De Ark van Noach

In het jaar 1902 trof de Britse overheid in Hindustan (India) op zeer grote schaal maatregelen om de bewoners van de provincie Punjab te vaccineren tegen een heersende pestepidemie. Het was onder deze omstandigheden dat hazrat Mirzā een boek schreef met de titel Kishti Nūh, dat uitgegeven werd op 5 oktober 1902. Analoog aan het plan van de overheid voor het verschaffen van een aardse vaccinatie, presenteerde hazrat Mirzā in dit boek aan de mensen een, als het ware, hemelse vaccinatie. De volgende dichtregels werden zeer opvallend op het titelblad gedrukt:

“Deze plaag heeft het hart van de wereld in stukken gescheurd, Dit is niet louter een plaag, maar in werkelijkheid een grote opschudding. Kom spoedig hierheen om bescherming te zoeken in ons schip, Want dit schip heeft de bijstand van de Wetende God.”

Al dadelijk bij het begin betuigt hazrat Mirzā zijn erkentelijkheid over de maatregelen die de Britse regering had genomen om de massa tegen de plaag te vaccineren. Hij stelt echter:

“Met groot respect voor de meelevende overheid wil ik graag zeggen dat, indien er geen hemelse bescherming voor mijzelf was, ik de eerste zou zijn om mij te laten vaccineren. … Het is de wil van Allāh die mij ertoe geleid heeft  persoonlijk af te zien van het laten vaccineren van mezelf, en het is de wil van Allāh die mij er nu toe leidt te verklaren dat iedereen, die bescherming heeft gezocht binnen de vier muren van mijn huis, ook geen vaccinatie nodig heeft.”

Na deze verklaringen presenteert hazrat Mirzā zijn leringen “om antwoord te geven op de vragen van degenen die graag iets willen weten over die leringen die, indien strikt nageleefd, iemand zullen redden van het onheil van de plaag”. Hij begint met te zeggen:

“Laat het duidelijk zijn dat het afleggen van de eed en het belijden met slechts de lippen nutteloos is, indien het niet samengaat met overtuiging in het hart en het toepassen ervan via goede daden. … Laat men ook begrijpen dat, wanneer Allāh zegt dat Hij veiligheid schenkt aan degenen die toevlucht hebben gezocht in mijn huis, Hij die mensen bedoelt die mij volkomen gehoorzamen en degenen die mijn geestelijk huis zijn binnengetreden. Allāh bedoelt niet die mensen die toevlucht hebben gezocht in mijn wereldlijk huis, dat uit hout en stenen bestaat.”

Hazrat Mirzā presenteert dan de zuivere leringen van de Heilige Korān en de Sunna, om de kernpunten ervan aan de lezer over te brengen. Hij behandelt de Eenheid van God, evenals menselijke kennis en het concept van God, alsook de kennis van en volkomen gehoorzaamheid aan de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allāh zij met hem). Deze verhandeling is inderdaad, als het ware, een extract dat in boekvorm is gegoten. Het is geheel onmogelijk om het hier samen te vatten, of om recht te doen aan de kracht en schoonheid van deze uiteenzetting. De lezer wordt dan ook verwezen naar het oorspronkelijke boek. Hazrat Mirzā heeft ook de leden van zijn Djamā`at [Beweging] sterk aangespoord om vroomheid na te streven en zich goede zeden eigen te maken. De passages waarin hij de Grootheid van Allāh beschrijft en zijn volgelingen aanspoort Zijn nabijheid te zoeken, zijn ongeëvenaard in hun sublimiteit. Āmīn.

Klik hier om het boek te openen