."

Op een keer stond hij alleen voor de vijandelijke linie, terwijl zijn volgelingen met uitzondering van enkelen, wegens een onverwachte aanval van de vijand het veld hadden geruimd. Toen de Profeet zich in deze moeilijke situatie geplaatst zag, deed hij geen poging om te ontvluchten. Integendeel, hij riep uit:

„Ongetwijfeld ben ik de profeet van God en ik ben de kleinzoon van Abdoel-Moettalib."

Hiermede wilde de profeet zijn tegenpartij aantonen, dat hij standvastig bleef hoewel zijn volgelingen waren weggelopen. De verantwoording rustte op zijn schouders en niet op die van zijn volgelingen.

2. Gebed

Het gebed was de tweede natuur van de Profeet geworden. Het was voor hem geestelijk voedsel zonder welke de geest niet levend kan blijven. Het was voor hem een moment waarop hij zich geheel en al met God verenigd voelde. Het gebed wordt daarom Mi- raadj-oel-Moeninien genoemd. Miraadj betekent het middel, dat de mens omhoog brengt, omhoog naar God onder de moeilijkste omstandigheden heeft hij door zijn voorbeeld geleerd, hoe men dient te bidden. Hij leerde de gelovigen vijfmaal daags bidden, maar hij voegde er enkele voor zichzelf aan toe. Hij leerde ons vasten gedurende een maand, maar hij vastte om de dag, om zijn dank te betuigen aan zijn Schepper.

3. Eerbied voor de mens

Hij beschouwde alle mensen gelijk en maakte er geen onderscheid. Zijn dochter verzocht hem om een bediende, maar de Profeet zei: Het is beter, dat jij zelf werkt, dan dat je een ander in je plaats laat werken.

4. Vredelievendheid
De Heilige Profeet was buiten- gewoon vredelievend. Indien de tegenpartij vrede wilde sluiten, legde hij de wapenen direct neer, zelfs onder ongunstige voorwaarden. Het vredesverdrag van Hoedaibijja is een schitterend voor- beeld hiervan. Onder andere stond hierin de volgende voorwaarde: Indien een ongelovige, moslim zou worden en zich bij de Islam aan zou sluiten, dan moest men hem tegen zijn wil terugzenden. Maar indien een moslim zich bij de Mekkaners zou aansluiten, dan mocht men hem niet aan de moslims uitleveren. Deze voorwaarden waren geenszins redelijk voor de moslims, doch de Profeet gaf de voorkeur aan de vrede.

5. Vergevingsgezindheid van de Profeet Als men in zijn machteloosheid zijn kwaaddoeners zou vergeven, kan men dit als onmacht beschouwen. Maar als iemand na allerlei vervolgingen te hebben ondergaan, gelegenheid krijgt om de boosdoeners met gelijke munt te betalen, maar men doet dit niet, dan kan er geen twijfel bestaan over zijn vergevensgezindheid. De Profeet van de Islam heeft veel geleden toen hij in Mekka was; hoewel hij geen haatgevoel tegen zijn vijanden droeg, kon men toch zeggen, dat zijn vergevensgezindheid misschien op machteloosheid berustte. Maar zijn medeburgers, hoewel hem niet goedgezind, wisten toch dat Mohammed op een hoger peil van geestelijke ontwikkeling stond. Dit is ook de reden, dat toen de bewoners van Mekka, die op allerlei wijze het leven van de Profeet moeilijk maakten, machteloos tegenover Mohammed stonden, op zijn vraag, „Wat verwacht u ?" antwoordden: „Wij rekenen op uw vergevensgezindheid als de broeders van Jozef".

De Heilige Profeet riep uit: „Gaat heen in vrede, ik heb niets tegen u."

Deze grootmoedigheid van de Profeet werd het bewijs voor zijn goddelijke zending. Want de vijand op dergelijke wijze zonder voorbehoud vergeven, kan alleen door hem gebeuren, die geen haat draagt voor zijn tegenpartij en voor wie alle mensen gelijk zijn. Velen onder de aanwezigen verklaarden spontaan hun geloof in één God en zeiden: Er is geen God dan Allah en Mohammed is Zijn gezant. Mohammed’s optreden was noch voor persoonlijke eer, noch in eigen belang om hierdoor te verrijken. Alles was om God’s eenheid op aarde te verkondigen. Hij bleef eenvoudig, hoewel zijn volgelingen hem als een koning wilden zien, maar hij keurde alle plannen af, die daarop doelden. Hij had geen rijkdommen verzameld, maar alles wat hij achterliet behoorde aan het volk. Hij zei:

Wij, profeten erven niet, noch erft men van ons. Alles wat wij achterlaten behoort aan het volk.

Zijn voorbeeld is een les voor de staatshoofden, die zich door hun positie verrijken. Een waar hoofd is hij, die tot het volk behoort, en het volk tot hem. Een zeer machtig stamhoofd van Arabië kwam naar Madina en wilde met de Profeet een verdrag sluiten. Hij bood aan, dat hij met zijn gehele stam de Profeet zou aanvaarden mits de Profeet hem zou beloven een testament te maken, dat hij de Profeet zou opvolgen. Een opportunist zou van dit aanbod wel gebruik hebben gemaakt in de mening dat zijn volgelingen toch over de opvolging hadden te beslissen. Een wereldse heerser zou er ook profijt van hebben getrokken. Maar de Heilige Profeet verwierp zonder aarzeling zijn aanbod en zei:

„Indien iemand voor zijn Islam een dadelpit zou vragen zou ik dit ook niet accepteren."

6. Het vertrouwen in de Koran als Gods woord
Even voor zijn overlijden, wilde de Profeet een testament maken, teneinde de gemeenschap naar zijn inzicht, een blijvende leidraad achter te laten. Men weet niet precies wat de bedoeling van de Profeet geweest is. Maar toen hij de toestand van de Profeet zag, zei ‘Oemar:

„Gods boek is genoeg voor ons".

Toen de Profeet van God deze woorden hoorde, werd hij verheugd en voelde geen behoefte meer om een testament te schrijven. Misschien wou de Profeet juist dezelfde woorden laten neerschrijven, dat men voor alle moeilijkheden de Koran als wegwijzer moest beschouwen. Het betekende ook een grote verlichting voor de Profeet, dat zijn volgelingen hetzelfde vertrouwen hadden in het woord van God, als hijzelf.  Zijn tijd was nu gekomen om deze wereld te verlaten en dat deed hij terwijl de volgende woorden op zijn lippen waren:

Allahoemma birrafieqil-ala.
„Ik geef er de voorkeur aan om bij mijn hoogste vriend te zijn."

Bijna 1432 jaar geleden is het, dat de Profeet van God (Moge Gods vrede en zegeningen zijn deel zijn), deze wereld verliet, maar zijn bezielende geest bleef doorwerken, waardoor zijn boodschap tot heden toe op levende wijze wordt voortgedragen. Mohammed, de boodschapper van Allah, aanschouwde het levenslicht op 12 april 570 volgens de christelijke jaartelling te Mekka. Zijn vader Abdoellah genaamd was reeds voor de geboorte van Mohammed overleden en zijn moeder Aminah eveneens toen hij zes jaar oud was.

De leeftijd van Aisja ten tijde van haar huwelijk

Er heerst een groot misverstand over de leeftijd van Aisja ten tijde van haar huwelijk met de profeet Mohammed (vzmh). Het misverstand is zo wijd verspreid en diepgeworteld dat moslims zelf het huwelijk van de profeet met de 6 of 9 jarige Aisja rechtvaardigen. Wij presenteren u graag 2 artikelen waarin dit wordt tegengesproken o.b.v. duidelijke bewijzen. Zodat dit misverstand uit de wereld wordt geholpen. Het eerste artikel is geschreven door Dr. Zahid Aziz en een tweede artikel (engels) dat beschikbaar is op aaiil.org.