Waarde van rede erkend in de Islam

Het redeneren of oordelen in zowel theologische als wettelijke zaken speelt in de islam als religie een zeer belangrijke rol. De waarde van de rede wordt in de Heilige Koran uitdrukkelijk erkend. Hij doet herhaaldelijk een beroep op de rede en is vol aanmaningen: “Denkt gij niet na?”; “Begrijpt gij dan niet?”; “Hebt gij dan geen verstand?”; “Daarin zijn tekenen voor mensen die nadenken”; “Daarin zijn tekenen voor mensen die begrijpen”; enzovoorts. Degenen die hun verstandelijke vermogens niet gebruiken, worden met dieren vergeleken en van hen wordt gezegd dat zij doof, stom en blind zijn:

En de gelijkenis van degenen, die niet geloven, is als de gelijkenis van iemand, die tot datgene schreeuwt wat niet meer hoort dan een roep en een schreeuw; iemand die doof, stom (en) blind is, daarom begrijpen zij niet. (H.K.2:171)

– Zij hebben harten, waarmee zij niet begrijpen, en zij hebben ogen, waarmee zij niet zien; en zij hebben oren, waarmee zij niet horen; zij zijn gelijk het vee; neen, zij zijn in grotere afdwaling. (H.K.7:179)

– Waarlijk, de slechtste van de dieren zijn voor Allah de doven, de stommen, die niet begrijpen. (H.K.8:22)

– Of denkt gij dat de meeste van hen horen of begrijpen? Zij zijn slechts gelijk het vee; neen, zij dwalen verder van het pad af. (H.K.25:44).

Degenen die hun verstand of oordeel niet gebruiken worden veroordeeld en degenen die dit wel doen worden geprezen:

“Waarlijk, in de schepping van de hemelen en van de aarde en (in) de afwisseling van de nacht en de dag zijn tekenen voor mensen met verstand: Degenen die aan Allah gedenken, staande en zittende en op hunne zij liggende en die over de schepping van de hemelen en van de aarde nadenken” (H.K.3:189, 190).

De Heilige Koran verklaart dat openbaring een hogere bron van kennis is dan het verstand, maar geeft tevens toe dat men over de waarheid van de door openbaring vastgestelde beginselen door het verstand kan oordelen. Vandaar dat de Heilige Koran herhaaldelijk een beroep doet op het verstand en degenen veroordeelt die hun verstandelijke vermogens niet gebruiken. Hij erkent ook de noodzakelijkheid van het oordelen om tot een besluit te komen:

“En wanneer er tot hen een tijding van veiligheid of vrees komt, verspreiden zij die. En indien zij die de Apostel en de gezaghebbende onder hen voorgelegd hadden, zouden degenen onder hen, die achter de waarheid kunnen komen, die geweten hebben” (H.K.4:83).

Het in de tekst voorkomende woord voor de onderstreepte woorden is yastanbitun, afgeleid van istinbat dat weer een afgeleide is van nabat albi’ra (hij groef een put uit en bracht water te voorschijn). De istinbat van de rechtsgeleerde is daarvan afgeleid en betekent “het uitzoeken van de verborgen betekenis” door zijn idjtihad en is hetzelfde als istichradj, wat betekent het deduceren door analogie (TA.). Het vers erkent dus het beginsel van het oordelen dat hetzelfde is als Idjtihad en hoewel het bij een bijzondere gelegenheid vermeld wordt, is het erkende beginsel toch een algemeen beginsel.