Saum of het vasten

De oorspronkelijke betekenis van saum is: zich onthouden in onbeperkte zin (al-imsaku ‘ani-l-fi’l) en houdt in: zich onthouden van eten, spreken of rondlopen. Zo zegt men van een paard dat zich onthoudt van rondlopen of het gebruik van voedsel dat het sa’im is en van wind zegt men dat hij saum is wanneer hij gaat liggen en van de dag wanneer de zon het hoogste punt heeft bereikt (R.). Het woord ‘spreken’ wordt in de Heilige Koran in een vroege Mekkaanse openbaring gebruikt: “Zeg: Waarlijk, ik heb de Weldadige God een gelofte van vasten gedaan; zo zal ik heden tot niemand spreken” (H.K. 19:26). In de technische zin van de islamitische wet betekenen saum en siyam de vasten of zich onthouden van voedsel, drank en seksuele gemeenschap van dageraad tot zonsondergang.

De invoering van de vasten in de islam
De invoering van de vasten kwam in de islam na die van het gebed. In Medina, in het tweede jaar na de Hidjra, werd de vasten verplicht gesteld en de maand Ramadan voor dit doel gekozen. Voorheen vastte de Profeet
als vrijwillige devotie op de 10de van de maand Muharram. Hij beval zijn  volgelingen ook op deze dag te vasten. Deze dag was volgens A’isja ook voor de Quraisjieten een vastendag (Bu. 30:1). De vasten in de islam vindt haar oorsprong in de tijd toen de Profeet nog in Mekka was. Volgens Ibn ‘Abbas zag de Profeet, na zijn vlucht naar Medina, de joden op de 10de van de maand Muharram vasten. Hem werd verteld dat Mozes op die dag vastte ter herdenking van de verlossing van de Israëlieten van de Farao. De Profeet merkte op dat de moslims nader bij Mozes waren dan de joden en
beval die dag om als een vastendag in acht te nemen (Bu. 30:69).

Een universele instelling
In de Heilige Koran wordt het onderwerp vasten slechts op één plaats behandeld, namelijk in de 23ste paragraaf van het tweede hoofdstuk. In andere verzen komt vasten in bepaalde gevallen ook voor maar meer in de betekenis van vergoeding of fidya. Deze paragraaf begint met de opmerking, dat de instelling van de vasten een universele instelling is: “O u die gelooft! de vasten is u voorgeschreven, zoals het degenen vóór u werd voorgeschreven, opdat u zich tegen het kwaad zult hoeden” (H.K. 2:183). De waarheid van de hier gegeven verklaring dat de vasten “degenen vóór u werd voorgeschreven” wordt door de godsdienstgeschiedenis bevestigd.

Het gebruik van de vasten is in alle geopenbaarde godsdiensten nagenoeg algemeen erkend, hoewel er niet altijd dezelfde nadruk op wordt gelegd waardoor de vorm en het motief verschilt.

“De wijzen en motieven daarvan verschillen aanmerkelijk overeenkomstig de streek, het ras, de beschaving en andere
omstandigheden; maar het zou moeilijk zijn enig godsdienststelsel, welk ook, te noemen, waarin het helemaal niet erkend wordt” (En. Br., art. Fasting).

De leer van Confucius is volgens de schrijver in de Encyclopaedia Britannica de enige uitzondering. Van de leer van Zoroaster, die soms als een andere uitzondering wordt genoemd, wordt er gezegd dat ze “althans de priesterschap jaarlijks niet minder dan vijf vasten” oplegde.
Het christendom van nu hecht niet veel waarde aan dit soort godsdienstplichten, maar de stichter van het christendom vastte niet alleen veertig dagen maar nam ook als een ware jood de vasten op de Verzoendag in acht en beval zijn discipelen ook te vasten: “En wanneer u vast, toon geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; … Maar u, als u vast, zalf uw hoofd, en was uw aangezicht” (Matth. 6:16, 17). Het schijnt dat zijn discipelen wel vastten, maar niet zo dikwijls als de discipelen van Johannes de Doper. Toen hem daarover werd gevraagd, antwoordde hij dat zij vaker zouden vasten als hij weggenomen zou zijn (Luk. 5:33-35). Van de eerste christenen wordt vermeld dat zij vastten (Hand. 13:2, 3; 14:23). Ook Paulus vastte (2 Kor. 6:5; 11:27).