Afvalligheid

Het woord irtidad is van de vorm ifti’al en komt van radd, dat betekent: het terugkeren. Ridda en irtidad betekenen beide: het terugkeren tot de weg, vanwaar men gekomen is. Maar ridda wordt in het bijzonder gebruikt voor het teruggaan tot het ongeloof, terwijl irtidad zowel in deze betekenis als in andere betekenissen wordt gebruikt (R.). De persoon die van de islam tot het ongeloof terugkeert heet murtadd (afvallige). Er heerst over het onderwerp afvalligheid een even groot misverstand als het onderwerp jihad, want zowel onder de moslims als onder de niet-moslims heerst over het algemeen de gedachte dat de islam de afvalligheid met de dood straft. Indien de islam verbiedt iemand het leven te benemen op grond van zijn godsdienst – dit is het grondbeginsel van de islam – dan doet het niets aan de zaak af, of men tot het ongeloof vervalt na moslim te zijn geweest of niet. Voorzover het de heiligheid van het leven betreft, staan de ongelovige (kafir) en de afvallige (murtadd) daarom op één lijn.

De afvalligheid in de Heilige Koran
De Heilige Koran is de hoofdbron van de islamitische wetten en daarom zullen wij deze eerst behandelen. In de eerste plaats vermeldt de Heilige Koran nergens impliciet een murtadd. Irtidad is het uitspreken van ongeloof of het duidelijk loochenen van de islam en niet omdat een persoon die de islam belijdt en zijn mening uit of een handeling verricht die naar de mening van een geleerde of een rechtsgeleerde niet-islamitisch is. Uitschelden van een profeet of oneerbiedigheid tegenover de Heilige Koran wordt dikwijls tot een valse verontschuldiging gemaakt om een persoon als murtadd te behandelen, al verklaart hij ook in de krachtigste bewoordingen dat hij in de Heilige Koran en de Profeet gelooft. In de tweede plaats wordt het algemeen heersende gedachte dat de islam een afvallige ter dood veroordeelt door de Heilige Koran volstrekt niet gestaafd.

Heffeming begint zijn artikel over murtadd in de Encyclopaedia of Islam met de volgende woorden: “In de Heilige Koran wordt de afvallige met straf in het hiernamaals alleen bedreigd”. Er wordt in één van de laat Mekkaanse openbaringen melding gemaakt van irtidad:

“Hij die niet in Allah gelooft na zijn geloof, niet hij die gedwongen wordt, terwijl zijn hart in rust is vanwege het geloof, maar hij die zijn borst opent voor het ongeloof – op hen is de toorn van Allah en zij zullen een zware kastijding hebben” (H.K. 16:106).

De murtadd wordt hier duidelijk met straf in het hiernamaals bedreigd. In latere openbaringen toen de islamitische regering onmiddellijk na de aankomst van de Profeet in Medina gevestigd was, was er niet de minste verandering in deze houding. In één van de vroege Medinese openbaringen wordt melding gemaakt van afvalligheid in verband met de oorlog die de ongelovigen voerden om de moslims met kracht en geweld afvallig te maken.

“En zij zullen niet ophouden u te bestrijden, tot zij u van uw religie doen terugkeren, indien zij het kunnen; en wie uwer van zijn religie terugkeert (yartadda, van irtidad), dan sterft hij, terwijl hij een ongelovige is – dat zijn degenen, van wie de werken in deze wereld en in het hiernamaals niets waard zullen zijn en zij zijn de inwoners van het vuur: daarin zullen zij wonen” 184 (H.K. 2:217).

Indien een persoon afvallig wordt, zal hij dus wegens de slechte daden niet in dit leven, maar in het hiernamaals gestraft worden. De goede daden die hij verricht heeft toen hij nog een moslim was, worden van nul en generlei waarde, als gevolg van de slechte levenswijze die hij heeft aangenomen. Het derde hoofdstuk, dat in het derde jaar na de Hidjra werd geopenbaard, spreekt herhaaldelijk van mensen die tot het ongeloof vervielen nadat zij moslims waren geworden. Hierover is vaak melding gemaakt van hun bestraffing in het hiernamaals:

“Hoe zal Allah mensen leiden, die niet geloofden na hun geloof en nadat zij getuigd hadden, dat de Gezant waarachtig was” (H.K. 3:85);
“Hun vergelding is, dat op hen is de vloek van Allah” (H.K. 3:86);
– “Behalve degenen, die daarna berouw hebben en zich beteren” (H.K. 3:88);
“Degenen die niet geloven na hun geloof, dan in ongeloof toenemen, hun berouw zal niet worden aangenomen” (H.K. 3:89).

————————————————————————
184 In hun ijver om in de Heilige Koran een doodvonnis voor afvalligen te vinden, hebben sommige christelijke schrijvers niet geaarzeld een absoluut verkeerde vertaling te geven van het woord fa-yamut (dan sterft hij) in de zin van: dan wordt hij ter dood gebracht. Fa-yamut is de bedrijvende vorm en yamutu betekent: hij sterft. Het gebruik van dit woord toont duidelijk aan dat afvalligen niet ter dood worden gebracht. Sommige uitleggers hebben een verkeerde gevolgtrekking uit de woorden “wier werken … niets waard zullen zijn” afgeleid. Deze woorden betekenen niet, dat hij als een vogelvrij verklaarde behandeld zal worden. Met zijn “werken” worden de goede daden bedoeld, die hij als moslim heeft gedaan en deze zijn zelfs in dit leven inderdaad niets waard, als men naderhand het ongeloof en slechte gedragingen aanneemt. Goede werken zijn alleen nuttig, indien ze een persoon voortdurend tot betere dingen brengen en in hem het bewustzijn van een hoger leven ontwikkelen. Elders worden de daden van een volk als niets waard vermeld, wanneer zij uitsluitend voor dit leven werken en het hogere veronachtzamen: “Degenen, wier arbeid in het leven van deze wereld verloren is gegaan en zij denken, dat zij bedreven zijn in het handwerk. Dat zijn degenen, die niet in de mededelingen van hun Heer en Zijn ontmoeting geloven; zo worden hun werken nietig en daarom zullen Wij ten dage van de Opstanding geen weegschaal voor hen oprichten” (H.K. 18:104, 105). In dit geval betekent de habt van de werken van dit leven: het nutteloos zijn daarvan, wat het hogere leven betreft.

Het meest overtuigende bewijs dat de dood niet de straf voor afvalligheid was, is vervat in de plannen die de joden opvatten, terwijl zij onder de islamitische regering in Medina leefden:

“En een groep van de volgelingen van het Boek zegt: Belijdt geloof in datgene wat geopenbaard is tot degenen die geloven, in het eerste gedeelte van de dag, en gelooft niet op het einde daarvan” (H.K. 3:71).

Hoe zouden mensen die onder geen islamitische regering leefden, een dergelijk plan opgevat kunnen hebben, – de islam in diskrediet te brengen -, indien afvalligheid met de dood strafbaar was? De Ma’ida is één van de hoofdstukken, die tegen het einde van het leven van de Profeet werden geopenbaard en toch is de murtadd zelfs daar vrij van enige straf in dit leven: “O u, die gelooft! mocht één uwer van zijn religie terugkeren, dan zal Allah mensen brengen, die Hij zal liefhebben en die Hem zullen liefhebben” (H.K. 5:54). De Heilige Koran maakt geen melding van een doodvonnis voor afvalligen. Een dergelijke vonnis zou ook teniet gedaan worden door de verzen die van afvalligheid melding maken, zoals door de magna charta van de godsdienstvrijheid, het 256 e vers van het tweede hoofdstuk: La ikrana fi-l-din, dat wil zeggen, “Er is geen dwang in de religie”.

Hadith’s over afvalligheid
Laat ons nu de Hadith raadplegen, want op deze bron hebben de Fiqhboeken hun doodvonnis voor afvalligen gebaseerd. De woorden in bepaalde hadith’s hebben ongetwijfeld de weerspiegeling van een later tijdperk. Toch kunnen wij uit zorgvuldige studies concluderen dat afvalligheid niet strafbaar was, tenzij ze met andere omstandigheden gepaard ging die de bestraffing van de overtreders vereisten. Buchari, die ongetwijfeld de zorgvuldigste van alle Hadith-verzamelaars is, is duidelijk over dit punt. Hij heeft twee “boeken” die over de afvalligen handelen:

1. Kitab al-muharibin min ahl al-kufr wa-l-ridda ofwel “Het boek van degenen die (tegen de moslims) oorlog voeren onder de ongelovigen en de afvalligen”
2. Kitab istitaba al-mu’anidin wa-l-murtaddin wa qitalihim ofwel “Het boek van tot het berouw roepen van de vijanden en de afvalligen en het oorlog voeren tegen hen”.

Deze beide opschriften zeggen al genoeg. Het opschrift van het eerste boek toont duidelijk aan dat daarin slechts die afvalligen behandeld worden, die tegen de moslims oorlog voeren. Dat van het tweede verbindt de afvalligen met de vijanden van de islam. Dit is het kardinale punt van de hele zaak waaraan het misverstand toe te schrijven is, namelijk dat er een leer werd geformuleerd die in strijd is met de duidelijke leerstellingen van de Heilige Koran. In de tijd dat er tussen de moslims en de ongelovigen een oorlog aan de gang was, gebeurde het vaak dat een persoon die afvallig werd, tot de vijand overliep en met hem meestreed tegen de moslims. Hij werd als een vijand behandeld, niet omdat hij tot een andere godsdienst overgegaan was, maar omdat hij tot de andere partij was overgelopen. Er waren ook toen stammen die met de moslims niet in oorlog waren en indien een afvallige overliep, werd hij ongemoeid gelaten. Zulke personen worden in de Heilige Koran uitdrukkelijk vermeld:

“Behalve degenen die bij een volk komen, waarmee u een verbond heeft, of die tot u komen, hun harten belettende u te bestrijden, of hun eigen volk te bestrijden; en indien het Allah behaagd had, zou Hij hun macht over u gegeven hebben, opdat zij u zouden hebben bestreden; derhalve, indien zij zich terigtrekken en u niet bestrijden en u de vrede aanbieden, dan heeft Allah u geen weg tegen hen gegeven” (H.K. 4:90).

Het enige, in betrouwbare hadith’s vermelde geval van de bestraffing van afvalligen is die van een groep van de stam van 'Ukul, die de islam aannam en naar Medina ging, maar vond dat zij niet tegen het klimaat van de stad bestand was. Zo zond de Profeet hen naar een plaats buiten Medina, waar de melkgevende kamelen van de staat gehouden werden, zodat zij in de open lucht wonen en van de melk drinken konden. Het ging hun goed totdat zij de hoeder van de kamelen doodde en de dieren wegjoeg. Toen de Profeet daarvan op de hoogte werd gebracht, stuurde hij een groep mensen om hen te vervolgen en werden zij ter dood gebracht 185 (Bu. 56:152).

————————————————————————
185 Er wordt in sommige hadith's gezegd dat zij doodgemarteld werden. Als dit al ooit gebeurde, dan was het slechts als vergelding, omdat vergelding vóór de openbaring van de strafwetten van de islam de heersende regel was. In sommige overleveringen staat dat deze groep van de stam van 'Ukul de hoeder van de kamelen de ogen uitstak en hem op hete stenen wierp om hem een langzame marteldood te laten sterven en dat zij op een dergelijke manier ter dood gebracht werden (Ai. VII, pagina 58). Maar andere ontkennen dat de wet van de vergelding in dit geval toegepast werd. Volgens deze overleveringen zou de Profeet zich voorgenomen hebben, hen op dezelfde wijze dood te martelen als zij de hoeder van de kamelen ter dood hadden gebracht. Maar voordat het doodvonnis werd voltrokken, ontving hij de openbaring die over de bestraffing van zulke overtreders handelde: “De straf van degenen, die oorlog tegen Allah en Zijn Gezant voeren en er naar streven kwaad in het land te stichten, is slechts deze, dat zij gedood of gekruisigd zullen worden of dat hun handen en hun voeten afgehakt zullen worden aan de tegenovergestelde zijden of dat zij gevangen zullen worden gezet” (H.K. 5:33) (IDj-C. VI, pagina 121). De afvalligen worden hier dus vermeld als oorlog te voeren tegen God en Zijn Gezant. De straf wisselt al naar gelang de aard van het misdrijf; het kan zijn doodstraf of zelfs kruisiging, wanneer de schuldige verschrikking in het land heeft verspreid, of het kan slechts gevangenzetting zijn.

De overlevering is duidelijk over het punt dat zij niet vanwege hun afvalligheid ter dood gebracht werden, maar omdat zij de hoeder van de kamelen gedood hadden.

Grote nadruk wordt gelegd op een hadith, die zegt: “Wie zijn godsdienst verandert, doodt hem” (Bu. 88:2). Neemt men echter datgene in aanmerking wat Buchari zelf heeft aangeduid, als hij de afvalligen als strijders beschreef of als hij hun naam met die van de vijanden van de islam verbond, dan is het duidelijk dat slechts die geloofsverzakers bedoeld worden die met de vijanden van de islam heulen en tegen de moslims oorlog voeren. Slechts door de betekenis van de hadith aldus te beperken, kan ze met andere hadith’s of met de in de Heilige Koran neergelegde beginselen overeengebracht worden. Feitelijk zijn de woorden daarvan zo veelomvattend, dat ze iedere geloofsverandering, ieder overgaan van de ene tot enige andere godsdienst in zich opnemen; dus ook een niet-moslim die moslim wordt, of een jood die christen wordt, moet gedood worden. Het is duidelijk dat een dergelijke bewering niet aan de Profeet toegeschreven kan worden. Daarom kan men de hadith niet aannemen, zonder haar betekenis te beperken.

Een andere hadith met betrekking tot hetzelfde onderwerp, gaat nog dieper in op de betekenis van wat hierboven is aangehaald. Er wordt in deze hadith gezegd dat men een moslim slechts in drie gevallen het leven kan benemen. Eén daarvan is: “Hij verzaakt zijn religie en scheidt zich af (altarik) van zijn gemeenschap (li-l-djama’a)” (Bu. 87:6). Volgens een andere redactie luidt ze: “die zijn gemeenschap verlaat (al-mufariq)“. Het zich afscheiden of het verlaten van de gemeenschap, dat hier als een noodzakelijke voorwaarde wordt bijgevoegd, betekent blijkbaar, dat de persoon de moslims verlaat en naar het vijandelijke kamp overloopt. De woorden van de hadith tonen dus aan dat ze betrekking heeft op een oorlogstijd. De afvallige verbeurde zijn leven niet wegens geloofsverandering, maar wegens desertie.

Een voorbeeld van een geloofsverandering komt ook in Buchari voor. “Een Arabier van de woestijn kwam tot Allah's Gezant en nam de islam uit zijn hand aan. Deze Arabier kreeg de volgende dag een koortsaanval, terwijl hij nog in Medina was en kwam bij Allah's Gezant en zei: O Allah's Gezant! geef mij mijn gelofte terug. – Allah's Gezant weigerde. Toen kwam hij weer en zei: Geef mij mijn gelofte terug. – En de Profeet weigerde. Toen kwam hij weer en zei: Geef mij mijn gelofte terug. – De Profeet weigerde weer en de Arabier vertrok” (Bu. 93:48). Deze hadith toont aan dat de man eerst de islam aannam en toen hij de volgende dag koorts kreeg, dacht hij dat het kwam doordat hij moslim was geworden en vroeg de Profeet zijn gelofte in te trekken. Dit was een duidelijk geval van afvalligheid, en toch wordt er nergens verhaald, dat men hem doodde. Integendeel, de hadith zegt, dat hij ongehinderd wegging.

Nog een voorbeeld van een geloofsverandering is die van een christen die moslim werd, toen afvallig werd en tot het christendom overging. Toch werd hij niet ter dood gebracht:

“Anas zegt, dat er een christen was die moslim werd en de Baqara en de Ali ‘Imran (het tweede en derde hoofdstuk van de Heilige Koran) las, en hij trachtte (de Heilige Koran) voor de Profeet te schrijven. Toen ging hij tot het christendom over en hij zei: Mohammed weet niets, behalve wat ik voor hem geschreven heb. – Toen deed Allah hem sterven en zij begroeven hem” (Bu. 61:25).

De hadith zegt verder hoe zijn lichaam door de aarde werd uitgeworpen. Dit was blijkbaar te Medina, na de openbaring van het tweede en derde hoofdstuk van de Heilige Koran, toen er een goed gevestigde islamitische staat was. En toch werd de persoon die afvallig werd, zelfs geen overlast aangedaan, hoewel hij over de Profeet in bewoordingen sprak, die hem buitengewoon veel afbreuk deden, en hem uitgaf voor een bedrieger, die niets wist behalve wat hij (de afvallige) voor hem had geschreven.

Wij hebben al aangetoond dat de Heilige Koran melding maakt van afvalligen die zich bij een stam aansloten, die op vriendschappelijke voet met de moslims leefde en van anderen die zich geheel en al van de oorlog terugtrokken, terwijl zij voor de moslims noch voor hun vijanden partij kozen, en dat hij zegt, dat zij met rust moesten worden gelaten (H.K. 4:90). Al deze gevallen tonen duidelijk aan, dat de hadith's betreffende het doden van geloofsverzakers alleen voor diegenen golden, die tegen de moslims oorlog voerden.

Afvalligheid en de Fiqh
Raadplegen wij de Fiqh, dan zien wij dat de juristen eerst een beginsel vaststellen, die lijnrecht in strijd is met de Heilige Koran, namelijk dat men een persoon het leven kan benemen vanwege zijn afvalligheid. Zo staat er in de Hidaya: “De murtadd (afvallige) zal de islam aangeboden krijgen, ongeacht het feit of hij een vrije man of slaaf is. Indien hij weigert, dan moet hij gedood worden” (H. I, pagina 576). Maar dit beginsel wordt direct daarop tegengesproken, als de afvallige genoemd wordt “een in oorlog zijnde ongelovige (kafir-un harabiyy-un), tot wie de nodiging tot de islam reeds gekomen is” (H. I, pagina 577). Dit toont aan dat de afvallige ook in de Fiqh zijn leven verbeurt, omdat hij als een met de moslims in oorlog zijnde vijand beschouwd wordt. Voor een geloofsverzaakster is de regel vastgesteld dat zij niet ter dood gebracht zal worden, waarvoor het vastgesteld dat zij niet ter dood gebracht zal worden, waarvoor het volgende argument wordt gegeven:

“Onze reden daarvoor is dat de Profeet het doden van vrouwen verbood en omdat vergeldingen (van het geloof of het ongeloof) oorspronkelijk tot het latere verblijf worden uitgesteld doordat het verhaasten er van (in dit leven) wanorde brengt en een afwijking van dit (beginsel) alleen toegestaan is wegens een onmiddellijk onheil, en dat is hirab (oorlog), en dit kan van de vrouwen niet verwacht worden, wegens de ongeschiktheid van hun gestel” (H. I, pagina 577).

De annotateur voegt hieraan toe: “Het doden wegens afvalligheid is verplicht, om het onheil van de oorlog te voorkomen en het is geen straf voor de daad van het ongeloof” (ibid). En verder: “Want enkel ongeloof wettigt het doden van een persoon niet” (ibid). Opgemerkt wordt dat de rechtsgeleerden, evenals in het geval van de oorlog tegen de ongelovigen, in dwaling verkeren en dat er duidelijk een strijd gaande is tussen de beginselen, zoals ze in de Heilige Koran zijn vastgesteld en de misvattingen die, hoe dan ook, in de geest van de rechtsgeleerden zijn binnengedrongen. Het is duidelijk vastgesteld dat de afvallige niet vanwege zijn ongeloof gedood wordt, maar wegens hirab of zijn verkeren in staat van oorlog. Het argument wordt duidelijk gegeven dat het doden vanwege ongeloof in strijd is met de aangenomen beginselen van de islam.

Maar de misvatting is dat de geschiktheid om oorlog te voeren als een oorlogsvoorwaarde wordt beschouwd, wat zeer onlogisch is. Wanneer bedoeld wordt dat de afvallige het vermogen bezit om oorlog te voeren, dan kan zelfs een kind potentieel een harabiyy (een in oorlog zijnde persoon) genoemd worden, omdat hij tot een man zal opgroeien en geschikt zal zijn om oorlog te voeren. Zelfs geloofsverzaaksters kunnen niet uitgezonderd worden, omdat zij ook het vermogen bezitten om oorlog te voeren. De wet van de bestraffing berust niet op vermogens, maar op feiten. Ook de Fiqh erkent dus het beginsel dat men een persoon het leven niet kan benemen vanwege een geloofsverandering en dat de afvallige niet gedood kan worden, tenzij hij in staat van oorlog is. Dat de rechtsgeleerden een vergissing hebben begaan bij het omschrijven van een hirab of een staat van oorlog, is een heel andere zaak.